Geschiedenis van Den Haag
kop ooievaar

ooievaarkleinerNa het vertrek van de Romeinen raakte Nederland op nog niet opgehelderde wijze ontvolkt. Eeuwen later woonden hier Friezen, onder Friese koningen.

kopfoto van germaanse tijd

Den Haag en de Germaanse tijd

Nadat de Romeinen zich uit ons land hadden teruggetrokken, werd hun plaats ingenomen door Germaanse stammen. Die leefden niet volgens de Romeinse cultuur en konden niet schrijven. Zij lieten geen boeken of documenten na waarin zij schreven over hun leven. Over de Germaanse tijd is daarom weinig bekend. De Haagse regio lag eerst binnen de grenzen van het Germaanse koninkrijk der Friezen. Dit koninkrijk werd later ingelijfd bij een Frankische koninkrijk. Dit rijk groeide uit tot het grote Duits rijk. Ambtenaren van dat rijk, de graven van Holland, gelden als de officiƫle stichters van Den Haag.

Het Friese rijk

Voor zover in de Haagse regio mensen woonden, waren dat Friezen. Het is niet bekend wie deze Friezen waren en hoe zij leefden. Friesland reikte van Noord-Duitsland tot aan Zeeland. De Friese koningen zouden rijk zijn geweest en hadden een hoge status onder de Germanen. De Friezen waren relatief rijk door het drijven van handel. De Hollandse kuststreek waar zij woonden, lag erg gunstig voor handel tussen Scandinaviƫ, Engeland en het Duitse (Frankische) rijk. Vermoedelijk waren de Friezen verwant aan de Saksen die vanuit Noord-Duitsland veroveringstochten naar Engeland maakten. Groepen Saksen bleven daar definitief wonen en stichtten samen met de Angelen enkele Angel-Saksische staatjes. De verwantschap tussen Saksen en Friezen zal de handel hebben vergemakkelijkt.

 

Doordat er na het vertrek van de Romeinen geen goede en veilige wegen meer waren, ging de handel in deze tijd ook in het binnenland per schip. De Friezen werden de tussenhandelaren van Noordwest Europa en in de 8ste en 9de eeuw bereikten de Friese handel een grote bloei. Dorestad (Wijk bij Duurstede) was hun handelscentrum. Ook toen de Friese koningen door de Franken waren verslagen en de Friezen waren ingelijfd door de Franken, bleef Dorestad een belangrijk handelscentrum. De Friese bewoners en de Friese taal verdwenen niet meteen. Zij werden langzaam naar het noorden teruggedrongen. De vroegere Friezen hoeven overigens niet verwant te zijn met de huidige Friezen. Dat is nog niet duidelijk.

Frankische rijk en Duitse rijk

Het Frankische rijk was ontstaan uit een verbond van stammen die zich Franken noemden. Onder Karel de Grote bereikte het rijk haar grootste omvang. Ondanks dat het Frankische rijk zo groot werd, bleef het in alle opzichten een primitieve Germaanse staat. Op politiek, economisch en cultureel terrein kon het niet in de schaduw staan van het Romeinse rijk. Dit veranderde niet toen de Frankische koningen zichzelf door de paus tot keizer lieten kronen en hun land omdoopten in het Heilige Roomse Rijk (of Duitse Rijk).

 

Terwijl het Friese Dorestad een bloeiende handelsstad was, woonden er in Den Haag en omgeving nauwelijks mensen. Het is waarschijnlijk dat hier mensen hebben gewoond, omdat oude geografische namen uit de Romeinse tijd ongewijzigd bleven voortbestaan. Zonder hen hadden nieuwe bewoners alle plaatsen en rivieren een nieuwe naam gegeven. Een naam als Loosduinen was al veel eerder bekend, maar de naam Den Haag is vermoedelijk nieuw. De naam komt niet eerder voor dan de dertiende eeuw. Het waren de graven van Holland, of iemand van hun kanselarij, die voor het eerst de naam Die Haghe gebruikten.

Het Duitse Rijk

Het graafschap Holland (groen)in het Duitse Rijk. De 'hoofdstad' Aken ligt relatief dichtbij, maar het machtscentrum van het rijk lag vaak verder weg. Dit hing af van de woonplaats van de gekozen keizer. De in dit verhaal belangrijke keizers kwamen bijvoorbeeld uit Beieren komen, of uit Bohemen.

Graven

De graaf was oorspronkelijk een ambtenaar van het Frankische rijk. Deze functie ontstond toen dit rijk te groot werd om alleen door de koning te worden bestuurd. De graven kregen een bepaald district toegewezen om toezicht te houden, recht te spreken en belasting te innen. Van de eerste graafschappen in West-Nederland is niet veel bekend. De naam en de ligging zijn bekend, maar zelden de namen van de eerste graven.

 

Door allerlei omstandigheden liep het gezag van de Frankische koningen en keizers die na Karel de Grote kwamen snel terug. Frankische prinsen streden om de troon en zochten hiervoor steun bij graven en andere machthebbers. Die kregen in ruil voor steun meer invloed. Graven kreeg op den duur zoveel mocht dat de rollen werden omgedraaid. De keizer werd niet meer opgevolgd door zijn zoon, maar door iemand die door graven werd gekozen. De koning was geen alleenheerser en kon niet verhinderen dat graven steeds meer zelfstandig werden. De graven werden op den duur koning in hun eigen gebied.

Noormannen

Vooral de graven buiten het centrum van het rijk konden zelfstandig worden. In Nederland was de situatie voor ambitieuze graven en andere heren nog gunstiger. De Rijndelta werd geteisterd door Noormannen. Die konden met hun schepen vanuit zee vrij ver onze rivieren opvaren om te roven. Ze werden gehinderd door een sterk Frankisch leger, want het centrale gezag stelde in deze moerassige uithoek van het rijk niet veel voor.

 

De Frankische koning stond zelfs toe dat de Deen Rorik hier een eigen Noormannenrijk vestigde. Hij erkende Rorik en diens zoon Godfried zelfs als vazal. De koning hoopte natuurlijk dat Rorik en Godfried de orde zouden handhaven, maar dat dezen zij niet. Zij gaven andere Noormannen zelfs hulp bij rooftochten. Dat werd zo erg dat de Franken Godfried in 885 bij Lobith in een hinderlaag lokten en lieten vermoorden. Een van de vermoedelijke daders was een van Godfried's graven, de Fries Gerulf. Als dank kreeg Gerulf van de koning flink wat grond geschonken in zijn graafschap Kennemerland. De meeste historici denken dat Gerulf een nazaat was van de vroegere Friese koningen.

Graven van Holland

Gerulf's zoon Dirk I was net als zijn vader graaf over een klein gebied in Noord-Holland. Hij werd graaf van Friesland genoemd. De graven Gerulf, Dirk I en hun nakomelingen probeerden steeds hun graafschap en hun macht uit te breiden. Dat ging niet zonder tegenstand en de latere graaf Dirk III moest zijn gebied in Noord-Holland zelfs helemaal opgeven. Hij week uit naar Vlaardingen en begon van daaruit met de verovering van het nieuwe graafschap Holland. Dat ging hem erg goed af. Hij durfde het zelfs aan de Duitse keizer te tarten. Toen deze in 1018 een strafexpeditie stuurde versloeg Dirk het keizerlijk leger met wat geluk bij Vlaardingen.

 

De graven van Holland waren goede vechters en kundige landsbestuurders maar ze hadden ook talent op financieel gebied. Ze plaatsten tollen langs de grote rivieren. Schepen die daar passeerden moesten tol betalen. Ze deden dat illegaal, want het recht op tolheffing was voorbehouden aan de keizer. Maar niemand slaagde er definitief in dat te verbieden. Ook bevorderden ze de ontginning van onbruikbaar veenland. Die grond kon voor landbouw worden gebruikt en dat gaf hogere belastinginkomsten. Deze rijkdom maakte het volgens historici mogelijk dat de Hollandse graven in de 12de en 13de eeuw zo snel hun macht konden vergroten.

 

De Hollandse graven waren rijk naar de maatstaven van hun tijd. Dat betekende niet dat ze een schitterend paleis konden bouwen of dat ze een grote hofhouding of voldoende ambtenaren konden betalen. Rijkdom van toen is niet te vergelijken met rijkdom in een andere tijd. Ook waren graven nog niet zo machtig dat ze bestuurstaken durfden te delegeren. Ze reisden daarom zelf door hun land om te besturen en recht te spreken. In verschillende plaatsen hadden ze eigen huizen, die 'herbergen' werden genoemd. Tijdens hun rondreizen verbleven ze daar. De graaf had ook nog enkele hoven (landgoederen) en hij verbleef vaak in abdijen waar hij geld aan gaf. De bekendste waren de abdijen te Egmond en Middelburg.

vervolgpijl Vervolg: tijd van Graven van Holland

Literatuur

• Besteman, J.C., J.M. Bos, H.A. Heidinga, Graven naar Friese koningen. De opgravingen in Wijnaldum., Franeker 1992.

• Halbertsma, H., Frieslands oudheid, Utrecht 2000.