Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerPlein 4 is een markant gebouw, met een lange geschiedenis.

straten kopfoto

Geschiedenis van Plein 4: Klooster St. Maria in Galilea, Logement van Rotterdam – Ministerie van Defensie

De geschiedenis van het gebouw op Plein 4 beslaat vele eeuwen, maar in die lange tijd heeft het perceel weinig verschillende gebruikers gehad. Er is weinig bekend over de beginperiode. Er lag weiland en in de middeleeuwen werden de eerste huizen gebouwd. Na dit mistige begin zijn de eigenaren wel bekend. Op het terrein van het gebouw stond een klooster, woonde er een overheidsdienaar, was het eigendom van een stad en ten slotte van de staat. De hoofdzaken zijn dus snel verteld.

Het Plein was in de middeleeuwen nog geen plein. Het terrein maakte deel uit van de achtertuin van het grafelijk kasteel. De graven van Holland woonden in een groot kasteelcomplex dat reikte van het Buitenhof tot aan het Plein. Langs de grafelijke tuin lagen twee straten waar ook al gebouwen stonden. De “Houtstraat” liep van het Tournooiveld tot aan de Korte Poten en was dus voor een deel de oostkant van het huidige Plein. De Korte en Lange Poten waren toen een zandweggetje dat ‘Potenweg’ of ‘Potenstraat’ werd genoemd. Dat kwam uit op het zandpad ten zuiden van het Haagse Bos.

Klooster Sint Maria in Galilea

De eerst bekende eigenaar van de grond waar later Plein 4 op werd gebouwd was het vrouwenklooster Sint Maria in Galilea. Dit klooster was een van de vier bekende Haagse vrouwenkloosters. Het werd op 23 mei 1463 door enkele zusters van het grotere Haagse St. Elisabethklooster opgericht. Over het klooster is niet zo veel bekend. Het is zelfs niet helemaal duidelijk waar precies de ingang lag. In oude archiefstukken wordt eerst gesproken over het klooster aan het Spui, later het klooster aan de Poten. Onderzoeker D. Hoek denkt in 1939 zelfs dat het klooster nooit aan het Spui heeft gestaan, maar hij legt niet uit waarom. Bronnen als de Hofboeken (een soort kadaster) geven aan dat de “zusters” zoals ze werden genoemd wel degelijk bezittingen hadden aan het Spui. De kerk en de hoofdingang van het klooster Sint Maria lagen dus eerst aan het Spui. Op 7 januari 1467 kocht het klooster een perceel aan de Potenweg (Lange Poten en zuidkant Plein) en ergens tussen 1497 en 1502 werd daar een nieuwe kerk gebouwd. In de loop van de tijd werd ook de ingang verplaatst naar de Lange Poten, vermoedelijk ter hoogte van de huidige Bagijnestraat. Er was vermoedelijk ook een ingang bij de huidige Korte Houtstraat. Dat was toen niet meer dan een zandpad dat doorliep tot verder dan de huidige Nieuwe Haven. De ‘weg’ heette toen Comans Willemslaan en later ook Zusterlaan.

Den Haag in 1570

Den Haag op een primitieve kaart uit 1570. Het klooster (bij de rode pijl, met nummer 10) en de uitgestrekte weilanden zijn goed te zien.

Het klooster was niet groot. In het begin waren er zo’n vijftig zusters, maar dat aantal werd langzamerhand kleiner. In 1559 waren er nog maar 34 zusters over. Hoewel het klooster niet zo groot was, had het wel economische betekenis. In de eerste plaats bezat het veel grond in wat nu de Rivierenbuurt is. Deze grond werd verpacht aan boeren. Verder voorzag het klooster in zijn onderhoud door veel te produceren. Het was een kleine fabriek. De zusters maakten van alles en verkochten het. Inkomsten zullen ook wel nodig zijn geweest, want de zusters deden ook aan ziekenzorg en zorgden voor wezen. Tenslotte had het klooster een brouwerij en in 1480 mocht het klooster een rosmolen plaatsen. Dat was een molen die werd aangedreven door een ros, een paard. Het bedrijfsleven klaagde natuurlijk over de oneerlijke concurrentie van de kloosters, te meer omdat kloosters geen belastingen hoefden te betalen. De Haagse kloosters zeiden dat ze de inkomsten hard nodig hadden. Het St. Elisabeth-klooster schreef in 1521 dat Den Haag zo’n populaire bestemming was dat het onderdak verlenen aan bezoekers het klooster op grote kosten joeg: “dagelix groote costen boven eenige andere cloosteren, overmits dattet in den Hage stond, daerom zy dagelix groot anvalle van allen religieusen ende andere geestelijke personen hadden, soe wail van andere oirden, als van hair selfs oirde, die aldair in onsen Hove te doen hebben, die in dit voirschreve clooster hoeren coste ende herberge nemen.” Hetzelfde zal hebben gegolden voor het klooster St. Maria1. Er kwamen beperkingen aan de economische activiteiten van de kloosters, maar niet te veel. De rosmolen mocht bijvoorbeeld alleen voor eigen gebruik koren malen. Er mocht alleen voor bakkers worden gemalen als de drie openbare windmolens2 door windstilte niet konden draaien en als de grafelijke rosmolen op het Spui teveel werk had. In 1542 nam het klooster deze rosmolen van de graaf over (als pachter) en gebruikte men vermoedelijk de eigen molen niet meer3.

 

Niet alleen het Haagse bedrijfsleven klaagde over het klooster. Ook het Haagse dorpsbestuur voelde zich financieel benadeeld omdat kloosters geen belasting betaalden. De graaf vroeg een stad of dorp als geheel om een bepaald bedrag aan belasting te betalen. De plaats moest dan zelf zien om dit bij de inwoners op te halen. In Den Haag woonden veel rijke mensen, bestuurders, ambtenaren van de staat, edelen, diplomaten en kloosterlingen, maar die hadden allemaal een bijzondere positie en hoefden niet mee te betalen. Den Haag kaartte regelmatig bij de landsregering aan dat meer mensen zouden gaan meebetalen, maar als het iets opleverde, dan was het meestal een kortstondig succes. In 1471 werd er bijvoorbeeld een nieuwe graaf ingehuldigd. Dat heette ‘Blijde Inkomste’, een blijde inhuldiging voor de graaf dan, want die ging altijd gepaard met extra belastingheffing. In 1471 werd bepaald dat ook de kloosters een aandeel zouden moeten betalen, maar die weigerden. Den Haag nam juridische stappen en ging zo ver dat het vee in de kloosterweides in beslag werd genomen. Maar het mocht niet baten. Het Hof van Holland, de hoogste rechtbank, bepaalde dat de kloosters niet hoefden te betalen4.

 

Aan de kloosterzusters had Den Haag de Ammunitiehaven Ammunitiehaven en de Nieuwe Haven te danken. Het klooster had blijkbaar zoveel zware goederen te vervoeren dat het een kanaaltje wilde graven tot aan het klooster. Het dichtstbijzijnde kanaal was het Spui. Van daaruit moest een nieuw kanaaltje of sloot worden gegraven tot aan het klooster. Eén sloot was er al. Die liep langs de Zusterlaan, dus wat later de Nieuwe Haven werd. De nieuwe sloot kwam op de plek waar later de Ammunitiehaven zou komen. In dit verhaal mist nog het stuk vanaf de Nieuwe Haven naar het klooster, dus vermoedelijk werd er nog een derde stuk gegraven. Dit stuk liep langs de latere Kalvermarkt en zou het ministerie van oorlog nog van turf voorzien. Het zou pas in de 19de eeuw worden gedempt.

Plein en omgeving rond 1550

Het klooster Sint Maria in Galilea op een schetsmatige kaart. In lichtrood de situatie van nu. Zo zou het klooster en de directe omgeving er rond 1550 uit hebben gezien. Bij A ligt de kerk van het klooster. Bij B loopt de Poten, daaronder de poort naar de huidige Bagijnestraat. Schuin rechtsboven de B is het eenzame gebouwtje een boerderij die staat op de grond van het grafelijk kasteel. Rechts daarvan liggen de boomkwekerijen. Iets meer naar boven bij C staat de Spuipoort. Bij D ligt de Mariakapel bovenop het laatste gedeelte van het Spui, dat doorloopt naar de slotgrachten. De kaart is gebaseerd op die van Ter Meer Derval.

Hervorming

Door de opkomst van de Hervorming kwam een er een einde aan de bevoorrechte positie van katholieke instellingen zoals de kloosters. In het begin van de 16de eeuw kwamen nieuwe religieuze groeperingen op die zich afzetten tegen de katholieke kerk. Deze zgn. protestanten kregen veel aanhang. Zelfs in de kloosters moest de leiding er op toezien dat de zusters geen boeken van Maarten Luther in bezit hadden. Maarten Luther was de eerste bekende voorman van de protestanten. Niet alleen de godsdienst veroorzaakte onrust. In Gelderland legde men zich niet neer bij overheersing door de nieuwe machthebbers in Brussel. Een Gelderse leger onder Maarten van Rossum trok door het land en deed bij zijn tocht ook Den Haag aan. Ons dorp had geen grachten en muren en werd zwaar geplunderd.

Door al deze verwikkelingen zal het minder aantrekkelijk zijn geweest om toe te treden tot een Haags klooster. Het aantal zusters liep zelfs zo ver terug dat het klooster St. Maria eigendommen moest gaan verkopen. In 1563 werd het land verkocht en op 13 mei 1567 verkocht het klooster ook de brouwerij en de rosmolen.

Maar nog grotere gevaren bedreigden het klooster. Het in veel opzichten harde optreden van de regering leidde tot een landelijke opstand die uitmondde in wat de Tachtigjarige Oorlog werd genoemd. In de begintijd van de opstand woedde de oorlog niet ver van Den Haag en werd dit twee keer door een legermacht bezet. Veel Hagenaars ontvluchtten voor jaren hun dorp. Bij terugkeer bleken hun huizen vaak zwaar beschadigd. Ook het klooster was er zo erg aan toe dat het niet meer op een klooster leek (“dat het nyet meer een convent geweest te hebben gelijkent”). Er moesten zoveel beschadigde gebouwen hersteld worden dat er een tekort was aan bouwmateriaal. Dat haalde men dus overal waar men het vinden kon, tot in het Haagse Bos toe. Justitie was nauwelijks in staat er wat tegen te doen. Het klooster werd vermoedelijk gesloopt door Haagse bouwlieden. Voor het klooster was dit misschien niet zo erg als voor het aanzien van het Haagse Bos waarvan de Haagse kant volledig werd ontdaan van bomen. Kloosters werden gezien als vijandig bezit en werden door de staat in beslag genomen en verkocht. Ook het lege, verlaten terrein van St. Maria5. Een deel ervan kwam in handen van het dorp Den Haag en een deel rechtstreeks in handen van particulieren. Op die grond werden enkele havens gegraven: de Nieuwe Haven, de Turfmarkt, de Ammunitiehaven en de Schedeldoekshaven. De resterende grond werd verkocht voor de bouw van huizen en bedrijfsgebouwen. Veel percelen werden snel doorverkocht, vaak al binnen een jaar. Het kloosterterrein was het voorwerp van speculatie van enkele hoge ambtenaren6.

Aanleg Plein

De verkoop van kloosters leverde de regering niet genoeg geld op voor de oorlog tegen Spanje, of eigenlijk tegen de landsheer7.Gelukkig had de nieuwe staat ook veel grond in bezit overgenomen van de afgezette graaf. De achtertuin van het grafelijk kasteel bijvoorbeeld. Die tuin was niet meer nodig en de grond werd in de jaren 1630 in percelen verdeeld en verkocht. In het midden zou een groot en statig stadsplein overblijven, hèt Plein. Op de vrij grote percelen mochten alleen statige huizen worden gebouwd. Dat gold alleen voor de huizen aan de noordkant van het Plein en aan de Korte Vijverberg. Aan de oostkant en zuidkant van het Plein stonden namelijk al huizen aan de reeds bestaande straten Houtstraat en de Poten. De Houtstraat was het stuk tussen de Korte en de Lange Houtstraat en de Poten is het stuk waar nu Plein 4 staat. Daar stonden huizen die niet onaanzienlijk waren, maar net niet de allure hadden als de stadspaleisjes die op andere plekken in het plan zouden verrijzen. Wel zouden enkele huizen aan het Plein worden samengevoegd en vervangen door nieuwe huizen die je als stadspaleis zou kunnen aanduiden. Een daarvan zou Plein 4 worden. Aan de westkant van het Plein verrezen tenslotte ook twee royale stadspaleisjes. De statige uitstraling van het Plein werd versterkt door de plaatsing van lindebomen en diagonaal lopende wandelpaden.

Uitgevoerd verkavelingsplan van Plein

In grote lijnen uitgevoerd verkavelingsplan van Plein.

Maar stadhouder Frederik Hendrik stak daar een stokje voor. Hij bedong dat Den Haag een statig plein kreeg.

Thijman van Volbergen

Op Plein 4 stond toen nog een ander huis dan het huidige. Van dit huis is alleen bekend het in 1627 eigendom was van een zekere Thijman van Volbergen. Het lijkt een goede keus van Thijman van Volbergen te zijn geweest om hier een huis te kopen (of te laten bouwen). Na de aanleg van het statige Plein zal de waarde van zijn huis niet zijn verminderd. Van Volbergen was eerste een ondergeschikte van de bekende grondspeculant en hoge ambtenaar Philips Doublet. Van Volbergen had succes en klom verder op in de ambtelijke hiërarchie. In 1635 kwam hij in dienst van stadhouder Frederik Hendrik. Hij hoorde tot de rijke inwoners van Den Haag. Zijn vermogen werd geschat op het voor die tijd hoge bedrag van tweehonderdduizend gulden8. Maar alle moeite die hij deed om dat geld te vergaren zou voor niets zijn geweest. In 1642 bezocht de koningin van Engeland, Henriëtte Maria, Den Haag en zij was op zoek naar geld. Haar man Charles had onenigheid met het Engelse parlement en hij had geld nodig voor de burgeroorlog die dreigde uit te breken. In Engeland kon de koning zonder toestemming van het parlement geen belasting heffen en daarom Henriëtte Maria in het rijke Nederland geld te lenen met de Engelse kroonjuwelen als onderpand. Maar niemand durfde het Engelse parlement tegen zich in het harnas te jagen door geld aan de koning te lenen. Men vertrouwde blijkbaar niet op een voor Charles gunstige afloop. Er was maar een lichtpuntje. Haar dochter Mary was getrouwd met Willem II, zoon van de invloedrijke stadhouder Frederik Hendrik. Daar was ze toen niet blij mee geweest omdat ze de Oranjestadhouders niet goed genoeg vond voor een Engelse prinses, maar toen had de financiële macht van de Oranjes bij haar man de doorslag gegeven. En Frederik Hendrik wilde helpen, maar niet met eigen geld. Thijman van Volbergen was zijn thesaurier geworden en hij vroeg deze om tussenpersoon te zijn bij de lening. Of Van Volbergen dit met enthousiasme deed of met tegenzin is niet bekend, maar hij sloot in 1642 en 1643 drie leningen voor af bij de Rotterdamse bank van lening9. De bank leende in totaal 400.000 gulden. Thyman van Volbergen stond garant voor de betaling van rente en aflossing. De rente zou hij jaarlijks uit Engeland krijgen. Dat ging een paar jaar goed, maar niet lang daarna werd koning Charles gevangen genomen en in 1649 onthoofd. Toen hielden de betalingen op. Het familiedrama van de Stuarts, de koninklijke familie, werd een financieel drama voor Van Volbergen. Die kon zelf de jaarlijkse rente van 30.500 gulden niet opbrengen. De verkoop van de kroonjuwelen bracht nog niet de helft van de geschatte waarde op. De verkoopwaarde van het huis op het Plein, 36.000 gulden, was slechts een druppel op de gloeiende plaat, maar de stad Rotterdam accepteerde toch zijn aanbod om dit huis over te nemen.

En voor Van Volbergen bleef het niet bij deze ene schuld. Hij bleek ook 75.000 gulden schuldig te zijn aan Frederik Hendrik. Omdat het geld op was eiste de erfgenaam van Frederik Hendrik (Willem II) ook het huis aan het Plein op. De problemen waren niet opgelost toen Van Volbergen op 19 februari 1650 overleed. Zijn erfgenamen gingen met de overdracht aan Rotterdam niet akkoord en er volgde een ingewikkelde rechtszaak die zich jarenlang voortsleepte. Pas in 1669 werd de zaak ten gunste van de Oranjes beslist. Twee jaar later moest Rotterdam niet alleen de koopsom maar ook de sinds 1650 gederfde rente aan de Oranjes voldoen. Pas in 1675 erkenden ook de erfgenamen van Van Volbergen de verkoop van het huis aan Rotterdam. Rotterdam had nu een huis aan het Plein, maar het was wel een duur huis geworden10.

Logement van Rotterdam

Plein 4 staat onder andere bekend als ‘voormalig logement van Rotterdam’, maar dat was het niet meteen de bestemming die de stad Rotterdam er aan gaf. Een (stads)logement was een soort hotel dat alle grote Hollandse steden hadden in Den Haag hadden. Het landsbestuur, de Staten van Holland werd immers voornamelijk gevormd door de steden. In de periodes dat het landsbestuur vergaderde verbleven de stadsvertegenwoordigers in Den Haag. In de begintijd huurden de steden ergens een ruimte voor hun vertegenwoordigers, maar steeds meer steden kochten in Den Haag een eigen huis dat ‘logement’ werd genoemd. Het werd op een gegeven moment zelfs verplicht om in het eigen logement te eten en te drinken, want in herbergen werden wel eens staatsgeheimen verklapt. De Rotterdamse vertegenwoordigers hadden nog geen eigen gebouw, maar hadden steeds ergens ruimte gehuurd. Het pand aan het Plein werd niet meteen gebruikt als echt stadslogement, want het werd eerst verhuurd aan een van de Rotterdamse burgemeesters. Vreemd genoeg gebruikte hij het huis als afgevaardigde in de Staten-Generaal zodat hij normaal gesproken in het stadslogement zou verblijven. Hij huurde het dus als privépersoon11. Een latere huurder van Plein 4 was de griffier van de Staten-Generaal Nicolaas Ruysch. Deze functionaris was een van de machtigste ambtenaren van de Republiek. Toen de laatste huurperiode was afgesloten besloot Rotterdam het huis dan toch te gaan gebruiken als logement. In 1655 werd Plein 4 het eerste vaste logement van Rotterdam en werd er officieel een kastelein aangesteld voor het beheer.

Over dit gebouw is niet veel bekend. Er zijn geen afbeeldingen van, maar het is wel bekend dat het weelderig was ingericht. Veel kamers hadden behang van goudleer, zelfs het tuinhuisje met het biljart. In 1678 werd het Rotterdamse stadswapen in de gevel aangebracht dat door de Haagse steenhouwer Andries de Mons was gemaakt. Het huis had een lange achtertuin met achterin een paardenstal en een uitgang naar de Kalvermarkt12. Deze uitgang moet een brug hebben gehad, want daar liep toen een sloot die eeuwen daarvoor voor de kloosterzusters was gegraven.

Het nieuwe gebouw (1747)

Het huis bleek te klein maar men besliste niet overhaast over een uitbreiding. In 1728 kocht Rotterdam het blok huizen aan de linkerkant. Daarna gebeurde er niets totdat de stad Amsterdam negen jaar later (1737) aan het Plein een groots stadslogement ging bouwen. Dat jaar keurde het Rotterdamse stadsbestuur het bouwplan goed (op 8 oktober 1737). Maar ruim een jaar later werd het plan weer gewijzigd. Op 31 januari 1739 werd een gewijzigd plan goedgekeurd. En dat jaar moet de bouw zijn begonnen. In november 1739 werden de eerste betalingen er voor verricht. De Rotterdamse stadsbouwmeester Adriaan Moens leidde de bouw. Die duurde acht jaar en koste nogal wat. Rotterdam had een dure smaak of een ongelukkige hand van geld uitgeven, want het logement was kleiner dan het Amsterdamse, maar de bouwkosten veel hoger. Toen op 23 september 1746 de feestelijke opening plaatsvond had Rotterdam er 241.599 gulden voor betaald. Dat van Amsterdam ongeveer 150.000 gulden13. Het gebouw dat er toen stond was overigens nog maar de rechter helft van het huidige Plein 4. De linker helft stamt uit de 19de eeuw.

Het nieuwe gebouw was uitgebreid naar de linker kant, maar ook in de achtertuin. Daar was een ander gebouw neergezet, dwars op het hoofdgebouw. Het liep door tot in de achtertuin van het rechter buurhuis. Het voorhuis was ongeveer 17 meter breed, het achterhuis ongeveer 27 meter. Daar weer achter lag een bijna 40 meter diepe tuin. Die gaf ruimte aan een paardenstal, koetshuis en de koetsierswoning. Die hadden de ingang of uitgang aan de Kalvermarkt14.

 

In 1917 eeuw maakte dit gebouw, de rechter helft van het huidige Plein 4, geen enthousiasme los bij rijksbouwmeester C.H. Peters Hij noemde het gebouw met zijn grote zandstenen blokken stijf deftig” en “vrij eenvoudig”. De bouw was dan wel degelijk uitgevoerd in de wat zware Lodewijk XIV-stijl van dit tijd, maar niet artistiek en niet stijlvol. Alleen het trappenhuis, de plafonds en marmeren schoorsteenmantels van de eerste verdieping waren volgens hem met smaak en talent gemaakt. Dat dit gebouw bijna 250.000 gulden had gekost?15.

Van souterain (kelder) tot zolder had het gebouw vijf bouwlagen. In het souterrain lagen de vertrekken van het personeel en een grote keuken en zelfs daar hadden de gangen marmeren vloeren. De plafonds, de schoorsteenmantels en het trappenhuis waren versierd met allerlei beeldhouwwerk, pleister- en houtsnijwerk16.

Plein 4 het originele gebouw

Dit is het originele deel van het gebouw, zoals het gereedkwam in 1747. Details van de voorgevel kunnen er anders hebben uitgezien.

Logement

In het logement verbleven dus de Rotterdammers die de vergaderingen van het landsbestuur (de Staten van Holland) bijwoonden. De Staten van Holland vergaderden vier maal per jaar, maar hadden hier tussendoor ook regelmatig extra (“buitengewone”) vergaderingen. Een ‘gewone’ vergadering (een “zitting”) duurde meestal een maand en in die periode vergaderde men twee keer per dag. Zaterdagmiddag was er “vacantie” en op zondag werd er in het protestante Holland niet gewerkt en dus ook niet vergaderd.

In het logement werden de heren verzorgd door vast aangesteld personeel dat onder leiding stond van een kastelein of kasteleinesse. Het personeel bestond uit een stadsbode, vier dienstmeiden en een opperman die de schoonmaak deed. Een keer per jaar werd er vanwege het stadsbestuur een “visitatie” gehouden, een controle of alles in orde was, en dan kreeg het personeel een fooi. De kastelein beheerde het gebouw en de inboedel en hij leek daar geen gemakkelijke taak aan te hebben. Hij werd voor drie jaar aangesteld en moest zich houden aan een tamelijk streng reglement. Hierin werd van alles geregeld. Hij moest in ieder geval protestant zijn, althans typisch op zijn Hollands “dezelfve zijn toegedaan”: hij moest het protestantse geloof aanhangen, maar hij hoefde dat niet fanatiek te doen. Het reglement bepaalde verder wie er van het logement gebruik mochten maken. Dat waren alleen de stadsbestuurders en hun familie of mensen die toestemming hadden gekregen van het stadsbestuur. Het personeel mocht ook geen gasten naar binnen nemen om op kosten van Rotterdam te komen drinken. Een ander voornaam taakonderdeel van de kastelein was het eten. Hij verzorgde het eten en drinken van de regenten en het personeel. Hij kreeg daar een vast bedrag voor.

Over het vermaak in het logement is niet veel bekend. Zonder televisie, radio en internet zouden wij het misschien een saaie boel vinden, maar de regenten zullen zich best hebben vermaakt met het biljart, de schaak- en damborden of een kaartspel17.

Den Haag in 1747

Op deze kaart uit 1747 is de achterkant van het logement van Rotterdam (met nummer 28) heel duidelijk te zien. De tuin loopt tot aan de Kalvermarkt en wordt begrensd door een oude sloot.

Franse tijd: 1795-1813

Plein 4 was nog geen vijftig jaar het stadslogement van Rotterdam. De laatste Oranje-stadhouder en zijn regering werd in 1795 met hulp van Franse legers verjaagd. Voor Den Haag, maar ook voor de steden veranderde er veel. De nieuwe landsregering bestond niet meer uit vertegenwoordigers van de steden, maar werd gekozen uit en door de bevolking. De steden hoefden geen vertegenwoordigers naar Den Haag te sturen en hadden hun Haagse logementen niet meer nodig. Maar zij waren niet de enigen in Den Haag die hun pand niet meer nodig hadden. Veel hoge ambtenaren en andere rijke inwoners waren voor de Fransen gevlucht. Er stond veel te koop en er waren weinig kopers. Rotterdam deed net als veel andere steden en verhuurde het gebouw inclusief kastelein aan verschillende huurders. Na de staatsgreep van januari 1798 werd het gebouw voor het eerst ingericht als ministerie van defensie. Het werd gehuurd voor de Agent (“minister”) van Oorlog Gerrit Jan Pijman en zijn departement. Door staatsgrepen en andere oorzaken kwamen er weer nieuwe huurders, maar eindelijk, in september 1806, kon Rotterdam het pand verkopen aan de Staat. Koning Lodewijk Napoleon wilde het Binnenhof als paleis inrichten en daarom moesten een aantal instellingen verhuizen naar een ander gebouw. Het Rotterdamse stadslogement zou worden gebruikt voor het parlement, het Wetgevend Lichaam. De eerste vergadering op Plein 4 vond op 1 december 1806 plaats onder provisorische omstandigheden. De grote zaal moest worden vergroot, zowel richting tuin als omhoog. Onder andere door gebrek aan bouwmateriaal kwam deze verbouwing niet klaar en moest de timmerman gat in de achtergevel provisorisch dichtmaken. Naast het Wetgevend Lichaam was er in het gebouw nog ruimte voor de Koninklijke Staatssecretarie (met secretaris mr. Willem Frederik Roëll) en de landsarchivaris mr. Hendrik van Wijn. Maar Lodewijk Napoleon vertrok niet lang hierna met zijn regering naar Utrecht en het logement kwam weer leeg staan. Alleen de archivaris bleef achter18.

Plein 4 het wapen van Rotterdam

Het wapen van Rotterdam op het rechterdeel van Plein 4, het logement van Rotterdam.

Departement van oorlog

In 1813 kwam er een einde aan het Franse bestuur en kreeg Nederland de zoon van de laatste stadhouder als ‘soeverein vorst’. Twee jaar later werden België en Nederland samengevoegd tot één koninkrijk onder koning Willem I. Het logement van Rotterdam gaf tot 1820 onderdak aan drie rijksinstellingen, de Algemene Staatssecretarie, de Raad van State en de Hoge Raad van Adel. Maar in 1818 viel het besluit dat het Departement van Oorlog er in zou worden gevestigd en moest het worden verbouwd. Die verbouwing stond onder leiding van Barthold Wilhelm Heinrich Ziesenis. Deze architect had vaker voor Willem I gewerkt. Hij maakte de verbouwing van 1806 in zoverre af dat hij de uitbouw aan de achterzijde afmaakte, maar in plaats van de geplande grote zaal kwamen er drie verdiepingen met kantoren. Aan de voorkant werd de straat voor het huis verlaagd. In 1820 trok het departement in Plein 4. Tot aan de Belgische opstand in 1830 zat het afwisselend in Brussel en Den Haag. Aan het hoofd van het Departement van Oorlog stond in 1823 geen minister. In die tijd heette de minister ‘commissaris-generaal’ en daaronder een ‘secretaris-generaal’. Een van de bekendere commissarissen-generaal was de tweede zoon van Willem I, prins Frederik19.

Plein 4

Van Plein 4 is alleen het rechter deel het voormalige logement van Rotterdam. De bijna 17 meter brede gevel (van dit rechter deel) had een avant-corps in het midden van 3,65 meter met daarin de hoofdingang. Aan beide zijde van de hoofdingang stond een pilaster (een naar voren uitstekende Dorische zuil). Bovenop de gevel stond aan beide uiteinde een vaas. Deze kroonlijst is, evenals de lijstgoot, met trigliefen versierd (sierstenen met drie gleuven). Midden op de daklijst staat het door leeuwen vastgehouden Rotterdamse stadswapen.

Uitbreidingen

Maar na enige tijd bleek Plein 4 te klein voor het departement van Oorlog en daarom werd in 1857 het aangrenzende hotel ‘Logement Stanislas’ gekocht. Nadat dit gebouw (Plein 5) was verbouwd en in gebruik genomen werd er in de grote tuinen achter Plein 4 en 5 een nieuw gebouw neergezet. De architect daarvan was de toenmalige rijksbouwmeester Willem Nicolaas Rose. Rose had een voorliefde voor nieuwe technologie die in het gebruik niet altijd goed bleek te functioneren. Een van zijn beste ontwerpen was misschien het ministerie van Koloniën, ook aan het Plein. Maar de manier waarop hij gietijzer toepaste bij de restauratie van de Ridderzaal bezorgde hem tot op de dag van vandaag een slechte naam. Het gebouw dat hij achter Plein 4 en 5 neerzette was overigens zo goed gebouwd dat het er nog steeds staat. In zeer gewijzigde vorm is het nu gebouw B. In die tijd kreeg het departement voor het eerst een gebouw aan de Kalvermarkt, Kalvermarkt 20.

Plein 4 onderging ondertussen allerlei kleine verbouwingen. Een enigszins curieuze verbouwing was de ‘ministerstrap’. Minister Van Limburg Stirum had tijdens de Belgische Opstand zijn rechter onderbeen verloren en hij wilde niet dat zijn ondergeschikten zagen hoe moeilijk hij de trap opging naar de ministerskamer. Hij liet tijdens zijn veertien maanden durende ministerschap (1872) een kleine privé-trap naar de eerste verdieping aanleggen.

Plein 4 het wapen van Nederland

Het wapen van Nederland op het linkerdeel Plein 4.

Rond 1900 werd het oude vervallen pand Plein 5 (hotel Logement Stanislas) afgebroken en vervangen door nieuwbouw dat werd ontworpen door architect Knuttel. Plein 5 werd ontworpen als een soort linkervleugel van Plein 4 en kreeg daarom geen voordeur aan het Plein. Plein 5 kreeg dezelfde soort zandsteen als het logement van Rotterdam, een gelijke vensterindeling en de daklijst met trigliefen werd doorgetrokken. Het Rotterdamse wapen op het oude gebouw werd gehandhaafd maar op het nieuwe bouwdeel kwam het wapen van Nederland. Voor het evenwicht ontwierp Knuttel meteen ook een rechtervleugel, maar die is nooit gebouwd6.

Nieuwbouw aan de Kalvermarkt

In de eerste decennia van de 20ste eeuw werd het centrum van Den Haag grondig gewijzigd door de aanleg van nieuwe verkeerswegen dwars door de oude binnenstad. Vanaf de Prinsegracht kwam een verkeersweg naar het Bezuidenhout door de aanleg de Grote Marktstraat en de verbreding van de Kalvermarkt. Het departement van Oorlog had wederom ruimtenood en men besloot om nieuwbouw te plegen op de plaats van het oude pand Kalvermarkt 20 en twee aangrenzende percelen. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog besloot men deze gebouwen af te breken en te vervangen door veel grootschaliger nieuwbouw. De bouw was net begonnen voor de Duitse inval op 10 mei 1940 en werd in 1941 stilgelegd door gebrek aan bouwmateriaal. In de oorlog was Plein 4 twee jaar het hoofdkwartier van de Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden, luchtmachtgeneraal Friedrich Christiansen. In mei 1942 verhuisde Christiansen met zijn staf naar Hilversum omdat hij bang was voor een geallieerde invasie en niet te dicht bij de kust wilde zitten.

Nieuwbouw aan de Kalvermarkt

De naoorlogse nieuwbouw op de Kalvermarkt.

Na afloop van de Tweede Wereldoorlog moest er weer veel personeel worden ondergebracht in het ministerie. De gestaakte nieuwbouw werd in gewijzigde vorm voortgezet. De nieuw ontworpen voorzijde ging er op vooruit omdat die een meer monumentale ingang kreeg. Een andere wijziging hield verband met het ontwerp van een nieuw regeringscentrum. Om aan te sluiten op het oor W.M. Dudok ontworpen grootschalige bouwplan Plein 45 moest de rechtervleugel van het gebouw aan de Kalvermarkt iets schuin naar voren worden geplaatst. Het plan Plein 45 kreeg echter zoveel kritiek dat het niet ging doorging. Aangrenzend aan het gebouw aan de Kalvermarkt kwam in de jaren 1952 en 1953 nog een nieuw gebouw aan de Bagijnestraat. De ingang aan deze kant kreeg ook een mooiere ingang, namelijk de toegangspoort van de voormalige Geschutgieterij aan de Kanonstraat. Dit gebouw was bij het mislukte bombardement van 3 maart 1945 beschadigd. Het wapen van Holland boven de hoofdingang kwam ook van dit complex. Onder het wapen kwam in oude spelling een regel uit het Wilhelmus: ‘Mijn schilt ende betrouwen sijt Ghij, o Godt mijn Heer’. De hoofdingang werd verder opgesierd met vier zeshoekige zuilen met betonnen gevelbeelden. Tenslotte kwamen boven de hoofdingang sluitstenen van drie prinsen van Oranje. Dat waren van links naar rechts Frederik Hendrik, Willem de Zwijger en Maurits. Ook boven de twee andere ingangen aan de Kalvermarkt kwamen zulke stenen. Links stadhouder-koning Willem III door C.B. Ducro-Kruyer en rechts stadhouder Willem II door G. Rueter21.

Het gebouwencomplex van het Ministerie van Defensie was voor die tijd zo groot dat het in de jaren 1950 de bijnaam het Nederlandse Pentagon kreeg.

 

Verantwoording

Bijgewerkt op 18-2-2009

Literatuur

• G.T. Campagne, Van logement der heren van Rotterdam tot departement van defensie, januari 1962, z. pl. 1962.

• G. Hoek, ‘Tegenover de Leprozen’, in: Jaarboek Die Haghe, 1939

• C.H. Peters, ‘Het logement der stad Rotterdam te ’s-Gravenhage, Rotterdamsch Jaarboekje, 1917, 81-113.

• Ben Schoenmaker, Paul Peucker, Plein 4. De geschiedenis van een logement en een departement, Den Haag 1996.

• z.n. De Vrouwenkloosters en bagijnenhoven te ’s-Gravenhage, in Mededeelingen van de Vereeniging ter beoefening der geschiedenis van ’s-Gravenhage, II, ’s-Gravenhage 1876.

Noten

1. Mededeelingen II 83.

2. Windmolens waren van de graaf. Die werden verpacht aan een molenaar. De bakkers en andere gebruikers waren verplicht deze molens te gebruiken.

3. Over het klooster zie Mededeelingen 84-86, 97-98.

4. Mededeelingen II, 83-84

5. seecker erff gelegen t’eynden op d’oostzijde van de Pooten alhier in den Haege, woest, desolaet ende onbeheynt zijnde, daer de kercke ende ’t brouwhuis van ’t convent van Marien in Galileen op te staen plach, met seeckere weytge daeraen gelegen, groot ’t zamen omtrent vijff hondt” (ca. 7000 m2), zie: Schoenmaker en Peucker 17-19.

6. Mededeelingen II, 81, 88, 98.

7. Officieel was men in opstand tegen de graaf, maar de graaf van Holland was ook koning van Spanje en hij woonde in Madrid. Hij stuurde Spaanse troepen, dus leek het alsof het ging om een oorlog met Spanje.

8. Campagne 3.

9. 10 november, 29 november 1642 en 10 januari 1643, zie Campagne 5.

10. Schoenmaker, Peucker 17-23.

11. Het landsbestuur van het gewest Holland werd voornamelijk gevoerd door de steden. Dit landsbestuur stuurde weer vertegenwoordigers naar de Staten-Generaal. Dat was het overkoepelend bestuur van de statenbond, de Republiek der Verenigde Nederlanden, de Staten-Generaal.

12. Schoenmaker, Peucker 25.

13. Campagne 9, Peters 89-90, Schoenmaker, Peucker 31.

14. Peters 95.

15. Peters 93.

16. Schoenmaker, Peucker 31.

17. Peters 105-106, Schoenmaker, Peucker 23-32.

18. Schoenmaker, Peucker 33-45.

19. Schoenmaker, Peucker 49-57.

20. Schoenmaker, Peucker 64-70, 80-82.

21. Schoenmaker, Peucker 95-123.