Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDeze pagina zal in oktober klaar zijn.

kopfoto

De omwenteling van 1813 (Tweehonderd jaar Koninkrijk)

Deel 1: De gebeurtenissen van 1813 in Den Haag

Deze pagina beschrijft de gebeurtenissen die in 1813 voorafgingen aan de omwenteling van november 1813 in Den Haag. Op 30 november 1813 landde de prins van Oranje op het strand van Scheveningen, maar daarvoor was het in Den Haag al onrustig geweest. Oranjegezinden in Den Haag hadden al zeker een jaar gewacht op een kans om de Fransen te verdrijven. In november was het dan eindelijk zover.

Hoe de Oranjes in 1795 moesten vluchten en lange tijd in ballingschap moesten hopen op terugkeer naar ons land, kunt u lezen in Oranje in ballingschap. Op deze pagina vindt u informatie over het ontstaan van het stadhouderschap en het bestuur van ons land vóór 1795.

N.B. Deze pagina zal in november gereed komen.

Guillotine in Den Haag.

In 1812 stond een Franse guillotine op het Groenezoodje in Den Haag (Dagboek Baake, Gemeentearchief Den Haag.

Winter van 1812

Terwijl de ontevredenheid in Nederland over de inlijving bij Frankrijk toenam (zie deel 1) veranderde er weinig aan de situatie. Er was geen uitzicht op bevrijding van het Franse bewind. De Franse keizer Napoleon won veldslag na veldslag en had vrijwel geheel West- en Midden-Europa bezet. Landen als Nederland en België waren ingelijfd bij Napoleons Franse rijk. Andere landen waren gedwongen bondgenoot te worden.

 

Duitsland bestond uit verschillenden landen en was officieel een keizerrijk. De keizer had echter weinig gezag over de vorsten van grote Duitse staten als Beieren, Pruisen, Saksen en Hannover. Die staatjes stonden veelal onder Frans bestuur, onder Frans toezicht of waren gedwongen tot een bondgenootschap. Ook de koning van Pruisen was na een zware nederlaag door Napoleon gedwongen tot een oneervol bondgenootschap. Pruisen had al het pas veroverde Poolse gebied af moeten staan aan Napoleon. Dit gebied was door Napoleon omgevormd tot het Hertogdom Warschau. Hij liet het besturen door de koning van Saksen, ook al zo’n onvrijwillige bondgenoot. En ook Oostenrijk en Beieren waren net zulke weinig enthousiaste bondgenoten. Verschillende Duitse vorsten moesten troepen afstaan voor het Franse leger en een deel van het Franse garnizoen in Den Haag bestond uit Duitse soldaten, de ‘Etrangers’ (vreemdelingen). Het Franse leger van Napoleon was groot, maar zijn buitenlandse hulptroepen waren niet volledig betrouwbaar.

 

Van de grote Europese landen was alleen Engeland nog in oorlog met Frankrijk. Napoleon wilde Engeland nog veroveren, maar dan moest hij zijn leger eerst met schepen over het Kanaal vervoeren. Engeland werd beschermd door een grote vloot. Het Britse landleger was te klein om op het vasteland van Europa het grote Franse leger te kunnen verslaan, maar een groot Brits leger bestreed de Fransen met succes in Portugal en Spanje. De Nederlandse prins Willem, de toekomstige koning Willem II, was adjudant van de Britse opperbevelhebber in Spanje (Wellesley, later Wellington genoemd). Deze “Prins van Oranje” maakte indruk door zijn roekeloze moed. Aan de Franse kant vochten bij tijd en wijle ook Nederlandse soldaten mee1.

 

De andere Europese grootmacht die nog niet door Napoleon onder de voet was gelopen, was Rusland. De Russische tsaar noemde zich bondgenoot van Napoleon, maar ook dat was hij niet van harte.

 

Vanaf de inlijving bij Frankrijk in1811 was Den Haag dus departementshoofdstad van het Franse Département de la Bouches du Meuse. Voor Nederlanders die het Frans niet machtig waren, had het departement ook een officiële Nederlands naam: Departement van de Monden van de Maas. Net als de andere Nederlanders waren de Hagenaars sinds 1811 officieel Frans, maar niet iedereen was daar even enthousiast over (zie verder deel 1). De Fransen hadden op veel mensen indruk gemaakt door goede vernieuwingen op het gebied van rechtspraak en bestuur. Onder Franse invloed was ook in Nederland gaan gelden dat iedereen gelijk was voor de wet. In de tijd van de Oranje-stadhouders was dat niet zo. De ene Nederlander had meer kansen in de rechtszaal dan de andere Nederlander.

 

En keizer Napoleon maakte op veel mensen ook indruk door de lange rij militaire overwinningen. Sommige mensen dienden graag onder een onverslaanbare generaal. Maar andere mensen gingen weer niet graag in militaire dienst. Napoleon had een eindeloze stroom nieuwe soldaten nodig ter vervanging van anderen die al gesneuveld waren. En zijn legers hadden paarden, uniformen, wapens, munitie en voedsel nodig. Daar moest ook Nederland een deel van leveren.

 

Nederlanders waren door de inlijving bij Frankrijk (1811) Franse staatsburgers geworden. Zij werden ook opgeroepen voor de Franse dienstplicht. Vóór de komst van de Fransen hadden Nederlanders daar geen last van gehad, omdat ons land vroeger een beroepsleger had. Veel mensen probeerden de dienstplicht (“conscriptie”) te ontlopen. Dat probeerden veel Fransen overigens zelf ook.

 

Naast de dienstplicht zorgden de hoge belastingen en de slechte economie voor ontevredenheid. Omdat een invasie van Engeland erg moeilijk was, probeerde Napoleon het land op de knieën te krijgen met een economische boycot. Hij verbood in alle landen op het vasteland de handel Engeland (het ‘Continentaal Stelsel’). Deze handelsboycot had ook een negatief effect op Frankrijks bondgenoten. De grote Engelse vloot maakte het Napoleons bondgenoten ook moeilijk om zeehandel te drijven. Veel Nederlanders verdienden hun geld met handel en door de oorlog lag die vrijwel stil. Ook Scheveningse vissers liepen veel geld mis omdat ze niet naar niet meer Engeland mochten varen. Tot in de zeehavens van Noord-Duitsland controleerden Franse douaniers op de smokkel met Engeland. Rusland deed mee aan de boycot tot 1812. Toen besloot de Russische tsaar de handel op Engeland weer toe te staan. Vermoedelijk leed zijn land er zelf economische schade door.

De Russische veldtocht

Hoewel de handelsboycot tegen Engeland mogelijk niet echt effect had, leed keizer Napoleon gezichtsverlies het overlopen van de Russische tsaar. Vooral daarom besloot hij Rusland aan te vallen. Hij liet massaal nieuwe lichtingen dienstplichtigen oproepen. Samen met de troepen van bondgenoten had hij in juni 1812 een groot leger van naar schatting 500.000 militairen in Noord-Pruisen (nu Polen) bijeen gebracht (Pruisen was in naam nog bondgenoot). Zijn grote leger had veel Duitse eenheden en zo’n 15.000 Nederlandse militairen.

 

Op 24 juni 1812 viel Napoleon met zijn grote leger Rusland binnen. De keizer had gehoopt op een korte veldtocht, maar de Russen trokken zich steeds terug en lieten zich niet verleiden tot een veldslag. Die hadden ze waarschijnlijk verloren en ze hoopten door terugtrekken het Franse leger eerst uit te putten. Naarmate Napoleons leger verder in Rusland was, des te moeilijker was de bevoorrading. Het Franse leger nam nooit veel voorraden mee, maar gebruikte vooral wat ze onderweg aan voedsel vonden. De Russen vernietigden bij hun terugtocht alles wat Napoleons soldaten konden gebruiken. Toen Napoleons leger na anderhalve maand Moskou bereikte, was het al meer dan gehalveerd. Soldaten waren gedeserteerd, ziek geworden of overleden of ze waren gedood bij enkele kleine veldslagen 3.

Nieuws over de Russische veldtocht

Ondertussen vierde men in Den Haag feest, zoals altijd bij Franse hoogtijdagen. Tegenslagen over de Russische tocht werden niet gemeld. De Franse propaganda schreef alleen over successen en niet over tegenslagen. Dus lazen de Hagenaars in de kranten enthousiaste berichten over de Franse opmars. Meestal duurde het zo’n twee weken voordat gebeurtenissen, via een officieel bulletin van het Franse opperbevel in de krant kwamen. Bij slechts nieuws kon het nog langer duren, maar meestal was het slechte nieuws dan als gerucht al rond gegaan.

 

Daarom organiseerden de Franse autoriteiten in Den Haag op 15 augustus onbekommerd feest ter gelegenheid van Napoleons verjaardag. Bewoners van enkele straten waren weer verplicht feestverlichting op te hangen, kerkklokken werden geluid, het carillon speelde en op het Malieveld werd aan sport gedaan. Wie het snelst een 51 voet (15 meter) hoge paal in klom, kon een zilveren horloge winnen, of een zilveren tabaksdoos of een ham of een worst. En een in Den Haag gelegerde compagnie reservisten (“compagnie de réserve”) kreeg door de Franse prefect een vaandel uitgereikt. ‘s Avonds kon je in de schouwburg naar een galavoorstelling en je kon naar een bal op de Place du Roi de Rome, het Plein4.

 

Nadat op 14 september een sterk uitgedund Frans leger Moskou was binnen getrokken, vierden de Fransen in Den Haag op 11 oktober de bezetting van Moskou. De intocht werd gevierd als een grote overwinning, met klokgelui, carillonspel en kerkdiensten. Gouverneur-generaal Lebrun was toevallig in Den Haag (zijn zetel was Amsterdam) en hij inspecteerde de troepen op het Malieveld. Lebrun was gouverneur-generaal van de Nederlandse departementen. De Nederlandse departementen hadden een bijzondere status binnen Frankrijk, met een eigen gouverneur-generaal. Nederland was in 1811 ingelijfd, maar nog niet echt geïntegreerd in het Franse rijk. Paleis Huis ten Bosch was Lebruns zomerverblijf. Ook dat werd ’s avonds feestelijk verlicht.

 

Maar de intocht in Moskou was zeker geen overwinning. De Fransen waren niet goed voorbereid op de ijzige Russische winter. Ze hadden gebrek aan van alles, want de Russen hadden ook uit Moskou alle voorraden weggehaald. Toen in de verlaten stad verschillende branden uitbraken, die het grootste deel van de stad in de as legden, konden de Fransen er niet meer blijven. Napoleon gaf opdracht tot een terugtocht die voor de schaars geklede en slecht gevoede soldaten dramatische werd. De Fransen en bondgenoten werden voortdurend aangevallen door Russische troepen.

 

Het ongeveer 500.000 soldaten tellende leger was al meer dan gehalveerd, maar uiteindelijk arriveerden slechts ongeveer 23.000 militairen op Duits grondgebied. Van de ongeveer 15.000 Nederlandse militairen keerden er vermoedelijk slechts enkele honderden terug. Hoeveel er van hen overleden of gesneuveld en krijgsgevangen of gedeserteerd waren, is niet bekend5.

Franse nederlaag wordt bekend

De Fransen vertelden weinig over de vernederende terugtocht, maar gingen geruchten rond. Daarom mensen het Franse gezag te tarten toen op 2 december de kroning van Napoleon werd herdacht. De Fransen hielden de feestelijkheden beperkt. Er was een dienst in de Grote Kerk en ‘s avonds was de stad verlicht. Groepen Hagenaars vonden het een mooie dag voor opstootjes.

 

Op 21 december lieten de Fransen in het 29ste legerbulletin doorschemeren dat de Fransen in Rusland een nederlaag hadden geleden. Kolonel Tullingh, hoofd van de Haagse schutterij, waarschuwde de Franse generaal Radet dat de “zoogenaamde overwinningen” op zijn schutters een diepe indruk hadden gemaakt. Hij bedoelde natuurlijk dat ze nog minder enthousiast waren om het Franse bewind te steunen6.

Ook Pruisen doet mee

Ook in het buitenland nam de steun voor de Fransen af. Terwijl tsaar Alexander na enige aarzeling zijn leger Pruisen en het hertogdom Warschau liet binnentrekken, verklaarden veel mensen in Pruisen zich tegen de Fransen. De Pruisische koning moest er even over nadenken, maar ook hij sloot zich aan bij het herlevende Pruisische patriotisme. Op 28 februari 1813 sloot Pruisen een bondgenootschap met Rusland (verdrag van Kalisch) en op 17 maart verklaarde het Frankrijk de oorlog7.

Nog meer Haagse dienstplichtigen naar Franse leger

Om de opmars van de Russische legers en die van andere landen te stuiten, probeerde Napoleon een nieuw leger op te bouwen. In snel tempo werden dienstplichtigen opgeroepen. Haagse dienstplichtigen hadden de ergste verhalen gehoord over de Russische veldtocht en wilden het afschuwelijke lot van hun voorgangers niet volgen. Maar omdat het Franse bewind nog stevig in het zadel zat, gehoorzaamde men toch. Op 24 januari vertrokken de eerste veertig Haagse dienstplichtigen naar het Franse leger. Elke gemeente moesten een bepaald aantal soldaten leveren, maar Den Haag had niet voor niets de eretitel ‘bonne ville’ (goede stad) van Napoleon gekregen. Gemeenten met deze eretitel moesten iets extra’s doen. De leuk klinkende eretitel “bonne ville” leverde eigenlijk alleen maar nadelen op. Nu moest Den Haag veertig paarden leveren. Particulieren moesten op 2 februari hun paard inleveren op het Malieveld. Toen er minder dan veertig paarden werden ingeleverd, moest het Haagse gemeenbestuur zelf paarden afstaan.

 

Enkele dagen later moesten nieuwe lichtingen dienstplichtigen zich melden. De volgende maanden zouden er nog meer worden opgeroepen. Het enthousiasme voor de dienstplichtig was niet hoog, maar werd verder getemperd toen bekend werd dat de koning van Pruisen het bondgenootschap met Napoleon had. Pruisische troepen gingen de Russen helpen en ook Napoleons bondgenoot Zweden sloot zich bij Rusland aan. Volgens geruchten was Hamburg al bezet door de Russen en volgens andere geruchten zou de Prins van Oranje al klaar staan om af te reizen naar Nederland. Omdat men verwachtte dat het Franse bewind elk moment kon vallen, durfde men zich meer te verzetten. In februari 1813 werd het daarom erg onrustig toen nieuwe lichtingen werden opgeroepen. Veel Franse ambtenaren voelden zich zo onveilig, dat zij hun vrouwen en kinderen naar Frankrijk terugstuurden. Het bleef het hele voorjaar onrustig in ons land8.

Verzet tegen de Fransen

Verzet tegen de Fransen was sporadisch. Er ontstond af en toe onrust als mensen boos werden om een nadelige Franse maatregel. Het verzet was niet (goed) georganiseerd en de Fransen konden de oproerlingen gemakkelijk de baas.

 

Het was ook niet zo dat iedereen anti-Frans was. Het Nederlandse bestuur van voor de Franse tijd was in die tijd heftig bekritiseerd, want het had nogal wat gebreken. Het was ondemocratisch, mensen werden niet gelijk behandeld en het was onrechtbaardig. In de Franse tijd was daar veel aan verbeterd. Mensen werden door de overheid gelijk behandeld en het bestuur was in het begin meer democratisch geworden. Voor 1795 lag het bestuur in handen van een kleine groep mensen. Groepen als katholieken en joden hadden minder rechten dan calvinisten. Zij mochten bijvoorbeeld geen burgemeester worden of een andere overheidsfunctie uitoefenen. Verder was de overheid onder Franse invloed veel efficiënter gaan werken.

 

Maar in de Franse tijd was vrijwel iedereen er financieel op achteruit gegaan. Nederland (de Bataafse Republiek) moest mee betalen aan de vele Franse oorlogen en dat kostte de belastingbetaler veel geld. De buitenlandse handel en scheepvaart lagen vele jaren vrijwel stil, zodat veel Nederlanders geen geld verdienden. De invoering van de dienstplicht had ook veel mensen anti-Frans gemaakt. Als je opgeroepen werd voor dienstplicht mocht je een plaatsvervanger sturen, dus als je voldoende geld had hoefde je niet te gaan.

 

Maar de meeste mensen konden geen plaatsvervanger (remplaçant) sturen. De dienstplicht was een van de voornaamste oorzaken van anti-Frans oproer. De slechte economie was de voornaamste rede van onvrede met het Franse bestuur. Vooral de armere Nederlanders waren daarom anti-Frans. Mensen die geen last had van de Fransen, hadden ook meer waardering voor het in theorie betere bestuur dat de Fransen hadden gebracht.

Gijsbert Karel van Hogendorps en de Omwenteling

Veel mensen wachtten met smart op het vertrek van de Fransen, maar wanneer en hoe dat moest gebeuren was onduidelijk. Dat hing af van de militaire strijd in het buitenland. En wat er moest gebeuren na het vertrek van de Fransen, was ook niet duidelijk. Daarover werd nog niet veel nagedacht. Na de vlucht van de Oranjes in 1795 was ons land een stadhouderloze republiek geworden, daarna na enkele staatsgrepen een steeds minder democratische staat. In 1806 was ons land een koninkrijk geworden onder koning Lodewijk Napoleon en in 1811 was ons land ingelijfd bij Frankrijk.

 

Af en toe bedacht iemand een plan voor een toekomstig bestuur onder de vroegere stadhouders. Het kwam vaak neer op herstel van het vroegere bestuur van vóór 1795, maar serieus werden deze plannen niet genomen. Niemand wilde terug naar het inefficiënte en versnipperde bestuur van toen.

 

Een van de mensen die zo’n plan bedacht was Gijsbert Karel van Hogendorp. Van Hogendorp was voor 1795 al aanhanger van Oranje en hij was nog steeds Oranjegezind. Hij woonde sinds 1809 op Kneuterdijk 8. Volgens hem had het bestuur van vóór 1795 iedereen zoveel vrijheid gegeven en had die vrijheid voor veel welvaart gezorgd. Met die vrijheid bedoelde hij de afwezigheid van een centraal bestuur. Of die voor veel welvaart had gezorgd is niet zeker, maar wel zorgde de vrijheid voor een weinig slagvaardig bestuur. Vooral de provincie Holland wilde zoveel mogelijk zelfstandig zijn en niet worden onderworpen aan een centraal Nederlands bestuur.

 

Van Hogendorp schreef dit in een uitvoerige notitie in de plechtige taal van toen. Hij wilde dat de macht zoveel mogelijk lag bij lokale overheden, de steden. Die hadden vroeger Holland bestuurd. De centrale staat moest zo min mogelijk macht krijgen. Omdat hij ook wel wist dat het vroegere bestuur niet slagvaardig was wilde hij een sterker centraal bestuur dan toen. 9

Gijsbert Karel van Hogendorps en de Omwenteling

Van Hogendorp was niet de enige die plannen bedacht voor een nieuwe staatsinrichting, maar hij was wel de enige die nadacht over een omwenteling. Hij was realistisch over de kansen op een geslaagde overgang naar een Oranjebewind. Zolang de militaire successen van Napoleon aanhielden, waren de Fransen in Nederland te sterk en was een opstand kansloos. Hij zat, zoals hij dat zelf schreef, thuis rustig te wachten tot Napoleon zichzelf had verslikt in zijn onverzadigbare veroveringslust. Hoe meer landen hij veroverde, “des te nader ik zijnen val zag.”

 

De Oranjegezinde Van Hogendorp bleef in alle tegenspoed van de Oranjes steeds geloven in een herstel van hun stadhouderschap. Toen hij later inzag dat een stadhouderschap niet mogelijk was, werkte hij aan een toekomstig koningschap van Oranje. In 1812 stelde hij een ontwerpgrondwet op, die hij voor alle zekerheid ‘Voor het koninkrijk Holland in 't jaar 1806’. Het was echter een grondwet voor het toekomstige Oranjekoninkrijk. Hij had er alle vertrouwen in dat het er zou komen. In 1799 had hij al een soort grondwet geschreven, waarin hij de macht van de prins van Oranje in wetten had vastgelegd. Nu had hij een grondwet voor het koninkrijk10.

 

Van Hogendorp voelde helemaal niets voor de algehele democratie die in 1795 in de Bataafse Republiek was ingevoerd. Het was niet goed dat alle mannen kiesrecht kregen. Hij vond dat een land moest worden bestuurd door aanzienlijke mensen, leden van de aristocratie. Vóór 1795 bestuurde de aristocratie (de regenten) ons land ook. Dat deden de regenten samen met de stadhouder, maar in de praktijk had deze het meeste had te vertellen. In feite wilde hij terug naar deze vorm van staatsbestuur, maar hij zag wel in dat de onafhankelijkheid van de vroegere gewesten niet meer terugkwam. De eenheidsstaat die in de Franse tijd was ontstaan, werkte veel slagvaardiger dan de oude Republiek van de zeven verenigde Nederlanden, met zeven onafhankelijke regeringen die het onderling vaak niet eens waren. Hij wilde het bestuur ook wel moderniseren. Volgens zijn biograaf H. van der Hoeven was hij gematigd conservatief. Hij was een “conservatief hervormer”.

 

In Den Haag besprak Van Hogendorp met een kleine groep Oranjegezinden, over wat er moest gebeuren na het vertrek van de Fransen. Adam baron van der Duyn van Maasdam, ooit lid van het hof van Willem V en woonde sinds 1811 in Den Haag aan de Nieuwe Haven (in het latere en reeds gesloopte politiebureau). Ocker Repelaer van Driel was afkomstig uit Dordrecht, maar woonde nu op de Vijverberg naast Van Maanen. Frans Clement de Jonge(uit Zierikzee, nu in Den Haag) en François Daniël Changuion (uit Leiden, nu wonend in Den Haag) waren twee minder bekende vrienden die bij besprekingen aanwezig waren. De nachtelijke bijeenkomsten vonden meestal plaats bij Van Hogendorp of bij Repelaer van Driel. De Haagse politiecommissaris A. Ampt kreeg van de Directeur-Generaal van Politie in Amsterdam opdracht om deze groep in de gaten te houden. Maar Ampt keek zelf uit naar het vertrek uit van de Fransen en hij meldde dat Van Hogendorp en de overige verdachten “te onbeduidend achtte, om leiders van een opstand te zijn”. Bovendien verwachtte hij niet dat een man met jicht zoals hij zich aan het hoofd van een revolutie zou stellen. De bijeenkomsten konden dus door gaan.

 

Het ging niet om een strak georganiseerde verzetsorganisatie, maar eerder om een groep mensen rond Van Hogendorp. Met de hierboven genoemde mensen sprak hij over staatkundige en politieke zaken. Met een andere betrokkene was Leopold graaf van Limburg Stirum, sprak hij over militaire zaken. Deze aan Lange Voorhout 19-23 wonende beroepsmilitair betrok hij eigenlijk pas in november bij de plannen tot omwenteling.

 

Van Hogendorp pakte de zaken voorzichtig aan. Hij vroeg zijn zes “vertrouwden” vier andere vertrouwde vrienden te kiezen. Die kregen iets van het plan te horen en de opdracht voor enige helpers te zorgen. Men zette niets op papier en vertelde niet wie verder bij het plan waren betrokken. Zo had men in Den Haag vierhonderd burgers verzameld die zwegen, maar klaar stonden.

 

Van Hogendorp was niet een natuurlijke leider. Hij miste tact en charmante omgangsvormen. Volgens Van der Duyn van Maasdam was hij een “zonderling mengsel van uitstekende bekwaamheid, van de uitgestrekte kennis in staatszaken”, maar had hij “een heerszuchtige geest”. Van Hogendorp was volgens hem even onaangenaam voor zijn toehoorders als voor zichzelf11.

Oproer op het Noordeinde en Heulstraat in Den Haag, april 1813

Oproer in Den Haag, april 1813. Relletjes op het Noordeinde en Heulstraat (Journaal van Baake, Gemeentearchief Den Haag).

 

26 maart 1812, onrust in Scheveningen

 

Rellen in Den Haag april 1813

 

Verantwoording

Literatuur

• -.

Noten

1. Prins Willem was officieel nog geen Prins van Oranje, want tot 1815 was zijn vader dat nog.

2. Joor 114.

3. Joor 115. Als datum van de Franse inval wordt ook wel 25 juni genoemd, maar dat is waarschijnlijk niet juist.

4. Smit 1813, 5-6, Smit Den Haag in den Franschen tijd 36, Van Marle 149.

5. Smit 1813, 5. Het juiste aantal uit Rusland teruggekeerde soldaten is niet bekend; de schattingen variëren nogal. Het aantal Franse soldaten dat als krijgsgevangene in Rusland bleef en later terugkeerde is bijvoorbeeld niet bekend.

6. Smit 1813 7-8, Van Houtte 138, Colenbrander, Gedenkstukken, deel 6, band 3, GS 17, blz. 1659, Gedenkschrift van Tullingh, brief van Radet van 12 december 1812.

7. Joor 114-115.

8. Houtte 137, Smit 1813, 9, Vles 33-34; de “Prins van Oranje” was niet Willem I, maar zijn in Engeland veel populairder zoon, de latere koning Willem II.

9. .

10. .