Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerHet Haagse Bos is niet uit zichzelf het bos geworden waar graven, koningen en stropers zich vermaakten. Deze pagina gaat over het ontstaan van het bos.

 

 

Over het Ontstaan van Haagse Bos

Over het Gebruik van Haagse Bos

kopfoto

Beheer van het Haagse Bos

Houtvesters

Het Haagse Bos was dus door de graven dus voornamelijk in stand gehouden voor de jacht. Het in stand houden van het wild in het Haagse Bos was dus de voornaamste zorg van de grafelijke ambtenaren die het bos beheerden. In eerste instantie gebeurde dit door de rentmeester van Noord-Holland. Deze ambtenaar hield zich niet alleen bezig met financiële zaken, maar hij bestuurde ook het grafelijk kasteel en omgeving. Daar vielen Den Haag en het Haagse Bos ook onder.

 

Deze ambtenaar kreeg het steeds drukker en daarom werd er voor het beheer van het Haagse Bos op den duur een houtvester aangesteld, de ‘bewaarder van het bos’. Dat was eigenlijk een soort erebaan. Veel functies aan het grafelijk hof waren niet meer dan een inkomstenbron voor vertrouwelingen van de graaf. Het was voor hen een soort van salaris. Ze konden bijvoorbeeld profiteren van de opbrengsten van het bos of zij verpachtten de functie aan (onder)houtvesters die het echte werk deden. De (onder)houtvesters moesten dan weer leven van opbrengsten uit het bos. Zo mochten de portier-houtvesters wonen in de woningen bij de poorten, mochten daar vee laten weiden en ontvingen naast een klein vast salaris ook een vierde van de boeten die ze aan overtreders oplegden.

 

De boetes mochten ze niet opleggen aan hoger-geplaatsten en dat gaf wel eens problemen1. De houtvester was vermoedelijk ook portier van het bos en beurde vermoedelijk geld van mensen die door het bos wilden rijden. Het bos was namelijk afgesloten en alleen bereikbaar door een Westpoort en een Oostpoort. De Westpoort stond ongeveer ter hoogte van de Koninklijke Schouwburg.

 

De belangrijkste taak van de houtvesters was het instandhouden van de jacht in het bos. Dat blijkt uit de verordeningen die zijn uitgevaardigde. Die hebben vrijwel allemaal direct of indirect te maken met de jacht en niet met bosbeheer dat gericht was op het behoud van het bos zelf2.

 

De eerst bekende houtvester was een zekere Harparen Alaertse die in 1350 voor het leven werd aangesteld om “het Bosch van den Haghe te bewaren” (beheren). Ook van latere houtvesters zijn de soms kleurrijke namen bekend: Dirc den houtvester in 1361, Willem Lievinks en Jan Nagel (samen in 1401), Gerryt Ymmers, Peter Janszoon van Heusden en houtvester Brandekijn. Brandekijn woonde in een huis dat bij de Westpoort stond. Dat huis stond vermoedelijk op de plek van de Amerikaanse ambassade. Na hem stelde Jacoba van Beieren op 1 februari 1432 Bouden Claeszoon, alias Bantschon aan in het “poirtierscap ende wachtinge van der Voirpoirte van den Houte in den Hage”3.

 

Veel (opper)houtvesters waren bekende mensen. Een nu nog als straatnaam bekende (opper)houtvester was Floris van Kijfhoek, de latere baljuw van Den Haag. Hij kreeg die functies omdat hij een vertrouweling was van Jacoba van Beieren. De familie Van Cats was een bekende familie van houtvesters. Een Van Cats komt later ook voor als beheerder van de paille-maillebaan in het bos. Na Jacob van Catz was Filips van Wassenaer (opper)houtvester.

 

Dat ook de portier niet zomaar iemand was blijkt uit de benoeming in 1493 van Jacob van Barry tot portier en bewaarder van de Westpoort en Oostpoort. Barry was eigenaar van het kolossale woningcomplex in de hoek van de Kneuterdijk, waar nu het voormalige paleis Kneuterdijk staat. Ook deze functie was vermoedelijk zo’n erefunctie geworden die werd verpacht4.

Regels voor het beheer van het Haagse Bos

Het aanstellen van houtvesters werd aangevuld door regelgeving die bepaalde wat wel en niet mocht in het Haagse Bos. Maar het uitvaardigen van regels betekende niet dat mensen zich daaraan hielden. Ook niet als ze, zoals toen gebeurde, plechtig werden uitgevaardigd door middel van ‘plakkaten’. Dat waren verordeningen met een zegel er onder op geplakt. De eerste plakkaten waren vooral gericht tegen illegaal jagen of kappen. De oudst bekende is die van 1425, maar in latere jaren werden er regelmatig nieuwe verordeningen vastgesteld. Daarin werden vaak de bepalingen van een oude verordening herhaald, maar er kwamen ook nieuwe regels bij of oude regels werden strenger. Ook werd het bos afgesloten met sloten en een aarden wal met struiken.

De eerste regels voor het Haagse Bos stammen uit de middeleeuwen

In de Middeleeuwen was een bordje niet voldoende om loslopende honden tegen te gaan en werd het hele bos ontoegankelijk gemaakt door een wal. Werden honden toch gesnapt dan werd ze geschoten.

De verordeningen waren er vooral op gericht om het wild in het bos te beschermen, zodat de graaf, of zijn stadhouder, er met plezier konden jagen. De verordeningen verschilden in inhoud, maar in grote lijnen kwam het er op neer dat je in het Haagse Bos niet mocht lopen, paardrijden of jagen en dat je er ook geen dieren (honden, paarden, koeien) mocht laten rondlopen. In 1498 mocht je er niet meer met paard en wagen rijden en werden de beide bospoorten gesloten5. In de onrustige begintijd van de Opstand (de Tachtigjarige Oorlog tegen de Spanjaarden) werd het Bos vooral geplunderd door burgers die op zoek waren naar hout. Het duurde even voordat de overheid weer in staat was om gezag uit te oefenen.

Omwalling

De regels om het bos te sluiten of te verbieden om te jagen waren niet voldoende. Mensen kwamen toch in het bos en afsluiten was de enige oplossing. Al rond 1355 begon men met de aanleg van een wal waarop doornen struiken en helmgras uit de duinen groeide. Deze wal werd vermoedelijk aan de Haagse kant van het bos gelegd, langs de achterkant van de huizen aan het Lange Voorhout, tot aan de Herengracht. Langs de Bezuidenhoutseweg was het bos immers al afgesloten doordat de Bosbeek daar stroomde. In 1375 of 1376 werd het bos ook aan de Wassenaarse kant afgesloten: “Den wal te maken tenden den Hagehout”. In 1414 of 1415 werd tenslotte een sloot gegraven aan de noordwestkant van het bos, langs de huidige Benoordenhoutseweg: “Die sloet ant noordwesteinde van den Hout op te schieten”. Het bos was nu volledig afgesloten6.

De Haagse kant van het bos gaf de meeste kans op indringers. De eigenaars van woningen aan het Lange Voorhout aan de kant van de huidige Amerikaanse ambassade of het Eschermuseum kregen opdracht om steendikke muren van zeven steen hoog te bouwen, zonder deuren vensters of gaten. Later moest die muur nog hoger zijn. Op die manier wilden de beheerders van het bos voorkomen dat de bewoners hun paarden of koeien in de weide bij het bos lieten lopen of dat hun honden het wild zouden verschrikken of dat ze hout en turf weg zouden halen of gingen stropen. Erg chique was de oostkant van het Lange Voorhout toen niet. Maar in de zomer waren de sloten vaak droog genoeg om ondanks de aarden wal of doornige struiken het bos binnen te dringen7.

 

Het bos was in theorie dus volkomen afgesloten en alleen maar toegankelijk via de Westpoort en de Oostpoort. De Westpoort lag op het Korte Voorhout bij de Koninklijke Schouwburg en de Oostpoort lag op het eind van het bos, “tendenhout”. De Westpoort bestond er mogelijk al rond 1400. Toen werd een houtvester aangesteld die tevens poortwachter kan zijn geweest. De Oostpoort is later gebouwd, maar was er zeker al in 14728. Tussen de beide poorten liep de Wagenwegh, maar die was niet altijd even gemakkelijk te berijden. Het is niet duidelijk in welke tijd de Wagenwegh in gebruik was als weg naar Leiden, want in de tijd dat het bos gesloten was, was die weg ook gesloten, maar je kon ook een sleutel halen bij een van de portiers. Er waren in ieder geval meer wegen naar Leiden. Je kon via Wassenaar, maar ook via Voorburg en Voorschoten. Je kon ook over de ‘Weg bezuiden het hout’, de Bezuidenhoutseweg, rijden. Wanneer precies welke route werd gebruikt zou nog eens moeten worden uitgezocht. Officiële tochten naar Huis ten Bosch, bijvoorbeeld als de stadhouder hoog bezoek ontving, gingen over de Bezuidenhoutseweg9.

Verboden in te rijden op de Leidsestraatweg

Ook tegenwoordig zijn er verkeersbeperkingen in het Haagse Bos.

Haagse Bos opnieuw gesloten

De Akte van Redemptie uit 1576 redde niet alleen het Haagse Bos, maar legde ook vast dat het moest worden behouden als jachtgebied. Dat betekende onder andere dat de Haagse burgers er niet mochten wandelen. Nieuwe verordeningen tegen gebruik of misbruik door burgers werden strenger. Nadat er in 1579 nieuw wild was uitgezet werd in naam van Willem van Oranje een nieuwe verordening uitgevaardigd met de bekende verboden. Nieuw was het verbod op “balslaan” of “clootschieten” in stukken waar jonge aanplant moest worden beschermd. Er kwamen een strengere verordeningen in 1593 en op 9 mei 1608 vaardigde prins Maurits het “Placaet, Roerende ’t Bosch ende Wildernisse van ’t Hager-hout” uit. Die was uitgebreider en geeft een aardig beeld van hoe de bevolking het bos gebruikte. Er slopen nog steeds dagelijks en ’s nachts mensen het bos in om bomen uit het bos te halen. Uit baldadigheid werd er veel vernield. Wagenvoerders reden waar ze maar wilden. Nog steeds werd er gejaagd en liet men paarden, koeien, kalveren, varkens, schapen en andere dieren in het bos weiden. Oude jaagpaarden werden door schippers achtergelaten. Ook werden dode dieren naar het bos gebracht en achtergelaten.

 

Dat mocht allemaal niet meer. Loslopende dieren moesten door schutters worden gevangen en verkocht of gedood worden. De bospoorten moesten dicht blijven en wagenvoerders moesten de sleutel bij de portier halen en na het passeren van weer terugbrengen. De boetes op overtredingen waren hoog en werden eventueel verhaald op de ouders. Ook helers konden rekenen op een flinke boete.

Om naleving te bevorderen werd het bos beter afgesloten. Eigenaars of bewoners van huizen die grensden aan het bos (aan het Voorhout) moesten deuren, vensters, hekken en omheiningen naar het bos dichtmaken. Er mochten geen vlonders, planken of bomen over de grachten en sloten rond het bos worden gelegd10.

 

De laatste bekende verordening over het Haagse Bos is het Placaet van 23 april 1613. Daarin werd het bos door de overheid gesloten als ‘park’ om de ontwikkeling van het wild en bomen te bevorderen: “tot cieraet van ’t Bosch van den Hage, ende beter onderhout van ’t Wilt daer inne voedende”. Verder werden de verboden uit 1608 nog eens herhaald11.

Laatste afsluiting

Het is niet helemaal duidelijk in hoeverre de toegang tot het bos daadwerkelijk werd verboden. Waarschijnlijk bleef het verbod gehandhaafd totdat de stadhouders het bos minder gingen gebruiken voor jacht en ander vertier. In 1618 werden twee vijandige politici (zie Cornelis van der Mijle) die in het bos hun meningsverschil wilden uitpraten door soldaten van prins Maurits uit het bos geplukt. Maurits kon dit natuurlijk alleen maar laten doen als zij een bestaand verbod hadden overtreden. Het ging Maurits waarschijnlijk niet om de verstoring van het wild, maar om de orde in het land. Hij was verwikkeld in een strijd met Johan van Oldenbarnevelt en de heren die hij uit het bos liet halen waren een tegenstander en een partijgenoot van hem12. Aan de andere kant is het bekend dat politieke onderhandelaars in 1608 het bos in liepen om daar vrijuit te kunnen praten. Misschien was het deel bij het Lange en Korte Voorhout wel toegankelijk en de rest niet. Of misschien werd het allemaal oogluikend toegestaan. Onderzoek in archieven zou dat moeten uitwijzen. In ieder geval uit een latere periode is bekend dat politici en anderen het bos in gingen om ongezien te overleggen of dingen te doen die het daglicht niet verdroegen. Er werden regelmatig duels uitgevochten. In de loop van de 16de eeuw gingen de stadhouders voor de jacht naar de Veluwe gingen en werd het Huis ten Bosch hun Haagse zomerpaleisje. Toen zullen de verbodsregels versoepeld zijn.

18de eeuw

In de 18de eeuw was het bos zeker toegankelijk voor iedereen, want in 1711 omschreef Gysbert de Cretser het Haagse Bos als een prettige “lust- en wandelplaats” voor Haagse burgers. De verse en aangename lucht “onder de lommer en schaduwe van de bomen” trok alle bezoekers van Den Haagv voor een wandeling. Wagens en rijtuigen reden over de ‘Wagenwegh’ naar Leiden, Haarlem en Amsterdam. Rechts van de ingang lag toen een grote dierentuin, de Koekamp, waar de stadhouders vroeger veel herten hielden. Hij noemt ook nog de Maliebaan die er vroeger had gelegen en die bijna net zo lang was geweest als die in Londen. Door de stadsuitbreiding van Den Haag, de Nieuwe Uitleg, was die met een kwart ingekort. Op het eind van de 17de eeuw was men de baan steeds minder gaan gebruiken en later werd de baan afgebroken. De Maliebaan en de Koekamp samen werden de ‘Warande’ in het bos van Den Haag genoemd13.

Westpoort of Voorpoort en de portierswoning

De Westpoort stond in het midden van het Korte Voorhout, ongeveer schuin tegenover de huidige Koninklijke Schouwburg. De poort was eerst van hout, maar in 1400 stond er al een stenen poort met een kleiner zijhek. In 1435 had de poort al een dakbedekking van leisteen. In 1512 of 1513 werden 14.000 per schip op het Spui aangevoerd voor de aanleg van een nieuwe poort. Een boekhoudkundig jaar later kreeg de poort een bovenverdieping. Die poort heeft daar decennia lang gestaan totdat hij tijdens de Opstand (Tachtigjarige Oorlog) in verval raakte. Toen de Nieuwe Vaart (Prinsessegracht) werd gegraven, vanaf 1594, werd de grens van het bos naar het oosten verlegd en had de Westpoort geen functie meer. Hij zal toen zijn gesloopt. De ingang van het bos werd toen de brug over de Prinsessegracht14.

 

De portierswoning bij de Westpoort lag waarschijnlijk op de hoek van Prinsessegracht en Korte Voorhout, waar nu het Ministerie van Financiën staat. De landelijke woning had een groot erf waar allerlei dieren rondliepen en er stonden ook schuren. De woning werd regelmatig vergroot en opgeknapt. Tussen 1558 en 1561 schijnt hij ook gebruikt te zijn als café. De oorspronkelijke schutting om het erf werd tussen 1526 en 1529 vervangen door een circa 225 meter lange en ongeveer 1,80 meter hoge aarden wal met doornige struiken. In de schuur bij de portierswoning werden ook de paarden gestald van de graven, stadhouders en andere hoge heren15.

1.
Een nog landelijke Benoordenhoutseweg

Een nog landelijke Benoordenhoutseweg. Rechts het Haagse Bos. (prentbriefkaart Lud Fischer)

Haagse Bos na de oorlog

Deze kaalslag vond meerdere malen plaats in de geschiedenis van het Haagse Bos. Deze prentbriefkaart is van na de Tweede Wereldoorlog. In de verte het gebouw van de Haagse Dierentuin (prentbriefkaart Lud Fischer

 

Verantwoording

Dit verhaal wordt nog verbeterd. Laatste wijziging 19-01-2010.

De benamingen noord, oost, zuid en west zijn voor Den Haag wel eens moeilijk te begrijpen. Ik gebruik zoveel mogelijk de windrichtingen die op stadskaarten van Den Haag lijken te bestaan. Stadskaarten van Den Haag zijn zo gemaakt dat de bovenkant niet het noorden aangeeft. Het noorden bevindt zich in de rechter bovenhoek. Scheveningen lijkt daarom precies ten het noorden van Den Haag te liggen. In werkelijkheid ligt Scheveningen ten noordwesten van Den Haag maar dan iets meer noordelijk dan westelijk. De Benoordenhoutseweg ligt eigenlijk ten noordwesten van het Haagse Bos, maar op stadskaarten en in naam ten noorden van het bos.

Literatuur

• M. Carasso-Kok, ‘Het woud zonder genade’, Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 107 (1992), 241-263.

• Istvan Bejczy, Willibrord en de grote boomstorting. Een mythe uit de oud-vaderlandse geschiedschrijving, Holland, 1992, p. 65-77.

• P.J. Margry, 'De Germaanse erfenis': een deconstructie van 'inheemse' mythologieën over de invloed van de voor-christelijke religieuze cultuur op de christelijke', in: O. Rieter en I. Strouken (red.), Inheemse erfenis. Continuïteit en discontinuïteit in de geschiedenis, Utrecht 2003.

• Jaap Buis, Historia Forestis, Nederlandse bosgeschiedenis I, A.A.G. Bijdragen nr. 26, Wangeningen 1985.

• G.G. Calkoen, Het Haagsche Bosch van de oudste tijden tot ongeveer 1600, en bestuurs- en rechtstoestanden binnen Den Haag en Haagambacht met bijbehorende buurtdorpen van de oudste tijden tot ongeveer 1802-1811, ’s-Gravenhage 1910.

• z.n. G.B. Emants, ’s-Gravenhage onder de regering der graven uit de huizen van Holland, Henegouwen en Beijeren, in Mededeelingen van de Vereeniging ter beoefening der geschiedenis van ’s-Gravenhage, 1e deel, ’s-Gravenhage, 1863, pp 207-342.

Groot Placaet-Boeck inhoudende De Placaten ende Ordonnantien van de Hoogh-Mog. Heeren Staten-Generael der Vereenigde Nederlanden, ende van de Ed. Groot Mog. Heeren Staten van Hollandt ende West-Vrieslandt, mitsgaders van de Ed. Mog. Heeren Staten van Zeelandt, 1651.

• R.M. van Heeringen, ’s-Gravenhage in archeologisch perspectief, Amersfoort, 1984.

• J. Kuyper, Het Haagsche Bosch, in Jaarboekje Die Haghe 1897, pp. 271-.

Noten

1. Calkoen 17, 233-235, Kuyper 277-278, 281-282.

2. Buis 329.

3. Calkoen 13-15.

4. Graswinckel, 10.

5. Pabon in Die Haghe 1924 p. 81-82, Calkoen 238.

6. Calkoen 11-31, Emants 210.

7. Kuyper 278-279.

8. Calkoen 11-19.

9. Dat was althans zo in een aantal gevallen die ik ken uit de 18de en 19de eeuw.

10. Groot Placaet-Boeck 9 mei 1608, Buis 332

11. by forme van Parck”, een park was in deze tijd een omheinde, afgesloten, ruimte; Calkoen 239-247.

12. H.A.W. van der Vecht, Cornelis van der Myle, Sappemeer, 1907, 109.

13. Een “groote Diergarde, de Koekamp genaamt, waarinne de Stadthouders inder tyd veele Herten en Hinden plagten te onderhouden, doch dewelke daar innen nu zoo veelvuldig niet meer gevonden worden. In de zelve heeft ook een Malybaan gelegen, die zoo lange was, dat ze weinig in lengte van die van Londen verscheelde, doch dewelke door de nieuwe uitlegging van den Hage, aan de zyde van dit zelve Bosch, … eerst wel een vierdepart verkort was geworden“. Calkoen 249-255, Mensonides Hs 147 no 14, p. 5-6.

14. Calkoen 127-129.

15. Calkoen 129.

16. Calkoen 129.