Geschiedenis van Den Haag: de mensen
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerCornelis van der Mijle werd vooral bekend als schoonzoon van Johan van Oldenbarnevelt. Weinig mensen weten dat deze Hagenaar een belangrijke rol in de Nederlandse buitenlandee politiek vervulde. Hij leidde het belangrijke Nederlandse gezantschap dat in 1609 betrekkingen met Venetië tot stand bracht.

 

kopfoto

Cornelis van der Mijle

Cornelis van der Mijle is onterecht een onbekend gebleven Hagenaar. Hoewel hij geen onbelangrijke rol speelde in de begintijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden is er weinig over hem geschreven. In zijn tijd leefden er echter zo veel beroemde mensen in de Nederlanden, dat hij die daar naast niet zo opviel. De Republiek bloeide in kunst en in wetenschap en werd geleid door begaafd politicus als Johan van Oldenbarnevelt. In militair opzicht maakte prins Maurits furore. Cornelis van der Mijle hoorde niet bij de leiders, maar hij diende ze wel van advies1.

De Republiek

De tijd van Cornelis van der Mijle werd beheerst door de onafhankelijkheidsstrijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Dat waren zeven republiekjes die in opstand waren gekomen tegen hun heer, Filips. Filips was ook koning van Spanje en daarom was de opstand vooral een oorlog tussen het leger van de opstandelingen, de Republiek en een Spaans leger. De belangrijke eerste leider van de opstandelingen was Willem van Oranje, die als stadhouder van Holland, de kant van de opstandelingen had gekozen. Tijdens deze opstand werd Cornelis van der Mijle geboren. Zijn vader speelde al een belangrijke rol in de strijd tegen de Spanjaarden.

Vader Adriaan van der Mijle

Cornelis van der Mijle werd in 1579 geboren als zoon van Adriaan van der Mijle. Zijn vader was op jonge leeftijd al rechter in het hoogste gerechtshof van Holland. Zijn vader werd door Filips II in de adelstand verheven, maar hij protestant werd bleef hij geen vriend van Filips. Toen er fellere vervolging van protestanten dreigde week Adriaan uit naar het buitenland. Hij verbleef in Padua, Venetië en in het protestante Heidelberg. Die plaats was een bolwerk van het calvinisme en de kleinzoon paltsgraaf Frederik III zou in Den Haag bekend worden als de Winterkoning. Frederik III haalde Adriaan over zich aan te sluiten bij de protestanten die onder leiding van Willem van Oranje in opstand waren gekomen tegen Filips II. En zo toog Adriaan van der Mijle naar Delft en werd daar een belangrijke adviseur van Willem van Oranje. Ook na het overlijden van Willem van Oranje toonde Adriaan van der Mijle zich een krachtig bestuurder. Toen iedereen in 1588 de komst van de Spaanse armada vreesde, hield hij in de Staten-Generaal een bemoedigende toespraak en organiseerde hij overal plaatselijk de verdediging. Hij keerde pas terug toen het gevaar geweken was. Adriaan van der Mijle had ook een aandeel in de verovering van Breda en haalde vermoedelijk ook de getalenteerde Johan van Oldenbarnevelt in de landspolitiek2.

Hofvijver in de tijd van Adriaan van der Mijle

Hofvijver in de tijd van Adriaan van der Mijle.

Jeugd van Cornelis

De jonge Cornelis kreeg een keurige opvoeding in een verdraagzaam juristenmilieu. Na het overlijden van zijn vader (1590) werd hij opgevoed door zijn oom in Leiden. Daar ging hij in 1591 ook studeren. In die tijd werkten in Leiden beroemde hoogleraren als Josephus Scaliger en Paulus Merula en studeerden er mensen als Hugo de Groot, Daniël Heinsius, Petrus Scriverius en Simon van Beaumont. Cornelis was ook een welkome gast in het huis van Frederik Hendrik en Louise de Coligny3.

 

Na afloop van zijn studie maakte hij de gebruikelijke Groote Tour. Jongemannen die het konden betalen maakten een jarenlange reis door Europa. Onderweg studeerden ze een paar weken aan een universiteit om te promoveren. Een promotie vergde toen blijkbaar niet het jarenlange onderzoek dat het tegenwoordig doet. Cornelis bezocht Frankrijk, Italië en Duitsland en verschillende universiteiten zoals die van Geneve. Vanuit Venetië schreef hij brieven, dus in die belangrijke stad was hij ook geweest.

Schoonzoon van de landsadvocaat

Voor zijn reis was hij vermoedelijk al verloofd, want vlak na zijn terugkeer in 1603 trouwde hij met de tweede dochter van landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt. Hij was Van Oldenbarnevelts tweede schoonzoon en iets minder adellijk dan de eerste, maar was in ieder geval van adel. Van Oldenbarnevelt hechtte aan status en hij kon zelf niet zo pronken met zijn eigen familie. Hij zal daarom blij zijn geweest met de adellijke titel van zijn schoonzoon. Cornelis was bovendien intelligent en charmant en kon daarom in de politiek een belangrijke medestander zijn. Wat deze aantrekkelijke Cornelis andersom in Maria van Oldenbarnevelt zag is niet bekend. Er werd geschreven dat zij een dwerg was en mismaakt en dat Van Oldenbarnevelt alleen daarom al blij met hem was. Maar misschien overdreef de kwaadsprekende schrijver en was Maria gewoon niet zo knap (‘exigua statura et insuper deformis’) Er wordt gesuggereerd dat ze zowel uiterlijk als innerlijk niet zo aantrekkelijk was. Het verhinderde haar later niet om goed op te kunnen schieten met de Winterkoning. Hoe ze voor Cornelis was is niet bekend4.

 

Het huwelijksfeest werd gegeven in het grote kasteelachtig huis dat Johan van Oldenbarnevelt toen in de Spuistraat had. De dolgelukkige Van Oldenbarnevelt hield er drie avonden lang feest. Misschien was het ook een goede gelegenheid om zijn hoge positie te onderstrepen. Waarschijnlijk was iedereen uitgenodigd die toen belangrijk genoeg was. In ieder geval deden Louise de Coligny, haar zoon Frederik Hendrik en prins Maurits mee aan de feestelijkheden. Louise de Coligny schreef nog dat prins Maurits er zo’n indruk maakte als danser. Hugo de Groot en hoogleraar Dominicus Baudius verheerlijkten het huwelijk in hun gedichten. Het huwelijk werd kerkelijk ingezegend door hofpredikant Johannes Uytenbogaert5.

Het huis van Johan van Oldenbarnevelt aan de Spuistraat.

Op deze plek aan de Spuistraat stond vroeger het kasteelachtige huis van Johan van Oldenbarnevelt waar Cornelis van der Mijle zijn huwelijk vierde.

Leiden

Ondanks zijn talenten en zijn zeer goede relaties stortte Van der Mijle zich niet in de politiek. Hij bleef op de achtergrond. Volgens zijn biograaf Van der Vecht leefde hij zonder op te vallen als een rijke en beschaafde jonge edelman. Hij bewoog zich met gemak in de Haagse politiek maar voelde zich net zo thuis in het geleerde Leiden. Zijn grootste vrienden waren Hugo de Groot, Daniël Heinsius, Baudius en vooral hoogleraar Scaliger. Hij leerde van zijn schoonvader de grondslagen van het staatsbestuur en in 1603 werd hij door prins Maurits in diens raad benoemd. Zowel Van Oldenbarnevelt als Maurits waren erg tevreden over zijn werk. Maar de universitaire wereld leek hem toch het meest te trekken, want in 1606 werd hij benoemd in het bestuur van de Leidse universiteit6.

Maar ook daar kreeg hij te maken met de politiek. Op dat moment woedde in de Republiek een felle godsdienststrijd. Twee hoogleraren en hun aanhangers, Arminius en Gomarus, bestreden elkaar bijzonder fel. Het ging vooral over de predestinatieleer, dus of God alles al heeft voorbeschikt, of dat je in het leven nog zelf keuzes kunt maken. Lopen dingen zoals ze nou eenmaal lopen, of kun je er voor kiezen om het toch anders te doen. Arminius huldigde de laatste opvatting en hij en zijn medestanders, arminianen of remonstranten. Maar de leer van Gomarus, de gomaristen of contra-remonstranten, dat God alles had voorbeschikt werd gesteund door de orthodoxe dominees. Zoals altijd, kreeg deze godsdiensttwist een politieke dimensie en kozen bestuurders een partij die hun goed uitkwam. Het is niet bekend hoe Van der Mijle in dit wespennest stand hield, want hij hoorde tot de gematigde calvinisten en steunde de remonstranten. Maar toen de strijd op zijn heftigst was bevond Van der Mijle zich in Venetië.

Twaalfjarig Bestand

De Republiek voerde een onafhankelijkheidsoorlog tegen de Spaanse koning. Na vele jaren oorlogvoeren was er aan beide kanten oorlogsmoeheid ontstaan. In 1608 waren in Den Haag op het Binnenhof vredesonderhandelingen begonnen, die tot opluchting van onze legerbevelhebber prins Maurits op niets waren uitgelopen. Men kwam niet verder dan een langdurig bestand waarbij onze Republiek door Spanje werd erkend. Dat was het sein voor andere landen om officieel ambassadeurs uit te wisselen. Frankrijk en Engeland begonnen hiermee en hierna zou Venetië moeten volgen. Dat was ook een republiek, een stadsstaat in het noordoosten van Italië. Net als Nederland was het een handelsnatie, maar de vroegere macht in het Middellandse Zeegebied was tanende. Specerijen waren vroeger alleen over karavaanroutes naar het Midden-Oosten gebracht. Vandaar brachten Venetiaanse schepen ze naar Europa. Maar andere landen hadden de zeeroute naar Azië ontdekt en haalden zelf de specerijen uit Azië. Venetië bleef echter nog belangrijk genoeg. In veel opzichten leek het op de Nederlandse republiek. Het ook een voor buitenlanders moeilijk te begrijpen staatsinrichting. Een beperkte groep regenten bestuurde het land via een aantal raden en colleges, maar het bestuur was zo ingericht dat niet één persoon of groep zou kunnen overheersen. De hoogste functionaris, de Doge, had veel status, maar slechts beperkte macht. Hij kon bijvoorbeeld niet op eigen houtje ambassadeurs ontvangen.

 

Nederland was de belangrijkste handelspartner van Venetië. Nederlandse kooplieden waren concurrenten, maar leverden ook onmisbare producten als graan, vis, specerijen en wapens. Nederlandse kooplieden bezaten grote woningen in de betere delen van de stad en hadden vaak nauwe relaties met Venetianen (7). Diplomatieke betrekkingen waren wenselijk, alleen moest Venetië rekening houden met de machtige koning van Spanje, de vijand van Nederland. Toen Spanje en Nederland een wapenstilstand sloten leek het moment gekomen om de stap toch te zetten. Met het Twaalfjarig Bestand had de koning immers de onafhankelijkheid van de Nederlandse Republiek erkend7.

Parijs

Maurits en Van Oldenbarnevelt werkten samen aan de voorbereiding van deze belangrijke diplomatieke missie. Maurits stelde voor dat Cornelis van der Mijle die zou leiden. Die zou eerst naar Parijs moeten gaan. Koning Hendrik IV was een belangrijke bondgenoot die zich niet gepasseerd mocht voelen. Nadat hij zijn instructies en aanbevelingsbrieven had ontvangen verliet Cornelis op 23 september 1609 Den Haag. Zijn gevolg bestond uit tien Nederlandse edelen en de nodige bedienden.

 

Frankrijk was dan wel bondgenoot, maar in Parijs moesten toch de nodige hobbels worden genomen. Een extra bondgenoot in de strijd tegen de Habsburgers was goed, maar de Republiek der Verenigde Nederlanden moest ook weer niet te onafhankelijk van Frankrijk worden. Het liefst zelfs helemaal niet onafhankelijk. Een Frans graafschap onder Maurits zou nog beter zijn. Maar dat werd niet hardop gezegd. Het gezantschap werd door de Fransen gesteund en toegejuicht en Van der Mijle werd op 16 oktober bij het afscheid van de koning tot ridder geslagen

Venetië.

Venetië.

Venetië

Via Zuid-Frankrijk, Turijn en Milaan reisde het gezantschap naar Venetiaans gebied. Venetië was een grote staat in het noordoosten van Italië, een van de vele stadstaten die in Italië waren ontstaan. In Padua voerde Van der Mijle overleg met de Franse ambassadeur in Venetië, De Champigny. Die legde hem uit hoe in Venetië de procedure was om een gezant te ontvangen. In Venetië werd Van der Mijle flink tegengewerkt door de Spaanse gezant en door de nuntius (gezant) van de paus. Op 16 november werden Cornelis van der Mijle, zijn gevolg en vele Nederlandse kooplieden door een delegatie van de Venetiaanse senaat vriendelijk ontvangen op een eiland ten westen van Venetië. Die dag kregen ze te horen dat de officiële audiëntie met het bestuur van de Venetiaanse Republiek op 18 november plaatsvinden. Het moet een prachtig gezicht zijn geweest toen de Nederlanders met gondels naar het San Marcopaleis werden gebracht. Daar werden ze in de monumentale audiëntiekamer door de doge ontvangen. Van der Myle hield een rede in het Italiaans en over en weer werden vriendelijkheden uitgesproken. Op 21 november werd hij op een tweede, minder officiële audiëntie, ontvangen. Het ging nu meer om de zaken. De doge zou het voorstel om betrekkingen aan te knopen bespreken in de senaat van Venetië8.

 

Tegelijkertijd oefenden de Spaanse gezant en de pauselijke nuntius grote druk op Senaatsleden uit om tegen te stemmen. De doge probeerde de Nederlanders tegemoet te komen zonder al te grote problemen te krijgen met Spanje en de paus. De senaat koos de middenweg. Venetië wees meteen een gezant aan voor een tegenbezoek aan Den Haag, maar er werden nog geen ambassadeurs uitgewisseld. De gezant werd meteen aangewezen. Het was Tomaso Contarini die eerder ambassadeur in Spanje was geweest en groot aanzien genoot in Venetië. Van der Mijle kon met hem kennismaken en gelukwensen.

 

Op 10 december vertrok Van der Mijle. Via Tirol, Beieren en Straatsburg ging hij eerst naar Parijs. Daar bleek koning Hendrik tevreden te zijn over de toenadering met Venetië. Op 21 januari kwam Van der Mijle aan in Den Haag. Over het bereikte resultaat was men tevreden. Men was ontvangen als vertegenwoordigers van een belangrijke staat en dat was van groot belang voor ons land9.

Parijs

Een paar maanden na zijn terugkeer moest Cornelis van der Mijle al weer naar Parijs. Door het kinderloos overlijden van de hertog van Gulik en Kleef dreigde een strategisch gelegen gebied in West-Duitsland katholiek te worden. De Duitse keizer accepteerde de protestantse opvolgers niet en had een keizerlijk (katholiek) bestuur naar deze landen gestuurd. De Franse koning wilde daar samen met Nederland tegen optreden en wilde overleg met een Nederlands gezantschap. Zo vertrok Cornelis van der Myle op 8 april samen met Walraven van Brederode en Jacob van Malderé naar Parijs. Maar het was al bekend dat Hendrik IV eigenlijk alleen met oorlog dreigde om uitlevering af te dwingen van een geliefde prinses die hem ontvlucht was. Via-via had hij al laten weten dat hij van oorlog zou afzien als zij zou worden teruggestuurd naar Parijs. Het was in Nederland bekend en de onderhandelingen leverden niets op. De situatie in Frankrijk werd nog erger, toen de koning vlak na het vertrek van de Nederlanders door een katholiek werd vermoord10.

Koning Hendrik IV was oorspronkelijk protestant en was alleen maar katholiek geworden omdat hij anders geen koning kon worden. Hij had protestant en katholiek in Frankrijk in evenwicht gehouden, maar men was bang dat Frankrijk nu een katholieke en Spaans-gezinde koers zou gaan volgen. Hendrik’s zoon, Lodewijk XIII, was nog minderjarig en zijn moeder, Maria de Medici, was Spaansgezind. Cornelis van der Mijle werd nu naar Parijs gestuurd om de koning en de koningin te condoleren. Van Oldenbarnevelt stuurde een eigen gezant omdat hij de Nederlandse ambassadeur Van Aerssen niet vertrouwde. Deze was door hem in 1598 aangesteld en speelde een belangrijke rol bij de onderhandelingen over het Twaalfjarig Bestand, maar kwam daarna met Van Oldenbarnevelt in conflict. Van Aerssen steunde de oorlogspartij rond Maurits en stookte achter de schermen de Franse protestanten op. De Franse koning had al om zijn terugroeping gevraagd, maar Van Oldenbarnevelt wilde geen problemen met de oorlogspartij rond Maurits. Van Aerssen bleef nog een paar jaar zitten, maar hij werd gepasseerd door Van der Mijle. Het werd deze snel duidelijk dat de Spaansgezinde partij in Parijs meer invloed had gekregen. Maar omdat de koning nog minderjarig was probeerde Frankrijk eerst nog alle partijen te vriend houden. De troepenzending naar Duitsland kwam aan de orde. De Republiek had al troepen gestuurd, maar slechts met veel aarzeling beloofde de Franse koningin ook troepen te sturen. Toen het Franse leger zich met veel vertraging bij Maurits voegde was het al niet meer nodig. Het hertogdom bleef protestants, maar de oorlog tussen de beide erfgenamen zou nog even voortduren. Op 29 juni was Van der Mijle ondertussen weer terug in Den Haag11.

Wederom naar Parijs

1.

Verantwoording

Deze pagina is nog in bewerking (april 2009).

Literatuur

• D.S. Chambers, The imperial age of Venice, 1380-1580. London 1979.

• Maartje van Gelder, Koopman in Venetië. Hoe Nederlandse handelaren omstreeks 1600 Venetië veroverden, in: Geschiedenis Magazine, oktober 2008, pp 44-49.

• Maarten Hell, ‘Ten gunste van de eer van de koning en het zielenheil’. Haagse ambassadekapellen en Franse religieuze diplomatie (1608-1651), Tijdschrift voor Geschiedenis, jrg 120, nummer 1, pp 40-.

• Mr. J.C. de Jonge, Nederland en Venetië, ’s-Gravenhage 1852.

• Ben Knapen, De man en zijn staat. Johan van Oldenbarnevelt 1547-1619, Amsterdam 2005.

• H.J.M. Nellen en J. Trapman (ed), De Hollandse jaren van Hugo de Groot (1583-1621). Lezingen van het colloquium ter gelegenheid van de 350-ste sterfdag van Hugo de Groot (’s-Gravenhage, 31 augustus-1 september 1995), Hilversum 1996.

• H.A.W. van der Vecht, Cornelis van der Myle, Sappemeer, 1907.

 

Noten

1. Van der Vecht 1.

2. Van der Vecht 1-4.

3. Van der Vecht 6.

4. Den Tex II, 505.

5. Knapen 186, Van der Vecht 6-10; Johannes Uytenbogaert, ook geschreven als Wtenbogaert. De letter W betekent hier echter twee aan elkaar-geschreven ‘u’s. Je spreekt Wtenbogaert dus uit als Utenbogaart.

6. Van der Vecht 11-12.

7. Formeel waren de Verenigde Nederlanden niet in oorlog met Spanje, maar was men in opstand gekomen tegen de landsheer. Die was toevallig ook koning van Spanje en veel van zijn troepen in de Nederlanden waren Spaans.

8. De Jonge, 20.

9. Van der Vecht 17-29.

10. Van der Vecht 30-39. De Jonge 38.

11. Van der Vecht 40-55.

12. De Jonge 48-53.

12. De Jonge 137.

13. Van der Vecht 56-67.

14. Van der Vecht 87-100.

15. bijvoorbeeld de Parijse predikant Pierre de Moulin, geciteerd in: J.A. van Houtte, e.a, Algemene Geschiedenis der Nederlanden, VI, 1.