Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerKorte stukjes over straten in het Centrum van Den Haag (ten noorden van Poten en Spuistraat).

kopfoto

Korte geschiedenis van (enkele) straten in mijn praktijkgebied

Achterom

Het Achterom liep oorspronkelijk langs de buitenkant van het Buitenhof, het voorhof van het grafelijk kasteel en was in 1347 al bekend. Op een oude kaart uit 1560 is nog duidelijk te zien dat hier een gracht liep, en daarachter het Achterom. Over de naamsverklaring is niemand het eens. In de Middeleeuwen sprak met van ‘de achterweg waardoor men naar het Spui gaat’. De meest logische verklaring is dat het een achterom was voor het kasteel dat niet via de hoofdingang naar binnen mocht. Er wordt ook beweerd dat het een achterom-route was tussen de twee stadscentra Groenmarkt en Spui, maar het zal vroeger geen stille straat zijn geweest. Er lagen talrijke winkels en herbergen aan de straat met namen als de Drie Candelaars van herbergier Jan Wittelaar, 't Swijnshoofd, De Drie Papegaaien en nog veel meer.

Annastraat

De Annastraat hoort tot de oudste straten van Den Haag, maar uit archeologisch onderzoek blijkt dat de grond hier in de veertiende eeuw nog voor landbouw werd gebruikt. In 1356 komt de straat al voor onder de naam Hanne Wittestraat. Een zekere Hanne Witte bezat daar een huis. In de 15e eeuw wordt de Annastraat Lapstraat genoemd. Deze naam komt misschien van het Sint Nicolaasgasthuis staande grafelijke wanthuis of lakenhal. Dit Sint Nicolaasgasthuis lag aan de Grote Halstraat en zorgde voor armen en behoeftigen. In de Annastraat had het kleine huisjes waar ouderen konden wonen. Een halve eeuw later woonde Jan Cremer in een groot huis de Annastraat. Naar welke Anna de straat genoemd is, is niet bekend.

Apendans

Een herberg Apendans was gelegen was op de hoek van de Korte Poten, zoals blijkt uit koopakten uit 1678 en 1690. In 1678 werd een huis op de hoek van de Poten "alwaer de Apendans is uythangende" verkocht. Op 17 februari 1690 verkoopt Barent Schouten aan Johannes Rotteveel, meester-bakker, een huis (tegenwoordig in tweeën gedeeld), gelegen aan de noordkant van de Korte Poten, "daer uijthangt den apendans". De straat werd lange tijd Korte Herenstraat genoemd, maar sinds het begin van de 19de eeuw komt de naam Apendans weer voor op plattegronden.

Binnenhof

Het Binnenhof.

Binnenhof

Het Binnenhof is het restant van het middeleeuwse kasteel “Die Haghe” van de graven van Holland. Het was precies zoals de naam aangeeft, de binnenhof van dit kasteel. Het werd in de 13de eeuw aangelegd als nieuwe residentie van de graven en had niet zozeer een militaire functie. De dubbele grachtengordel en ommuring was waarschijnlijk alleen bedoeld om een verrassingsaanval onmogelijk te maken. Het kasteel heeft dan ook nooit een lange belegering moeten doorstaan. Het Binnenhof was omgeven door grachten, muren en alleen toegankelijk door poorten. Net als nu stond op het Binnenhof de Grote Zaal (de term Ridderzaal kwam pas in de romantische 19de eeuw in gebruik) die in de Middeleeuwen door zijn grote diepe indruk op bezoekers maakte. Achter de Grote Zaal waren de woonvertrekken van de grafelijke familie. Aan de kant van de Hofvijver stond de grafelijke kerk, de Hofkapel, die op het eind van de 19de eeuw is afgebroken. De dienstwoningen, stallen, schuren en werkplaatsen stonden op het Voorhof, dat wij nu kennen als het Buitenhof. Het Voorhof leek veel groter omdat er minder bebouwing op stond. De grens van het Voorhof was de gracht die langs het Achterom liep. De ingang van het Voorhof was de Voorpoort, die we nu kennen als Gevangenpoort. Het achtergedeelte van het kasteel was de grafelijke boomgaard en kooltuin. Ook hier liep een gracht omheen en volgens de geraadpleegde bronnen ook een muur. In het begin van de 17de eeuw werd de kooltuin verkocht want de staat had geld nodig voor de oorlog tegen de Spanjaarden. Den Haag legde hier toen het huidige Plein aan. Toernooien werden gehouden op de Kneuterdijk en misschien ook op het Tournooiveld. Op het Binnenhof resideerde allereerst de Hollandse graven. Toen de laatste Hollandse graaf kinderloos stierf werd het graafschap geërfd door de graaf van Henegouwen en was het Binnenhof minder in gebruik als grafelijke residentie. De Henegouwse graven werden opgevolgd door de Beierse en Bourgondische hertogen en de Habsburgse koningen en hoewel deze allen “graaf van Holland” waren resideerden zij steeds minder op het Binnenhof. Zij stuurde een “stadhouder” als plaatsvervanger. Dit betekende niet dat het Binnenhof in verval raakte want de tijd dat de graaf met enkele klerken en raadslieden het landsbestuur aankon was voorbij. Op het Binnenhof werden allerlei overheidsinstellingen gevestigd en vergaderde de Staten van Holland. Tijdens de opstand tegen de Spanjaarden vestigde men de landsregering op het Binnenhof. In deze tijd werd Johan van Oldenbarneveldt hier onthoofd. Ten tijde van de Oranjestadhouders was het Binnenhof hun werkpaleis dat steeds verder werd uitgebreid en gemoderniseerd. Maar in andere tijden fungeerde het Binnenhof weer als boekenmarkt. In de 19de eeuw overleefde het Binnenhof rigoureuze sloopplannen zodat het als enige deel van het grafelijk kasteel nog steeds bestaat. Meer informatie over het ontstaan van het Binnenhof.

Bleijenburg

De straat is vernoemd naar Cornelis van Bleijenburch, burgemeester van Den Haag. Deze bezat een huis op de hoek van de "Pooten" en de Houtstraat en was eigenaar van weilanden waarop deze straat is aangelegd. In 1595 is er bijvoorbeeld sprake van het “opmeten der weide van Blyenburg”. Hoewel het Bleijenburg niet groot is heeft het een rijke geschiedenis.

Het huis van Coenraad van Beuningen is het grootste huis geweest dat hier heeft gestaan. Het werd rond 1683 opgeleverd en lag voor het Den Haag van die tijd op ‘een zeer afgelege, en te dien tyde niet zigtbaare, en zelfs eenigzins afzienlijke plaats’. Het was alleen bereikbaar via een steeg en stond tussen veel kleinere huisjes. Van de kant van de Koekamp was het wel goed te zien en zag het er uit als een ‘groot Paleis, niet juist uitmuntende in pragt, maar in een zeer aangename en prsywaardige netheid’. Jacob de Riemer haalt in de 18de eeuw de volgende dichtregels Het schoonste huis van ‘s gravenhage, der bester kenners zelfs behagen, Is Beuningens: wat een verdriet? Waar staat het huis? Men ziet het niet. Na Van Beuningen’s dood werd het huis verkocht aan de Verenigde Oostindische Compagnie, om dienst te doen als een soort hoofdkantoor. De Armeninrchting was de laatste gebruiker van het gebouw. In 1864 werd het gesloopt en kwamde Rijks H.B.S. voor jongens er voor in de plaats. Het Bleyenburg was vroeger een grachtje dat in 1685 gedempt werd en daarna bestraat. Andere instellingen die in Bleijenburg zijn of waren gevestigd zijn o.a. de Duitse Evangelische Gemeente, Bouckhoven’s Schermschool, de 's-Gravenhaagsche Schildpadfabriek. De fabriek van rijtuigen en auto’s van Pennock stond hier, totdat de fabriek vlak na 1900 werd verplaatst naar het nieuwe industriegebied de Binckhorst.

Boterstraat

Omstreeks 1650 werd hier de botermarkt gehouden, die voorheen waarschijnlijk op Hoogstraat en daarvoor aan de Dagelijkse Groenmarkt was. Het straatje werd voorheen ook wel Weststraatje genoemd, of Zusterstraatje, naar het St. Elisabeth?s klooster dat hier tot aan de Tachtigjarige Oorlog lag.

Buitenhof

Het Buitenhof.

Buitenhof

Het Buitenhof was letterlijk het ‘buitenhof’ of ‘voorhof’ van het grafelijk kasteel. Je kwam het kasteel binnen via de hoofdpoort, de Gevangenpoort en belandde dan eerst op het Buitenhof. Dit was een afgesloten plein met de kasteelboerderij, de stallen, schuren en werkplaatsen van ambachtslieden die op het hof werkten. Om het eigenlijke kasteel te bereiken moest je over een gracht en door een andere poort en dan was je op het huidige Binnenhof. Tot 1861 was de Gevangenpoort buiten enkele stegen de enige toegang tot het Buitenhof. Toen werd de Gravenstraat aangelegd, een doorbraak tussen de Groenmarkt en het Buitenhof. In de jaren 1920 werd het pas echt druk op het Buitenhof toen er aan de kant van de Hofvijver een verkeersweg werd aangelegd die dwars door het centrum liep. De gebouwen aan het Buitenhof hebben een rijke geschiedenis. Aan het Buitenhof ligt o.a. de schilderijengalerij van stadhouder Willem V. Enkele gebouwen fungeerden als logementen van Hollandse steden als Leiden, Alkmaar en Enkhuizen. Hier woonden mensen die namens deze steden in de landsregering zaten.

Aan het Buitenhof was vanaf de 17de eeuw een militaire wachtpost gevestigd van waaruit de openbare orde in het hofgebied werd bewaakt. In 1879 werd de Hoofdwacht ook de thuisbasis van de militairen die de wacht hielden bij de diverse paleizen. Later werd het een politiebureau. Meer over het Buitenhof.

Buitenhof / Gevangenpoort

De oudste vermelding van de Gevangenpoort dateert uit 1344. De poort was toen van hout en had een rieten dak. Rond 1400 kwam er een geheel stenen poortgebouw. Boven de poort, met wenteltrap bereikbaar lag de nog bestaande Vrouwenkamer. Vanaf circa 1420 werd de Gevangenpoort gebruikt als gevangenis van de graaf, later van de staat. Tot 1798 werden hier mensen gefolterd. In 1828 werd de gevangenis gesloten..

Casuariestraat

Het terrein van deze straat was in 1563 eigendom van Cornelis van Bleyenburch en in 1603 van Joachim van Hardenbroek en Pieter Sterling. De straat komt ook voor als Sterlingstraat. Over de verklaring van de naam zijn meerdere theorieën bedacht. In 1623 lag er een herberg de Casuaris dat een beruchte naam had. Een casuaris is een loopvogel, die voorkomt op Nieuw-Guinea en naaste omgeving. Sinds 1683 was hier het Théâtre Français de La Haye, de "Franse comedie" gevestigd. Vanaf 1902 werd het Tuchthuis aan de Prinsegracht verplaatst naar de Casuariestraat, waar het onder de naam ‘Huis van Bewaring’ zat. De gevangenis lag hier achter het Paleis van Justitie dat aan het Korte Voorhout zat in het vroegere paleis van prins Frederik. Bij het bombardement 3 maart 1945 werd het Huis van Bewaring zwaar beschadigd, maar na herstel bleef het in gebruik tot 1967. Toen werd het gesloopt om plaats te maken voor het nieuwe Ministerie van Financiën. De gevangenis verhuisde toen naar Scheveningen.

Dagelijkse Groenmarkt

Dagelijkse Groenmarkt is de officiële naam van de straat. De Groenmarkt was het oudste plein van het dorp Die Haghe en fungeerde vanouds als markt en verkeerscentrum van Den Haag. Zelfs in de tijd van de spoorwegen waren hier de kantoren van de beide spoorwegmaatschappijen gevestigd. De Groenmarkt was overigens maar vanaf drie kanten te bereiken, want er wast nog geen straat naar het Buitenhof: op de plek van de Gravenstraat stonden toen nog huizen. Vanaf de Venestraat kwam het verkeer van Delft, vanaf de Hoogstraat kwam het verkeer vanaf Scheveningen en het sjieke hofgebied en vanaf het Westeinde kwam het verkeer uit het Westland. In 1861 werd de Gravenstraat “geopend” en kon men voor het eerst rechtstreeks van de Groenmarkt naar het Buitenhof komen.

Op en rond de Groenmarkt werden verschillende markten gehouden die later door ruimtegebrek weer op een andere plaats werden gehouden. Bij het oude stadhuis werd de veemarkt gehouden en in de Hoogstraat de botermarkt. Bij het Gouden Hooft was de groentemarkt en later vooral de vismarkt. Na de aanleg van de Grote Markt in 1614 verhuisden de groentemarkt en botermarkt naar de Grote Markt. Die was beter bereikbaar met vrachtschuiten. De kapel van het oude Sint-Nicolaasgasthuis fungeerde als Vleeshal. In 1565 werd aan de Groenmarkt het stadhuis van Den Haag gebouwd. Het bleef tot 1952 in gebruik toen de nieuwbouw aan het Burgemeester de Monchyplein gereed kwam.

Plattegrond Groenmarkt

De verschillende straatnamen rond de Groenmarkt.

Denneweg

Denneweg De oorsprong van de naam Denneweg is onzeker. Omdat er in bronnen nooit sprake is van dennebomen lijkt het onwaarschijnlijk dat de weg naar deze bomen genoemd is. Cornelis Huygens verwijst in enkele dichtregels naar de legende dat in de tijd van de Vikingen een legertje op de vlucht zijnde Denen hier hun buit achterlieten: "Men zegt dat op deez´ wegh het Noordsche volk der Denen - Hun versch geroofde buit op ’t slagveld achterliet." In 873 zou inderdaad een gezelschap Denen onder leiding van ene Rudolf door Friezen achtervolgd en in een ongenoemde burcht belegerd zijn, maar of die gebeurtenis daar heeft plaatsgevonden valt natuurlijk niet te bewijzen. Een andere mogelijke verklaring is dat Denneweg een verbastering is van ´t Eyndeweg´, de weg aan de rand van de stad (naar analogie van Tendenhout, aan het eind van het (Haagse) Bos).

De naam Denneweg was ook in gebruik voor de Schenkweg en de Kazernestraat en voor een weg in de buurt van de Hoefkade.

Bron: W. Meijer, ´Het Sprekende Den Haag´, in: Haagsch Jaarboekje voor 1898, p. 73.

Geest

Een van de oudste (straat)namen van Den Haag. De naam werd in 1316 al gebruikt om een buurt aan te duiden in lijsten van mensen die in het centrum van Den Haag grond pachtten van de graaf. De Geest was ook de route van de belangrijke weg van ‘s-Gravenzande naar Leiden, langs het kasteel van de graven van Holland. Geest duidt hoog gelegen zandgrond aan. Het was de plek waar mensen in de middeleeuwen het eerst gingen wonen omdat het in de rest van Holland toen te drassig was om huizen te kunnen bouwen

Gravenstraat

De Gravenstraat klinkt ouder dan deze straat werkelijk is. Hij werd pas in 1861 geopend. Tot die tijd stonden hier huizen die het Buitenhof van de Groenmarkt afsloten. Het Buitenhof was oorspronkelijk het met een gracht omgeven voorhof van het grafelijk kasteel. Om de gracht werden huizen gebouwd en zo bleef de scheiding tussen de Groenmarkt en het Buitenhof in stand. Pas nadat huizen waren gesloopt kwam in 1861 de Gravenstraat tot stand. De naam van de straat heeft geen specifieke historische betekenis die met de plek te maken heeft. Het is een verwijzing naar de graven die ooit op het Binnenhof resideerden.

Gravenstraat

Gravenstraat.

Grote Halstraat

De Halstraat is genoemd naar Vleeshal die hier van 1615 tot 1860 als zodanig fungeerde. Daarvoor was de hal de kapel van het Sint. Nicolaasgasthuis. Dit lag hier vanaf het midden van de veertiende eeuw en diende voor de opvang van de arme zwervers en arme zieken. De straat heette vroeger Gasthuissteegje.

Grote Markt

Voordat hier de Grote Markt kwam lag op deze plek het St. Elizabeth Convent. Dit was een van de vier vrouwenkloosters die Den Haag op het eind van de Middeleeuwen kreeg. Het werd na de Hervorming door de overheid afgebroken en het land werd verkocht. Den Haag legde hier in 1614 een nieuw marktplein aan dat het oude marktterrein op de Groenmarkt moest ontlasten. In eerste instantie kwam hier de markt voor groente en fruit, later kwamen hier andere markten in aangrenzende straten bij. Toen de Lutherse Burgwal als gracht werd gegraven was de markt makkelijk per schip bereikbaar. Na het graven van de Prinsegracht was de markt zelfs via twee vaarroutes bereikbaar. Het bekendste gebouw van de Grote Markt is dat van het Algemeen Ziekenfonds De Volharding uit 1927-1928 van de architect Jan Buijs. Het ziekenfonds kennen we nu als Azivo, maar was ooit begonnen als een arbeiderscoöperatie die in eigen winkels aan leden voedingsmiddelen verkocht.

Halstraat

De Halstraat is genoemd naar Vleeshal die hier van 1615 tot 1860 als zodanig fungeerde. Daarvoor was de hal de kapel van het Sint. Nicolaasgasthuis. Dit lag hier vanaf het midden van de veertiende eeuw en diende voor de opvang van de arme zwervers en arme zieken.

Hartogstraat

De straat is genoemd naar hertog Erik van Brunswijk die in de 16e eeuw op de hoek van dit straatje woonde. De straat werd ook wel Stinksteeg genoemd. De hertog van Brunswijk was legeraanvoerder in het Spaanse leger in de Nederlanden, maar niet een die onze Republiek veel schade berokkende.

Herderinnestraat

De oudst gevonden vermelding van de Herderinnestraat is uit 1658. Dan wordt in het “Memoriaal van Schout, Burgemeesters en Schepenen” het huis “De getrouwe Harderinne” genoemd dat op de hoek van de Nieuwe Breestraat stond. De Herderinnestraat komt ook voor onder de naam Lange Herderstraat. De bekendste bewoners zullen de schrijfstes Betje Wolff en Aagje Deken zijn geweest die hier samen woonden van 1802 tot hun overlijden in 1804. Ze liggen begraven op de begraafplaats Ter Navolging aan de Scheveningseweg.

Rond 1980 was Herderinnestraat 26 het centrum van groepen mensen die onder als stichting Bamboulee alternatieve levensidealen wilden bevorderen. een krakerscomplex. De stichting Schep je Eigen Werk was een samenwerkingsverband van kleinschalige mens- en milieuvriendelijke ondernemers in Den Haag en omgeving.

Herderstraat

De Herderstraat is genoemd naar de herberg “De getrouwe Harder” die in 1637 genoemd wordt. De straat werd ook Burchstraat genoemd.

Hofweg

De Hofweg is als verkeersweg aangelegd in 1914. Hiervoor werd in 1912 het Huis van Albemarle gesloopt. Rond 1940 werden opnieuw gebouwen gesloopt en werd de Hofweg verbreed. Voor deze doorbraak waren Spui en Buitenhof met elkaar verbonden door de Hofsingel, die niet meer dan een steeg was. Zoals de naam al aangeeft was dit vroeger een gracht om het Binnenhof, het kasteel van de graven van Holland en later het stadhouderlijk hof. Aan de Hofsingel werd in 1888 door Siemens de eerste electriciteitscentrale van Den Haag gebouwd.

Hofweg

De Hofweg.

Kissemstraatje

Oorspronkelijk heette dit steegje Kitssenstechie of Kits zijn steegie. Cornelis Pieterszoon Kits woonde in de Spuistraat (1640) en was 'swaertveger en isercraemer'. De naam is dus mogelijk een verbastering van "Kits z'n straat".

Kneuterdijk

De Kneuterdijk was ooit een vlak terrein buiten de kasteelpoort waar steekspelen werden gehouden. Het hoort tot de eerst bewoonde delen van Den Haag. Eerst woonden er de voornaamste edelen en later kwamen er staatslieden en koningen wonen. In de Middeleeuwen hadden de heren van Egmond een kasteelachtig huis op de hoek van de Vijverberg. Raadpensionaris Johan de Witt woonde in zijn latere jaren in het huis Kneuterdijk 6. In 1874 ging prins Alexander er wonen. Op de hoek naar het Lange Voorhout staat het paleis van koning Willem II. Toen het paleis tussen 1720 en 1730 gebouwd werd schreef tijdgenoot Jacob de Riemer van “een zeer prachtig en bijna koninklijk gebouw waarvan in gansch Holland geen wederga gevonden werd”. Op de hoek met de Parkstraat stond ooit het huis van Johan van Oldenbarnevelt. Daarnaast woonde de Winterkoning, de uit Bohemen verdreven koning Frederik van de Paltz en zijn echtgenote Elisabeth Stuart. Zij hadden in Nederland asiel gevonden.

Volgens Constantijn Huygens zou de naam duiden op het kneuteren of knoteren, het gebruiken van lokvogels bij de vinkerij. Mogelijk is hier dus ooit een vinkenbaan geweest. De ‘dijk’ in de naam zal figuurlijk gebruikt zijn, want er was hier geen polder.

Meer over de Kneuterdijk en meer over de Winterkoning en Winterkoningin.

Korte Poten

De naam is ontleend aan de "willige poten", wilgebomen die langs de weg waren geplant. Reeds in 1392 is er al sprake van een "Potenstraet". De Korte Poten werd ook wel Oosteinde genoemd.

Korte Poten

Korte Poten, hier zat vroeger het Parlement van Engeland, een beroemd hotel.

Korte Voorhout

Het Korte Voorhout vormde vroeger de ingang van het Haagse Bos en hoorde tot de deftiger straten van Den Haag. In 1761 werd hier voor prinses Carolina en haar man, Karel van Nassau-Weilburg, een paleis gebouwd. Het ontwerp van vorstelijke allure kwam niet af wegens geldgebrek. In de Franse tijd werd het paleis ingericht als schouwburg en dat is het nog steeds. Het was een van de weinige gebouwen die bij het bombardement van 3 maart 1945 gespaard bleven. Dit geallieerde bombardement had de V1-installaties in het Haagse Bos als doel, maar verwoeste niet alleen een groot deel van het Bezuidenhout, maar ook een deel van het Korte Voorhout. Het bekende hotel Paulez waar de sjiek van Den Haag dansles kreeg, het statige gebouw van de statige Franse ambassade en de Princesseschouwburg verdwenen. De nieuwbouw die hier pas decennia later kwam werd niet door iedereen even mooi gevonden.

Korte Vijverberg

De Korte Vijverberg is in de jaren 1630 (deels) aangelegd in de Hofvijver. Het werd aangelegd om een mooie wandelavenue te creëren tussen het nieuw aangelegde Plein en de Lange Vijverberg en het Voorhout met een mooi uitzicht op de Hofvijver. De straatnaam is ontleend aan die van de Vijverberg. De Korte Vijverberg werd aan de andere kant geflankeerd door schietbanen van de Haagse schutterijen. Schutterijen dienden om recht en orde in de steden te bewaren. De meeste steden hadden slechts een schutterij, Den Haag had er twee. Het Sint Joris-schuttersgilde van de voetboogschutters had de meeste status en was oorspronkelijk opgericht voor de adel. Zij schoten overigens met kruisbogen. Het Sint Sebastiaansgilde van de handboogschutters had het minste aanzien, maar bestond toch wel uit de notabelen van Den Haag. De gebouwen van de gilden stonden aan het Tournooiveld. Dat van het Sint Joris wordt reeds in 1397 vermeld, dat van Sint Sebastiaan van rond 1509. Daarvoor had men schietbanen nabij de Grote Kerk. De schutterijen kregen al gauw de naam dat eten en drinken op het jaarlijkse schuttersfeest belangrijker was dan het handhaven van de veiligheid. Maar in tijden van oorlog werd er toch een beroep op hen gedaan, om de stad te verdedigen of om het leger ergens op veldtocht bij te staan. Het gebouw van de handboogschutters fungeert nu als Haags Historisch Museum. Het gebouw van de adellijke schutters bestaat niet meer. Aan de Korte Vijverberg zijn enkele aanzienlijke woonhuizen neergezet. Het huis (nr. 3)van de bekende Adriaan Pauw werd later het Kabinet der Koningin.

Zie ook het Plein.

Korte Vijverberg

Korte Vijverberg. Een van de mooie panden aan de Korte Vijverberg.

Kortenbos

Is een van de oudste straten van Den Haag. Graaf Albrecht van Beieren gaf Kortenbos in 1397 aan leen aan zijn kapelaan Pieter van der Zande. Het landgoed was in de 19de eeuw een van de laatste onbebouwde plekken van de buurt. In 1877 werd het verkocht aan de gemeente Den Haag die het wilde gebruiken om huizen op te bouwen. De straatnaam werd in 1972 aan een korte straat die in 1983 weer verder werd ingekort.

Lange Poten

De Lange Poten is al in 1393 genoemd als Albrecht van Beieren aan Jan den Ouden de hofstede in “die Nieuwe Poten”. De straat was vroeger beplant met “willige poten” (wilgentakken). Aan de Lange Poten lag in de 15de en 16de eeuw het St. Mariaklooster op de hoek met de Korte Houtstraat.

Lange Vijverberg - Hofvijver

Het is onbekend wanneer de Hofvijver is gegraven. Het hiervoor soms genoemde jaartal 1270 is onwaarschijnlijk. Dat de Hofvijver een voorganger had in een duinmeer is ook niet meer dan een legende die pas eeuwen later op papier werd gezet. Het doel van de Hofvijver heeft vermoedelijk te maken met de waterhuishouding van het grafelijk kasteel. In oude bronnen wordt zowel een te veel aan water als een tekort aan water op het Binnenhof als probleem genoemd. Het teveel aan water kwam van de Bosbeek, de beek die uit het Haagse Bos kwam. Dat is een andere beek dan de Haagse Beek die moest worden uitgediept en van een watermolen moest worden voorzien om het Binnenhof van water te kunnen voorzien. De Hofvijver diende dus mogelijk om het teveel aan water van de Bosbeek op te vangen en dienst te doen als reservoir voor de periodes van droogte. De Hofvijver werd daarnaast voor allerlei andere doeleinden gebruikt. In de winter werd er op geschaatst en in de zomer werd er op gevaren. Bij festiviteiten werd er van boten vuurwerk afgeschoten, zoals bij de Vrede van Utrecht in 1713. De vijver verloor een stuk bij de aanleg van de Korte Vijverberg en nog eens in 1924 bij de aanleg van de Vijverdam.

Zie verder ook Binnenhof

Nobelstraat

De Nobelstraat heette vroeger ook Papestraat en is mogelijk genoemd naar een heer Nobel. In de 15de eeuw zou er in de Nobelstraat een ‘stove’ zijn geweest die vermoedelijk wel voor de opvang van armen en bedelaars was bedoeld.

Oude Molstraat

De straat hoort tot het oudste gedeelte van Den Haag dat rond 1400 al bebouwd was. In 1592 wordt voor het eerst de naam Molstraat vermeld gevonden. Waarschijnlijk houdt die naam verband met het huis "de Mol" aan de Groenmarkt naast 't Goude Hooft. Omstreeks 1620 ontstond bij de Paviljoensgracht nog een Molstraat en werd dit de Oude Molstraat. Andere benamingen waren Gasthuissteeg en een deel Warmoesmarkt. Vanaf het midden van de veertiende eeuw lag het Sint Nicolaasgasthuis, dat diende voor de opvang van de arme zwervers en arme zieken. De omgeving was toen nog niet zo bebouwd als nu, want dit ziekenhuis bezat allerlei landbouwgrond in de buurt, bijvoorbeeld aan de Molenstraat. Inkomsten kreeg het gasthuis o.a. door het aantrekken van de zogenaamde proveniers of kostkopers, die zich tegen betaling van een verzorgde oude dag verzekerden. Dit was voorbehouden aan mensen die over flink wat geld beschikten. Men kon tegen betaling ook gaan wonen in aparte woninkjes aan de Lapstraat of Annastraat die bij het gasthuis hoorden.

Papestraat

De straat hoort tot het oudste gedeelte van Den Haag, werd reeds genoemd in 1373. De naamsverklaring is onzeker. Het kan zijn dat de straat liep naar de woning van de priester (‘paap’), maar de straat is misschien ook genoemd naar een heer Pape die er een huis had.

Plaats

De Plaats.

Plaats

De Plaats was in de Middeleeuwen het voorplein van het grafelijk kasteel. Van hieruit kwam je door de Voorpoort (Gevangenpoort) het voorhof (of Buitenhof) van het kasteel binnen. Het plein oogde toen groter dan nu omdat er nog geen drukke verkeerswegen liepen. Aan de kant van de Lange Vijverberg was het plein afgesloten voor verkeer. Hier lag ook het Groene Zoodje, de gerechtsplaats waar mensen werden terechtgesteld. Volgens een oude overlevering die in 1730 door Jacob de Riemer stond hier recent nog een oud groot stenen huis dat oorspronkelijk het Jachthuis van de graven van Holland zou zijn geweest voordat het Binnenhof werd gebouwd. Het verhaal kan waar zijn maar is nooit door een ander bewijs bevestigd. Er zijn meer plaatsen bedacht waar de graven hier een jachthuis kunnen hebben gehad. De Plaats zal een levendig plein zijn geweest. Het kasteel had meer ingangen, maar hier lag de hoofdingang. Wie een glimp op wilde vangen van hooggeplaatsten moest hier op de uitkijk staan. Bij de Voorpoort konden armen op een aalmoes wachten die daar door een dienaar van de graaf werd uitgedeeld. Op de Plaats vonden twee bekende politieke moorden plaats. In 1392 werd hier volgens de overlevering Aleida van Poelgeest, vriendin van de graaf, vermoord door politieke tegenstanders. In 1672 werd raadpensionaris Johan de Witt door het Haagse gepeupel vermoord. Twee eeuwen later werkte Vincent van Gogh op dit plein in kunsthandel Goupil (van 1869 tot 1873, hij woonde in de niet meer bestaande Schenkstraat). In de jaren 1923 - 1925 vond hier een van de vele verkeersdoorbraken plaats. Door sloop van bebouwing aan de Hofvijver kon men een brede verkeersweg aanleggen die het Spui met de Parkstraat verbond. De Kabouterbar, een café met een wirwar van zaaltjes en twee ingangen (Plaats en Buitenhof), was tijdens de Koude Oorlog een geliefde ontmoetingsplaats voor spionnen.

Meer over de Plaats.

Plein

Het Plein was vroeger de moestuin van het Binnenhof, het kasteel van de graven van Holland. De tuin werd Kooltuin en later Stadhouderstuin genoemd en was iets groter als het Plein nu. In de Middeleeuwen lag het Mariaklooster op de hoek van het Plein en de Korte Poten. De Kooltuin bood in de 17de eeuw voldoende plaats om binnen de bebouwde kom een plein van buitenlandse allure aan te leggen. Dit was te danken aan stadhouder Frederik Hendrik die niets wilde weten van plannen om ‘zijn’ moestuin helemaal vol te bouwen. Gelijk met dit statige plein werd de Lange Vijverberg aangelegd, ook in overleg met de stadhouder. Aan het Plein bouwden Amsterdam en Rotterdam hun logementen, huizen waar Amsterdamse en Rotterdamse leden van het landsbestuur woonden en de belangen van hun stad behartigden. Graaf Johan Maurits van Nassau liet aan het plein het prachtige Mauritshuis bouwen met geld dat hij als gouverneur van Brazilië had verdiend. In dezelfde stijl liet Constantijn Huygens op de hoek met de Lange Poten een even schitterend huis bouwen dat in de 19de eeuw werd afgebroken. Uit deze tijd stamt het beeld van Willem van Oranje dat midden op het Plein staat.

Meer over het Plein.

Prinsegracht

De Prinsegracht werd rond 1644-1645 aangelegd op voorstel van stadhouder Frederik Hendrik, die ook elders grote bouwprojecten initieerde. De gracht vormt met de Loosduinse vaart de verbinding met het Westland, waar Frederik Hendrik bij Honselersdijk een prachtig landgoed bezat. Men wilde er de mooiste gracht van Europa van maken, maar de aanwezigheid van bedrijfsgebouwen remde de komst van rijke bewoners. Er kwamen prachtige grachtenpanden, maar er kwamen ook andere instellingen zoals als de Boterwaag, het Tuchthuis, het Hofje van Nieuwkoop. In de 20ste eeuw zaten hier o.a. museum Bredius, een geheelonthouderskoffiehuis waar de Stem des Volks repeteerde, ‘open jongerencentrum’ Het Paard en werd aan de kant van de Grote Markt markt gehouden. Ook het Nederlands Danstheater had er een tijd zijn hoofdkwartier en studio’s. Het werd al met al een contrastrijke gracht.

Prinsessegracht

Rond 1594 werd de Prinsessegracht gegraven als onderdeel van de lange gracht die toen werd aangelegd tussen het Spui en het Haagse Bos. De Prinsessegracht liep in eerste instantie niet verder dan het Korte Voorhout en is pas rond 1706 verlengd. De gracht is vernoemd naar de echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik, Amalia van Solms. Tot in de 19de eeuw werd de gracht gebruikt voor vrachtschuiten die vanaf het Spui naar Scheveningen voeren. In de 19de eeuw was dit zelfs een zeer druk bevaarde route. Het deel tussen Herengracht en Korte Voorhout werd vaak aangeduid als Boskant. De gracht en omgeving waren vanwege de ligging dicht bij het Haagse Bos een populair vestigingsgebied voor hen die hier een huis konden betalen. Daarnaast kwamen er aan de Prinsessegracht ook enkele grotere gebouwen. Een paar hiervan, zoals de Boskantkerk en Princesseschouwburg zijn door het bombardement van 3 maart 1945 verwoest. De Boskantkerk begon zijn bestaan toen er in 1713 na het einde van de Spaanse Successieoorlog weer een Franse ambassade in de Republiek der Verenigde Nederlanden werd gevestigd, op de hoek van de Casuariestraat. De kapel van de ambassade lag achter het huis en kon ook gebruikt voor de katholieke inwoners van Den Haag. In die tijd werd de katholieke eredienst alleen maar getolereerd als het maar enigszins verborgen bleef. Katholieken kwamen bijeen in voor dit doel ingerichte huizen, de zogenaamde schuilkerken. De kapel van een ambassade was een andere mogelijkheid. Pas in 1843 kon er aan de straatkant een fraaie grote kerk gebouwd, met zicht op het Haagse Bos, de Boskantkerk. Het was niet de enige kerk aan de Prinsessegracht. In 1726 vestigden de Portugees-Israelitische joden er een synagoge die nu alleen maar te zien is vanaf de Jan Evertsstraat. De synagoge bleef in gebruik tot de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de oorlog werden vrijwel alle kerkleden door de nazi’s omgebracht. Van de 400 leden van de Portugees-Israëlitische gemeente bleven er maar acht in leven. De synagoge werd verkocht en is nu in gebruik bij de Liberaal Joodse gemeente. In 1839 werd aan de gracht de Tekenacademie geopend, de voorganger van de Academie van Beeldende Kunsten, die hier nog steeds gevestigd is. In 1915 werd op de hoek van het Korte Voorhout de Princesseschouwburg in gebruik genomen. Deze werd onder andere gebruikt door de bekende Fritz Hirsch Operette. Over de gracht lag de Bosbrug, die voor de bevoorrechte bewoners van dit deel van Den Haag de makkelijke entree tot het Haagse Bos vormde.

Prinsessegracht

Prinsessegracht.

Prinsessegracht - Malieveld - Haagse Bos

Aan de Prinsessegracht lag vroeger nog het Haagse Bos en de Koekamp dat een onderdeel van het bos was. Het Haagse Bos liep in de Middeleeuwen tot aan het Lange Voorhout, dat zoals de naam al zegt een voorstuk van het bos was, maar zelf vermoedelijk gekapt was om gebruikt te worden als landbouwgrond. Het Haagse Bos zou een van de redenen zijn dat de graven van Holland hier hun nieuwe residentie bouwden. Jagen op het in het bos uitgezette wild, voornamelijk konijnen en kleine dieren, was in die tijd een belangrijk tijdverdrijf. Er werden regelmatig verboden afgekondigd om het Haagse Bos of de jacht te beschermen. De muur om het bos had twee hoofdpoorten. De Westpoort lag bij het Korte Voorhout en was de ingang vanuit de stad. Er waren periodes dat burgers niet door het bos mochten lopen, maar bij tijden was het bos een populair wandelgebied. In 1576 wilde de staat het Haagse Bos kappen en het hout verkopen. Het Haagse dorpsbestuur verzette zich samen met vertegenwoordigers van in Den Haag gevestigde bestuursorganen hevig tegen deze plannen omdat men bang was dat Den Haag zonder Haagse Bos geen aantrekkelijke vestigingsplaats meer zou zijn voor welgestelden. Men kocht toen de kap van het bos af voor heel veel geld af en de staat beloofde het bos voortaan ongemoeid te laten. Dit gebeurde bij de bekende Acte van Redemptie. De Koekamp was een afgezonderd deel van het bos. Dat het bos in 1576 gespaard werd betekent overigens niet dat Haagse Bos nog een restant is van het mythische “Oerbos” dat volgens vroegere historici van Den Haag tot aan Haarlem reikte. Zo’n uitgestrekt bos bestond nog in de 8ste eeuw, maar daarna zijn grote delen van dat bos verloren gegaan. In 1883 al publiceerde de bekende Arnold Ising een studie over het Haagse Bos aan de hand van rekeningen over het onderhoud van het Haagse Bos. Hieruit blijkt volgens hem dat het Haags Bos nog tot in de 16de eeuw bestond uit hier en daar begroeide duinen, afgewisseld door vlakten, waarin alleen biezen en braamstruiken opschoten. . Pas omstreeks 1553 hield in het bos het turf-delven op en werd het weggegraven veen aangevuld met zand en werden er elzen geplant. Het gedeelte dat grensde aan het Binnenhof was al eerder beplant. Tot dit gedeelte,. “de Houte” geheten, hoorde de Koekamp, waar al in 1316 eiken gepoot werden. In 1420 werd dit gebied omgeven door nieuwe sloten en werd het continu gebruikt om er wilgen, eiken, berken en vooral elzen te kweken. In 1436 werden meer dan 15.000 elzen aangekocht om in het Bos geplant te worden. In het volgende jaar werden oude berken gekapt, omdat zij de jonge eiken die er onder stonden in hun groei belemmerden. In de 14de eeuw waren er slechts weinig eiken en nog geen beuken in het Bos, maar in de volgende eeuw begon men meer onderhoud aan het bos plegen. Men zaaide toen eikels, verplante bomen die te dicht op elkaar stonden. In 1470 liet men voor het eerst beuken voor het Bos overkomen uit het Gooiland. In 1493 haalde men voor het eerst eiken uit Brabant en dit werd jaarlijks herhaald. In 1533 werden 60.000 populieren en in 1552 180.000 populieren geplant. In 1558 pootte men 158.000 elzen en tussen 1544 en 1557 volgden 1406 eiken. Voordat men bomen plantte onderzocht men de grond. Het veen werd er uitgehaald, de grond werd geëffend en omgespit en daarna werd mest en pootaarde toegevoegd. Was de zomer droog dan werden de jonge bomen begoten. Het Haagse Bos is dus niet een romantisch oud middeleeuws bos, maar is met veel zorg opgekweekt. Tussendoor had het bos flink te lijden onder oorlogen en stormen.

Meer over het Haagse Bos.

Spui

De Spuistraat ligt in het oudst bekende stadsuitbreidingsgebied van Den Haag, het Veen. De eerste huizen van Den Haag werden hoog en droog op de strandwal gebouwd, waar de straatnaam Geest (= hoog gelegen zandgrond) nog aan herinnert. Toen de strandwal volgebouwd werd ging men op het lager gelegen veen bouwen. De drassige grond moest hier eerst flink worden opgehoogd. Toen de strandwal was volgebouwd ging men huizen bouwen in het veenland dat daar ten noorden en zuiden van lag. De grond werd opgehoogd. Dit vond ongeveer plaats tussen de jaren 1316 en 1362. De naam Spui komt van de waterloop die werd gebruikt om het water van de grachten en de Hofvijver van het grafelijk kasteel te kunnen lozen (‘spuien’).

Tournooiveld

Waarschijnlijk naar de wedstrijden die hier door de schutters van de St. Joris- en St. Sebastiaansgilden werden georganiseerd. Schutterijen dienden om recht en orde in de steden te bewaren. De meeste steden hadden slechts een schutterij, Den Haag had er twee. Het Sint Joris-schuttersgilde van de voetboogschutters had de meeste status en was oorspronkelijk opgericht voor de adel. Zij schoten overigens met kruisbogen. Het Sint Sebastiaansgilde van de handboogschutters had het minste aanzien, maar bestond toch wel uit de notabelen van Den Haag. De gebouwen van de gilden stonden aan het Tournooiveld. Dat van het Sint Joris wordt reeds in 1397 vermeld, dat van Sint Sebastiaan van rond 1509. Daarvoor had men schietbanen nabij de Grote Kerk. De schutterijen kregen al gauw de naam dat eten en drinken op het jaarlijkse schuttersfeest belangrijker was dan het handhaven van de veiligheid. Maar in tijden van oorlog werd er toch een beroep op hen gedaan, om de stad te verdedigen of om het leger ergens op veldtocht bij te staan. Het gebouw van de handboogschutters fungeert nu als Haags Historisch Museum. Het gebouw van de adellijke schutters bestaat niet meer. De handboogschutter schoot door een gat in een schutting (in de buurt van het Toernooiveld) naar een schietschijf (in de richting van het Plein). Op de kaart van De Gheyn zie je op het zanderige geheel dat het Tournooiveld is een ridder met een geheven zwaard aanstormen op een oefenobject. Op het doelenterrein bevinden zich drie schietbanen, omzoomd door lage boompjes en aan begin en eind huisjes. Aan de zijde van het Tournooiveld staan twee forse doelengebouwen. Het rechter is het Sint Jorisdoelen, reeds vermeld in 1397. Het linker, met het achtkantige torentje in de Hofvijver is het Sint Sebastiaansdoelen. Dateert in deze vorm uit 1583. De eerste schietbanen waren hier eind 14de eeuw aangelegd door Albrecht van Beieren en bestemd voor de adelijke schutters van St. Joris. De burgerij har haar doelen oorspronkelijk in het centrum van het dorp, ten westen van de Jacobskerk. In 1509 toestemming van de graaf om haar doelen te verplaatsen naar het stuk grond dat tussen St. Joris en de Hofvijver nog vrij was.

Venestraat

Een van de oudste straten van Den Haag die op het veen werden gebouwd. In de middeleeuwen bouwde men het eerst huizen op de hooggelegen strandwal waar het centrum van Den Haag is opgebouwd. De straatnaam Geest (= hoog gelegen zandgrond) herinnert daar nog aan. Toen de strandwal was volgebouwd ging men huizen bouwen in het veenland dat daar ten noorden en zuiden van lag. De grond werd opgehoogd. Dit vond ongeveer plaats tussen de jaren 1316 en 1362. De straat is vaak Venusstraat genoemd. Plannen om de op enkele plekken zeer smalle straat te verbreden gingen niet door.

Vlamingstraat

Een van de oudste straten van Den Haag, werd in de rekening van de Baljuw over 1382 reeds genoemd als "Vlamyncstraet". Hiervoor de Caseyedestraat genoemd, een weg met kasseien. De Vlamingstraat zal dus een van de eerste geplaveide straten in Den Haag zijn geweest. De straat is vermoedelijk genoemd naar de Vlamingen die hier aan het einde van de 14e eeuw woonden.

Verantwoording

De informatie is in eerste instantie afkomstig uit ‘Haagsche straatnamen voorheen en thans’ van Th. Morren (‘s-Gravenhage, 1912) en ‘De straat waarin wij wonen : geschiedenis en verklaring van de straatnamenin 's-Gravenhage’ van S.E. Veldhuijzen. Daarnaast zijn gegevens aangevuld uit allerlei andere bronnen: boeken, archieven, documentatie.