Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerHet daklozenprobleem was vroeger waarschijnlijk veel groter dan nu. Een aantal instellingen hield zich met de opvang van daklozen bezig.

kopfoto

Daklozen in Den Haag (1887-1945)

Dit artikel gaat over enkele opvangtehuizen voor daklozen vanaf de laatste decennia van de negentiende eeuw. Het aantal daklozen was vroeger waarschijnlijk veel groter dan nu en het lot van de daklozen krijgt tot aan de Tweede Wereldoorlog vaker aandacht in de pers. Mensen hadden door de lagere welvaart misschien sneller kans om dakloos te worden, een grotere kans om werkloos te worden en de sociale voorzieningen waren slechter. Daarnaast was er een grote groep mensen die altijd arm waren en geen kans hadden om aan die armoede te ontsnappen.

 

Kranten en tijdschriften van die tijd openden hun artikelen over daklozen steevast met de melding dat er een grote groep mensen in het centrum van Den Haag rondzwierf. Het waren vooral mannen, maar ook vrouwen en kinderen, en ook vaak hele gezinnen die geen woning meer hadden.

 

Er was ook een grote groep mensen die net niet dakloos waren, maar woonden in een van de vele krotten in het centrum. In en rond de Bagijnestraat woonden veel van deze semi-daklozen. De mensen die in een arbeidershofje woonden waren wel beter af, maar zelfs die woonden naar ons idee in kommervolle omstandigheden. Die hofjes stonden vooral in het centrum van de stad, in de Schildersbuurt of Schilderswijk, de Stationsbuurt en de Rivierenbuurt.

Café aan de Ammunitiehaven

Café aan de Ammunitiehaven (Haags Gemeentearchief)

Logementen

Iemand die dakloos was geworden en nog wat geld had kon een onderkomen vinden in een van de kleine logementen (goedkope hotels) in het centrum van Den Haag. In straten als het Lamgroen, de Bagijnestraat en de Ammunitiehaven vond je veel van logementen, maar ook rond de Lage Nieuwstraat bij het Westeinde, had je veel volkskosthuizen waar je voor relatief weinig geld kon slapen en ontbijten. De logementen waren bijzonder klein. In een ruimte “niet groter dan een kamer” trof een verslaggever van een weekblad zo’n twintig mannen, vrouwen en kinderen aan. Ze waren aan een kom koffie gezeten of ze waren bezig met werk. De lucht was er onfris en de bedden waren onbeschrijfelijk slecht. Slapen gebeurde in benauwde ruimtes waar je met teveel mensen en teveel lawaai je slaap moest zien te halen. Mensen die in zo’n logement sliepen verdienden hun brood door als verkoper langs de huizen te gaan, of door in het logement aan een soort thuiswerk te doen. Een journalist ziet daklozen papieren rozen, portretlijstjes en kleerhangers maken.

 

Volkslogementen werden gedreven door particulieren die er van moesten leven. De logementhouder was meestal een vrouw, die ook nog een “groot ruw huisgezin” moet verzorgen. ’s Ochtends gingen de logementgasten vroeg op pad met hun koopwaar of gingen ze uit bedelen en als ze voldoende geld hadden kwamen ze weer terug in het logement. Als ze niet voldoende geld hadden verdiend, dan moesten ze een slaapplek vinden onder een kar, in een portiek of in het Haagse Bos. Ze konden zich ook melden bij het politiebureau aan de Nieuwe Haven. Daar konden ze slapen in lege cellen, of ze kregen een bon om in het opvanghuis van “Tjaden” te gaan slapen1.

 

Maar 15 of 25 cent voor het slapen in een logement was vaak te duur voor een dakloze. In 1879 was 75 cent bijvoorbeeld al een fatsoenlijk dagloon voor een arbeider bij de gemeente. Gelukkig was er ook liefdadigheid in de vorm van zogenaamde Nacht-asyls, waar daklozen konden slapen. Twee van de bekendste uit het begin van de twintigste eeuw waren “Meneertje” en “Metropool”. Op de Gedempte Gracht en de Paviljoensgracht zat “Metropool”. Het slaaphuis van “Meneertje” zat op de Zuidoost Buitensingel2.

Bernard Canter

In de jaren rond 1900 bespeurden journalisten een duidelijke toename van het aantal mensen dat op straat zwierf en opvang nodig had. Een reden voor de toename werd niet gegeven, maar het probleem viel zo op dat een journalist van ‘De Telegraaf’ zich als zwerver vermomde en twee weken in Den Haag de straat op ging. Het boekje van deze Bernard Canter, ‘Twee weken bedelaar’ roept Dickens-achtige sferen op, maar zonder een echt happy end. Hij beschrijft zijn gang langs goedkope logementen en opvanghuizen voor daklozen. Hij schrijft over de kansarmen van toen, over de kinderen die in de winter de huizen langs moeten om klerenhangers te verkopen. Hij beschrijft de reacties van mensen tijdens zijn wandeling door Den Haag, de schelden, het wegjagen, en het geld dat tientallen medelijdende mensen hem toestoppen. De achttien cent die hij met veel moeite ophaalt zou eigenlijk te weinig zijn om in een logement de overnachting van vijfentwintig cent te kunnen betalen. De volgende dag ervaart hij het bestaan van de dakloze die als venter langs de deuren gaat. Als een van de velen gaat hij langs de deuren met potloden, postpapier en enveloppen. Bij honderden woningen werd hij meestal nors afgewezen door dienstmeisjes die vaker die dag voor venters opendeden. Hij verkocht slechts voor vijf cent verkocht en hij kreeg twee cent van een jong dienstmeisje dat al teveel papier aan de deur had gekocht. ’s Avonds in het logement hoort hij verhalen over het vangen en het eten van honden. Naast diepe armoede komt hij zeer zieke mensen tegen, die natuurlijk een dokter niet kunnen betalen. Het is een vicieuze cirkel waar mensen nooit meer uit zullen komen2a.

Opvangadressen rond 1900

Er waren rond 1900 wel meer instellingen voor opvang van daklozen. In bijvoorbeeld 1908 waren dat volgens opgave van de Vereeniging “Armenzorg”:

 

Toevlucht voor dakloozen, Hofje van Sas, Zuid-Oost-Buitensingel 183 B.

Vereeniging “Opstanding en leven”, Toevlucht voor daklooze vrouwen en meisjes. Bagijnestraat 23. In dit gebouw zat een naai- en breischool van mej. W. van Vliet.

Het Haagsche Doorgangshuis, Hugo de Grootstraat 5, was voor vrouwen en meisjes “die aan de verzoeking willen ontkomen en met Gods hulp een nieuw leven willen leiden”.

Te Huis, Christelijk verblijf voor Vrouwelijke Personen, Westeinde 27, ook voor vrouwen.

Leger des Heils, Industriële inrichting en Tehuis voor daklooze mannen, Nieuwe Schoolstraat 15a, alleen voor mannen.

Leger des Heils, Reddingshuis, Stille Veerkade 35, ook voor vrouwen en meisjes die willen ontkomen aan de verzoeking en met Gods hulp een nieuw leven willen leiden.

Metropool Volkskosthuis, Gedempte Gracht 231.

R.K. Internationale Vereeniging tot bescherming van meisjes, Mariastraat 2.

 

Meneertje

Bij “Meneertje” werden de allerarmsten opgevangen. ’s Avonds kon je hen het smalle steegje van het Hofje van Sas aan de Zuid-Oostbuitensingel (Boomsluiterskade) binnen zien gaan. Zijn Toevlucht voor dakloozen, later Toevlucht voor behoeftigen genaamd, was in 1887 opgericht door de sociaal bewogen predikant F. van Gheel Gildemeester. De in 1853 in het Groningse Bedum geboren Jacobus Braaksma alias “Meneertje” beheerde het complex. Hij woonde op het toenmalige adres Z.O. Buitensingel 183-17, waar volgens zijn opgave het “Tehuis voor dakloozen” was gevestigd. Meneertje was volgens dagblad Het Vaderland “zonder aarzeling de beste opvang” en dat gold later in de twintigste eeuw nog steeds. Vlak naast het Hofje van Sas lag sinds 1891 het complex van de Christelijke Volksbond. Deze organisatie was ook door Van Gheel Gildemeester opgericht en lag ook in een hofje, aan de Zuid-Oost Buitensingel 179. Het complex was bereikbaar door de mooie poort die daar nog steeds staat. De Volksbond heerde daar een centrum voor werkverschaffing en dienstverrichting, deed aan arbeidsbemiddeling en hielp jongens aan een beurs voor de ambachtsschool. Armen werden bijvoorbeeld tewerkgesteld bij het afgraven van de duinen tussen Den Haag en Scheveningen.

Oranjebuitensingel, Den Haag

Oranjebuitensingel, vroeger Zuid-Oost Buitensingel. De poort rechts gaf toegang tot de gebouwen van de Christelijke Volksbond. Links van de brug de steeg die toegang gaf tot het Hofje van Sas.

Voor de allerarmsten

Van de particuliere opvangtehuizen had Meneertje de laagste tarieven. Nachtlogies met (eenvoudig) avondeten en ontbijt kostte bij hem maar vijf cent. Zijn negentien bedden waren dan ook meestal bezet. Om de opvang eerlijk te verdelen mochten mensen er drie nachten slapen en dan moesten ze een week overslaan. Andere opvangcentra hanteerden ook zo’n regel en daarom verdeelden daklozen een week dus over Meneertje, Metropool, het politiebureau, een volkslogement en de vrije natuur.

 

In 1909 beschreef een journalist van het weekblad Pak Me Mee voor 5 cent het opvangadres van Meneertje in het ‘Hofje van Sas’. Hij schrijft dat er een ruim voorvertrek was, waar achttien mannen onder twee gaslampen aan een lange tafel zaten. De journalist vond het prettig dat er net koffie werd geschonken, zodat hij minder last had van de lucht die de daklozen verspreidden. Na de koffie en brood leidde Meneertje een gebed waarbij de “ruwe klanten wier gelaat gestempeld was door levensstrijd, leed, hartstocht of boosheid in deemoedige houding achter hun pet” zaten. Verschillende van hen hadden het vroeger beter gehad of zelfs in weelde geleefd. Meneertje sprak woorden van troost en slaagde er zelfs in om deze mensen op te fleuren. Dat was knap als je bedenkt dat zij het bijna altijd koud, vies, nat en hongerig hebben. Het Vaderland noemde hem dan ook een geboren psycholoog3.

Zwaar werk

Het werk van Meneertje was zwaar en het ging niet altijd zonder problemen. In 1924 trok zijn opvang de aandacht van de GGD toen zwervers steeds vertelden dat ze hun luizen bij Meneertje hadden opgedaan. Omdat bekend was dat alleen bij het Tehuis voor Onbehuisden aan de la Reijkade daklozen werden gewassen en ontluisd werd zijn tehuis geïnspecteerd. Maar bij onverwacht en herhaald bezoek werd bij Meneertje geen ongedierte gevonden in dekens of slaapplaatsen.

 

De ‘Toevlucht’ werd in stand gehouden door giften van mensen. Dat was niet altijd genoeg, en in 1927 stond het voortbestaan van dit opvanghuis op het spel. Een Liefdadigheidssoiree dat werd gehouden om geld in te zamelen bood soelaas4. Hoe lang Meneertje heeft voorbestaan heb ik (nog) niet kunnen vinden.

 

Metropool aan de Gedempte Gracht

 

Metropool zou vooral voor de lezers van dagblad Het Vaderland een begrip worden. De krant besteedde regelmatig aandacht aan dit opvangcentrum en heeft door die publiciteit waarschijnlijk flink bijgedragen aan het lange bestaan ervan. Toen het centrum werd omgezet in een vereniging, werd een van de redacteuren bestuurslid.

 

Metropool werd opgericht door de in Haarlem geboren Ludwig Tjaden (1869) en zijn in Kampen geboren vrouw Woutje Modders (1870). Zij hadden in Utrecht bij het Leger des Heils gewerkt, maar richtten in 1900 in Den Haag een eigen centrum op. Op 1 mei openden zij hun eerste Toevlucht voor daklozen “Metropool” aan Gedempte Gracht 6. Met een oude afgedankte schuit met spandoeken en enkele bekende zwervers, kondigden ze varend door de grachten van Den Haag de opening aan.

 

Het huwelijk van koningin Wilhelmina en prins Hendrik in 1901 inspireerde veel mensen tot goede daden. Een circulaire met een oproep om wat tegen honger te doen (“Geen honger mag de feestvreugde ontsieren”), bracht Tjaden er toe om te beginnen met voedseluitdeling aan daklozen. Om hiervoor aan geld te komen hield hij een collecte.

Metropool aan de Gedempte Gracht, koffiekamer, Den Haag

Daklozen wachten in de koffiekamer van Nachtasiel De Metropool tot het tijd is om te gaan slapen.(Gemeentearchief Den Haag)

Gedempte Gracht 6 was maar een klein gebouw en bleek al spoedig te klein. Op Gedempte Gracht 231 kon Tjaden de leegstaande markthal “De Nijverheid” huren zie Gedempte Gracht” huren. Vanaf 1904 had Metropool enkele jaren ook een ‘werkinrichting’ in het voormalige Tuchthuis aan de Prinsegracht 47. Dit pand werd in1907 gesloopt voor de aanleg van het kantongerecht5. Daarna is de werkinrichting vermoedelijk opgeheven. Mogelijk zette Tjaden ook aan de Gedempte Gracht mensen aan het werk. Op dat adres ging hij verder als ’s-Gravenhaagsche Philantropische Spijskokerij.

Gedempte Gracht 231

Metropool was een groter bedrijf dan Meneertje. Metropool is bekend uit verschillende beschrijvingen in Pak Me Mee voor 5 cent en Het Vaderland. Metropool had eerst een ingang aan de Gedempte Gracht, maar door een of meer verbouwingen verhuisde de ingang naar de achterkant. Vanaf de Gedempte Gracht moest je eerst door een lange en onprettige steeg tot het terrein van de Nieuwe Kerk: “een lugubere lange steeg waar flauwtjes nu en dan wat lantaarnlicht in neerplensde. Van weerszijden druilde boven onze hoofden dreigend overhellende, hooge huizen. Opeens liep het slopje dood tegen ’n groezelige poort, waarvoor een groep groote, roestbruine vuilnisvatten stonden te vergaan.” Daarna moest je rechts aanhouden en een nieuw “muizenpaadje” volgen tussen rommel en hekjes, langs raampjes en regenpijpen. Dan kwam je bij een deur die de ingang was van de “grote hokkerige, veelverbouwde Metropool.”

 

Binnen moest je volgens een journalist trapje op, trapje af, gangetje in, gangetje door, voordat je in een groot, niet te sterk verlicht lokaal kwam, waarvan het plafond werd gesteund door vier palen. Mensen zaten er lusteloos aan een lange grote tafel, mopperend over de “rotzooi” van het leven. “De heele boel is ’n rotzooi” leek de teneur van het vele gescheld en voorturende geroezemoes.

 

Een andere schrijver die hier de nacht doorbracht omschreef het als zindelijk, maar kil en vond dat de daklozen te weinig aandacht kregen: “Waarom toch steeds dat gebrek aan toewijding?” Metropool trok spiritusdrinkers die bij de ingang zaten, “op de banken, vervuild, afgestompt, in vodden die hun van ongedierte krioelende lichamen dekten. Ongeschoren, met haren die hun bijna over de schouders vielen, waren zij het beeld der meest denkbare ellende.”

Ingang Metropool

De steeg vanaf de Gedempte Gracht naar Metropool, in de verte de Nieuwe Kerk ('s-Gravenhage in Beeld 1928-29, Haags Gemeentearchief)

Geld

Metropool had vijftig bedden, maar overnachten was hier een stuk duurder dan bij Meneertje. Voor een nacht betaalde je twee keer zoveel (tien cent) en met koffie en brood betaalde je zelfs drie keer zoveel (vijftien cent). Voor een van de twintig bedden met betere dekens betaalde je vijftien cent. Voor vijfentwintig cent sliep je in een van de vijftien kamertjes van Metropool.

 

Tjaden kreeg veel klanten van de politie. Met een eerste, blijkbaar royale, gift van hoofdcommissaris Versteeg wist Tjaden geen raad en hij vroeg bankier De Bas om dit geld voor hem te beheren. Ook andere notabelen gingen Tjaden toen helpen. Zij hielpen hem om op gunstige voorwaarden gebouwen voor Metropool te kopen. In 1910 werd Metropool een officiële vereniging met een bestuur. De naam ervan werd toen “De philantropische Spijskokerij en Volkstehuis De Metropool”6.

Liefdadigheid

Metropool was afhankelijk van liefdadigheid en jaarlijks werden er inzamelingsacties gehouden voor geld en goederen. Mensen konden voedselbonnen kopen en die aan een dakloze geven. Ook goederen werden ingezameld, met paard en wagen opgehaald en bij de steeg aan de Gedempte Gracht afgeleverd.

Daklozenopvang in de winter

Metropool hielp daklozen niet alleen aan onderdak, maar organiseerde in het koude winterseizoen veel extra activiteiten. Men deelde gratis voedsel uit aan daklozen die geen voedselbon hadden weten te krijgen. ‘s-middags na één uur konden in totaal driehonderd mensen gratis eten aan de open tafel in Metropool.

 

Metropool verzorgde in 1922, en vermoedelijk ook in andere jaren, een compleet winterprogramma. In dat jaar speelden elke veertien dagen het strijkorkest Lidadihe in Metropool. Ook vertoonde de bekende Haagse filmmaker Willy Mullens er wel eens een film. Op 14 maart 1922 ging de hoofdfilm over het zwerversleven7.

Feest voor dakloze kinderen

In de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog organiseerde Tjaden meerdere activiteiten voor kinderen. Op 31 augustus (Koninginnedag) huurde hij een stoomtram en ging hij met een groep kinderen naar de speeltuin in Leiden. Ook op Sint-Nicolaas en met Kerstmis organiseerde hij activiteiten voor kinderen. Later lijkt hij zich beperkt te hebben tot een kinderfeest op Eerste Kerstdag.

Gratis eten voor daklozen in Metropool

Gratis eten in Metropool (Gemeentearchief Den Haag)

Kerstfeest voor daklozen

Met Kerst organiseerde Metropool bijna elk jaar een kerstfeest, zowel voor de gewone klanten als voor zwerverskinderen. In 1920 beschreef Het Vaderland zo’n feest voor 350 kinderen: “allemaal zwerverskinderen en paupertjes die in sloppen en goten hun opvoeding genoten” en weinig vreugde kenden. Een warm en gezellig kerstfeest met een “heel grote kerstboom met ontzettend veel lichtjes” en lekker eten moest een belevenis zijn. Tjaden kreeg elk jaar hulp van bekende Hagenaars. In 1920 zorgde haardenfabrikant Jaarsma (van de bekende fabriek in de Fahrenheitstraat) met twee dochters en een zoon voor muziek. Andere jaren zongen er koren of speelde het toen bekende strijkorkestje Lidadihe.

 

Op Tweede Kerstdag had Tjaden het druk met de volwassenen. Er werd voor negenhonderd mensen gekookt. Het meeste werd afgehaald, maar ‘s middags en ’s avonds was er voor een paar honderd zwervers kersfeest in Metropool zelf. De kerstmaaltijd in 1920 bestond uit groentesoep, snijbonen met aardappelen en gehakt8.

Vrouwenopvang aan de Paviljoensgracht

Vrouwen en hun kinderen werden apart opgevangen in de dependance aan de Paviljoensgracht. Die werd in 1907 geopend. Mevrouw Tjaden voerde hier een strenger regime. Vrouwen moesten eerst een bad nemen voordat zij schoon linnengoed voor het bed kregen. Kleine kinderen mochten de volgende dag de schone kleren van het huis aanhouden. De prijzen waren er iets hoger dan bij de mannen. Meisjes en vrouwen betalen hier 25 cent voor een overnachting. Voor vrouwen die door de politie werden gebracht betaalde de gemeente 38 cent9.

Problemen

Maar Metropool had ook tegenslagen. Er was altijd te weinig geld en bij de inkoop van voedsel ging men zuinig te werk. Tjaden haalde in 1922 en 1923 de kranten met bedorven voedsel. De Keuringsdienst van Waren nam na een tip van een ex-medewerker bedorven voedsel in beslag en Tjaden kwam voor de rechter. Beide keren wist hij Het Vaderland te overtuigen van zijn goede bedoelingen. In beide gevallen wist hij er van en was hij al bezig geweest met de afvoer van het bedorven voedsel. Tegenover de krant beaamden zwervers dat zij bij hem nooit bedorven voedsel hadden gekregen10.

 

In 1922 kwam Tjaden nog een paar keer slecht in het nieuws. In het gebouw aan de voorkant had hij een verdieping verhuurd aan een gezin met acht kinderen. Die ruimte wilde hij ook gaan gebruiken voor uitbreiding van Metropool, maar de verhuizing van het gezin ging niet snel genoeg. Hij bracht toen in hetzelfde huis als het gezin met zes dochters en twee zoons alvast vijfentwintig daklozen onder. Dit feit haalde de kranten en de gemeenteraad. Raadslid Joëls stelde vragen, maar het gemeentebestuur was al met de kwestie bezig. Men zocht een gemeentewoning voor het gezin en in de tussentijd mocht Tjaden geen daklozen bij hen onderbrengen11.

Metropool aan de Turfmarkt

In het gemeentegebouw aan de Turfmarkt zat later Metropool. In 1913 zat hier nog het gemeentelijk Eethuis.(Haags Gemeentearchief)

Volkshotel aan de Gedempte Gracht

Rond 1924 kreeg Metropool een meer professionele organisatie. Tjaden kreeg een bestuur boven zich onder voorzitterschap van de zeer actieve L.A. Rademaker, redacteur van Het Vaderland. Metropool had ruimtegebrek, maar het bestuur vond geld voor een ambitieus nieuwbouwplan. Tjaden wilde Metropool splitsen in een gedeelte voor betalende gasten, een “volkshotel”, en een deel voor mensen die niet of minder konden betalen. Het “volkshotel” en het volksrestaurant zouden een ingang krijgen aan de Gedempte Gracht. Dit nieuwe deel was ook bedoeld voor dakloze gezinnen, want die konden in Den Haag nergens opvang vinden. Er waren alleen opvanghuizen voor mannen of voor vrouwen en kinderen afzonderlijk. De bestaande hal met eetzaal aan de achterkant van het gebouw zou later worden verbouwd. Dit deel kreeg een ingang aan de Bezemstraat. Tjaden wilde daar een “model-asyl” maken.

Dakloze gezinnen

Dakloos kon je in deze jaren snel worden. Het Vaderland beet zich vast in het lot van één zo’n gezin. Een gitaarleraar die met zijn gezin in de Netscherstraat woonruimte in een krot onderhuurde, werd door een deurwaarder op straat gezet toen zijn verhuurder met de noorderzon verdween. Een nieuwe woning was niet snel te vinden, zelfs al kon hij wel wat huur betalen. Veel mensen wilden geen gezin als onderhuurder en het Tehuis voor Onbehuisden stond toevallig slecht in het nieuws door veel ziektegevallen. Bovendien wilden man en vrouw niet lang gescheiden leven. Volgens sommigen was het eigen schuld dat dit gezin dakloos door de stad zwierf en was het gezin niet zo netjes. Het Vaderland nam het voor het gezin op. De krant wees erop dat het onmogelijk is om een krot netjes te bewonen en dat het een schande is dat de gemeente niet voor voldoende woonruimte kan zorgen, terwijl er zoveel leegstand is. Onbewoonbaar verklaarde woningen waren allemaal al bezet. Het gezin met vrouw en vijf kinderen sliep op het politiebureau aan de Riviervismarkt, als ze daar werden toegelaten. Het negen weken oude kind werd opgenomen in de Annastichting.12.

Gemeentegebouw aan de Turfmarkt

Voor de periode dat Metropool werd verbouwd vond Tjaden vervangende ruimte aan de Turfmarkt. Daar had de gemeente jaren daarvoor als proef een gemeentelijk eethuis neergezet. Als de proef mislukte kon het gebouwtje daarna worden gebruikt als directiekeet voor de bouw van het nieuwe stadhuis. De proef slaagde niet en de bouw van het nieuwe stadhuis ging niet door. Het “gemeentegebouw” stond leeg en Tjaden kon het huren. Op Eerste Kerstdag, 26 december 1922, was het Eet- en Koffiehuis “De Metropool” aan de Turfmarkt voor het eerst open. Het was de eerste dag van het jaarlijkse kerstfeest13.

Hooge Huis, Gedempte Gracht, Den Haag

Het Hooge Huis in 1935.(Gemeentearchief Den Haag)

Het Hooge Huis

De nieuwbouw aan de Gedempte Gracht was een jaar later klaar en ging op 1 januari 1924 open. Met zijn zes verdiepingen kreeg het de naam het “Hooge Huis". Het betonnen gebouw had een lift, 32 tweepersoons kamertjes, een badkamer en een restaurant. De kamertjes hadden klapbedden met een door architect Cramer uitgedacht “ingenieus” klapsysteem. De kamertjes hadden centrale verwarming en op elke verdieping was er wasgelegenheid met koud en warm water.

Model-asyl aan de Bezemstraat

De grote keuken achterin zou ook worden gebruikt voor het “zwervershotel”, maar de verbouw daarvan liep vertraging op. De Nederlands Hervormde Kerk had grond voor afgestaan van de Nieuwe Kerk, maar de gemeente werkte volgens Het Vaderland niet mee. Tjaden bleef misschien daarom het gebouw aan de Turfmarkt nog een tijd huren14.

 

In 1925 was de financiële situatie van Metropool zo slecht dat de plannen voor het “zwervershotel” werden gewijzigd. Men hield het bij een beperkte verbouwing. De bekende architect A.J. Kropholler zorgde zelfs gratis voor een ontwerp en voor begeleiding van de verbouwing. De grote zaal werd gezelliger aangekleed. De slaapplaatsen op de galerijen kregen nieuwe bedden en werden verdeeld in slaapzaaltjes. Alles werd opnieuw geschilderd. Aannemers rekenden schappelijke prijzen en ook daklozen werkten mee aan de verbouwing. In het steegje waar vroeger de ingang was kwam een slaapgelegenheid voor zestien vrouwen. Voor mannen waren er vierenvijftig bedden. Het zwervershotel werd op 20 mei 1926 geopend15.

De laatste decennia

Daarna heeft Tjaden hier niet lang meer gewerkt. Hij was al op leeftijd en ging op 1 april 1927 met pensioen. In 1926 had het bestuur al een “krachtige, jonge en ervaren adjunct” aan hem toegevoegd, omdat hij de problemen met daklozen niet meer voldoende in de hand had16.

 

De economische crisis van de jaren dertig maakte de financiële positie van Metropool niet beter, want er deden meer mensen een beroep op Metropool. Het Hooge Huis moest door financiële problemen van de hypotheekverstrekker worden verkocht, maar het huis kon van de nieuwe eigenaar worden gehuurd. In 1933 stond Het Hooge Huis nog steeds bekend als een “zeer goed burgerhotel”. Metropool overleefde zelfs de oorlog en wilde in 1945 weer verder gaan. Dat zal niet zijn gelukt, want vanaf dat moment is er geen informatie over Metropool meer te vinden.

 

Tehuis voor Onbehuisden, de Kesslerstichting

Naast Meneertje en Metropool waren er meer opvangtehuizen voor daklozen, waarvan het Leger des Heils en het Tehuis voor Onbehuisden (de latere Kesslerstichting), de bekendste zijn.

 

De Kesslerstichting werd opgericht omdat Meneertje en Metropool voor veel daklozen te duur was. Bij Metropool kon je wel gratis eten, maar niet gratis slapen. Veel zwervers sliepen in de natuur of meldden zich bij een politiebureau. Die waren hier niet op ingesteld en moesten speciaal worden opengehouden en daarna elke ochtend grondig worden schoongemaakt. Verder was men bang dat mensen zonder goede zorg dreigden af te zakken naar de criminaliteit.

Vereeniging Werkloozenzorg

In 1911 werd de Vereeniging “Werkloozenzorg” opgericht die zich zou bezighouden met het reclasseren van ontslagen gevangen en het verschaffen van onderdak aan zwervers. De secretaris hiervan, J.G. Kruis, schreef in een rapport dat er dringend behoefte was aan goede opvang voor daklozen. De armenzorg werd dan wel uitgeoefend door de gemeente (het ‘Burgerlijke Armbestuur’) en de verschillende kerken (de diaconieën), maar die hielpen alleen mensen die al jaren in Den Haag woonden of mensen die lid van hun kerk waren.

 

Een grote groep zwervers viel dus buiten de boot en was afhankelijk van wat particulieren deden. Ook filantropische instellingen als het Leger des Heils en Metropool beperkten hun gratis hulp. Zij gaven geen kosteloos ontbijt, lieten niet verplicht baden, desinfecteerden de kleding niet en gaven geen medische zorg. Bovendien namen al deze instellingen iemand maar drie nachten achter elkaar op. Daarna werd er een week niet toegelaten. Veel mensen sliepen dus in de open lucht. Kruis vond dat in Den Haag, in navolging van Rotterdam en Amsterdam, ook een particuliere instelling zou krijgen waar mensen kosteloos werden geholpen aan onderdak, voedsel, een bad, en waar de kleren werden gedesinfecteerd en mensen medische zorg kregen.

Tehuis voor Onbehuisden

Op 21 oktober 1912 werd daarom de Vereeniging “Tehuis voor Onbehuisden” opgericht. Men wilde geen overheidssteun, maar met geld van particulieren huurde men in de ‘Schildersbuurt’ een leegstaande orgelfabriek aan de Steijnlaan. Voor vrouwen en kinderen werden de bovenhuizen Reitzstraat 14 en 16 gehuurd. De opening moest worden uitgesteld omdat na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog veel Belgen naar ons land waren gevluchten en die moesten worden opgevangen, onder andere in de huizen van het Tehuis voor Onbehuisden. Op 27 mei 1915 vond de officiële opening van de daklozenopvang plaats. Politieposten en politiebureaus konden ’s nachts sluiten en omdat de gemeente daar geld mee bespaarde kon het Tehuis voor Onbehuisden subsidie krijgen. Om deze reden accepteerde men toch enige overheidssteun17.

Beijersstraat

Al snel bleek de ruimte te klein en in 1917 verhuisde het Tehuis naar andere gebouwen. Vrouwen en kinderen kregen opvang in een semi-permanent gebouw aan de Beijersstraat. De mannen werden opgevangen in een houten barak aan de Herman Costerstraat18. Op 25 februari 1921 werd in de Beijersstraat een nieuwe vleugel geopend.

Kesslerstichting aan De la Reykade

De gebouwen werden echter per jaar gehuurd en toen de huur niet verlengd kon worden moest er nieuwe ruimte worden gevonden. De gemeente bood wel gebouwen aan, maar het leek beter om een nieuw gebouw neer te zetten dat helemaal aan de eisen van opvang kon voldoen. De vereniging kon grond krijgen aan de rand van Den Haag, aan de toen nog landelijke De la Reykade. Het geld dat voor eventuele nieuwbouw opzij was gezet, bleek lang niet voldoende te zijn, maar een van de bestuursleden schonk twee keer een aanzienlijk bedrag. Eerst 200.000 gulden en later nog eens 175.000 gulden voor de vrouwenafdeling. Naar de schenker werd het gebouw aan de De la Reykade de “D.A.J. Kesslerstichting” genoemd. Kessler was voormalig president-directeur van BPM19.

 

Op 21 maart werd de “vorstelijke stichting van den heer D.A.J. Kessler” onder “zeer veel belangstelling geopend”. Het nieuwe gebouw was een voorbeeld voor andere instellingen en voldeed volledig aan de eisen. Volgens de berichten gingen er zuchten van verlichting door de stad. De politie was verlost van het verlenen van onderdak, maar ook de huisvrouwen waren verlost van de vele garen- en bandventers en bedelaars die aan de deur kwamen. En ook alle andere plaatsen waar daklozen kwamen wisten dat ze met gedesinfecteerde kleding langskwamen. De directeur van de Kesslerstichting was J.E. Faber. Die werkte er al sinds 1916 en werkte daarvoor bij het Leger des Heils20.

 

Het gebouw was helemaal verwarmd, had elektrisch licht, een huistelefoon en was te splitsen in drie afdelingen: voor zwervers, passanten en internen (die opgenomen werden om gereclasseeerd te worden). Passanten konden zich elke avond tussen zeven en twaalf uur melden. In het wachtlokaal moesten ze op hun beurt wachten. Daarna moesten ze zich in de ontkleedkamer van hun kleren ontdoen en hierna werden ze in de badkamer door de badknecht met een speciale vloeibare zeep ingesmeerd. Nadat ze zich onder de douche hadden gewassen konden ze in een flanellen nachthemd in de eetzaal eten. Na het eten konden ze gaan slapen in de slaapzaal. Om zes uur werden ze gewekt, moesten ze zich wassen en kregen hun in een desinfectie-oven gereinigde kleren weer terug. Het ontbijt bestond uit twee sneden witbrood, twee sneden bruinbrood en een kop koffie. Er konden 80 passanten slapen.

Reclassering

Wanneer een passant bevorderd was tot intern, begon zijn reclassering. Er waren drie slaapzalen voor internen, elke zaal voor veertig mensen. Internen waren verplicht om te werken en moesten zoveel hun eigen vak uitoefenen. Voor internen was er een eigen eetzaal. De Afdeling voor vrouwen en kinderen was net zo ingericht als die voor passanten, maar het aantal vrouwen en kinderen was relatief klein. Dat kwam doordat er in Den Haag veel woningen waren bijgebouwd en men kon ook gezinnen plaatsen in de zogenaamde Controlewoningen. In dat huizencomplex konden gezinnen wonen onder toezicht. Voor vrouwen bleef aan de De la Reykade bleef 20 plaatsen voor hen gereserveerd21.

(laatst bijgewerkt op 7 december 2010)

Verantwoording

Dit verhaal is bij lange na niet compleet. Ik ben het gaan schrijven toen ik bezig was met een verhaal over de Gedempte Gracht en ‘Metropool’ tegenkwam. Bij mijn zoektocht naar meer achtergrondinformatie over Metropool kwam ik ook informatie tegen over ‘Meneertje’ en andere opvangcentra. Een compleet overzicht of een complete geschiedenis van de daklozenopvang in Den Haag is dit zeker niet.

Literatuur

• z.n. Een thuis voor thuislozen. 1987 – Driekwart eeuw Kessler Stichting ‘s-Gravenhage.

• z.n., Vereeniging Tehuis voor Onbehuisden te ’s-Gravenhage 1912-1937, 1937.

•Bernard Canter, Twee weken bedelaar, Rotterdam, ca. 1900.

Noten

1. Pak Me Mee, jrg. 1, nr. 18 (augustus 1909), p.10. Het politiebureau zat in het deel van de Nieuwe Haven dat gesloopt is voor de aanleg van het Prins Bernhardviaduct.

2. Pak Me Mee, jrg. 1, nr. 19 (augustus 1909), p.12.

2a. Bernard Canter, Twee weken bedelaar, Rotterdam, ca. 1900.

3. Pak Me Mee, jrg. 1, nr. 21 (21-8-1909), p.8; Het Vaderland, 1 november 1923; Het Vaderland 12 januari 1927, Avondblad A.

4. Gemeenteverslag 1924, Vaderland 12 jan 1927.

5. Het Vaderland 14 mei 1925; Handelingen Gemeenteraad, 1904 bijlage 323.

6. Pak Me Mee, jrg. 1, nr. 19 (augustus 1909), p.12, Het Volk 27 juli 1912, Het Vaderland 29 dec 1920, Vaderland 21 januari 1922.

7. Het Vaderland 15 maart 1922.

8. Het Vaderland 29 dec 1920.

9. Pak Me Mee, jrg. 1, nr. 19 (augustus 1909), p.12.

10. Het Vaderland 15 maart 1922, Het Centrum 25 augustus 1923 Het Vaderland 25 augustus 1923.

11. Het Vaderland 11 maart 1922, Handelingen Gemeenteraad, Verzamelingen 1922 nr. 1041.

12. Het Vaderland 7 februari 1920, 28 februari 1920.

13. Handelingen raad 18 dec 1922;.Vaderland 26 en 27 december 1922.

14. Het Vaderland 28 november 1923 en 27 december 1924.

15. Het Vaderland 14 mei 1925, 6 februari 1926 en 17 mei 1926, Nieuwe Rotterdamsche Courant 17 mei 1926 en 20 mei 1926.

16. Nieuwe Rotterdamsche Courant 20 mei 1926, Het Vaderland 18 maart 1927.

17. Vereeniging Tehuis voor Onbehuisden, 4-13; de Schilderswijk heette vroeger Schildersbuurt.

18. Het Vaderland 25 december 1919.

19. Vereeniging Tehuis voor Onbehuisden 14, Een thuis voor thuislozen 24.

20. Een thuis voor thuislozen 15.

21. Het Vaderland 21 maart 1923, Vereeniging Tehuis voor Onbehuisden 16-18.