Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDeze pagina geeft informatie over de aanleiding van het bombardement op het Bezuidenhout van 3 maart 1945. .

kopfoto

Bombardement op het Bezuidenhout, 3 maart 1945: 5

Deel 5: Gebeurtenissen in het Bezuidenhout, 3 maart 1945 (2))

(In deel 4 over het bombardement op het Bezuidenhout wordt de situatie in de wijk zelf beschreven. Voor delen 1-3 zie de pagina's inleiding en de V2 en de Britse reactie en het bombardement.)

 

4 maart 1945

De volgende dag kon het blussen nauwelijks worden hervat. Slechts voor een enkele brandweerploeg was benzine. Ondertussen probeerden men de gesprongen waterleidingen te repareren. In de loop van de dag was een aantal hersteld. Toen konden de brandkranen tussen de 1ste Van den Boschstraat en de Schenkweg weer worden gebruikt. Op plaatsen waar het vuur was uitgewoed, kon men op zoek naar gewonden en vermisten. Er kwamen veel meldingen binnen over vermiste familieleden of buren die mogelijk onder het puin konden liggen. Ploegen van Gemeentewerken en Luchtbeschermingsdienst gingen hier dagen en mogelijk weken mee door. In veel gevallen vond men geen lichaam en bleken mensen naar bekenden of familie buiten Den Haag te zijn vertrokken. Door de chaos van het bombardement en de gebrekkige communicatiemiddelen in de oorlogstijd duurde het soms enige tijd voordat bekend was waar iedereen gebleven was. Ook burgers zochten onder het puin naar vermiste familieleden.

Brandweer uit Zaandam

Brandweerkorpsen buiten Den Haag waren telefonisch soms niet bereikbaar of ze konden niet komen door gebrek aan benzine. Ploegen van buiten Den Haag moesten eigen benzine meenemen voor de heenreis, het blussen en de terugreis. Zodoende kwamen er alleen brandweerploegen uit Zaandam, Wormerveer en Wassenaar. De Zaanse brandweerman H.L.M. van Heijnsbergen zette een indrukwekkend verslag op papier. Het is het enige uitvoerige verslag van na het bombardement.

Oord van verschrikking

In Den Haag trof Van Heijnsbergen een “oord van verschrikking” aan. In de De Carpentierstraat liepen de bewoners van een hoog, brandend pand wanhopig heen en weer. Hier ging de autospuit uit Wormerveer blussen, waarschijnlijk met water uit het riool. Op weg naar de eerste bluslocatie zag hij veel branden en angstig samengeschoolde mensen. Veel huizen waren zwaar beschadigd en spullen die niet waren verbrand lagen verspreid over de vloeren, drijfnat van de regen of het bluswater. Van Heijnsbergen schrijft hoe hij over foto’s en schilderijen, boeken met prachtbanden, portretlijstjes, familiealbums, kerkboekjes, keukengerei, kinderkleurboeken en speelgoed liep. Duizenden mensen waren alle tastbare herinneringen aan hun leven verloren. De verlaten straten waren bezaaid waren met dakpannen, glas, puin, rokend hout en hier en daar wat smeulend huisraad. Rookwolken trokken over de stad. Je kon kon niet zo ver zien1.

 

Van Heijnsbergen beschrijft de angstaanjagende sfeer die het afschieten van V2’s en nieuwe bominslagen bij het Haagse Bos gaven. Als mensen een V2 hoorden lanceren, holden ze weg en riepen hem dekking te zoeken. Maar er waren alleen ruïnes en wankele muren. En als Britse jachtbommenwerpers bommen lieten vallen dan “dreunde de aarde en wankelden bouwvallen”. Een collega Van Heijnsbergen vond het een hel en wilde weg2.

Bombardement op het Bezuidenhout gezien vanuit Voorburg

Mariastraat enkele dagen na het bombardement (Gemeentearchief foto nr. 1.10708)

Het was voor duizenden mensen een hel. Ze zagen een boer uit Naaldwijk, die met paard en wagen zijn dochter en de inboedel kwam halen. De boer vroeg her en der naar zijn dochter totdat iemand van de Luchtbeschermingsdienst vertelde dat de bewoners van het huis onder het puin lagen. Na een uur “zag ik het boertje weer weggaan, met een leege wagen en een vol gemoed.”3.

 

Een andere ooggetuige zag een paard en wagen met allemaal lijken. Er lagen lakens en zeilen overheen, maar de ledenmaten staken er aan alle kanten uit: “Dat vergeet je je leven nooit meer”. In de middag van 4 maart meldde een arts van de GG & GD dat er 68 doden lagen in ziekenhuis Anthoniushove in Voorburg. Daar lagen ook 86 zwaargewonden en 165 lichtgewonden. De lijken werden opgebaard in het gemeentelijk badhuis en zouden in Voorburg worden begraven4.

 

Doden en gewonden werden volgens een ooggetuige ook bij de kerk op de Schenkkade gebracht: “Het is nog steeds een nachtmerrie voor mij. De lijken en zwaargewonden werden daar allemaal aangedragen. Zij werden met paard en wagen vervoerd”5.

Wanhoop

Mensen probeerden uit totaal verwoeste huizen nog spullen te redden. Op zijn minst wilden mensen de kachel meenemen. Als hun volgende onderdak een schuurtje was konden ze het daarmee warm krijgen of eten maken. Van Heijnsbergen zag mensen met alle mogelijke en onmogelijke wagentjes heen en weer rijden om bezittingen in veiligheid te brengen. Een enkele auto reed nog en soms gebruikten mensen paard en wagen. Zijn mensen moesten de wagens steeds over de brandslangen helpen tillen. Er kwam geen eind aan vragen om hulp, soms anders dan je zuo verwachten. Een Haags sprekende dame vroeg of haar “kanariepietjes” nog leefden. Voor het raam op de eerste etage waren twee twee kooien te zien. Een brandweerman ging naar boven, sleepte een ijzeren kolenkit voor het raam, klom daarop en haakte de kooien van de haak. De vogels bleken nog te leven. In een ander mooi huis zat een advocaat op één hoog huilend bij de piano. De brandweermensen konden zijn piano niet redden. Even hoorde ze hem prachtig piano spelen. Daarna was het stil en even later belandde de piano met een geweldige plof op straat. Splinters, toetsen, snaren en koperwerk lagen op straat6.

Veel werk, zwaar werk

Er was veel werk en het was zwaar. De Zaanse brandweer ging in verschillende ploegen aan de slag. Naast hun eigen mensen zag Van Heijnsbergen nog een motorspuit uit Wassenaar. In de middag zag hij nog een Haagse brandspuit in de Vlietstraat. Er waren toen nog veel branden die zich konden uitbreiden. In de Charlotte de Bourbonstraat stonden acht van de twaalf huizen zwaar gehavende huizen in brand. Veel bewoners hielpen de brandweer bij het blussen. Ze waren rustig en gelaten, waarschijnlijk in shock. In de Amalia van Solmsstraat viel hem de deftige buurt op met prachtige huizen en zeer rijke inboedels."7.

 

Het blussen was temeer zwaar omdat de branden meestal op de bovenverdieping woedden. Waterslangen moesten steeds omhoog en omlaag worden gedragen en tussendoor wat eten was er nauwelijks bij. Er was niet eens eten. Iemand van het electriciteitsbedrijf beloofde broodkorstjes als ze kwamen een brand bij het electriciteitsstation aan de Schenkkade zouden blussen. Als dit electriciteits-onderstation van het van het Gemeentelijk Electriciteitsbedrijf in brand raakte, kwam de electriciteitsvoorziening van Den Haag in gevaar. Maar op eigen houtje, zonder opdracht van hogerhand, konden ze dat niet doen. Gelukkig stelden de Duitsers extra benzine ter beschikking zodat de Haagse brandweer deze brand kon blussen8.

 

Bij dit alles moesten de brandweermensen uit Zaanstad steeds meubilair verplaatsten dat onbeheerd op straat stond, nat van regen en bluswater. Het blokkeerde de weg of stond op de rioolputten. Niemand kon helpen bij het verplaatsen. De bewoners waren er niet en andere, jonge, mensen waren niet beschikbaar. Die waren naar Duitsland weggevoerd om te werken.

 

Om half twee hielden Van Heijnsbergen en zijn ploeg even pauze, die ze drijfnat door konden brengen in "een koud vertrek". Er zat geen glas in de ramen lag en de kachel was uit. Tot Van Heijnsbergens verbijstering had de bewoonster van het huis pas borden en lepels toen ze hoorde dat ze mee mocht eten. Eerst had ze die niet. De commandant van de Zaanse brandweer had geen warm vertrek en warm drinken kunnen regelen.

 

In de middag ging de wind harder waaien en moesten de brandweermensen zich met stofbrillen beschermen tegen de rondvliegende fijne stukjes vuur9.

Schenkkade, tussen de Adelheidstraat en de Carolina van Nassaustraat na het bombardement.

Schenkkade, tussen de Adelheidstraat en de Carolina van Nassaustraat (Gemeentearchief, foto nr. 0.62213, fotograaf onbekend)

Plundering

Veel mensen herinneren zich de grootschalige diefstal en plundering. De verwoestingen trokken ramptoeristen naar de wijk, maar ook plunderaars die sieraden en andere kostbaarheden van de slachtoffers staten. Er werd verteld dat razende buurtbewoners verschillende dieven hebben doodgeslagen. Meer dan honderd plunderaars werden gearresteerd. Een aantal werd door de Duitsers of door de Landwacht (hulppolitie bestaande uit NSB-ers) geëxecuteerd.

 

Het was triest “dat er al direct dat soort mensen de wijk in komen. Zij zijn naderhand goed aangepakt. Ik heb wel tientallen de straten in zien komen hollen om te kijken, wat er van hun gading was. Ik heb een hele hoop zien slepen”. Volgens een ander raapten de plunderaars de doden op om te zien wat zij van de lijken konden rukken. “Ze hadden honger van hier tot gunder. Daarom kon het hen niet schelen wat ze aten. Het kon hen niet schelen, wat ze deden. De volgende morgen zag je ze op de hoek van de Schenkweg met kinderwagens alles verkopen aan de mensen die alles verloren hadden. Zij verkochten alle goederen die zij uit andere woningen hadden gehaald: gouden ringen, linnengoed en allerlei andere waardevolle spullen. Dat waren nu je eigen mensen […] er zijn zo vreselijk veel mensen die zich verrijkt hebben aan de ellende en narigheid van anderen.”

 

Ook de Zaanse brandweerman Van Heijnsbergen had gezien hoe plunderaars werden gedood of neergeslagen. Andere brandweerlieden hadden ze door de politie zien fusilleren. Iemand anders zag op 4 maart plunderaars op straat liggen met een stuk karton op de borst met de tekst “Ik ben een plunderaar”. Ze lagen ook op de Herengracht bij de ingang van het Bezuidenhout. Een ander zag dat ze door de Duitsers werden gepakt en acuut doodgeschoten. “Ze stonden op de brug van de Herengracht met zijn drieën naast elkaar met petten op. Dan werden ze zo neergeschoten, dat zij achterover in het water van de Herengracht vielen. Dat raak je nooit meer kwijt. Dat vond ik zo vreselijk.”10.

Gevaarlijk werk

Tegen de avond had de Zaanse brandweer al veel geblust. De ploeg uit Wormerveer moest teleurgesteld weg toen de benzine op was. Ze hadden veel meer willen doen. De Zaanse brandweerlieden gingen in het donker verder, maar dat werd gevaarlijk. Ze waren al in touw vanaf halverwege de vorige nacht en hadden de hele dag gewerkt. De vermoeidheid maakte het klimmen gevaarlijk, zeker in het donker. Ze hadden geen licht. De materiaalwagen had wel een schijnwerper, maar die kon niet dichtbij komen door de meubels op straat.

 

Om kwart voor negen gaf de commandant opdracht te stoppen. Als ze genoeg benzine, voedsel en personeel voor aflossing hadden gehad, waren ze doorgegaan. Het duurde nog lang voordat ze gereed waren met het oprollen van de vele honderden meters slang. Ook daarbij stonden meubels in de weg. Toen dat gedaan was, was het inmiddels doodstil geworden. De maan scheen tamelijk helder en zij waren volgens Van Heijnsbergen de enigen die hier nog “rondspookten”. Ze hadden ongeveer vijftien uur gewerkt en lieten uitgebrande straten, ingestorte kerken, uiteengeslagen huizen, een uitgehongerde bevolking zonder water, gas, licht of eten achter. Ze hadden branden geblust in de Charlotte de Bourbonstraat, 1e Van den Boschstraat, Amalia van Solmsstraat, Vlietstraat, Bezuidenhoutseweg, Schenkstraat, Adelheidsweg, Anna van Burenstraat, Koningin Sophiastraat. De brandweer uit Wormerveer de De Carpentierstraat, Laan van Nieuw-Oost-Indië, De Sillestraat, Merkusstraat en de Mariastraat11.

 

Andere mensen hadden meer geluk.Toen iemand na een paar weken terugkwam vond hij zijn huis nog geheel intact. Er was glasschade, maar er was niets geroofd.

 

5 maart en later

 

Ook de volgende dag, 5 maart, waren er nog uitgebreide branden. Waar het kon, ging personeel van Germeentewerken en de Luchtbeschermingsdienst aan het werk om straten begaanbaar te maken. Ook sloopten zij resten muur die gevaar opleverenden. Puin dat de straten blokkeerde werd afgevoerd. Op 4 maart was het Wachtje (op het Malieveld) al gesloopt. Maar er was te weinig personeel en dit werk schoot niet op.

 

Ook de politie kon het werk niet aan. Voor het op afstand houden van de vele nieuwsgierigen werd de wijk op 5 maart afgezet door tweehonderd man politie en vijftig man van de Luchtbeschermingsdienst. Maar deze politie-inzet was te gering om de wijk te beschermen: “De orde en discipline op de rampplaats was ten eenenmale zoek”. Er werd enorm veel gestolen. De politie kon het werk niet aan: “normaal werken is uitgesloten door het drukke verkeer, het publiek doet eenvoudig wat het wil, het is een hopenlooze chaos”13.

 

Omdat de luchtacties van de Britse luchtmacht doorgingen bleef de vraag of men over moest gaan tot volledige evacuatie van de wijk. Nog niet iedereen was de wijk ontvlucht en er woonden nog mensen. Op 7 maart besloot men niet te evacueren en een verdere beslissing of te laten hangen van de Britse luchtactiviteit14.

Sloop

Hoewel gemeentepersoneel hier en daar al begonnen was, kwam het sloopwerk eigenlijk pas na dinsdag 6 maart op gang. Hiervoor probeerde men extra personeel te vinden via het Arbeidsbureau. De eerste dagen bleef het puin nog in de wijk liggen. Er was een tekort aan personeel en een tekort aan materieel. Puin kon bijvoorbeeld niet worden afgevoerd omdat er te weinig wagens waren. Alleen burgers met eigen vervoer konden die dagen hun puin afvoeren. Waarheen is niet duidelijk, want de gemeente wees pas later een terrein in de Binckhorst aan als tijdelijke bergplaats voor puin uit het Bezuidenhout.

 

Eerst gingen negentig tot honderd personeel van Gemeentewerken en andere gemeentelijke diensten aan dit werk. Er kwam ook hulp van buurgemeenten en van het Duitse leger. In de loop van maart werd het afvoeren van puin aanbesteed bij aannemers. De aanbesteding ging in gedeeltes, in kavels. Voor particuliere sloopfirma’s waren op 19 maart zestig man aan het werk. Toen bleek dat aannemers meer vroegen dan verwacht, besloot men de prijs van het gemeentelijke bouwbedrijf Habo tot richtsnoer te nemen. Met de hiervoor genoemde aantallen mensen en met gebrek aan materieel schoot het werk niet op. Op 20 maart waren nog steeds straten geblokkeerd met puin. Het opruimen van de schade zou een werk van lange adem worden. Het slopen van gebouwen en funderingen, de afvoer van puin en de wederopbouw van het Bezuidenhout zouden enkele decennia in beslag nemen 15.

Berging

De berging van slachtoffers gebeurde door de Centrale Technische Luchtbeschermingsdienst. Die had daarvoor op 19 maart vijfenzeventig man aan het werk had en ongeveer tweehonderd hulp-arbeiders.

 

Eind mei had de Identificatiedienst 458 doden geregistreerd. Er waren toen nog 62 niet geïdentificeerde lijken, 230 zwaar gewonden en 432 vermisten. Maar nog maanden later werden verkoolde slachtoffers gevonden. Men vond vaak skeletdelen die moesten worden geïdentificeerd aan de hand van fragmenten van kleding of schoeisel. In het gemeenteverslag noemt de gemeente 510 doden. Broeshart noemt 511 doden, Korhals Altes denkt dat het er minstens 520 waren, maar vermoedelijk enige tientallen meer16.

Bombardement op het Bezuidenhout gezien vanuit Voorburg

Juliana van Stolberglaan, enkele dagen na het bombardement. In de verte het Juliana van Stolbergplein (Gemeentearchief, foto 6.00072, fotograaf C.P.A Kanters)

Herstel

In het gebied ten oosten van de Laan van Nieuw Oost-Indië was betrekkelijk weinig schade aangericht, maar vrijwel alle bewoners waren gevlucht. Toen de watervoorziening daar op 7 maart werd hersteld, stroomde veel water uit verlaten percelen. De watertoevoer werd weer gestopt totdat de hoofdkranen in verlaten woningen waren dichtgedraaid. In het westelijk deel van de wijk kostte dit veel meer werk. Daar waren veel hoofdkranen in huizen immers bedolven onder het puin17.

Schade

De schade aan gebouwen was enorm. Volgens opgave van de gemeente waren in totaal (incl. Korte Voorhout) 1839 percelen verbrand, 391 onherstelbaar en 1168 licht beschadigd. Een andere opgave noemt een zeer groot aantal gebouwen die verwoest of zwaar beschadigd waren: ruim 3300 woningen, 290 bedrijven, 2 bakkerijen, 5 kerkelijke gebouwen, 2 pastorieën, 15 scholen en gymnastieklokalen, 64 kantoren, 10 openbare gebouwen, 8 ziekeninrichtingen18.

Personeelsinzet

Volgens een rapport van de luchtbeschermingsdienst waren ongeveer 500 brandweermannen ingezet. Verder zouden er 200 man van de Technische Noodhulp, 30 man van de Opruimings- en Herstellingsdienst, 20 man van het Rode Kruis, 50 man van de EHBO van de Luchtbeschermingsdienst, 200 man van de Staatspolitie en 50 man van de Ordedienst van de Luchtbeschermingsdienst aan het werk zijn geweest. Daarnaast nog personeel van de Duinwaterleiding, het Gasbedrijf en het Electriciteitsbedrijf. Of deze aantallen inclusief de hulp van andere gemeenten zijn wordt niet vermeld. Ook niet of de inzet geldt voor 3 maart of ook voor de volgende dagen. De Centrale Keuken verzorgde “in de lopende week” 37.548 porties eten. De Evacueringsdienst bracht mensen onder op 11.520 noodadressen19.

Nasleep

Het bombardement kostte honderden mensen het leven, maakte honderden mensen zwaar- en lichtgewond en veroorzaakte een enorme schade op de grond. Een groot deel van het Bezuidenhout was verwoest. In vrijwel alle andere straten waren de huizen beschadigd. Het bombardement had geen effect op de lancering van de V2’s. Pas toen de ondergrondse V2-fabrieken door het Amerikaanse leger waren bezet, hielden de lanceringen op.

Vergoeding, herstel schade, verwerking

Over de lotgevallen van de wijkbewoners in de jaren na het bombardement is nauwelijks informatie bekend. Mensen met een onherstelbaar beschadigd huis zullen ergens tijdelijk hebben gewoond voordat ze een nieuw huis kregen toegewezen. Dat kon een tijd duren omdat er in Den Haag een groot tekort aan woonruimte was. Een groot deel van de stad was onbewoonbaar. Woonwijken aan de zeezijde van Den Haag waren ontruimd en veel huizen waren afgebroken voor aanleg van de Atlantikwal. Veel ontruimde huizen waren na de oorlog niet meteen bewoonbaar omdat ze waren geplunderd. Niet alleen door gewone dieven, maar ook door mensen die zochten naar hout voor hun majokachel (een noodkachel waarop kon worden gekookt). Er was geen andere brandstof om eten mee te verwarmen.

 

Als mensen een andere woning kregen, dan moest de meubels en anders goederen voor de inrichting vaak nieuw worden aangeschaft. Mensen waren vaak alles kwijtgeraakt. Voor meubels en dergelijke kreeg men een bepaald bedrag van het rijk. Mensen die thuis konden blijven wonen moesten lang wachten voordat de ramen weer glas kregen. Ze kregen eerst glas dat bestemd was voor kassen. Daar kon je niet doorheen kijken. Het herstel van huizen duurde lang.

 

Zie voor vervolg wederopbouw.

 

Verantwoording

Literatuur

• A.C. Broeshart, H. de Haas, Die brand moet uit. 100 jaar beroepsbrandweer in ’s-Gravenhage, Rijswijk 1989.

• J.M.J.F. Doll, 3 Maart Bezuidenhout, Den Haag 1995.

• H.L.M. van Heijnsbergen, Verslag van de hulp door de brandweeren van Zaandam en Wormerveer, verleend aan de gemeente ’s-Gravenhage op zondag 4 maart 1945, Zaandam half maart 1945.

• M.B. van der Jagt, Memoires, Den Haag 1955.

• Hans Pars, Haagse Herinneringen. Bombardement, serie interviews, Den Haag, 2009.

• Carlo Tinschert, Boodschap aan de bevolking van Den Haag. Oorzaken, gevolgen en nasleep van het mislukte bombardement op het Bezuidenhout, 3 maart 1945, Den Haag 2005.

• R. Vijfvinkel, K.P. Companje, W.J. de Geus, M.H. Hegener, ’s Haags werken en werkers. 350 jaar Gemeentewerken (1636-1986), ’s-Gravenhage 1986.

Noten

1. Van Heijnsbergen 1-4, 8-9.

2. Van Heijnsbergen 5-6.

3. Van Heijnsbergen 18.

4. Archief Luchtbeschermingsdienst, bnr 1165, inv. nr. 112, 140.

5. Doll 88.

6. Van Heijnsbergen 7-8, 12, 14, 20-21.

7. Van Heijnsbergen 1-7.

8. Van Heijnsbergen 9-10, Bart van der Boom 234.

9. Van Heijnsbergen 14, 16-18.

10. Van Heijnsbergen 9-10, Doll 86, Tinschert 69.

11. Van Heijnsbergen 24-26.

12. Van der Jagt 12.

13. Archief Luchtbeschermingsdienst bnr. 1165, inv. nr. 140, rapport Centrale Technische Luchtbeschermingsdienst.

14. Archief Luchtbeschermingsdienst bnr. 1165, inv. nr. 140.

15. Archief Luchtbeschermingsdienst, bnr. 1165, inv. nr. 140, bespreking op stadhuis, 21 maart 15.00 uur.

16. Korthals Altes 298, Jaarverslag gemeente 1945, p. 2, 20, A.C. Broeshart, H. de Haas, 73.

17. Archief Luchtbeschermingsdienst bnr. 1165, inv. nr. 112, ’s-Gravenhage, mei 1947, 27.

18. Jaarverslag gemeente 1945, p. 2, 20.

19. Archief Luchtbeschermingsdienst bnr. 1165, inv. nr. 140, Rapporten majoor Preller.