Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDeze pagina beschrijft hoe vroeger het bestuur van Den Haag in elkaar zat. Wie bestuurde Den Haag en wie sprak er recht?

kopfoto

Bestuur

Het Haagse bestuur in de tijd van het graafschap Holland (tot 1581)

N.B. Deze pagina is nog niet gereed. De tekst is nog niet in concept-stadium.

Inleiding

In weinig plaatsen in Nederland zat het lokale bestuur zo ingewikkelde in elkaar als in Den Haag. Den Haag was het mooiste dorp van Europa, maar niet het slagvaardigste bestuur. Dat lag in de eerste plaats aan de graaf, die het dorp als residentie had. Het lag in de tweede plaats aan zijn ambtenaren, die in het dorp een uitzonderingspositie kregen. Toen ze die eenmaal hadden, wilden ze daar niet meer vanaf. De graaf en zijn ambtenaren integreerden niet in het dorp, maar bleven apart met een eigen grondgebied, bestuur en rechtspraak.

 

In het begin gaf dit nog weinig problemen, maar toen dorp en grafelijk gebied en bevolking groeiden ontstonden problemen. Wie was waar de baas en welke rechtbank was bevoegd om iemand te berechten? Het dorpsbestuur streed een lange strijd om verbetering van een (meestal financieel) ongunstige situatie, maar het bereikte zelden meer bereikt dan een ingewikkeld compromis. Het resultaat was, zoals onderzoeker Van der Schueren schreef “het omslachtige raderwerk van het bestuur van Den Haag.” 1.

 

Hieronder leest u over een volledig andere bestuursinrichting dan wij tegenwoordig kennen. In de Middeleeuwen was er geen gekozen bestuur en waren er geen onafhankelijke rechters. Het bestuur en de rechters werden aangesteld door de graaf en zij hadden andere functies dan tegenwoordig. Ook bestonden "organen" als gemeenten en provincies niet. Vroeger had je ambachten en baljuwschappen. Daar werkten schout en schepenen en baljuw en welgeboren mannen. Helemaal bovenaan in de hiërarchie stond de graaf, de baas en eigenlijk ook de eigenaar van het graafschap Holland.

Graafschap Holland

Den Haag ontstond in de dertiende eeuw als dorp naast het kasteel dat de graven van Holland op het platteland hadden laten bouwen. Het graafschap Holland lag binnen het Duitse rijk en werd bestuurd door de graaf. Die deed dit officieel in naam van de keizer, maar in de praktijk opereerde de graaf als een onafhankelijk vorst. De graaf had in Holland alle macht en alle eigendommen van de keizer over genomen. De keizer zal het er niet mee eens zijn geweest, maar hij kon er weinig aan doen. De graaf plaatste zich in Holland aan het hoofd van bestuur en rechtspraak, liet belastingen innen en tol heffen en riep de inwoners op tot legerdienst. De graaf was ook eigenaar van het ‘woeste land’, het land dat nog niet door mensen werd gebruikt. De graaf was met al deze illegaal van de keizer overgenomen rechten een machtig en rijk man geworden. Vooral de heffing van tol op de druk bevaren Hollandse rivieren maakten hem tamelijk rijk2.

 

De keizer had de nieuwe positie van de graaf wel geaccepteerd, maar binnen het graafschap moest de graaf zijn positie nog bevechten. Ook in de dertiende eeuw was zijn positie alleen nog veilig in het zuidelijk deel van het graafschap. Dat was het gebied tussen ruwweg Vlaardingen en Leiden of Haarlem. Ten noorden daarvan (het huidige Noord-Holland) braken geregeld opstanden uit en naar het oosten toe voerde de graaf oorlog met de bisschop van Utrecht. In de grensgebieden hadden machtige edelen hun eigen mini-graafschapjes gesticht. In deze eeuw was de macht van de graven nog niet vanzelfsprekend.

 

Hun graafschap was in deze tijd nog zeer agrarisch. Het meeste land was nog ‘woest’, dat wil zeggen niet bruikbaar voor landbouw. Dat waren veenmoerassen, duinen, bossen en dergelijke. Die moesten eerst geschikt worden gemaakt voor landbouw. Vrijwel alle andere grond was platteland, zowel qua gebruik als qua juridische status. In dertiende eeuw waren er in Holland verder al enkele steden. Die waren ontstaan als handelsnederzettingen en hadden een aparte juridische status gekregen. Het platteland viel in juridische zin onder het ‘Landrecht’, het land dat in het graafschap gold. De stad en de burgers daarvan vielen ook onder dat Landrecht, maar voor hen golden ook aanvullende rechtsregels. Het recht en de rechten van de stedelingen was in veel opzichten beter dan het gewone recht dat voor de plattelanders gold. De graaf gaf de steden deze uitzonderingspositie omdat steden centra van handel waren. Handel was goed voor de economie en dat was indirect goed voor de financiën van de graaf.

Standenmaatschappij: de edelen

Tegenwoordig is iedereen gelijk voor de wet en heeft iedereen kiesrecht. In de Middeleeuwen was dat niet zo. De bevolking was verdeeld in drie groepen, standen genoemd. Elke stand had zijn eigen rechten. Onderaan stonden de ‘gewone’ mensen, die op het platteland en in de stad woonden. Zij hoorden tot de derde stand. Van hen hadden de stedelingen een iets betere positie. Boven hen stonden de edelen, die de tweede stand vormden. Zij waren mensen die de graaf bijstonden, gewoonlijk met krijgsdienst. Zij waren (in de dertiende eeuw althans) ridders, die een paard en wapens moesten kunnen onderhouden. Dat betaalden ze uit de opbrengst van hun land. Grondbezit was de belangrijkste inkomstenbron in de middeleeuwen. Je kon je geld toen nog niet verdienen met fabrieken, aandelen, bank of verzekering. Dat bestond niet of niet op de schaal waar mensen nu rijk mee kunnen worden. Mensen konden rijk worden met handel, maar handelaren woonden in steden en waren geen ridder. Edelen verdienden het geld om hun wapenuitrusting en paard te onderhouden dus door boeren op hun land te laten werken. De graaf was afhankelijk van dit part-time ridderleger, want hij had geen geld voor een vast leger, dat altijd klaar stond. De graaf zorgde dus goed voor zijn edelen. Die hoefden geen belasting te betalen en mochten ook niet door een gewone rechtbank worden berecht.

Standenmaatschappij: de edelen

Tegenwoordig is iedereen gelijk voor de wet en heeft iedereen kiesrecht. In de Middeleeuwen was dat niet zo. De bevolking was verdeeld in drie groepen, standen genoemd. Elke stand had zijn eigen rechten. Onderaan stonden de ‘gewone’ mensen, die op het platteland en in de stad woonden. Zij hoorden tot de derde stand. Van hen hadden de stedelingen een iets betere positie. Boven hen stonden de edelen, die de tweede stand vormden. Zij waren mensen die de graaf bijstonden, gewoonlijk met krijgsdienst. Zij waren (in de dertiende eeuw althans) ridders, die een paard en wapens moesten kunnen onderhouden. Dat betaalden ze uit de opbrengst van hun land. Grondbezit was de belangrijkste inkomstenbron in de middeleeuwen. Je kon je geld toen nog niet verdienen met fabrieken, aandelen, bank of verzekering. Dat bestond niet of niet op de schaal waar mensen nu rijk mee kunnen worden. Mensen konden rijk worden met handel, maar handelaren woonden in steden en waren geen ridder. Edelen verdienden het geld om hun wapenuitrusting en paard te onderhouden dus door boeren op hun land te laten werken. De graaf was afhankelijk van dit part-time ridderleger, want hij had geen geld voor een vast leger, dat altijd klaar stond. De graaf zorgde dus goed voor zijn edelen. Die hoefden geen belasting te betalen en mochten ook niet door een gewone rechtbank worden berecht.

Standenmaatschappij: de geestelijken

Boven de edelen vormden de geestelijken de ‘eerste stand’. De weinige mensen die in deze tijd naar school gingen werden vaak geestelijke. Kloosters en (klooster)scholen waren in de Middeleeuwen de centra van onderwijs en cultuur. Daar werd de kennis van de Romeinen doorgegeven die de Germanen vergeten waren. Gewone mensen hoefden niet te kunnen lezen en schrijven, maar geestelijken natuurlijk wel. Het onderwijs op de stadsschool werd gevolgd door mensen die later geestelijke werden. Maar niet iedere scholier of student ging daarna voor de kerk werken. Mensen die konden lezen of schrijven waren ook nodig voor een klein aantal banen in het landsbestuur of stadsbestuur die een hogere scholing nodig hadden, zoals inzicht in juridische zaken. Zij waren ambtenaar van de graaf of secretaris van een stadsbestuur. (Ook in een ander opzicht speelden de kerk een belangrijke rol voor de graaf. Geestelijken speelden een belangrijke rol bij de opvoeding van de bevolking en hielpen de vorst daarmee met het brengen van eenheid in het land. Het was niet handig als mensen op eigen houtje wraak gingen nemen en families elkaar uit gingen moorden. Dat gaf onrust in het land en mocht gelukkig niet van de kerk. Geestelijken hadden een vergelijkbare uitzonderingspositie als de edelen. Zij betaalden geen belasting en konden evenmin worden berecht door een gewone rechtbank. Geestelijken vielen onder de jurisdictie van de kerk. Zij werden berecht door een kerkelijke rechtbank3.

Standenmaatschappij: het platteland

Na de geestelijkheid en de adel kwam tenslotte de gewone bevolking, de derde stand. Dit waren de gewone mensen op het platteland en in de stad. Zij werden berecht door de gewone rechtbanken, volgens het algemene recht, het Landrecht. Dit gold voor alle mensen die niet tot een bevoorrechte groep behoorden. Voor edelen gold soms ander recht, voor geestelijken gold zeker ander recht en voor burgers van steden gold soms ook ander recht.

 

Het platteland was voor bestuur en rechtspraak verdeeld in districten die 'ambachten' werden genoemd. Het ambacht werd toen niet bestuurd door burgemeester en wethouders, maar door schout en schepenen (althans in Holland in deze eeuw). De schout was door de graaf aangesteld als zijn vertegenwoordiger. Hij moest in de eerste plaats zorgen voor orde en rust. Daarvoor vervolgde hij misdadigers, was voorzitter van de lokale rechtbank en voerde de vonnissen van die rechtbank uit. Hij beraadslaagde niet mee over het vonnis. Dat liet hij over aan de schepenen, de leden van de rechtbank. Schepenen waren inwoners van het ambacht die waren door de graaf of schout waren aangewezen om schepen te zijn.

 

Schout en schepenen waren niet alleen rechtbank, maar ook bestuur. Het is alsof onze huidige burgemeester en wethouders ook rechter zouden zijn. Ze stelden verordeningen vast en spraken meteen recht als iemand die overtrad. Deze vermenging van wetgeving en rechtspraak gaf zo vaak problemen, dat daar later verschillende functionarissen voor kwamen. Wetten werden gemaakt door het gemeentebestuur of landsbestuur. Rechtspraak gebeurde door onafhankelijke rechters.

 

Een ambacht bestond vaak uit een of meer dorpen. Toen Den Haag een ambacht werd, bestond ook uit meerdere dorpjes, zoals Den Haag, Eikenduinen, Loosduinen (voor een deel) en Scheveningen.

Heren en horigen op een hofstede

Het dorp Den Haag ontstond pas vrij laat. Dorpen als Loosduinen, Monster, Voorburg en Rijswijk waren al veel ouder en vormden al een ambacht. En enkele dorpen hadden al stadsrecht gekregen, zoals Delft of Leiden. Over de ontstaansgeschiedenis van Den Haag is weinig bekend. Vermoedelijk lag hier ooit een boerennederzetting die hoorde bij een ‘hofstede’, een boerenbedrijf. Die nederzetting lag tussen het Westeinde en het vroegere Kortenbos. De boeren werkten daar voor de eigenaar van de hofstede, die (vermoedelijk) op het Binnenhof stond. De boeren werkten niet in loondienst, maar ze waren ‘horige’. Zij waren verplicht om het land te bewerken van de boerderij waar ze geboren waren. Horigheid was een lichte vorm van slavernij. Ze hadden wel bepaalde rechten, maar waren niet vrij om ergens anders te gaan werken. Dat kon alleen met toestemming van hun heer. Ooit was dit systeem bedacht om mensen in deze onveilige tijd bescherming te bieden. De gewone man werkte voor de heer en die zorgde voor bescherming, voor voedsel en veiligheid.

 

Een hof of hofstede bestond uit een centraal hoofdgebouw en enkele boerderijtjes. Die konden bij elkaar liggen of wijd verspreid. De hof had een eigen rechtbank die ook zo’n typische middeleeuwse samenstelling had. Mensen werden berecht door hun gelijken. De leden van de rechtbank waren dus boeren van de hof. De voorzitter was de heer of zijn plaatsvervanger. De heer zelf kon niet door deze rechtbank worden berecht, want de boeren waren niet zijn gelijken. Hij kon alleen worden berecht door een rechtbank van edelen.

 

In de periode dat Den Haag ontstond, nam het aantal horigen overigens snel af. In Holland althans. Door allerlei economische omstandigheden konden veel mensen zich vrijkopen van hun heer. Zij waren dan ‘vrij’. Ze konden ergens anders gaan wonen, op het platteland of in een stad. Toen Den Haag in de dertiende eeuw ontstond, zullen de inwoners van de reeds bestaande boerennederzetting oorspronkelijk horige zijn geweest. De nieuwe bewoners die naast het kasteel kwamen wonen, waren ‘vrijen’. De oude bewoners zullen hun status van horige toen ook kwijt zijn geraakt.

Grafelijke residentie

De graaf had geen vaste residentie in Holland. Er waren nog gebieden waar boeren en edelen de neiging hadden in opstand te komen en de beste manier om dat voor te zijn was een persoonlijk bezoek. De graaf reisde daarom met gevolg door zijn graafschap. Onderweg logeerde hij in een van de woningen die hij verspreid in het graafschap had. De graaf had enkele favoriete huizen in het rustige deel van het graafschap. In de dertiende eeuw stonden twee favoriete woningen in Leiden en ’s-Gravenzande.

 

Op het eind van de dertiende eeuw werd het rondreizen wat minder. Het was waarschijnlijk minder nodig omdat de het graafschap minder onrustig was. Het werd ook minder handig. De graaf nam zijn archief bijvoorbeeld altijd met zich mee in een archiefkist. Dat was in het begin niet zoveel, maar op een gegeven moment groeide het archief. Waarschijnlijk kwamen te vaak mensen met een vervalste oorkonde bij de graaf om te zeggen dat ze ergens recht op hadden. De graaf liet zijn archief beter bijhouden en dat groeide en paste niet meer in een kist. De graaf had behoefte aan een vaste plek. Aan een eigen residentie ergens centraal in het graafschap.

Een grafelijke residentie

Vermoedelijk om die reden ging graaf Floris IV wonen op het Binnenhof. Uit bouwsporen is bekend dat daar toen in ieder geval één gebouw stond. Uit een oorkonde is bekend dat zijn zoon Willem daar niet veel later woonde, terwijl hij te jong was om zijn woning hier zelf gebouwd te hebben. Vader Floris had het huis gekocht of laten bouwen, maar die heeft het voor zover bekend niet verder uitgebreid. Dat deden zijn zoon Willem II en kleinzoon Floris V. Deze graven lieten op en rond het Binnenhof een groot grafelijk kasteel bouwen. Naast dat kasteel ontstond een klein dorpje. Dat werd Den Haag.

Een nieuw dorp, een nieuw ambacht (Haagambacht)

Het grondgebied van dit dorp behoorde grotendeels tot het ambacht Monster. Monster had geen eigen schout, maar werd rechtstreeks bestuurd door de graaf of zijn hofmeester. Deze functionaris was verantwoordelijk voor het beheer van de grafelijke eigendommen, maar hij bestuurde ook Monster.

 

Waarschijnlijk was de bouw van het kasteel de reden dat Den Haag uit het ambacht Monster werd losgemaakt. Het werd vermoedelijk rond 1276 een zelfstandig ambacht. Rond dat jaar werd Den Haag ook een zelfstandige katholieke parochie en grenzen van parochies en ambachten liepen meestal gelijk. Het ambacht Den Haag werd Haagambacht genoemd. Het was vrij groot gebied dat lag tussen de Lozerlaan (bij Loosduinen) en de Landscheidingsweg bij Wassenaar. Den Haag kreeg ook grondgebied van de heer van Wassenaar. Volgens onderzoeker Pabon ook gebied van de heer van Wateringen, maar dat wordt door anderen tegengesproken4. Loosduinen bleef overigens gedeeltelijk bij Monster. Haagambacht werd met deze veranderingen nog niet één geheel. Het was verdeeld in Westambacht en Oostambacht, met de Beeklaan daartussen als grens. Het Westambacht bestond ook uit verschillende delen en in Oostambacht was het dorp Den Haag soms apart. In de verschillende delen golden soms andere verordeningen of regels. Pas later werd Haagambacht een geheel.

Hofmeester / rentmeester en welgeboren mannen

Net als Monster werd Haagambacht bestuurd door de hofmeester van de graaf en niet door een afzonderlijke schout (met schepenen). De hofmeester, officieel 'meyster van den hove', beheerde de bezittingen van de graaf. Hij komt in de veertiende voor onder de naam ‘rentmeester van Noordholland’. Noordholland was niet de huidige provincie Noord-Holland, maar het noordelijk deel van de huidige provincie Zuid-Holland. De rentmeester deed in Haagambacht het werk van de schout.

 

Een schout was een door de graaf aangestelde functionaris die het dorpsbestuur en de rechtbank van een ambacht moest leiden. De andere leden van het bestuur en de rechtbank waren de zeven schepenen. Die waren niet gekozen, maar werden wel geacht de lokale bevolking te vertegenwoordigen. De schepenen stelden verordeningen (lokale wetten) op en spraken recht in eenvoudige zaken. Zij deden niet de 'hogere rechtspraak', zoals in zwaardere strafzaken. Die werd gedaan door de rechtbank van baljuw en “welgeboren mannen”. Dit waren edelen.

 

Den Haag had de eerste tijd geen 'schout en schepenen'. Het bestuur werd vermoedelijk door de rentmeester uitgevoerd en de rechtbank bestond uit de hofmeester/rentmeester en ‘welgeboren mannen’. Vanaf 1304 werd de rechtspraak in Den Haag gesplitst. Naast ‘baljuw en welgeboren mannen’ kwam er een lagere rechtbank van hofmeest/rentmeester en zeven schepenen. De schepenen spraken recht in burgerlijke zaken (zoals een notaris) en bij kleinere overtredingen. De hogere rechtspraak, de “criminele jurisdictie”, bleef tot zeker 1497 een zaak van de ‘baljuw en welgeboren mannen5.

 

In hun eerste jaren waren de Haagse schepenen vermoedelijk alleen betrokken bij de rechtspraak en niet bij bestuur of wetgeving. Pas in 1325 kregen zij van de graaf toestemming om verordeningen te maken, maar alleen op het gebied van de onderwerpen die hij toen opgaf. Het mocht gaan over de kwaliteit en de prijs van voedingsmiddelen en over (het onderhoud van) wegen, straten en waterwegen. Dit waren toen de allerbelangrijkste onderwerpen waar voor een dorpsbestuur zich mee kon bemoeien6.

Het baljuwschap

Boven de gewone rechtbank van schout en schepenen stond de hogere van baljuw en welgeboren mannen. Deze functie was in de dertiende eeuw ontstaan, omdat de graaf behoefte had aan iemand die namens hem toezicht hield op een groter district, het baljuwschap. De baljuw hield zich vooral bezig met justitie en dan vooral met zaken die onder de 'hoge rechtspraak' vielen. Hier werden zware misdrijven vervolgd en berecht, zaken als moord, doodslag, roof of verkrachting. Het waren misdrijven waar lijfstraffen op stonden. In het ergste geval was dat de doodstraf. Hiernaast had de baljuw ook toezicht op de eigendommen van de graaf over grafelijke inkomsten uit accijnzen, de grafelijke molens, de belastingen en de tollen. Een baljuwschap is enigszins te vergelijken met een provinciebestuur dat tevens de hogere rechtbank vormde.

 

In het begin benoemde de graaf vooral baljuws die financieel afhankelijk waren. Het waren geen rijke en machtige edelen die hun eigen gang konden gaan, maar mensen die dit niet konden doen. Ook koos de graaf verre familie tot baljuw, bijvoorbeeld grafelijke bastaarden. Onechte kinderen van de graaf en hun nazaten waren geschikt voor een vertrouwenspositie bij de graaf. Willem Cuser, de man die samen met Aleid van Poelgeest werd vermoord, was bijvoorbeeld zo'n baluw (zie verder bij Aleid van Poelgeest. De eerste baljuwschappen waren Zuid-Holland (Dordrecht en omgeving, 1252), Kennemerland (1254) en Noordholland (1260). Noordholland (het noordelijk deel van het huidige Zuid-Holland) werd omstreeks 1275 gesplitst in de baljuwschappen Rijnland, Delfland en Schieland.

 

Na de eerste baljuws die een vast inkomen kregen, veranderde de situatie. De graaf had steeds meer geld nodig en dat kreeg hij door dit te lenen. Als onderpand van grote leningen gaf hij het baljuwschap aan rijke edelen en later ook burgers. Deze baljuws konden pas ontslagen worden als de lening was afgelost. En als een volgende baljuw benoemd werd, dan nam hij de lening van zijn voorganger over. De schulden stapelden zich op, de graaf werd afhankelijk van zijn geldschieters die baljuw waren en had minder over hen te vertellen.

 

Den Haag kreeg ook een baljuw toen het wat groter was geworden. Zolang het nog klein was viel het nog onder het kasteel en fungeerde de rentmeester van Noordholland als baljuw7.

Hofgebied van Den Haag

Verdeling in stadsgebied en hofgebied.

Den Haag was verdeeld in een hofgebied en een stadsgebied. De precieze grens verschoof naarmate Den Haag groeide, maar de oorspronkelijke grens waren de beide beken rond het grafelijk kasteel. In lichtrood de situatie van nu (2006).

 

Verantwoording

Literatuur

• -.

Noten

1. Van der Schueren, jurisdictiegeschillen, 87.

2. Janse 750-770.

3. Selderhuis 109, 174, Selderhuis 196.

4. Pabon (1924) 180.

5. De Riemer 5-8, Van Gelder, Het bestuur 5, Wagenaar 38.

6. Smit en Van Kan, 128; Wagenaar 38; Van Gelder, ‘Bestuur’, 5, ;’t Hart, Inventaris, geen paginanummer, De Riemer 3. De betreffende oorkonde stelde dat “dat die Scepen uter Haghe med onsen Meyster uter Haghe, die onse Hof aldaer verwaert, maken mogen voirboden op wyn, op broet, op bier, op voeder coirn, en op voyder ten paerde, en alsulke Coere en Voerbode als si maken sullen, soe wie die brake, die verboerde tieghens ons drie pond Hollants, alsoe dicke als hi et dede; Voert zoe wat Keuren dat die Scepen med onsen Meyster van onsen Hove voorsz. maken sullen op weghen, op straeten en op weteringhen, die houden wi gestad, enz.”

7. Fruin-Colenbrander 66-67, Carasso Kok 177, Wierdsma 250-258.