Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerDe geschiedenis van de Nieuwe Haven deel II. Voor het eerste deel zie deel 2.

Nieuwe Haven in 1880

Geschiedenis van de Nieuwe Haven III

Opleidingen

Ten tijde van de opening van de school stond de ijzerindustrie nog in de kinderschoenen. Het grootste deel van de 41 leerlingen werd opgeleid tot bouwvakarbeider. Er waren 21 leerlingen voor de cursus timmeren, 15 voor meubelmaken en 5 voor schilderen. De groei van het aantal leerlingen ging langzaam. Pas na 1882 komt er groei in de school. In dat jaar start ook voor het eerst een nieuwe opleiding, die tot machinist voor de kleine vaart en kleine industrie. In 1883 opende de school zelfs een avondopleiding. De Burger-Avondschool gaf op 17 september de eerste lessen aan mensen die overdag werkten. De 39 leerlingen kregen elke avond een uur theoretisch en twee uur tekenonderwijs, behalve zaterdag. Het bestuur zocht steeds naar mogelijkheden om nieuwe opleidingen te beginnen. Om financiële redenen werden die georganiseerd in samenwerking met andere belanghebbenden, meestal een werkgeversvereniging. Na een aarzelende start kwamen er in het begin van de 20e eeuw in rap tempo opleidingen bij. Zo organiseerde de school op verzoek van de gemeente in 1905 een cursus voor gasfitters bedoeld voor volwassen werklieden uit het fittersbedrijf. Met financiële steun van de Nederlandsche Automobielclub en de auto-industrie kwam er een cursus voor “autochauffeurs”. In vier maanden leerden leerlingen het besturen en repareren van auto's. Deze cursus trok jaarlijks rond de 30 leerlingen die allen een technische opleiding moesten hebben om toegelaten te worden. In de school was te weinig ruimte voor uitbreiding en daarom vond men vervangende ruimte in de voormalige geschutgieterij op de Nieuwe Uitleg. Pas toen het nieuwe schoolgebouw in 1908 klaarkwam kon deze cursus in het eigen gebouw gegeven. Er kwam toen een garage aan de Nieuwe Havendwarsstraat. In 1908 kwam er in samenwerking met de Behangers- en Stoffeerderspatroons-vereniging "Eendracht" een cursus voor behangers, stoffeerders en beddenmakers. Een belangrijke nieuwe opleiding werd die in de grafische vakken. De leerlingen kregen niet alleen les, maar er werden ook regelmatig excursies gehouden naar bedrijven. Leerlingen in bouwkundevakken gingen kijken bij echte bouwplaatsen. Het eerste jaar konden ze een kijkje nemen in de stoomhoutzagerij van Mouton en de meubelfabriek van Mutters. Andere leerlingen gingen naar de in aanbouw zijnde kerk in de Parkstraat. In volgende jaren ging men ook verder weg.

 

Zo kwamen er steeds nieuwe cursussen. In 1911 werden bijvoorbeeld de volgende cursussen gegeven:

Cursus voor Chauffeurs: 59 leerlingen

Cursus voor Gasfitters: 3 leerlingen en 24 smids- en koperslagersleerlingen uit de hoogste klas

Cursus voor Behangers en Stoffeerders: 29 leerlingen

Cursus voor Boekbinders: 15 leerlingen

Gebouwen

Geld was steeds een probleem. Voor een deel kon dat worden opgelost door het onderhoud van school en directeurswoning zoveel mogelijk door leerlingen uit te laten voeren. Ook lesmaterialen als kolenbakken en kachelpijpen werden door de leerlingen zelf gemaakt. De schildersleerlingen verfden de schoolbanken.

 

Het eerste jaar had men al een tegenvaller. In de tuin wilde men een smederij met vuurhaard aanleggen, maar door een servituut in het belang van de aangrenzende blekerij bleek dit niet te mogen. De verkoper van de school had het bestaan van dit servituut verzwegen. De smederij werd daarom in 1874 gebouwd op de binnenplaats bij de ingang aan de Zuid-Oost Binnensingel. Deze smederij werd in 1882 voor de komst van de opleiding tot machinist verder vergroot.

 

In 1891 en 1893 werden aangrenzende panden gekocht en lokalen bijgebouwd zodat er in 1894 al meer dan 200 leerlingen konden zijn..

Ambachtsschool in 1897

De school in 1897 met rechts nog het oude gedeelte dat direct aan het water lag (Haags Gemeentearchief).

Ambachtsschool

De toenemende populariteit trok ook leerlingen van buiten Den Haag aan. Het jaarverslag van 1897 noemt leerlingen uit Delft, Voorburg, Voorschoten, Leidschendam, Rijswijk, Loosduinen. Deze leerlingen konden tussen de middag niet naar huis, maar konden vanaf 1897 in het naburige gebouw van de Christelijke Volksbond overblijven. In 1898 was het maximum aantal van 220 leerlingen bereikt.

 

In de jaren hierna volgen verhalen van ruimtetekort, het aanbouwen van nieuwe lokalen, verhalen over al weer ruimtetekort en weer nieuwe lokalen elkaar op. In 1899 werd het achtergebouw met een verdieping verhoogd. Ook werden gas- en waterleidingen uitgebreid en werden de ramen vergroot voor een betere daglicht-toetreding. Het jaar daarop was er plaats voor 264 leerlingen, maar toch moesten er leerlingen worden afgewezen. Het gebouw was nog steeds te klein. Op het terrein van een aangrenzende blekerij dat door de gemeente werd geschonken konden in 1902 nieuwe lokalen worden bijgebouwd. Het grootste aantal leerlingen dat in deze school kon worden gepropt was 315. De school was aan alle kanten ingesloten, want de Nieuwe Havendwarsstraat was er nog niet en aan de kant van de Nieuwe Haven was geen kade maar meteen water. Pas na de demping van de Nieuwe Haven in 1904 en de aanleg van de Nieuwe Havendwarsstraat kwam er een mogelijkheid om een beter bereikbare school te bouwen.

 

De subsidie voor aanschaf van een eerste stoommachine en een gasmotor kwam in 1903 zodat men nog in het oude gebouw kon beschikken over mechanische aandrijving voor de draaibanken, schaafbanken, zaagmachines en een aanblazer voor de vuren. In dat jaar haalde de school een nieuwe mijlpaal met 315 leerlingen.

 

Na de demping van de Nieuwe Haven kwamen er betere kansen om een grote school te laten bouwen. Bovendien was het politieke klimaat in de 20e eeuw beter om overheidsgeld te krijgen voor de bouw van een nieuwe ambachtsschool. Architect A. Mondt maakte het ontwerp voor de nieuwe school die de ingang aan de Nieuwe Haven kreeg (nr. 55) en plaats had voor 555 leerlingen. Het gebouw kostte zo'n fl. 260.000, werd gebouwd door aannemer G.S. Kylstra uit Drachten en was in december 1908 klaar.

De nieuwe school van 1908

De nieuwe school van 1908, v.l.n.r. aan de Nieuwe Haven: twee kamers-en-suite, een provisiekamer, een modelkamer, het timmerlokaal. De Doc beslaat een van de kamers, de provisiekamer en de modelkamer met de daarbij horende zolders.

Leerlingen

In 1876 behalen de eerste leerlingen hun getuigschrift. Bestuur en directeur van de school probeerden voor hen zoveel mogelijk geschikte patroons en werkplaatsen te vinden op voor de leerlingen gunstige voorwaarden. Het jaarverslag van de schoolvereniging meldt dat "zoveel doenlijk gelet zal worden op hetgeen verder met deze leerlingen geschiedt". In elk jaarverslag wordt verslag gedaan van het carrièreverloop van oud-leerlingen. Om de leerlingen op school te houden werden er beloningen uitgedeeld. De prijzen bestonden in het begin niet uit geld, maar uit gereedschap. Later kwamen er premies om verzuim en tussentijds schoolverlaten te beperken. Dat geld werd vastgezet op een spaarbankboekje en pas uitgekeerd nadat de leerling met diploma de school verliet. Die kon er dan gereedschap voor kopen wat zijn kansen op werk vergrootte. Het was blijkbaar niet zo dat de werkgever voor het gereedschap zorgde. Bij leerlingen die voortijdig de school verlieten hield de directeur de reden bij. Het ging meestal om leerlingen die meteen geld wilden verdienen. Overigens was zelfs het zeer lage schoolgeld van fl. 10 voor veel ouders al een probleem om hun kind drie jaar zonder verdienste te laten leren. Voor veel gezinnen waren werkende kinderen een noodzakelijke inkomstenbron. De school trok zoveel leerlingen dat er uitbreiding werd gezocht door nieuwe scholen te bouwen. Het begon met dependances aan het Spui, de Voldersgracht en de Wagenstraat. Maar in 1921 opende de Tweede Technische school aan de De la Reyweg haar poorten. Er zouden meer technische scholen volgen, vooral na de tweede wereldoorlog. Het belang van de school aan de Nieuwe Haven werd minder. Hoewel koningin Juliana in 1973 bij het 100-jarig bestaan een bezoek aan de school bracht, was de school toen eigenlijk een dependance van de 2e Technische School aan de De La Reyweg geworden. De vereniging "De Haagsche Ambachtsschool" ging op in een andere vereniging en daarna volgde een onnavolgbare rij fusies. De laatste eigenaar was de 'TRE-onderwijsgroep'. Op 29 juni 2000 kondigt HBG Bouw en Vastgoed in een persbericht aan dat wethouder Noordanus de eerste paal zal slaan van de omvorming van de school in een woningcomplex. "Het middengedeelte van de Ambachtsschool wordt gerenoveerd en verbouwd tot appartementengebouw. De beide vleugels van het gebouw worden gesloopt om plaats te maken voor de 23 eengezins-woningen." Het project zal naar verwachting eind 2001 worden opgeleverd.

 

De school aan de Nieuwe Haven verhuisde begin jaren '90 naar de Gaslaan. Krakers die een tijdje in het lege schoolgebouw verbleven redden het archief van de school van de ondergang door een tip te geven aan het gemeentearchief waar het nu veilig staat opgeslagen in een van de depots.

Dierenasiel

Den Haag was dan wel niet de eerste stad met een ambachtsschool, maar wel de eerste stad in Nederland met een dierenasiel. Over de beweegredenen is niets naders bekend, maar in 1877 namen de heer en mevrouw Van Manen-Thesingh het initiatief om een 'Asyl' te beginnen. De hiervoor opgerichte vereniging had ook leden in Amsterdam, Arnhem, Utrecht en Rotterdam. Het eerste asiel ofwel 'Nederlandsch Toevluchtsoord voor Noodlijdende Dieren' werd op 1 september 1877 geopend in de Bagijnestraat 31. Niet iedereen vond zo'n asiel nodig, want sommigen noemden het 'een ziekelijke uitwas'. Blaffende en jankende honden werden door de buurt evenmin gewaardeerd en er kwamen klachten binnen bij het gemeentebestuur. De deftige bestuursleden vonden op hun beurt de ligging in een zeer arme buurt niet prettig. Omdat het pand snel te klein bleek ging men op zoek naar een beter onderkomen. De vereniging had zelf geen geld, maar bestuurslid J.E.C. van Manen vond het geen probleem om grond voor het nieuwe asiel te kopen. Het asiel nam voornamelijk honden op, maar er was ook plaats voor katten. In de beginjaren werden er ook een geit en een duif opgenomen. Ook leden buiten Den Haag stuurden dieren naar het Haagse asiel. In de jaarverslagen worden echter alleen dieren uit Den Haag en Utrecht genoemd: in 1886 kwamen er 1097 dieren uit Den Haag, 324 uit Utrecht. Om de financiën rond te kunnen krijgen vroeg het bestuur in 1885 subsidie aan de gemeenten Den Haag en Utrecht. Dierenbescherming was nog niet populair. De gemeente Den Haag wilde wel een klein bedrag geven, maar Utrecht wilde dat niet. Na een geval van hondsdolheid daalde het enthousiasme bij het Haagse gemeentebestuur. Men was bang dat het asiel voor verspreiding zou zorgen. De honden moesten worden afgemaakt (door verdrinking in een mandje) en de subsidie werd opgeheven. Om de financiële nood te lenigen werd er een pension geopend, waar dieren van particulieren tegen betaling konden verblijven. Maar af en toe was er vermoedelijk toch wel weer geld, want in 1893 en 1905 werd het terrein weer vergroot. In 1905 was er zelfs genoeg geld om het huidige gebouw aan de Nieuwe Haven te laten bouwen. Daar kwam ook de nieuwe ingang. Ook nu had de buurt last van honden. Een nieuw buitenterrein leverde klachten op van inwoners van nieuw gebouwde huizen aan de Nieuwe Haven. Dat werd opgelost door de bouw van hokken die de geluidshinder zouden verminderen. Op 1 januari 1910 werd een Dierenkliniek geopend. Daar konden dieren worden geopereerd. Voor het vervoer van gewonde dieren werd 'een rijwieltransportwagen met luchtbanden en afneembare mand aangeschaft. In de eerste wereldoorlog werd de kliniek om financiële redenen gesloten en ging het een tijdje slechter met het asiel. Toen het asiel in 1926 de zorg voor de politiehonden op zich nam kwam er weer gemeentesubsidie. Het was toen ook nodig om een bestelauto aan te schaffen voor het vervoer van gewonde dieren. Er kwam een aanhangwagen bij voor het vervoer van overleden dieren. De ingang van de garage kwam aan de Ammunitiehaven. In hetzelfde jaar kwam er weer een dierenarts in dienst die op werkdagen van 1-2 uur spreekuur ging houden. De bestelauto was een aanwinst voor de eerste hulpdienst. Zelfs 's avonds werd uitgerukt om een gewond dier op te halen. In 1926 werd 200 maal uitgerukt.

 

Het gebouw bleef tot 1981 als asiel in gebruik en verhuisde toen naar de Schenkkade.

Ambulance van het Dierenasiel

De eerste Dierenambulance (Haags Gemeentearchief).

Blonde Dolly

In 1959 haalde een gebeurtenis aan de Nieuwe Haven de wereldpers. Het was niet de huldiging op zaterdag 31 oktober van de directeur van de LTS (de voormalige Ambachtsschool) aan de Nieuwe Haven A.J.C. Kok, wegens zijn veertigjarig jubileum, maar de moord die mogelijk op die dag aan de overkant van de straat plaats vond. Pas op 3 november verscheen het eerste krantenbericht. De Haagsche Courant meldde op die maandag dat in de vooravond aan de Nieuwe Haven 498 de 32-jarige vrouw S.A.J. geb. N., beter bekend als "Blonde Dolly", dood was aangetroffen. De politie vond haar gewurgd op de zolder van haar huis. Uit sectie bleek dat zij twee dagen in bed moet hebben gelegen. Men vermoedde dat de dader een bekende van haar was geweest. De moord hield de Rivierenbuurt geruime tijd in haar greep en er werd (in de pers) druk gespeculeerd over het motief van de dader. Roof kon het niet zijn geweest omdat er veel geld in huis was gevonden. Misschien was de dader de jaloerse echtgenote van een klant. Een van de eerste verdachten van de politie was Blonde Dolly’s 'bewaker' die elke avond tot half drie 's nachts in het huis aanwezig was. Blonde Dolly had een bouvier, maar daarmee voelde ze zich blijkbaar niet veilig genoeg. De 'bewaker' werd overigens wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. Later kwamen geruchten op gang: ze was niet zomaar een prostituee, maar zou affaires in 'hoge Haagse kringen' hebben gehad. Ze zou zijn vermoord omdat ze hooggeplaatste klanten had gechanteerd. De geruchten werden door de politie tegengesproken, maar de Nieuwe Haven haalde wel de buitenlandse pers. Blonde Dolly, in werkelijkheid Sybille Niemans, kwam niet uit Den Haag. Ze kwam uit Zandvoort en woonde later in Amsterdam. Daar werkte ze als kostuumnaaister, waarzegster en kreeg haar scholing in de prostitutie. Na de oorlog belandde ze in Den Haag. Ze trouwde hier in 1950 met een veel oudere man en gaat een ander leven leiden. Ze studeerde talen en cultuurgeschiedenis en ging naar concerten. Volgens dagblad “Het Binnenhof” was ze een opvallende verschijning bij de Koninklijke Schouwburg. Na haar scheiding ging ze weer 'het leven' in. Voor het geld hoefde ze het niet te doen, want haar nalatenschap bestond uit 8 panden, luxe woninginrichting, een garderobe van fl. 20.000 en een bankrekening van bijna fl. 200.000. De opbrengst van haar nalatenschap werd verdeeld over allerlei goede doelen. De moord op Blonde Dolly ondanks alle moeite van de Haagse politie nooit opgelost. Op 2 november 1977 werd de zaak gesloten. Voor die tijd was een tipgever in haar zaak, de 71-jarige gepensioneerde archiefbediende J. van der G., ook al vermoord, in 1961, in zijn huis op de Uilebomen.

Nieuwe Haven huis Blonde Dolly

Hier stond het huis van Blonde Dolly. Het is in de jaren 1970 afgebroken.

Meer Nieuwe Haven

Over het kunstwerk op de hoek van de Nieuwe Haven staat een leuk artikel op Wat zijn dat voor kunstwerken op de Nieuwe Haven?

Verantwoording

Dit verhaal is niet af. Over de Nieuwe Haven en omgeving valt nog meer te onderzoeken en te schrijven. Dit voorlopige verhaal zal daarom op termijn worden vervolgd. Informatie over de buurt, in de vorm van documenten, foto's of prentbriefkaarten zijn daarbij altijd welkom.

 

(april 2002, bijgewerkt op 30 november 2012, met veel dank aan J. Smallenburg)