Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerDe Bagijnestraat is nu een smal steegje, maar was vroeger een doornormale straat, vermoedelijk zelfs niet onaanzienlijk. Er woonden zelfs advocaten en er stond een beroemde porseleinfabriek

kopfoto

Bagijnestraat

De nu nog pitoreske steeg was vroeg een niet zo heel opvallend straatje. Zoals de naam al aangeeft hoorde de Bagijnestraat vroeger tot een vrouwenklooster. Den Haag kreeg op het einde van de middeleeuwen enkele vrouwenkloosters. Een daarvan was het vrouwenklooster Sint Maria in Galilea. Het werd op 23 mei 1463 door enkele zusters van het grotere Haagse St. Elisabethklooster opgericht. Over de geschiedenis van het klooster is niet zo veel bekend, zelfs bijvoorbeeld niet waar de ingang lag. He klooster, de kerk en de ingang lagen vermoedelijk eerst aan het Spui. Op 7 januari 1467 kocht het klooster grond aan de Potenweg (Lange Poten en zuidkant Plein) en ergens tussen 1497 en 1502 werd daar een nieuwe kerk gebouwd. In die tijd werd waarschijnlijk ook de ingang verplaatst naar de Lange Poten, vermoedelijk ter hoogte van de Bagijnestraat. Op die plek stond een poort (zie afbeelding). Er was vermoedelijk ook een ingang bij de Korte Houtstraat. Dat was toen niet meer dan een zandpad dat Comans Willemslaan en later ook Zusterlaan heette.

Omgeving van de Bagijnestraat in 1570

Op deze niet zo nauwkeurige kaart uit 1570 is de omgeving van de Bagijnestraat te zien, met de poort, die toegang gaf tot het klooster.

Het bagijneklooster

Het klooster was nooit erg groot. Het aantal zusters dat in het begin nog zo’n vijftig was werd niet groter, maar liep langzamerhand terug. In 1559 waren er nog maar 34 zusters over. Omdat kloosters ook goederen produceerden was de economische betekenis wel groot. In deze tijd hadden bedrijven zelden meer dan enkele mensen in dienst. Een klooster dat als bedrijf opereerde was daarom een reusachtige onderneming. Het klooster bezat veel grond in wat nu de Rivierenbuurt is. Deze grond werd verpacht aan boeren. Verder voorzag het klooster in zijn onderhoud door producten te produceren, gewoonlijk zaken van textiel. Het klooster had ook een eigen brouwerij en in 1480 mocht het klooster een rosmolen plaatsen. In deze door een paard aangedreven molen werd graan gemalen.

Oneerlijke concurrentie

Het bedrijfsleven klaagde natuurlijk over de oneerlijke concurrentie van de kloosters, te meer omdat kloosters geen belastingen hoefden te betalen. De Haagse kloosters zeiden dat ze de inkomsten hard nodig hadden. Het St. Elisabeth-klooster schreef in 1521 dat Den Haag zo’n populaire bestemming was dat het onderdak verlenen aan bezoekers het klooster op grote kosten joeg: “dagelix groote costen boven eenige andere cloosteren, overmits dattet in den Hage stond, daerom zy dagelix groot anvalle van allen religieusen ende andere geestelijke personen hadden, soe wail van andere oirden, als van hair selfs oirde, die aldair in onsen Hove te doen hebben, die in dit voirschreve clooster hoeren coste ende herberge nemen.” Hetzelfde zal hebben gegolden voor het klooster St. Maria. Er kwamen beperkingen aan de economische activiteiten van de kloosters, maar niet te veel. De rosmolen mocht bijvoorbeeld alleen voor eigen gebruik koren malen. Voor derden, bijvoorbeeld voor bakkers in het dorp mocht alleen worden gemalen als de drie openbare windmolens1 door windstilte niet konden draaien en als de grafelijke rosmolen op het Spui teveel werk had. In 1542 nam het klooster deze rosmolen van de graaf over (als pachter) en gebruikte men vermoedelijk de eigen molen niet meer2.

Geen belastingen

Niet alleen het Haagse bedrijfsleven klaagde over het klooster. Ook het Haagse dorpsbestuur voelde zich financieel benadeeld omdat kloosters geen belasting betaalden. Een stad of dorp moest een bepaald bedrag aan belasting ophalen en dit zelf over de bewoners omslaan. In Den Haag woonden wel veel rijke mensen, maar veel daarvan hoefden geen belasting te betalen. Dat waren bestuurders, ambtenaren van de staat, edelen, diplomaten en kloosterlingen. Den Haag kaartte regelmatig aan dat meer mensen zouden gaan meebetalen, maar dit lukte nooit definitief. In 1471 werd er bijvoorbeeld een nieuwe graaf ingehuldigd. Dat heette ‘Blijde Inkomste’, een blijde inhuldiging voor de graaf dan, want die ging altijd gepaard met extra belastingheffing. In 1471 werd bepaald dat ook de kloosters een aandeel zouden moeten betalen, maar die weigerden. Den Haag nam juridische stappen en ging zo ver dat het vee in de kloosterweides in beslag werd genomen. Maar het mocht niet baten. Het Hof van Holland, de hoogste rechtbank, bepaalde dat de kloosters niet hoefden te betalen3.

Neergang kloosterleven

Door de opkomst van de Hervorming kwam een er een einde aan de bevoorrechte positie van katholieke instellingen zoals de kloosters. In het begin van de 16de eeuw kwamen nieuwe religieuze groeperingen op die zich afzetten tegen de katholieke kerk. Deze zgn. protestanten kregen veel aanhang en de manier waarop de regering die opkomst probeerde tegen te gaan zorgde voor veel onvrede. Ook ging het slecht met de economie. Den Haag werd nog eens extra zwaar getroffen omdat het door een Gelders leger onder Maarten van Rossum werd geplunderd. Het werd minder aantrekkelijk om toe te treden tot een Haags klooster. Het aantal zusters liep zelfs zo ver terug dat het klooster St. Maria eigendommen moest gaan verkopen. In 1563 werd het land verkocht en op 13 mei 1567 verkocht het klooster ook de brouwerij en de rosmolen.

Het was slechts een voorbode van nog slechtere tijden. Enkele jaren later werden de katholieken definitief verjaagd door de protestantse opstandelingen. Het klooster werd verlaten, werd geplunderd en uiteindelijk gesloopt.

Bagijnestraat

Aan de Bagijnestraat lag vermoedelijk de brouwerij van het klooster en naar de Bagijnestraat liep vermoedelijk ook de sloot die de zusters hadden laten graven vanuit het Spui. Wat er na het verval met het klooster met de grond van de Bagijnestraat gebeurde is nog niet onderzocht. Waarschijnlijk werd de grond verkocht aan grondspeculanten en werden er huizen aan de Bagijnestraat gebouwd. Op de omliggende grond werden straten aangelegd en ook huizen gebouwd, bijvoorbeeld aan de Kalvermarkt. Een korte tijd is er in de Bagijnestraat en aan de Kalvermarkt een kalverenmarkt gehouden. Op 8 april 1664 werd namelijk de Kalveren-, Schapen-, Lammeren- en andere jonge beestenmarkt verplaatst van de Bagijnestraat naar de Varkensmarkt.

Bagijnestraat niet onaanzienlijk

In 1704 blijkt de straat geen onaanzienlijke straat te zijn. Er woonden toen in ieder geval twee advocaten aan het Hof van Holland. Het lijkt vreemd dat aan zo’n steeg grote huizen stonden voor rijkere bewoners, maar in die tijd waren bijna alle straten smal. Een straat als het Achterom zou in die tijd een doodnormale straat zijn. De Hofsingel die vroeger langs de gebouwen van de Tweede Kamer liep was net zo smal, maar in de 17de en 18de eeuw woonden daar mensen als Hugo de Groot, Johan de Witt, dominee Uyttenbogaert en veel andere notabelen. In de Spuistraat stonden kasteelachtige woningen waar onder andere Johan van Oldenbarnevelt hebben gewoond.

Porseleinfabriek Lijncker

In de 18de eeuw was in de Bagijnestraat ook nog de bekende porseleinfabriek van Johan Frantz Lijncker gevestigd. Lijcker was in 1772 aan de Hofsingel een winkel begonnen voor de verkoop van textiel, maar vooral porselein. Zoals veel winkeliers verkocht hij niet alleen in zijn winkel, maar had hij tijdens de Haagse kermis ook een kraam, op het Lange Voorhout, voor het huidige museum Escher. In 1777 had hij een groter huis, erf en tuin gehuurd in de Haagse Bagijnestraat. Hij wilde daar een porseleinfabriek in beginnen. Hij maakte er reclame mee dat hij zelf ‘Haags’ porselein maakte, maar dat bleek later niet zo te zijn. Hij importeerde porselein uit het buitenland en liet het in zijn fabriek in Den Haag beschilderen. Hij fopte zijn klanten dus een beetje. Toen hij obligaties uitgaf voor zijn nieuwe bedrijf was stadhouder Willem V een van de royale kopers. In kringen van vorsten was de aanwezigheid van een lokale porseleinfabriek iets om over op te scheppen. Maar de porseleinfabriek leek dus mooier dan hij was. Maar de zaak was op zich natuurlijk wel een echte fabriek, want ze leverde een heel mooi eindproduct af dat een goede naam kreeg en tot in het Turkse rijk werd verkocht. Er werkten tientallen schilders in het atelier van Lijncker.

Om de verkoop te bevorderen organiseerde Lijncker af en toe een loterij. Hij was niet de enige ondernemer die dit deed, maar het was vrij nieuw. Een keer of acht wist hij op deze manier aan geld te komen.

 

Het ging een tijd erg goed. Maar het lot van de stadhouder weerspiegelde zich in het lot van de fabriek. De economie leed onder de binnenlandse onrust die er was tussen de patriotten en Oranjegezinden. Steeds vaker betaalden klanten hun rekeningen niet en Lijncker kreeg zelf steeds meer schuldeisers achter zich aan. In 1788 nam een van de schuldeisers de fabriek over. Hij zou daar geen plezier van krijgen, maar Lijncker en zijn vrouw waren toen al uit Den Haag vertrokken, met onbekende bestemming4.

Schapensteeg rond 1909

De nabijgelegen Schapensteeg rond 1909 geeft een beeld van hoe de buurt rond de Bagijnestraat er toen uitzag (foto Gemeentearchief)

Bagijnestraat gaat achteruit

In de 19de eeuw ging de Bagijnestraat langzamerhand achteruit. Het is niet bekend wanneer dit gebeurde. In 1865 waren er nog plannen om een tram door de Bagijnestraat te laten rijden. Verbazingwekkend genoeg had men niet meteen door dat de straat daar te smal voor was.

Asiel in de Bagijnestraat

In 1877 werd op adres Bagijnestraat 31 het eerste asiel ofwel 'Nederlandsch Toevluchtsoord voor Noodlijdende Dieren' geopend. Niet iedereen had begrip voor het openen van een dierenasiel. Sommigen vonden zoiets 'een ziekelijke uitwas'. Blaffende en jankende honden werden door de buurt evenmin gewaardeerd en er kwamen klachten binnen bij het gemeentebestuur. De deftige bestuursleden vonden op hun beurt de ligging in een zeer arme buurt niet prettig. Omdat het pand snel te klein bleek ging men op zoek naar een beter onderkomen. De vereniging had zelf geen geld, maar bestuurslid J.E.C. van Manen vond het geen probleem om grond voor het nieuwe asiel te kopen. In 1878 ontving de gemeente een verklaring van de buren van het asiel dat ze er geen last van hadden. De honden waren doorgaans rustig en er kwam geen stank vandaan. Het asiel bleef hier overigens niet lang. Door ruimtegebrek was het gedwongen te verhuizen naar een nieuwe locatie aan de Nieuwe Haven. Ook uit meer bronnen blijkt dat de Bagijnestraat niet meer tot de gewone straten hoorde. In 1879 verzocht een lid van de gemeenteraad om wat te doen aan het onderhoud van de Bagijnestraat en de daarin uitkomende stegen en sloppen als de Engelsche Poort, de Schapensteeg en de Kleine Bagijnestraat. Het ging dan om de bestrating, maar het feit dat die zo verwaarloosd was geeft al aan dat de buurt in aanzien gedaald was. Het blijkt nog eens duidelijk in 1891. In dat jaar verzocht de afdeling ’s-Gravenhage van de ‘Nederlanschen Vrouwenbond tot verhooging van het zedelijk bewustzijn’ de gemeente om paal en perk te stellen aan ‘de onzedelijkheden’ aan de Lange Beestenmarkt en de Bagijnestraat. Ook inwoners van de straat hadden bij de gemeente al geklaagd. Zij wilden onder andere sluiting van de bordelen.

Berucht buurtje ‘t Jacht

In het begin van de 20ste eeuw worden de Bagijnestraat en omgeving op een boeiende manier beschreven in het tijdschrift ‘Pak Me Mee’. De anonieme journalist M beschrijft dat het buurtje vroeger “Jacht” heette en een ‘befaamde, gevreesde, ja eenmaal geduchte buurt’ was. Ook daarin kon je blijkbaar uitgang zien, want er waren nu nog slechts ‘sinistere nachtkroegen’ die een beeld gaven van ‘volmaakten achteruitgang, van de verlatenheid, van de armoede’. Vroeger kon je hier als ‘oningewijde’ beter niet komen. In deze dagen waren Hendrik Rutten, Freek Talsma, Wielemout en Nelis Lobel de onbeperkte heersers van de buurt.

 

'M’ beschrijft dat het er lustig toe kon gaan in het bierhuisje van vrouw De Zwart, bijgenaamd Opoe. Daar hadden de dames Cato met de Tandjes en Cor Gaut hun beste tijden als het betaaldag was voor de soldaten van het garnizoen. Omdat de huzaren en de grenadiers bij de jacht op vrouwen wel eens op de vuist gingen dan moest de politie van het bureau aan de Nieuwe Haven in actie komen. Naj een meningsverschil tussen een soldaat en een mannelijke Jachtbewoner kwam de halve compagnie soms de volgende dag verhaal halen. In de strijd sneuvelden ruiten en deuren en vielen er gewonden.

Danshuis van Heemeijer in de Bagijnestraat

Sfeerbeeld van het danshuis van Heemeijer in de Bagijnestraat rond 1909. (Gemeentearchief Den Haag)

Drank, liefde en diefstal

Het ging hier niet alleen om drank en liefde. De buurt rond de Bagijnestraat was ook het verzamelpunt van dieven. Het bierkeldertje van Mumme was volgens ‘M’ hun sociëteit. Daar zaten tal van heren om uit te rusten van een verblijf in ‘t Hotel de houten lepel’ zoals zij de gevangenis noemden. Hier werden diefstallen beraamd en de gestolen waar vaak verhandeld. Na een inbraak bij juwelier Sakes werden in deze zaak alle gouden ringen terug gevonden. Andere bekende kroegen waren het befaamde Hof van Holland en ‘t Zuurhuis van Joli.

 

Bekende zaken waren die van Chatelein, waar men op orgeldeunen en ontoerende operamuziek elke avond kon dansen. In 1909 voerde deze zaak onder de familie Heemeijer nog een worstelend bestaan. Het is een soort primitieve Moulin Rouge. De ‘cancan’ wordt er nog volop gedanst. Ook de rest van de straat heeft zijn glorietijd gehad. De vroeger nog schitterende huizen zijn verbouwd tot pakhuizen en opslagplaatsen met daar tussenin goedkope hotels, cafés en bordelen. In de onbewoonde woningen sliepen daklozen en mensen die niet ergens anders wilden wonen. Voor de vensterloze ruiten waren planken voor de ramen gespijkerd, maar als de journalist door de kieren naar binnen keek zag hij mannen, vrouwen en kinderen die het in ieder geval beter hadden dan buiten.

 

Overal in de stad had je opvanghuizen voor daklozen. In de Bagijnestraat had je het reddingshuis ‘Opstanding en Leven’5.

Verantwoording

Voor deze geschiedenis is geen uitgebreid onderzoek gedaan, maar heb ik gebruik gemaakt van informatie die ik al had. Uitgebreid onderzoek naar deze straat zou interessant zijn, maar kost te veel tijd. Deze versie is bijgewerkt op 16-12-2009.

Literatuur

• ‘Nacht-asyl’, in: , Pak Me Mee, augustus 1909, p.10.

• z.n. De Vrouwenkloosters en bagijnenhoven te ’s-Gravenhage, in Mededeelingen van de Vereeniging ter beoefening der geschiedenis van ’s-Gravenhage, II, ’s-Gravenhage 1876

• Constance L.H. Scholten, Haags porselein 1776-1790, Zwolle, zj.

Noten

1. Windmolens waren van de graaf. Die werden verpacht aan een molenaar. De bakkers en andere gebruikers waren verplicht deze molens te gebruiken.

2. Over het klooster zie Mededeelingen II 83-86, 97-98.

3. De overeenkomst was met de Gecommitteerde Raden. Dat was een bestuursorgaan dat de Staten van Holland hielp bij het bestuur. Bron: De Riemer II p. 715.

4. Constance L.H. Scholten, Haags porselein 1776-1790, Zwolle zj.

5. Pak Me Mee, jrg. 1, nr. 17 (24 juli 1909), p. 7