Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDe Haagse schutterij is niet zo belangrijk geweest als de schutterij in de Hollandse steden. Toch speelde de schutterij af en toe een belangrijke rol in de geschiedenis.

kopfoto

De schutterij van Den Haag

Twee schutterijen

In de middeleeuwen was er nog niet zo’n sterk overheidsgezag dat de staat op eigen houtje voor de veiligheid kon zorgen. De burgers werden geacht mee te helpen door dienst te nemen in een soort burgerwacht, de schutterij. Alle grote plaatsen en in ieder geval de steden kregen zo’n schutterij. Terwijl de meeste plaatsen maar één schutterij hadden, hoorde Den Haag tot de grotere plaatsen die er twee hadden. De Sint Jorisschutterij was de oudste en voornaamste schutterij. De leden ervan hoorden tot het grafelijk hof en deze schutters gebruikten op hun schietbaan met de kostbare voetboog. Sint Joris had sinds 1397 een schietbaan op het terrein van het grafelijk kasteel. Een deel van de grafelijke tuin aan het Tournooiveld werd daarvoor opgeofferd. De leden van het Sint Jorisgilde moesten het hofgebied beschermen en daar wachtlopen. Na 1600 werd de veiligheid professioneler opgezet en in handen gegeven van de dorpsschutterij. De Sint Jorisschutterij werd het omgezet in een deftige herensociëteit die tot halverwege de 19de eeuw bleef bestaan. De schietbanen werden verkocht en maakten plaats voor gebouwen. Het Doelengebouw waar de schutters bijeenkwamen en hun feesten hielden, werd onder de naam Oude of Sint Jorisdoelen een uiterst chic logement of hotel. Het gebouw staat er in gewijzigde vorm nog steeds.

Sint Sebastiaansdoelen op de Korte Vijverberg in Den Haag

De Sint Sebastiaansdoelen op de Korte Vijverberg in Den Haag.

De schutterij van Den Haag

De Haagse schutterij werd in 1561 ingesteld op verzoek van Willem van Oranje1. Voor dat jaar had Den Haag naast het sjieke schuttersgilde van Sint Joris al een eenvoudiger dorpsschutterij gehad, die genoemd was naar de schutspatroon van de schutters, Sint Sebastiaan. De dorpsschutters gebruikten de minder dure handboog. Hun gilde bestond in ieder geval in 1443, want in dat jaar wordt het gilde voor het eerst genoemd. Ze hadden toen onenigheid met de schoenmakers en leerlooiers van het Sint Crispijngilde. Beide gilden deelden samen het altaar van Sint Sebastiaan in de Grote Kerk en de onenigheid betrof vermoedelijk de financiën. De zaak werd opgelost en vervolgens werkten de schutters en schoenmakers twintig jaar samen. Daarna ging het weer mis en gingen beide gilden uit elkaar. Alleen gebruikten ze samen het altaar in de kerk. Van deze oudste Haagse dorpsschutterij is verder nog bekend dat hun schietbaan vlakbij de Grote Kerk lag, achter de Torenstraat2.

 

De schutterijen waren niet alleen opgericht om de rust en orde in hun eigen stad te bewaren, maar ze werden ook ingezet als de graaf om militaire bijstand vroeg. Deze verplichte hulp werd ‘heervaart’ genoemd. De militaire inspanningen van de schutters werden niet altijd even serieus genomen. In 1474 hielpen verschillende stadsschutterijen de Bourgondische landsheer Karel de Stoute bij een veldtocht tegen Keulen. Elke schutterij droeg naar voorschrift de eigen twee kleuren op de kleding. Bij de belegering van het stadje Neuss werden de schutters vanaf de stadmuren met gelach ontvangen: “de winter komt, want die Bonte-krayen komen in’t Landt” (3). In eigen stad werden de schutters ook niet altijd serieus genomen, maar tegelijkertijd vormden de schutters een onrustig element in de lokale politiek.

 

De Haagse schutterij heeft voor zover bekend nooit heervaart voor de graaf hoeven te doen, maar in de tijd van de Opstand en daarna werden de Haagse schutters wel eens naar plaatsen gestuurd waar onrust of gevaar dreigde. In 1584 werden Haagse schutters naar Den Briel gezonden. In 1599 werden 150 Haagse schutters naar grenssteden gestuurd toen een Spaanse inval dreigde. Ook in latere jaren werd regelmatig hulp uit Den Haag gevraagd. Anders dan in de steden had de Haagse schutterij geen politieke invloed van betekenis. In 1672 leek het er even van te komen, maar de protesterende schutters werden vakkundig om de tuin geleid. De toen verkregen politieke invloed bleek in de praktijk niets te betekenen te hebben.

Schietbanen

De oudste schietbaan wordt in het hofboek van 1464 de ‘Hantboochsdoelen’ genoemd. Met ‘doelen’ wordt een schietbaan of een heel schietbaancomplex bedoeld. Dit eerste oefenterrein lag tussen de Torenstraat en de Vleerstraat, grensde aan het Sint Agnietenklooster en had een ingang aan de Torenstraat. Rondvliegende pijlen verstoorden de rust van de kloosterzusters niet, maar dat veranderde toen de schutters met vuurwapens gingen schieten. Het conflict dat toen ontstond werd opgelost doordat de schutters hun ‘doelen’ verplaatsten. In 1509 kregen zij toestemming om in de Kooltuin van het grafelijk kasteel een nieuw doelhuis met schietbanen aan te leggen om met de ‘bussen’ te oefenen. Hun schietbaan kwam naast die van Sint Joris. Toen Karel de Stoute in de jaren 1462 tot 1464 in Den Haag woonde had hij op hetzelfde terrein drie handboogbanen laten aanleggen. Daarnaast kwam een huisje voor maaltijden. Dat huisje kwam naast de oude buitenpoort van het grafelijk kasteel. In 1509 was Karels huisje in verval geraakt en werd daarom vervangen door een nieuw doelhuis. Vermoedelijk werden de drie schietbanen ook opgeknapt4. Hun oude schietbaan werd verkocht aan het Sint Agnietenklooster.

Haagse schutters eind 16de eeuw

Haagse schutters op het eind van de 16de eeuw aan de Hofvijver. Vooraan oefent een handboogschutter op de schietbaan.

Verval

De verhuizing van de schutterij leidde niet tot een opleving, maar er volgde juist een periode van verval. De voornaamste oorzaken waren niet alleen de vele oorlogen met het in opstand gekomen Gelderland. Ook de ooit zo florerende Haagse economie was in verval geraakt. Veel schutters gaven er de brui aan en de resterende schutters konden de pacht van de schietbanen niet meer betalen.

 

In 1535 werd vermoedelijk een nieuwe schutterij opgericht die uit tachtig busschutters (‘kloveniers’) moest bestaan. Er kwamen waarschijnlijk te weinig leden, want in 1538 deed baljuw Vincent van Lebestein een nieuwe poging de schutterij op te richten. De graaf (Karel V) beval toen dat de Haagse magistraat de schietbanen moest onderhouden. De kloveniers kregen één van de drie schietbanen van de dorpsschutterij toegewezen. Deze baan werd afgezet met een stenen muren en er kwamen huisjes aan beide einden van de baan. De kloveniers schoten in de richting van de Poten5. Er zouden vier hoofdmannen worden aangesteld die ieder een groep van twintig schutters moest leiden. De gehele schutterij stond onder leiding van de ‘koning’. De schutters kregen van het dorpsbestuur elk jaar 80 gulden voor de kosten die zij maakten en elk half jaar een half pond kruit. De schutters moesten een goede ‘hantbussche’ hebben die regelmatig werd geïnspecteerd. Afhankelijk van het seizoen moest elke groep schutters elke week of elke maand oefenen op de schietbaan. Ze moesten zich dan om tien uur bij de doelen melden in hun schuttersuniform (‘haer paruere’) in de voorgeschreven twee kleuren. De schutterij had ook een soort amateur-leden die “broeders ofte schutters van minnen” werden genoemd. Uit deze schietliefhebbers werden nieuwe leden gekozen.

 

Ook van deze schutterij had de overheid weinig plezier. De reden van het verzet is niet bekend, maar in 1544 weigerden de schutters mee te lopen in de Heilige Kruisprocessie op 14 september. De schutters vonden dat ze niet de bevelen van de baljuw hoefden te volgen. Het conflict hield jaren aan. Toen de graaf in 1548 besloot dat de schutters een eed van trouw en gehoorzaamheid moesten afleggen bij de baljuw, schout en schepenen stapten de kloveniers uit de schutterij. Een burgerwacht was op dat moment niet erg nodig want er kwamen voorlopig geen nieuwe maatregelen ten aanzien van de schutterij. Er was ineens wel behoefte aan handboogbanen. In 1549 vroegen 21 leden van de ‘Confrerie ende beminders van den hantboege’ om twee van de drie voormalige handboogdoelen op eigen kosten te mogen gebruiken. De kloveniers waren blijkbaar als privépersoon gaan oefenen met de handboog6.

Schutterij in Den Haag

De schutterij in Den Haag. In rood de huidige situatie. O is de opkomstplaats van het Oranje Vendel, W van het Witte Vendel, B van het Blauwe Vendel, G van het Groene Vendel, Obb van het Oranje Blanje Bleu Vendel en C van het Colombijne Vendel.

Burgerwacht

Pas in 1561 (2 mei 1561) blies Willem van Oranje de schutterij nieuw leven in. Hij was op dat moment nog stadhouder van Filips II7. De Haagse magistraat zou de officieren en schutters benoemen. Dat waren op dat moment de deken, vier hoofdlieden en de schutters, totaal 120 man. De schutterij was in vier compagnieën verdeeld die ieder een taak hadden in een van de vier wijken van Den Haag. Die wijken werden toen ‘quartieren’ genoemd. Iedere compagnie droeg het nummer van het kwartier. In 1561 mochten de schutters een loterij houden om het oude doelhuis op te kunnen knappen. De schutterij van Willem van Oranje werd uitgebreid, maar bleef tot de Franse tijd bestaan.

 

In 1567 zullen de schutters net als veel inwoners partij hebben gekozen tegen het katholieke landsbestuur van Filips II. De Haagse magistraat had hen niet meer in de hand en de regering zette het leger tegen de schutters in om de orde te herstellen. De schutters moesten hun wapens inleveren8. In 1579 werd de schutterij weer hersteld. Toen sloten de opstandelingen tegen Filips II een verbond, de Unie van Utrecht. Dit verdrag kun je zien als de ‘grondwet’ van de Republiek der Verenigde Nederlanden en hierin werd onder andere vastgelegd dat de samenwerkende staatjes een dienstplicht zouden invoeren voor iedere inwoner tussen 18 tot 60 jaar. Die dienstplicht werd zeer beperkt nageleefd en ging niet verder dan dat een klein deel van de burgers in een stad lid werden van de schutterij. Ook Den Haag kreeg weer een schutterij en in 1580 vroeg de schutterij zelfs toestemming om uit te breiden. De magistraat moest in financiële zin helpen bij de oprichting van een nieuw vendel. Het oorspronkelijke vendel kreeg de naam Oranje Vendel, ongetwijfeld een eerbetoon aan Willem van Oranje. Het nieuwe vendel ging het Witte Vendel heten.

Plan voor een omwalling van Den Haag

Omdat Den Haag geen muren en grachten had was het voor een regeringsplaats niet erg veilig. Prins Maurits deed voorstellen voor vestingwerken. Als die waren doorgegaan had Den Haag op de in zwart aangegeven plaats stadsmuren gehad.

Uitbreiding schutterij

Door deze uitbreiding was het doelengebouw te klein geworden en moesten de schutters in 1583 ook het aangrenzende huis gaan gebruiken. De bewoonster, jonkvrouw Margriete Hogedans, mocht er blijven wonen. Het huis was oorspronkelijk een van de buitenpoorten van het grafelijk kasteel geweest. Het was de achterpoort, de achteruitgang vanaf de tuinkant van het kasteel. Naar deze tuin werd dit huis ‘Coelthuyn’ genoemd. Om de ruimte beter te kunnen gebruiken werd er nog een traptoren tegen de zijgevel van het huis geplaatst9.

 

De schutterij breidde de komende jaren verder uit, waarschijnlijk met het doel om de veiligheid van de regeringsstad te verhogen. De Spaanse legers waren uit Holland verdreven, maar de situatie was nog niet zo rustig dat legeraanvoerder prins Maurits Den Haag een veilige hoofdstad achtte. Hij bedacht plannen om Den Haag te omgeven met muren en grachten. De muren waren te duur, maar de grachten kwamen er wel. In dezelfde periode werd de schutterij flink uitgebreid. In 1603 kwam er een derde vendel, vermoedelijk het Blauwe Vendel. De schutterij telde toen 360 man. Voor 1617 werd het Oranje-Blanje-Bleu Vendel opgericht, in 1617 het Groene Vendel en enkele decennia later, in 1648, het Colombijne Vendel. De gemiddelde sterkte van een vendel lag tussen de 250 en 350 man, zodat de schutterij toen uit 1800 man zal hebben bestaan. Omdat de kleur van het Oranje-Blanje-Bleu Vendel rood was werd het ook wel eens het Rode Vendel genoemd. Het Colombijne Vendel ook wel Roze Vendel10.

Organisatie schutterij

De oorspronkelijke verdeling van de schutterij over de vier wijken (‘quartieren’) van Den Haag bleef eerst nog bestaan. Ieder vendel moest op een bepaalde plek opkomen. Het Oranje Vendel had de Markt (Groenmarkt) in het eerste kwartier als opkomstplaats. Het Witte Vendel had de Plaats in het tweede kwartier toegewezen gekregen. Het Blauwe Vendel moest opkomen op de Weversplaats in het derde kwartier. Het Oranje-Blanje-Bleu Vendel op de Kapelsbrug in het vierde kwartier. Het Groene Vendel moest opkomen voor de Sebastiaans Doelen en het Colombijne Vendel op de Groenmarkt. Deze indeling is later veranderd. Of de schutters ook werden gerekruteerd uit de ‘eigen’ wijk is niet bekend. Waarschijnlijk was dat oorspronkelijk wel het geval. Door gebrek aan gegevens is alleen zeker dat de officieren in de 18e eeuw niet uit de eigen wijk kwamen, maar uit alle delen van de stad11.

 

In latere reglementen wordt de organisatie van de schutterij aangepast en verduidelijkt. Het hoofd van de schutterij heette niet meer deken, maar kolonel. Het hoofd van een vendel heette niet meer hoofdman, maar kapitein, maar werd soms nog wel hoofdman genoemd. De kapitein werd geassisteerd door een vaandrig. Elk vendel was verdeeld in zes rotten of korporaalschappen die werden geleid door een luitenant.

De kolonel was ook lid van het dorpsbestuur, de magistraat. De kolonel, de kapiteins en de vaandrigs waren de hoofdofficieren. Ze werden door schout, burgemeesters en schepenen aangesteld voor acht jaar. De onderofficieren werden voor zes jaar aangesteld. Hoewel Nederland niet langer katholiek was werden nieuwe officieren nog steeds gekozen op de naamdag van de heilige naar wie het schuttersgilde ooit was vernoemd. Die naamdag, Sint Sebastiaansdag, was op 20 januari. De schutters van een rot stelden zelf kandidaten voor als luitenant van hun rot. De kolonel, kapitein en vaandrig kozen uit hun voordracht de nieuwe luitenant. Het kiezen van nieuwe schutters ging niet altijd zonder problemen. Het reglement werd daarom meerdere keren gewijzigd. De voornaamste eisen die aan een schutter werden gesteld bleven ongewijzigd. Een schutter moest het burgerrecht van Den Haag hebben en een beroep. Het kwam er dus op neer dat hij voldoende geld moest hebben om zijn uitrusting te kunnen betalen.12.

 

De echte gezelligheidsschutterij die in 1549 door ontevreden schutters was opgericht, de ‘Confrerie ende beminders van den hantboege’ bleef nog een tijd bestaan. Zij gebruikten geen vuurwapens, maar schoten naast de kloveniers gezellig met de handboog. Op een gegeven moment zal deze broederschap zijn opgeheven13.

De Doelen van Den Haag

Het schietbanencomplex, de "Doelen", van Den Haag rond 1616. Bovenin aan het Tournooiveld/Lange Voorhout zijn de oude schuttersgebouwen te zien. Links de twee gebouwen van de Haagse schutters, rechts daarvan de gebouwen van de sjieke hofschutters van Sint Joris. In het midden ligt de baan van de kloveniers, die met vuurwapens schoten op een afgeschermde baan. In rood zijn de straatnamen van tegenwoordig aangegeven. De Hofvijver liep vroeger iets verder door naar het oosten.

Nieuwe Doelen

Het oude doelengebouw dat toen nog bestond uit het huis ‘Coelthuyn’ en de uit 1509 daterende Sint Sebastiaandoelen was al snel te klein, maar het zou nog even duren voordat er een nieuw gebouw kwam. Holland was al enkele decennia in opstand tegen de graaf en de oorlog kostte geld. De graaf (beter bekend als koning Filips II van Spanje kon putten uit een enorme hoeveelheid geld. Holland was ook rijk, maar de langdurige oorlog putte de schatkist uit. Daarom besloot men staatseigendommen te verkopen. Ook de tuin die bij het Binnenhof hoorde, de vroegere grafelijke tuin, zou verkocht worden. Er zouden grote huizen worden gebouwd. In het uiteindelijke plan werd ook een majestueus plein in het plan opgenomen. Een klein stuk van de Hofvijver werd gedempt en daarop werd de Korte Vijverberg aangelegd. Naast aanzienlijke huizen werd hier ook een nieuw onderkomen voor de schutters gepland. De Haagse magistraat besloot in 1634 om op de hoek met het Tournooiveld het mooie classicistische gebouw neerzetten dat er nog steeds staat. Het duurde even voordat er een geldschieter was gevonden, maar op 2 december 1636 kon de nog jonge prins Willem II de eerste steen van het gebouw leggen.

Het gebouw werd aangelegd door de bekende Haagse aannemer Claes Dircksz. van Balckeneynde. De architect was vermoedelijk stadsbouwmeester Arent van ’s-Gravesande. Bartholomeus van Bassen heeft er de laatste hand aan gelegd. Bij de bouw werd waarschijnlijk gebruik gemaakt van delen van het oude schuttersgebouw. De kelder ligt namelijk niet midden onder het gebouw, maar ligt asymetrisch14.

Gebruik door de schutters

Over de oorspronkelijke indeling van het gebouw is niet veel bekend. Later werd zij in ieder geval gewijzigd. De schutters gebruikten niet het hele gebouw, vermoedelijk omdat dit te duur werd. Op de bel-etage hadden ze rechts van de ingang de wachtkamer en de Burgemeesterskamer. Daarin werd vergaderd. Links van de ingang lag de eetzaal. De grootste ruimte bevond zich op de eerste verdieping. Dat was de Schutterszaal waar de schutters één maal per jaar bij elkaar kwamen voor de verkiezing van nieuwe officieren, maar ook voor de schuttersmaaltijd.

De kastelein die het gebouw beheerde woonde met zijn personeel in het souterrain (kelder). Achter het gebouw lag een binnenplaats en daarachter lag de schietbaan. De schietbaan liep door tot aan de Doelenstraat. Om het lopen door deze straat niet tot een gevaarlijke onderneming te maken was daar een muur gebouwd. Aan de noordkant van de baan stond een ‘schiethuis’. Van daaruit konden de schutters schieten bij slecht weer15.

Nieuwe Doelen als Logement

Vermoedelijk om geld uit te sparen, werd het gebouw aan een kastelein verhuurd als hotel (‘logement’). Het zal een van de sjiekere hotels zijn geweest. De landsregering, de Staten van Holland bracht er gezanten onder. De inkomsten van het hotel waren zo belangrijk dat de schutters voor een vergadering soms moesten uitzien naar een andere locatie.

Andere gebruikers van de Nieuwe Doelen

Het gebouw kreeg later ook andere gebruikers. Vanaf 1643 werd het ook gebruikt voor veilingen. Toen de schutterij in de Franse tijd werd opgeheven werd het gebouw verhuurd aan de Natuurkundige Maatschappij Diligentia. Vervolgens was het weer hotel, Hotel De Nieuwe Doelen. Alleen in de jaren 1814 en 1815 werd het gebouw weer even gebruikt door de (nieuwe) schutterij, maar daarna was het weer hotel. In 1846 werd het in gebruik genomen als arrondissementsrechtbank. Daarna had het korte tijd verschillende gebruikers. Een veel langere periode was het Gemeentemuseum. Dat museum was er in gevestigd van 1884 tot 1935. Daarna gaf het gebouw tot 1982 ruimte aan het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. De laatste gebruiker is het Haags Historisch Museum16.

Schietoefeningen

Schutters worden wel eens in één adem genoemd met feesten en drinkgelagen. Uit allerlei gegevens blijkt dat schutters inderdaad wel eens een zware avond hadden. Maar omdat ze waren aangenomen om de openbare orde te handhaven moesten ze regelmatig oefenen in het schieten. Volgens het reglement gebeurde dat elke maand op een vastgestelde dag. Elk vendel moest die dag om tien uur in schutterskostuum op de schietbaan gaan oefenen. Het doelwit was een ijzeren pen die op borsthoogte uit een doelhuisje was gestoken. Op dat huisje lag een berg aarde, zand of klei. Als de schutter gereed was werd er een bel geluid en wisten de toeschouwers dat ze dekking moesten zoeken. Wie hierna toch geraakt werd kon geen klacht indienen. De ‘Wyzer’ moest kijken of de schutter het doel had geraakt.

 

De schutters aten, dronken en schoten, maar ze hadden nog meer vermaak. Al in de middeleeuwen deden ze aan papegaaischieten. De papegaai was een houten ‘vogel’ op een hoge mast. Degene die de papegaai het hoogste aantal keren raakte was dat jaar Schutters-Koning. Als prijs kreeg hij de zilveren papegaai. De entourage van de Beierse hertogen vond dit in de 14de eeuw zo leuk, dat ze het spel ook in Beieren lieten spelen. Gravin Jacoba van Beieren was er zo goed in dat ze een keer won. Bij het papegaaischieten hoorde belastingvrij drinken17.

Een jaarlijks hoogtepunt was de grote Mei-optocht. Tijdens de jaarlijkse Haagse kermis marcheerden ook alle vendels door Den Haag.

Papegaaischieten in Straubing

In het Beierse Straubing wordt nog steeds verteld dat ze het Papegaaischieten van de Hollanders hebben geleerd.

Inzet buiten Den Haag

Het gebeurde niet vaak, maar de schutterij kon ook buiten Den Haag ingezet worden. Met name in de Tachtigjarige Oorlog gebeurde dit. In 1584 bijvoorbeeld naar Den Briel, in 1599 naar “grenssteden”. In 1621 en ook volgende jaren leverde Den Haag schutters voor de garnizoenen van steden die aan het front lagen. Na het einde van de Tachtigjarige Oorlog hadden de schutters het een tijd rustig. In het rampjaar 1672 en de jaren daarna moesten de Haagse schutters weer de stad uit om de Waterlinie te beschermen. De spotgedichtjes die toen verschenen maken duidelijk dat de door de schutters zelfbezongen heldendaden in Den Haag niet heel erg serieus genomen werden18.

Politieke rol

In andere steden kon de schutterij een rol spelen in de politiek. De stadsregeringen werden in theorie gekozen door de burgers, maar in de praktijk maakten enkele machtige families de dienst uit. De schutterijen konden in steden nog wel eens een politieke rol vervullen, maar in Den Haag kwam die rol niet van de grond. In 1672, het Rampjaar, leek het de schutters in Den Haag toch te lukken.

 

Op 20 augustus vermoordden Haagse schutters de gebroeders De Witt. De schutters, of eigenlijk de burgers, wilden invloed op het bestuur en dat was hen door de regenten onder aanvoering van Johan de Witt steeds geweigerd. De schutters konden deze moord ongestraft plegen en ze werden er door predikanten zelfs voor geprezen. Het was niet onlogisch dat de schutters hier moed uitputten voor een lokale greep naar de macht.

 

De nieuwe landsregering die Johan de Witt opvolgde zat nog niet sterk in het zadel en de kansen leken goed voor meer invloed van de burgers. Overal dwongen ze wijzigingen in de stadsbesturen af, maar de regering zorgde er voor dat het minimale wijzigingen waren. In Den Haag was het ook lang onrustig, maar pas op 2 september ontvingen de burgemeesters van Den Haag een delegatie van de schutters. De schutters wilden nieuwe stadsbestuurders voordragen en ze eisten de benoeming van een andere baljuw. De schutters werden aan het lijntje gehouden. De benoeming van de baljuw was een staatszaak, dus die eis konden de burgemeesters niet honereren. De voordracht van nieuwe stadsbestuurders moesten ze voorleggen aan de vroedschap. Dat was in die tijd min of meer de gemeenteraad. De volgende dag besloot het bestuur van Den Haag om de schutters hun zin te geven. Een voordracht stelde niet zo veel voor, want het was de stadhouder die de stadsbesturen koos. Maar de schutters gingen naar huis met het idee dat zij het stadsbestuur hadden afgezet. Dat idee leefde ook bij de andere Hagenaars, maar de werkelijkheid was anders.

Op of rond 3 september ontving stadhouder Willem III de deputatie van burgemeesters en schutters en koos hij een nieuwe magistraat. Anders dan in andere plaatsen verving de stadhouder in Den Haag veel bestuurders. Hij volgde echter bij lange niet de wensen van de schutters. Hij benoemde meer schutters in de vroedschap dan ze gevraagd hadden, maar minder schutters in het eigenlijke bestuur. Dat eigenlijke bestuur bestond uit de burgemeesters en de schepenen. Tot 1672 had de vroedschap een rol in de benoeming van burgemeesters en schepenen, maar vanaf 1672 werden leden van de vroedschap geen burgemeester of schepen meer. Burgemeesters en schepenen wisselden hierna alleen nog onderling van functie. Dat betekende dat de Haagse vroedschap wel schuttersinvloed kreeg, maar geen invloed meer had op het bestuur van Den Haag. De vroedschap werd slechts enkele malen per jaar opgeroepen om met burgemeester en schepenen formele beslissingen te nemen. Van eigen zelfstandige vergaderingen was geen sprake. Dit leidde niet eens tot conflicten. Pas in 1767 was er voor het eerst openlijke onenigheid tussen de regenten en de vroedschap. De stadhouder stelde toen de vroedschap in het ongelijk. Vanaf dat moment hadden de schutters nog minder te vertellen19.

Opheffing van de schutterij

Op 30 januari 1785 werd het Sint Sebastiaansschuttersgilde ontbonden. Kort daarop werd een nieuwe burgerwacht geformeerd met een zelfde taak. Op 14 maart 1814 werd een nieuwe Haagse schutterij opgericht, die enkele jaren een zieltogende cavalerie-afdeling had. Deze schutterij had niet veel te doen en kreeg ook steeds minder aanzien. Op het eind van de 19de eeuw maakte de Haagse bakkersknecht Gerardus Duivestijn de schutterij belachelijk door op klompen naar de oefeningen op het Malieveld te verschijnen. Een week later arriveerde hij niet te paard, maar op een ezel. Bij de schuttersraad arriveerde hij met op schoensmeerdeksels opgeschilderde medailles. Zijn optreden zorgde voor relletjes. Hij wilde blijkbaar duidelijk maken dat hij geen geld had om aan de schutters-verplichtingen te voldoen. Zijn optreden veroorzaakte nogal wat opschudding20. In 1903 werden alle schutterijen in Nederland opgeheven.

Sint Sebastiaansdoelen op de Korte Vijverberg in Den Haag

De Sint Sebastiaansdoelen op de Korte Vijverberg in Den Haag.

 

Verantwoording

Deze eerste versie is van 11 juni 2009.

Literatuur

• M.Carasso-Kok, J. Levy-van Halm (red), Schutters in Holland. Kracht en zenuwen van de stad, Haarlem, 1988.

• Maarten van Doorn, ‘De Sint Sebastiaansschutters in Den Haag’, in: z.n., Sebastiaan. Martelaar of Mythe, Zwolle, 1993, 90-94

• M. Kossmann, 'Handboogdoelen van 1462 en 1509 op de Vijverberg te ’s-Gravenhage', in: Jaarboek Die Haghe 1965, 1-24.

• Robert van Lith, Elke Pluymen, Sint Sebastiaansdoelen. Haags Historisch Museum, Zwolle, 1989.

• M. van der Mast, Vijf eeuwen St. Sebastiaansdoelen, ’s-Gravenhage, 1981.

• Naamen van de officieren der Schutterije van de jaren 1715-1770.

• J de Riemer, Beschryving van ‘sGravenhage, Delft 1730.

• Th. Wijsenbeek (ed), Den Haag. Geschiedenis van de stad, deel 2, Zwolle z.j.

Noten

1. Gemeentearchief Den Haag, Oud Archief, bnr. 350, inventarisnummer 754, fo. 209, geciteerd bij Van Doorn, 93.

2. Van Doorn 89-91.

3. De Riemer 695.

4. De Riemer 693-694.

5. Kossmann 1-5.

6. De Riemer 684-686.

7. Gemeentearchief Den Haag, Francijne register, fo. 168 vo, geciteerd bij Pabon 148.

8. Wijsenbeek 149.

9. Van Doorn 93-94, Kossmann 6, 15, De Riemer 686.

10. Pabon 149-150.

11. De Riemer 707.

12. De Riemer 706-707.

13. Gemeentearchief Den Haag, Oud Archief, bnr. 350, inv. no. 1361 I fo 26 geciteerd bij Pabon 151.

14. Van Lith 13-15.

15. Van Lith 30-34.

16. Van der Mast 21-38

17. De Riemer 696.

18. De Riemer 688, 694.

19. H.E. van Gelder, Schutterij en Magistraat in 1672, in Jaarboek Die Haghe, 58-80.

20. Van der Mast 18-19.