Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerIn november 1813 vond onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp de omwenteling plaats die leidde tot de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden onder het koningschap van Willem I. Deze pagina gaat over de gebeurtenissen in november 1813 in Den Haag tot het vertrek van de Fransen.

kopfoto

De omwenteling van 1813 in Den Haag (Tweehonderd jaar Koninkrijk)

Deel 2: wachten op vertrek van de Fransen

Op 30 november arriveerde Willem Frederik, de Prins van Oranje op het strand van Scheveningen om het bestuur van ons land op zich te nemen. Een paar weken eerder waren de Fransen hier nog de baas, maar de macht was overgenomen door Oranjegezinden onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp (met hulp van Frans van der Duyn van Maasdam en de graaf van Limburg Stirum). Deze pagina beschrijft deze machtsgreep (de “Omwenteling”) in november 1813.

 

Wat in de maanden hiervoor (in Den Haag) gebeurde vindt u in deel 1. Het vervolg, de oprichting van ons koninkrijk (in 1815) wordt beschreven in deel 3. Een korte geschiedenis van 200 jaar koninklijk Den Haag staat op Koninklijk Den Haag.

Oranje in ballingschap

In 1795 was Willem Frederik, de prins van Oranje, met zijn vader (stadhouder Willem V) en de rest van de familie voor de Fransen naar Engeland gevlucht. Het Franse leger was toen door veel Nederlanders ingehaald als bevrijders van het stadhouderlijk bewind, dat zij beschouwden als een ondemocratisch juk, waar ze lang onder hadden geleden (zie inleiding). De Oranjes reisden met Scheveningse vissersschepen naar Engeland. In Engeland werden ze als vluchteling opgevangen door de koninklijke familie. Willem V bleef met zijn vrouw in Londen, maar zijn zoon Willem Frederik vertrok al snel naar Berlijn. De zoon verwachtte steun van de koning van Pruisen, die immers zijn schoonvader was. Maar zijn schoonvader deed vrijwel niets. De Oranjes waren alleen maar geholpen door een militaire nederlaag van Frankrijk. De Pruisische regering wilde liever een goede band met Frankrijk. De Engelse regering was erg ontevreden over de Pruisische vredespolitiek en men zag Willem Frederik als bondgenoot van het onbetrouwbare Pruisen. Daardoor dreigde de Prins van Oranje zelfs Engelse steun te verliezen voor zijn terugkeer naar Nederland (zie meer op Oranje in ballingschap).

De Prins van Oranje

De Prins van Oranje

In 1813 leken deze zorgen ineens voorbij. De Franse legers onder Napoleon moesten zich terugtrekken uit veroverd gebied en werden achtervolgd door legers uit onder andere Oostenrijk, Rusland, Pruisen en Zweden. De Oranjes bereidden zich voor op terugkeer naar Nederland. Maar ze wisten niet hoe de bevolking zou reageren of hoeveel steun ze zouden krijgen van de grootmachten. Na de Franse nederlaag zouden Franse satellietstaten worden opgeheven en zou door Frankrijk ingelijfd gebied opnieuw zelfstandig worden. In deze tijd waren het de vorsten van de grote landen, die bepaalden welke nieuwe staten er zouden worden opgericht en wie die staten zou regeren.

Bevrijding in 1813

In 1813 ging Willem Frederik (de Prins van Oranje) naar Engeland, omdat hij begreep dat dit land zich het meest met de toekomst van ons land zou willen bemoeien. Engeland wilde aan de andere kant van de Noordzee geen vijandig land. De Prins van Oranje vroeg de Engelse minister van buitenlandse zaken Castlereagh nederig om hulp bij het herstel van het stadhouderschap in Nederland. Dat was de functie die zijn vader Willem V hier tot 1795 had bekleed. Willem Frederik wilde niet een positie krijgen als de Engelse koning, want die werd in zijn macht teveel beperkt door een sterk parlement. Hij wilde een sterke positie als vorst en dan het liefst over een veel groter land. Hij dacht aan het huidige Nederland met België en met een deel van Duitsland. Hij vroeg de minister wat de Engelse regering daarvan dacht.

 

Dat hij in Engeland niet populair was, werd duidelijk toen hij drie maanden moest wachten op een antwoord. De Engelse regering liet hem weten de toekomst van Oranje en Nederland eerst met de bondgenoten te willen bespreken. Daar zat een risico aan vast voor de Oranjes. Oostenrijk was Engelands belangrijkste bondgenoot en de aartshertog van Oostenrijk had tot 1793 België geregeerd (toen bekend als de ‘Oostenrijkse Nederlanden’). Toen had de aartshertog België moeten afstaan aan Frankrijk, maar misschien wilde hij dat weer terug (zie Oranje in ballingschap).

 

Willem Frederik, de Prins van Oranje, moest dus afwachten tot de bondgenoten tijd hadden zijn wensen te bespreken. Voorlopig wilde men eerst het Franse leger definitief verslaan. De prins doodde de tijd met het opzetten van een eigen Hollands legertje, dat moest helpen bij de bevrijding van ons land. In haar brieven adviseerde zijn moeder hem ondertussen dat hij de beste kans maakte op het koningschap, als hij zich terughoudend opstelde. Zijn vader, de vorige stadhouder, kon hem niet meer adviseren. Die was in 1806 in ballingschap overleden1.

Ons land vóór 1813

Sinds de Oranjes in 1795 het land hadden moeten ontvluchten was er in ons land veel veranderd. Tot 1795 was ons land een republiek, of eigenlijk een statenbond van zeven republiekjes. Deze republiekjes hadden een eigen regering voor voornamelijk binnenlandse zaken. De buitenlandse politiek en vooral defensie liet men over aan het overkoepelend bestuur van de statenbond. Naast deze regering stond een stadhouder, een functionaris met heel veel macht in ons land.

 

In 1795 werd stadhouder Willem V dus verjaagd door Franse legers, die officieel waren gestuurd om de ontevreden burgers van ons land te helpen het stadhouderlijk juk te verjagen. De burgers hadden vergeefs inspraak gevraagd in het landsbestuur (zie Oranje in ballingschap). Na het vertrek van de stadhouder voerden de burgers een nieuw en doelmatiger landsbestuur in. De zeven republiekjes werden samengevoegd tot één republiek. Doordat er nu één regering was konden er sneller besluiten worden genomen.

 

De Franse regering verplichtte de nieuwe regering wel bondgenoot te worden en men vroeg een vergoeding voor de hulp bij het verjagen van de stadhouder. Omdat Frankrijk vrijwel voortdurend in oorlog was, vroeg Frankrijk steeds meer geld, manschappen en materiaal. Omdat ons land nooit voldeed aan de Franse eisen, legde Frankrijk ons land een daadkrachtiger bestuur op. In 1806 stelde de Franse keizer Napoleon zijn broer Lodewijk aan als koning van het koninkrijk Holland. In 1810 hief Napoleon dit koninkrijk weer op en lijfde ons land in bij zijn eigen Frankrijk. Vanaf dat moment was “Holland” onderdeel van het Franse keizerrijk.

De zeven provinciën van de Republiek der Verenigde Nederlanden

De Nederlanden vanaf ongeveer 1580 tot ongeveer 1794. In het noorden vormden zeven republiekjes of "provinciën" een statenbond, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het zuiden van "de Nederlanden" viel eerst onder de Spaanse tak van de familie Habsburg, daarna onder de Oostenrijkse tak van de Habsburgers. Daarna werden de Oostenrijkse Nederlanden door Frankrijk bezet.

Den Haag departementshoofdstad in Franse keizerrijk

Ons land werd opgedeeld in Franse departementen (met nieuwe grenzen) en Den Haag werd als hoofdstad van het Franse Departement van de Monden van de Maas een klein bestuurscentrum van het Franse keizerrijk. Aan het hoofd van dit Frans departement stond een prefect, maar in Den Haag was ook een onder-prefect die leiding gaf aan het arrondissement.

 

De prefect was de uit België afkomstige baron, Goswin De Stassart. Volgens historici was hij streng en hard, maar ook een moedig en doortastend bestuurder die medeleven kon tonen. Hij bestuurde zijn departement vanuit het grote huis Lange Voorhout 34. Zijn klerken werkten in het grote gebouw Kneuterdijk 22-24. De onder-prefect Henry De Gestas speelde in de spannende novemberdagen van 1813 geen opvallende rol.

Municipaliteit van Den Haag

Het Franse bestuur was strikt hiërarchisch ingericht: ambtenaren als de prefect kregen een voortdurende stroom van opdrachten en hadden ruimte om zelf te bepalen hoe ze op wilden treden. De prefect stuurde zijn opdrachten weer aan de onder-prefecten en de maires.

 

Net als de prefect absoluut de baas was in zijn departement, was de maire (Frans voor burgemeester) de baas in zijn gemeente. Onder de maire stonden adjuncten (een soort wethouder) die moesten uitvoeren wat hij opdroeg. De ‘municipale raad’ (gemeenteraad) speelde bijna geen rol. Er was geen (of bijna geen) democratie. De maire van Den Haag werd voortdurend op de vingers gekeken door de Franse prefect2.

Lange Voorhout 34, Den Haag

Lange Voorhout 34, de prefectuur van het departement van de Monden van de Maas.

Den Haag in de Franse tijd

De “Franse” tijd (1795-1813) was geen gunstige periode in de geschiedenis van Den Haag. Door het vertrek van stadhouder, hof en oude regering, was Den Haag in een klap zijn rijkste inwoners kwijt. Hoewel het hele land leed onder de steeds hogere eisen van Frankrijk, werd de Haagse economie wel erg zwaar getroffen. Volgens aantekeningen van de commandant van de burgerwacht, kolonel Tullingh, werden in de Franse tijd 644 huizen afgebroken. Het aantal armen groeide en de armoede was groot. Het werd er niet beter op toen koning Lodewijk zijn hof en regering van Den Haag verhuisde naar Amsterdam.

Onrust in Nederland, de Fransen nerveus.

Nadat het nieuws over de nederlaag van Napoleon bij Leipzig bekend werd (zie deel 1), brak een spannende tijd aan voor de Fransen in ons land. Dat gold ook voor veel Nederlanders die in Franse dienst waren. Overigens was iedereen die een overheidsfunctie vervulde in Franse dienst, want Nederland was sinds 1810 een deel van Frankrijk. Nederlanders waren eigenlijk allemaal Fransen, al wilden veel Nederlanders dat liever niet zijn. Het Nederlandse nationalisme was waarschijnlijk nog niet zo sterk ontwikkeld als later in de negentiende eeuw, maar mensen wilden niet opgeroepen worden voor de Franse militaire dienstplicht en wilden af van de economische misère die de Franse regering ons land had gebracht.

 

Maar lang niet alle Nederlanders waren anti-Frans, want de Fransen hadden ons land een beter en in veel opzichten rechtvaardiger bestuur gebracht. Iedereen was gelijk voor de wet en in de begintijd was er zelfs even democratie. Maar voor veel mensen stonden daar minder prettige maatregelen tegenover. De Fransen voerden de dienstplicht in, ze stelden een verbod in op handel met Engeland. De economie verzwakte verder danig door de vele oorlogen in Europa. Er waren in 1813 regelmatig rellen geweest, als een nieuwe groep dienstplichten werd opgeroepen (zie deel 1).

 

De Fransen hoorden geruchten over buitenlandse legers die naderbij kwamen en verhalen over hoe Russische Kozakken huishielden onder Franse troepen. Het was een omineus teken dat begin november het grootste deel van de Franse troepen naar Duitsland moest voor een verdediging met de allerlaatste troepen waar Napoleon nog over beschikte. De “Hollandse” departementen van Frankrijk werden verdedigd door nog maar een heel kleine Franse troepenmacht.

 

Vanaf begin november ontstond er onrust onder de bevolking, waarschijnlijk opgestookt door Oranjegezinden die met illegale krantjes nieuws verspreidden uit buitenlandse kranten. Maar een echte opstand brak er niet uit, omdat er nog teveel Franse troepen in ons land waren. Bovendien verwachtten veel mensen dat Napoleon alsnog zou winnen. Er gingen verhalen rond hoe de Fransen hadden huisgehouden in Hamburg. Deze stad was eerst bevrijd, maar de Fransen waren teruggekomen en hadden volgens de verhalen flink huis gehouden onder de bevolking3.

Den Haag in november 1813

Den Haag in november 1813: de lichtrode ondergrond geeft de straten van nu weer, in zwart en blauw zijn de straten en grachten van 1813 (schetsmatig) weergegegeven. Op het Lange Voorhout woonden leden van de verschillende partijen vlak bij elkaar: kolonel Tullingh van de Nationale Garde (T), de Franse prefect De Stassart (Pref), de graaf van Limburg Stirum (LS).

Kozakken bivakkeerden in straten die aan het Lange Voorhout grensden, namelijk het Tournooiveld en het Nachtegaalspad. Gijsbert Karel van Hogendorp, de leider van de omwenteling woonde hier vlakbij op Kneuterdijk 8 en de Prins van Oranje logeerde naast hem op Kneuterdijk 6.

Vanaf de Kneuterdijk was het Binnenhof alleen te bereiken door de Gevangenpoort (G). Waar nu het asfalt van de Vijverdam ligt (V) stonden vroeger huizen. Het Binnenhof was aan alle kanten omgeven voor grachten en poorten. Beide partijen gebruikten het Binnenhof als goed verdedigbaar "fort".

Links van het Binnenhof was het Buitenhof ook alleen te bereiken via smalle straatjes. Naar links toe, naar de Groenmarkt, lag alleen de Halstraat. De Gravenstraat (Gr) bestond toen nog niet. Aan het Buitenhof lag de "Hoofdwacht" van het garnizoen van het gehele Binnenhofcomplex. Van het Buitenhof naar het Spui (daaronder) kon je via het Achterom of de Hofsingel (pijlen). De huidige Hofsingel was toen nog afgesloten door het paleisje van Albemarle en de zuidelijke grachten rond het Binnenhof. Het Spui (daaronder) was een haven en een kanaaltje dat doorliep tot het Binnenhof. Ook de Turfmarkt, de Fluwelen Burgwal en de Herengracht hadden toen water. Op de hoek van de Korte Houtstraat en de Fluwelen Burgwal lag hotel Ville de Paris, waar de Franse generaal Bouvier verbleef.

Het Franse garnizoen in Den Haag

Ook in Den Haag werd het Franse garnizoen begin november sterk ingekrompen (zie noot 4). Er bleef slechts één compagnie étrangers (“buitenlanders”) in Den Haag gestationeerd. Het garnizoen stond onder bevel van J. Bouvier des Eclats, een generaal die de Russische veldtocht had overleefd. Bouvier verbleef in hotel ‘Ville de Paris’, op de hoek van de Lange Houtstraat en Fluwelen Burgwal, waar jaren eerder de beroemde componist Mozart nog had gelogeerd (zie Mozart in Den Haag). De étrangers waren Pruisische hulptroepen, die volgens de verhalen krijgsgevangenen waren geraakt in de oorlog tussen Frankrijk en Pruisen een paar jaar geleden. Soldaten en officieren gingen in deze tijd vaker in buitenlandse dienst. De meeste legers bestonden uit huurlingen, die vaak als eenheid werden gehuurd. De legers stonden in dienst van de koning of vorst en niet van het land. In deze tijd was het nationalisme nog niet zo sterk ontwikkeld. Alleen in Frankrijk was de nationale dienstplicht ingevoerd en vochten Franse militairen voor hun land en de Franse idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap.

 

De Fransen twijfelden aan de betrouwbaarheid van de Pruisische hulptroepen en dat bleek later terecht. Naast de Pruisische troepen was er in Den Haag nog een ‘compagnie de réserve’, de garde van de prefect, bestaande uit ongeveer 70 man. Dit garnizoen werd ingezet als de gemeente de orde niet kon handhaven. Dit was primair een taak van de gemeente4.

De Nationale Garde van Den Haag

Het gemeentebestuur zette bij oproer altijd de Schutterij in, een burgerwacht van vrijwilligers uit de iets beter betaalde burgerij. Maar de Schutterij was op 28 oktober opgeheven en een Nationale Garde opgericht die het werk van de Schutterij zou overnemen. De garde had nog geen (nieuw) personeel en de wapens van de Schutterij waren overgebracht naar een wapenopslagplaats. De eerste 56 manschappen voor de Nationale Garde werden pas op 7 november opgeroepen.

 

Veel leden van de schutterij en nieuwe garde waren Oranjegezind, maar het gemeentebestuur ging er vanuit dat de gardes wel zouden ingrijpen bij oproer. De gardes hadden zelf ook huizen die niet geplunderd mochten worden.

 

De garde stond in Den Haag onder leiding van kolonel Tullingh, voluit Johan Gerard van Oldenbarneveld, genaamd Witte Tullingh, kortweg “Tullingh” (of Tulling). Tullingh was geen nazaat van raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt, maar hun beider voorouders kwamen uit Amersfoort. Er zal een verre familieband zijn geweest, ondanks de iets anders gespelde familienaam. De schrijfwijze van de familienaam lag vóór 1811 niet vast. Een van Tullinghs voorouders voegde de achternaam van zijn moeder (Tullingh) toe aan Oldenbarneveld.

 

Over Tullinghs rol in november 1813 is veel bekend dankzij zijn ‘herinneringen’ die hij later schreef. Hij was advocaat en werd in 1806 kapitein bij de schutterij, in 1809 luitenant-kolonel en op 24 januari 1811 opperbevelhebber in de rang van kolonel. In 1808 werd hij lid van de vroedschap, de toenmalige gemeenteraad van Den Haag. Hij had voldoende geld om in 1813 het grote huis Lange Voorhout 28 te kunnen huren. De Franse prefect woonde vlak naast hem, een paar huizen verderop op Lange Voorhout 34.

 

Naast de Nationale Garde kon het gemeentebestuur de politie inzetten. Die stond in november onder leiding van commissaris Ampt. Bij oproer of opstand kon de prefect niet heel veel gewapende mensen inzetten5.

Nationale Garde sedentair 1813

Nationale Garde (sedentair), 1813.

Het Haagse gemeentebestuur in november 1813

Vlak voor het begin van de onrust in november, vertrok de Haagse maire (burgemeester) voor lange tijd naar Parijs. Den Haag moest een delegatie naar Parijs sturen, om persoonlijk trouw te zweren aan keizer Napoleon. Dat moest omdat Den Haag een “bonne ville” (goede stad) was, een stad met een speciale status. In literatuur wordt deze status bejubeld als een voorrecht, een stadsrecht waardoor Den Haag voor het eerst een mooi stadswapen kreeg. In werkelijkheid was de titel een last, want er hoorden vooral plichten bij en van voordelen heeft Den Haag nooit iets gemerkt.

 

De reis naar Parijs was niet populair, want de eerste aangewezen leden van het gemeentebestuur bedankten voor de eer. Daarom moest de maire Isaac van Schinne zelf maar Parijs, met twee andere leden van de raad. Om kosten te besparen, reisde men de privé-koets van Van Schinne, maar die bleek niet bestand tegen de slechte wegen. De koets vertrok op 1 november en na de nodige reparaties na pech, kwam men pas 8 november in Parijs. De delegatie bezocht de keizerin op 14 november, maar kon niet meteen weg. De delegatie werd in Parijs opgehouden en raadslid P.J. van Oosthuysen vertrok pas 18 januari 1814 naar Den Haag. Maire Van Schinne had het er teveel naar zijn zin en bleef er tot mei 1814.

 

De belangrijke novemberdagen was maire Isaac van Schinne dus afwezig. Omdat zijn eerste adjunct-maires hem niet wilden vervangen, werd de derde adjunct-maire de waarnemend maire werd. Dat was Jeremias Cornelis Faber van Riemsdijk, advocaat in Den Haag. In de literatuur komt hij voor met een dubbele achternaam (Faber van Riemsdijk) en met een enkele (Van Riemsdijk). De dubbele familienaam werd later door de burgerlijke stand erkend als de officiële achternaam van de familie.

 

Faber van Riemsdijk was volgens Van Gelder een bekwaam man die volkomen correct, verstandig en bekwaam optrad. Hij sloot zich in november niet aan bij de Oranjgezinden, omdat hij bang was dat Nederland dan weer het slechte bestuur van vóór 1795 zou terugkrijgen (zie Inleiding). Van Riemsdijk woonde op het einde van het Noordeinde, op de hoek van de Noordwal. Zijn huis is later afgebroken.

 

Een andere belangrijke rol binnen het gemeentebestuur werd gespeeld door oud-burgemeester Jan Slicher. Van Gelder beschrijft Slicher als een oude, voorzichtige man, die in 1810-1811 door de Fransen was vervangen door de vooruitstrevender Isaac van Schinne. Maar veel mensen zagen hem nog als “hun” (oud-)burgemeester. Hij was sympathiek, innemend en vertrouwenwekkend. Tijdens de omwenteling toonde Slicher zich niet meteen vurig Oranjgezind. Hij was voorzichtig en neutraal, maar had vermoedelijk regelmatig contact met Van Hogendorp (de leider van de omwenteling). Hij had overigens ook contact met de maire Faber van Riemsdijk6.

Waarnemend maire J.C. Faber van Riemsdijk

Waarnemend maire J.C. Faber van Riemsdijk.

De Oranjegezinden van november 1813

De Oranjegezinden die in november de macht wilden overnemen van de Fransen werden geleid door Gijsbert Karel van Hogendorp. Van Hogendorp was een Rotterdamse oud-regent (regent = regeerder) die sinds het vertrek van de Oranjes geen bestuursfunctie meer had gehad. Hij was maar Oranjegezinde pamfletten gaan schrijven en een ontwerp voor een toekomstige grondwet. Veel bijval had hij daarbij niet gehad, maar Van Hogendorp ging stug door. Sinds eind 1812 organiseerde hij bij hem op Kneuterdijk 8 vergaderingen met Oranjegezinden. Zijn huis was met zijn “deftige zalen en ruime gangen” uitstekend geschikt voor grote vergaderingen. Alleen een herdenkingssteen herinnert aan zijn huis, dat in 1920 werd gesloopt voor een kantoor van de Rotterdamsche Bank (ABN Amro).

 

Een van de voornaamste medestanders van Van Hogendorp was Frans-Adam, graaf van der Duyn van Maasdam (officieel Adam François-Jules Armand). Van der Duyn was tot 1795 kamerheer van de Prins van Oranje en zat in het bestuur van het gewest (provincie) Holland. Na de Franse inval had ook hij geen werk meer. In 1812 en 1813 hoorde hij tot de meest enthousiaste Oranjegezinden rond Van Hogendorp. Hij woonde wat verder weg dan de meesten, in een groot huis aan de Nieuwe Haven, het latere politiebureau Nieuwe Haven 6. Ook dit huis is gesloopt, in de jaren zeventig werd gesloopt bij de aanleg van het Prins Bernhardviaduct. Een derde bekende Oranjegezinde was Leopold, graaf van Limburg Stirum. Ook deze voormalig legerkapitein had in de Franse tijd geen betaald werk gehad. Zijn huis staat er nog wel, op Lange Voorhout 19.

 

Deze drie worden soms het Driemanschap genoemd, maar ze waren dat niet echt. Van Hogendorp werkte nauw samen met Van der Duyn van Maasdam en hield Van Limburg Stirum buiten de vergaderingen over de politieke koers. Waarschijnlijk vond hij de graaf wat te driest en onvoorzichtig. Hij schakelde Van Limburg Stirum in bij militaire zaken.

 

De eerste geschiedschrijvers van de Omwenteling, vooral name Chad en Jorissen, schreven het succes van de Omwenteling juist toe aan het dappere en onverschrokken optreden van Van Limburg Stirum. Zij vonden Van Hogendorp te aarzelend en zwak. Latere historici schrijven het succes van de opstand toe aan het verstandige optreden van Van Hogendorp. Van Limburg Stirum was voor hen iemand die kansloze momenten een gewapende opstand wilde beginnen7.

3 november 1813 (woensdag): “Overweldigend nieuws"

Er gingen waarschijnlijk al eerder geruchten rond dat Napoleon bij Leipzig (16 tot 19 oktober) een zware nederlaag had geleden. Zonder telefoon of telegraaf duurde het dagen voordat berichten van ver weg Den Haag bereikten en officiële berichten over het Franse leger verschenen meestal twee weken later in de krant. Bij erg slecht nieuws kon dat nog langer duren. Op 30 oktober gaf de officiële Franse krant Moniteur Universel toe dat Napoleon een nederlaag had geleden. Dit werd in Den Haag bekend op 3 november (volgens Van Gelder op 2 november).

 

Dit nieuws verspreidde zich razendsnel en toenmalig geschiedschrijver Van der Palm schreef enthousiast: “Wie het zag, kan het niet vergeten; wie het niet zag, nauwelijks geloven, welk een indruk de tijding van deze slag in Holland verwekte”. Ook waarnemend maire (burgemeester) Faber van Riemsdijk was onder de indruk van de nederlaag. Het was “une forte sensation”. Het werd onrustig op straat. De wildste geruchten werden verspreid: Napoleon zou zijn vermoord, Franse troepen hadden gecapituleerd of de Fransen zouden ons land al gaan verlaten. Prefect De Stassart had het hele jaar rooskleurige rapporten naar zijn superieuren in Parijs gestuurd, maar op 3 november waarschuwde hij voor het eerst dat de situatie niet gunstig was (“état facheux).

 

Volgens Van Hogendorp was “het volk” rijp voor een opstand, maar de hogere burgerij (de “fatsoenlijke lieden”) was dat nog niet. De meeste gegoede burgers durfden zo ver niet te gaan, want ze kenden de verhalen over wraak door Franse troepen. En Napoleon had vaker een zware nederlaag geleden en toch gewonnen. Ook Van Hogendorp vond het verstandiger met een omwenteling te wachten totdat de Fransen definitief waren vertrokken.

 

In het oosten en het noorden van ons land verwachtte men elk moment de komst van het Noordelijk leger, dat onder bevel van generaal Ferdinand von Wintzingerode (een Pruis in Russische dienst) ons land zou moeten bevrijden8.

 

Hieronder volgt een zo goed mogelijke reconstructie van de novemberdagen, maar het is niet altijd duidelijk wat er precies op een bepaalde dag gebeurde. De aantekeningen in dagboeken en herinneringen van ooggetuigen sluiten niet altijd goed op elkaar aan.

Prefect De Stassart

Prefect Goswin de Stassart (bron: Wikipedia).

4 november 1813 (donderdag)

Het was begrijpelijk dat de Fransen de komst van dit leger niet afwachtten. Vanuit het noorden kwam een vlucht op gang naar het zuiden. Die paniek sloeg na een paar dagen over op de Fransen in het westen van het land. De eerste Fransen in Den Haag gingen hun spullen al pakken of ze stuurden hun gezin en bezittingen al terug naar Frankrijk. Prefect de Stassart wilde zijn vrouw en kinderen ook terugsturen, maar hij stelde dat waarschijnlijk nog even uit. De Franse directeur-général van politie Paul de Villiers-Duterrage waarschuwde voor “kwaadwillenden” die een opstand wilden wagen. Hij stuurde de Haagse politiecommissaris Ampt een lijst met mensen die volgens hem de leiders van de Oranjegezinden waren. Die moesten worden gearresteerd: Van Hogendorp, Van Limburg Stirum, Repelaer van Driel en oud-burgemeester Slicher9.

5-8 november 1813 (vrijdag - maandag)

Na 4 november werd het in Den Haag weer rustig. Men verwachtte wel problemen en op 7 november hield de Nationale Garde exercities op het Lange Voorhout. Volgens C.F. van Maanen, voorzitter van het keizerlijk gerechtshof, was men “rustig en teneergeslagen”. Hij sprak dan wel namens de Fransgezinde burgerij10.

9 november 1813 (dinsdag): wilde geruchten

Op deze dinsdag brachten mensen (waarschijnlijk Oranjegezinden) nieuwe geruchten in omloop: Napoleon zou zijn vermoord, de Fransen stonden op het punt de “Hollandse” departementen over te dragen aan de coalitie (de bevrijders) en volgens een ander gerucht was dat al gebeurd.

 

Om de onrust te dempen vroeg het gemeentebestuur de gematigde oud-burgemeester Jan Slicher om de turfdragers, de beruchtste oproerkraaiers, vermanend toe te spreken. Slicher waarschuwde de turfdragers dat ze bij plundering of geweldpleging hun baan zouden verliezen. Hij stelde hun bazen verantwoordelijk voor hun gedrag.

 

Maar in de middag ging het verhaal dat Slicher de capitulatie van de Fransen bekend zou maken vanaf het bordes van het stadhuis. Dat trok een menigte naar het stadhuis, die (volgens de verhalen) vroeg om de aanstelling van Jan Slicher tot burgemeester. De oud-burgemeester kreeg de menigte niet rustig en adjunct-maire Faber van Riemsdijk vroeg enkele invloedrijke notabelen om de menigte te sussen. Ze moesten en vertellen dat het gerucht over de capitulatie niet waar was.

 

Enkele mensen van de groep rond Van Hogendorp kwamen bezorgd kijken wat er aan de hand was. Van Hogendorp en de zijnen wilden geen opstand terwijl de Fransen nog enkele honderden militairen in de stad hadden. Toen ze kwamen was het al rustiger geworden. Van Limburg Stirum had zelf rond gelopen om de mensen te kalmeren, net als kolonel Tullingh van de Nationale Garde.

 

De nieuwe leden van de Nationale Garde hadden wapens gekregen uit het wapendepot en verder was er was politie op straat en leden van de Departementale Garde van de prefect. Politiecommissaris Ampt schreef later dat de mensen pas vertrokken, toen hij had rondverteld dat hij de étrangers (de Pruisische troepen in Franse dienst) slechts met moeite in bedwang kon houden11.

Stadhuis van Den Haag in 1813

In 1813 was dit het stadhuis van Den Haag

Avond van 9 november

Het werd rustig rond het stadhuis, maar de onrust verspreidde zich naar omliggende straten. Commissaris Ampt moest patrouilles organiseren en daarvoor kon hij de étrangers (Pruisische soldaten) inzetten, leden van de Departementale Garde, de Nationale Garde en zijn eigen politie-agenten. Hij had in totaal zo’n 500 man tot zijn beschikking. De patrouilles liepen van ’s avonds zes uur tot twee uur ’s nachts hun rondes door de stad.

 

Ampt deed met enkele agenten zelf ook een ronde. Hij zag druk bezochte cafés waar mensen praatten en dansten en niet meer nuchter waren. Vooral in cafés aan de Geest en het Westeinde was het rumoerig. Hij dronk mee, bood een glaasje aan en vertelde daarna dat het tijd was om naar bed te gaan. Tot laat in de nacht zong men “Oranje boven”, maar geweld bleef uit. Tegen twee uur was iedereen thuis en waren de kroegen gesloten12.

 

In Scheveningen ging volgens de Franse politiecommissaris Christinat de gehele bevolking ’s ochtends de straat op onder geroep van “Vivat Oranje” (Leve Oranje).

 

Prefect De Stassart vond eerst dat commissaris Ampt te zachtzinnig optrad, maar was later toch tevreden. De Fransen wisten dat de onrust op touw was gezet door de leiders van de Oranjepartij. Het was geen spontaan enthousiasme van het “canaille” (gewone volk)13.

10 november 1813 (woensdag): de kanonnen geladen

De Franse autoriteiten hadden de zaak niet meer helemaal in de hand. Om vier uur vertrokken de Franse douaniers uit Scheveningen en Loosduinen. In Den Haag zag men hun bagage door de grachten varen, in de richting van Delft.

 

’s Ochtends hoorden de autoriteiten dat winkeliers al oranje linten verkochten en dat mensen daar al openlijk mee rondliepen op straat. Maire (burgemeester) Faber van Riemsdijk gaf de politie en de Nationale Garde opdracht daar tegen op te treden. De Franse autoriteiten (zie noot 14) waarschuwden wederom dat de militairen streng zouden optreden bij onrust: attroupementen (samenscholingen) waren verboden en ouders werden verantwoordelijk gehouden voor misdragingen van hun kinderen. De twee kanonnen op het Binnenhof werden geladen met schroot. Herbergen en koffiehuizen moesten om elf uur moeten sluiten. Maar heel zeker voelden de Fransen zich niet meer. Het werd winkeliers niet verboden om oranje linten te verkopen. Ze mochten ze alleen niet openlijk tentoonstellen.

 

Het was duidelijk dat de Fransen bij oproer niet konden voorkomen dat het uit de hand liep. Enkele oud-regenten (waarschijnlijk oud-burgemeester Jan Slicher en vrederechter Hendrik van der Goes) ronselden ongeveer 400 betrouwbare mensen die wilden helpen het handhaven van de orde. Zij werden “Rustbewaarders” genoemd en een van hen was de bekende Arie van der Spuy. Kolonel Tullingh van de Nationale Garde kreeg van prefect De Stassart toestemming om zijn hele garde uit te rusten met de ongeveer 800 geweren van de opgeheven Schutterij.

 

Kolonel Tullingh riep zijn officieren bijeen voor overleg op de Hoofdwacht, Buitenhof 19. Later schreef hij dat hij zijn officieren vertelde wat zijn plannen waren. Hij schreef niet wat dat was, maar waarschijnlijk vertelde hij dat hij achter de omwenteling stond, mits die zonder bloedvergieten en plundering zou gebeuren.

 

Een paar uur later riep hij zijn onderofficieren bijeen, in zijn grote huis Lange Voorhout 28. Nu hield hij zich op de vlakte, maar toen een onderofficier voorstelde dat de Nationale Gardisten bij het volgende oproer de Franse emblemen op hun uniformen zouden bedekken, vond hij dat een goed idee. De gehate Franse adelaar en de Franse driekleurige kokarde zouden de mensen alleen maar bozer maken. De onderofficier stelde voor om dan ook oranjelinten klaar te houden, zodat de demonstranten konden zien dat de gardisten aan hun kant stonden. Dat leek Tullingh een goed idee14.

Lange Voorhout 28, Den Haag

Kolonel Tullingh riep zijn onderofficieren bijeen bij hem thuis, op Lange Voorhout 28, Den Haag

11 november 1813 (donderdag): grote vergadering bij Van Hogendorp

De Fransen wilden Scheveningen toch niet zonder slag of stoot opgeven en deze donderdag keerden de Franse douaniers daar terug. In Den Haag zorgden nu de slagers voor onrust. Ze kwamen met vee terug van de markt van Delft en waren van plan geen accijns te betalen bij binnenkomst in Den Haag. Dat moest gebeuren bij het accijnshuisje op het Rijswijkseplein bij het Zieken. Maar de hoofdlieden van hun gilde reden hen tegemoet en bij aankomst op het Rijswijkseplein werden ze een voor een toegelaten tot de stad, onder toezicht van maire Faber van Riemsdijk en kolonel Tullingh. Ze moesten hun accijns gewoon betalen. Die avond waarschuwde oud-burgemeester Slicher de slagersknechten in een zaaltje boven de Penshal, dat ze hun baan zouden kwijtraken als zij zich weer zouden misdragen.

 

Bij Van Hogendorp thuis op Kneuterdijk 8 werd dagelijks vergaderd om de opstand of omwenteling voor te bereiden. Deze keer vergaderde Van Hogendorp waarschijnlijk voor het eerst met een grotere groep. De Fransen hielden het nog vol, maar het hoofd van politie De Villiers Duterage schreef vanuit Amsterdam aan zijn minister Savary, dat de bevolking van Den Haag op het punt stond van opstand: “La Haye touche à une insurrection”. Hij verwachtte het Russische leger binnen een dag voor Deventer. De volgende dag zou de Franse politiecommissaris De Marivault uit Rotterdam uit Den Haag vertrekken15.

12 november 1813 (vrijdag)

Ook de koelbloedige Franse prefect De Stassart zag er volgens kolonel Tullingh uit “als de dood”. Het was in Den Haag nog niet bekend dat Zwolle deze dag onverwacht was bezet door een detachement Kozakken. Het was een voorhoede van het Noordelijke coalitieleger dat door Duitsland op weg was naar Frankrijk. Dat de hoofdmacht door België zou gaan en Nederland links zou laten liggen wist men in Nederland natuurlijk niet.

 

Na het overleg van kolonel Tullingh met zijn onderofficieren had een van hen zijn gardisten verteld dat de garde de volgende keer op moest komen oranje kokardes op het uniform. Dat was niet zo, maar dit verhaal bereikte de Franse prefect. De Fransen gaven commissaris Ampt opdracht kolonel Tullingh te arresteren, maar die overtuigde de Fransen ervan dat dit tot nieuwe onrust zou leiden16.

13 november 1813 (zaterdag): wilde geruchten

Op 13 november deden nieuwe geruchten de ronde die voor onrust zorgden. In de officiële Franse staatskrant, de Moniteur, zou op 10 (of 11) november hebben gestaan dat Napoleon was afgezet, of dat hij was overleden, dat hij vrede had gesloten, of dat hij ons land al had overgedragen aan de legers van de coalitie. Waarnemend maire Van Riemsdijk ging op zoek naar een echte Moniteur, om te kunnen aantonen dat de geruchten vals waren. Oud-burgemeester Slicher vertelde de menigte die bij het stadhuis was samengedromd, dat de keizer niet was overleden en dat de andere geruchten ook niet klopten. De predikanten kregen van het gemeentebestuur het verzoek om de volgende dag tijdens de kerkdienst op te roepen tot kalmte en rust.

 

Volgens één bron dacht de graaf van Limburg Stirum vandaag aan een staatsgreep. Die wilde hij uitvoeren met de Nationale Garde en met hulp van Scheveningse vissers. Maar Tullingh en Van Hogendorp zouden hem dit hebben afgeraden. Dat dit advies verstandig was, bleek een aantal dagen later, toen er veel Haagse doden vielen in de strijd tegen het Franse leger. Maar de vrouw en kinderen van prefect De Stassart vertrokken (vermoedelijk) deze nacht naar huis17.

Plein, Den Haag

Plein, waar de Fransen op 14 november 1813 een grote militaire parade hielden. Veel gebouwen en het standbeeld stonden hier toen niet.

14 november (zondag): Franse parade op het Plein

Op 14 november hielden de Fransen met hun laatste troepen een parade op het Plein. Het restant van de compagnie étrangers, de Departementale Garde en de douanebeambten uit Scheveningen deden mee. De twee stukken geschut die de Fransen hier hadden werden tijdelijk op het Plein geplaatst. Na de parade marcheerden de militairen door de stad. De indruk die ze hier mee maakten, werd weer teniet gedaan door het beeld van vertrekkende Franse ambtenaren. Er waren te weinig rijtuigen en wagens om al hun bagage te vervoeren naar het zuiden.

 

De geruchten over de komst van Kozakken hielden aan. Prefect De Stassart schreef zijn superieuren in Parijs dat hij de zaak nog nauwelijks in de hand had. De Nationale Garde was vandaag opgekomen, maar de gardes hadden zich versierd met oranjelinten. De prefect had te weinig soldaten om als represaille kolonel Tullingh te laten arresteren.

 

Van Hogendorp had overleg met de uit Amsterdam overgekomen kapitein Job May. Van Hogendorp vertelde May dat hij een opstand moest opzetten, zodra de Fransen uit Amsterdam waren vertrokken. Toevallig verlieten de Franse troepen deze avond Amsterdam. Ze trokken zich terug op Utrecht en lieten de Franse bestuurders onbeschermd achter in Amsterdam18.

15 november (maandag): rust in Den Haag, oproer in Amsterdam

Job May arriveerde de volgende ochtend in Amsterdam. Daar zou hij de opstand hebben georganiseerd, die in de loop van de dag uitbrak, of daaraan hebben meegewerkt. Van Houtte denkt dat de opstand eerder spontaan uitbrak, dan dat hij was georganiseerd. Het is volgens hem wel mogelijk dat Van Hogendorp en May het uitbreken van het oproer hebben gestuurd.

 

De Franse gouverneur-generaal Lebrun was nog in Amsterdam gebleven, maar droeg zijn gezag snel over aan een nieuw gemeentebestuur. Dat bestuur stelde zich neutraal en niet Oranjegezind op. Voorzichtigheidshalve schreef men de Franse generaal Molitor in Utrecht dat het nieuwe bestuur niet betekende dat er in Amsterdam een omwenteling had plaatsgevonden. Het nieuwe stadsbestuur was alleen ingesteld om de orde te kunnen herstellen19.

16 november (dinsdag): vrees voor opstand in Den Haag

Op het eind van de middag hoorde prefect De Stassart van een ordonnans over het Amsterdamse oproer. Hij was bang dat het zou overslaan naar Den Haag. Er waren in de buurt al rijtuigen gezien met uit Amsterdam vluchtende Fransen. In de avond lichtte hij waarnemend maire Faber van Riemsdijk in over de gebeurtenissen in Amsterdam. De maire maakte zich zorgen over de betrouwbaarheid van de Pruisische hulptroepen van het Franse garnizoen. Die zouden al Oranjegezinde liederen hebben gezongen.

 

Van Hogendorp wist nog helemaal niets over de gebeurtenissen in Amsterdam. Hij maakte zich wel zorgen over wat er zou gebeuren als de opstand in Den Haag te vroeg zou uitbreken. De 400 man Pruisische hulptroepen waren misschien niet betrouwbaar, maar hij verwachtte dat ze zich zouden verweren als ze door het volk zouden worden aangevallen. Hij vreesde voor een bloedbad20.

Vervolg: zie deel 2a

Verantwoording

Eerste versie, 12 november 2013

Literatuur

• zie deel 2 (vervolg).

Noten

1. Vles 45-46, De Bas III 1, p. 129 e.v.

2. Van Gelder ’s-Gravenhage – Gedenkboek 1813, p. 9-10.

3. Joor 519-520, Vles 45-46.

4. zie ook noot 5; Op 1 november vertrokken twee compagnieën van het 3de regiment étrangers (Duitse hulptroepen) met 106 man van de Garde van de Prefect naar Utrecht. Een compagnie grenadiers en een compagnie van de nationale garde vertrokken naar Naarden en naar Den Helder. Op 2 november verlieten nog eens 61 man van de Nationale Garde van een ander departement en op 3 november ging een compagnie van de Nationale Garde naar Gorinchem. Op 4 november volgden drie compagnieën naar Den Briel en Hellevoetsluis en 7 november verlieten de laatste compagnieën van het regiment van Texel Den Haag.

5. Colenbrander, Gedenkstukken, deel 6, band 3, GS 17, p. 1654), Van Gelder Gedenkboek 1813 p. 11-17, 38, Baake 51-52.

6. Van Gelder Gedenkboek 1813 p. 15-17, 20-21, Jaarboek Die Haghe 1963 pp 135 e.v.; de raadsleden Van der Heim, Van Schuylenburch, Hope en Caan bedankten voor de eer.

7. De beschrijving van het huis is ontleend aan het artikel over de plannen tot sloop, in Het Vaderland van 27 december 1919.

8. Van der Palm in Colenbrander, Inleiding tot Van der Palm, 11, Houtte 145-146, Fruin 7, Lok 25-29, Van Gelder Gedenkboek 1813, p. 38-39, Van Hogendorp, Brieven en Gedenkschriften, deel 4, p.193, Van Houtte 145, Van Marle 158; Volgens Van Hogendorp kreeg men in Den Haag eind oktober al informatie over de nederlaag, Faber van Riemsdijk schrijft in zijn memorie (Jaarboek Die Haghe 1913 p. 198) over de Moniteur van 29 oktober; sommige bronnen geven een afwijkende datum; H. van Hogendorp, Brieven en Gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, ’s-Gravenhage 1866-1903 deel 4, p. 193-194, Van Gelder, Varia, 199; volgens Van Hogendorp kreeg men in Den Haag eind oktober al informatie over de nederlaag, Moniteur universel van 30 oktober, sommige bronnen geven een afwijkende datum; H. van Hogendorp, Brieven en Gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, ’s-Gravenhage 1866-1903 deel 4, p. 193-194, Joor 521, Van der Palm in Colenbrander Inl. tot Van der Palm, 11.

9. J.H. de Groot, Abraham Ampt in 1813, 52-53, Joor 523; Devilliers-Duterrage is De Villiers-Duterrage.

10. Colenbrander, Gedenkstukken, deel 6, band 3, GS 17, p. 1631, Baake 53.

11. Baake 54. J.H. de Groot, Ampt in 1813, 56; zie ook noot 13.

12. Van Gelder, Varia 200-201, 243, Gedenkschrift van Tullingh, p. 1667, zie ook noot 13.

13. Van Gelder Gedenkboek 1813 p. 39-40, 42-45, J.H. de Groot, Abraham Ampt in 1813, 54-57, Van Marle 158-159, RGP 17, blz. 1666, XXVI, 1667, Smit 21-22, Joor 197, 521-522, Van Hogendorp, V blz. 20-21, Jorissen I XCIX-C, Colenbrander Gedenkstukken, deel 6, band 3, GS 17, p. 1632; volgens Smit (p. 23) sprak een oud-burgemeester de turfdragers en slagersknechten op 10 november toe.

14. Baake 55-56, Van Gelder Gedenkboek 1813, p. 39, 41-42, Colenbrander, Gedenkstukken, deel 6, band 3, GS 17, blz. XXVI; de Franse autoriteiten waren: prefect De Stassart, procureur-generaal Jacquinot, commissaris-speciaal Eymard en generaal Bouvier; volgens een andere bron zouden de Rustbewaarders op 11 november om hun hulp zijn gevraagd.

15. Baake 57-58, Joor 523, Van Gelder Gedenkboek 1813 p. 39-44, Smit 23, J.H. de Groot, Abraham Ampt in 1813, 46, 54; de locatie van de penshal kon ik niet vinden, hij stond toen waarschijnlijk aan de Grote Markt; De Rijswijkse notabele Gerlag van der Heim schreef zijn broer dat de Fransen “vreeslijk in ’t nauw zitten.”

16. J.H. de Groot, Abraham Ampt in 1813, 59-60, Van Gelder, Varia 200-201, 243, Baake 58, Van Gelder, Gedenkboek 1813, 46-47, Colenbrander, Gedenkstukken, deel 6, band 3, GS 17, p. 1632, Joor 523, Smit 23; volgens Elseviers Maandschrift was dit overleg in de nacht van 12 november, volgens de Memorie van Ampt in de nacht van 13 op 14 november, volgens Van Gelder werden de gardisten op 12 november gearresteerd; de gravin van Athlone was Christina, de dochter van de graaf.

17. Baake 59, Van Gelder, Gedenkboek 1813, p. 47, Smit 24-25, J.H. de Groot, Abraham Ampt in 1813, p. 59-60.

18. Baake 59-60, J.H. de Groot, Abraham Ampt in 1813, 60, Van Gelder, Gedenkboek 1813, p. 47, Van Marle159, Smit 25, Joor 523, Vles 54.

18. an Gelder Varia 206, Van Gelder, Gedenkboek 1813, p. 49, Jorissen I 43, Vles 54-64, Smit 25-26, Van Houtte 145-148.

18. Van Gelder, Gedenkboek 1813, p. 49-53, Van Hogendorp, Brieven en Gedenkschriften IV 308, Jorissen, Bijdragen I, p. XCV, Van Gelder Varia 206, Van Marle 159, Smit 26.