Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDe meubelfabriek H.P. Mutters & Zoon was een van de succesvolste Haagse fabrieken. De fabriek maakte niet alleen meubels, maar fabriceerde complete kamerinterieurs of interieurs van scheepshutten of vliegtuigcabines.

kopfoto

Koninklijke Nederlandsche Meubelenfabriek H.P. Mutters & Zoon

Een eenvoudig begin in 1816

De fabriek begon in 1816 op nog kleine schaal met een werkplaats in de Molenstraat (toenmalig adres E 145). Over het beginjaar bestaat enige verwarring, want recent wordt ook 1795 als beginjaar genoemd. Het is echter aannemelijk dat 1816 het juistere beginjaar is. In de eerste plaats hield de fabriek in de negentiende eeuw zelf steeds 1816 als beginjaar aan. Verder leverde het uitgebreide onderzoek van J.M.W. van Voorst tot Voorst geen ander beginjaar dan 1816 op. En tenslotte komt Mutters niet in de lijsten van nieuwe gildenleden. Tot de opheffing van de gilden in 1798 kon je je alleen als houtbewerker vestigen als je lid was van het betreffende gilde. Voordat het zo ver was moest je eerst het vak leren bij een erkend ambachtsman.

De werkplaats in de Molenstraat werd opgezet door vader en zoon Mutters1. De vader was Johannes Mutters. Deze was vermoedelijk in Den Haag geboren en daar getrouwd met de uit Essen afkomstige Johanna Frederica Hermina Melcherts. De zoon was de op 8 juli 1797 in Den Haag geboren Hermanus Pieter Mutters. Wat vader Mutters voor 1816 deed is niet bekend. Hij was geen lid van het meubelmakersgilde. Mogelijk werkte hij al voor een meester-meubelmaker. Zoon Hermanus Pieter gaf later op dat zijn beroep ‘kabinetwerker’ was. Dat waren in het gildetijdperk timmerlieden die ingewikkelder meubels maakten. Tot 1798 waren zij met andere soorten meubelmakers aangesloten bij het St. Jozefs en Ewoutsgilde. Eenvoudiger meubels werden gemaakt door de leden van het Groene- en Spaanse stoelgilde, ook bekend als Sint Pietersstoelgilde. Dat waren bijvoorbeeld ‘stoelenmakers’ als Horrix2.

Koningspoort in de Molenstraat

Bij deze poort in de Molenstraat, vlak bij het koninklijk paleis, hadden Mutters en zoon hun eerste woning en werkplaats.

De opkomst van Mutters

In de beginperiode onderscheidde de kleine meubelwerkplaats zich volgens schrijver Johan Gram al doordat de eenvoudige meubels er degelijk gebouwd werden. Maar in enkele decennia veranderde de eenvoudige werkplaats in een moderne meubelfabriek, waarschijnlijk de eerste van Nederland. Vader Johannes en de toen negentienjarige zoon Hermanus Pieter woonden op hetzelfde adres en dreven het bedrijf samen. Terwijl vader Johannes in Den Haag bleef trok zoon Hermanus Pieter naar het modernere en meer modebewuste Brussel om te leren hoe daar meubels werden gemaakt. Hij ontdekte daar de nieuwste modes en andere productiemethoden die hij na zijn terugkeer in Den Haag ook bij Mutters & Zoon invoerde3. Volgens eigen zeggen hadden Mutters & Zoon succes doordat ze al vanaf het begin “moedig” ingingen tegen de “wansmaak” in het meubelvak4. Mutters ging meubels maken die men daarvoor alleen in Brussel of Parijs kon kopen. Op een gegeven moment droeg vader Johannes de zaak over aan zijn zoon, want in 1830 gaf hij op dat hij gepensioneerd was5. Zijn zoon was in 1822 getrouwd met Sara Johanna van Gogh, geen familie van de beroemde schilder Vincent6.

Uitbreiding

De moderniseringen leverden zoveel klandizie op dat men in 1855 besloot de werkplaats in de Molenstraat uit te breiden. De werkplaats met zes werklieden groeide uit tot een fabriek met 80 man en een enkele vrouw7. De grote kracht van Mutters was dat de firma niet alleen meubels leverde, maar ook de verdere aankleding van de kamer. Mutters kon een complete kamerinrichting leveren. Het ging dan om tapijt, (textiel)behang, gordijnen, spiegels, plafonds en later nog veel meer accessoires en dat allemaal in stijlvolle harmonie met elkaar. Met de groei van de welvaart breidde het assortiment zich uit. Mutters kreeg met deze specialisatie zo’n goede naam dat de fabriek op het eind van de eeuw veel opdrachten kreeg om representatieve ontvangstkamers en tentoonstellingspaviljoens in te richten8. Het eerste grote succes was misschien een opdracht van het koninklijk huis. In 1863 werd een deel van het Paleis Noordeinde verbouwd en Mutters was de een van de uitverkoren meubelzaken. Bovendien was Mutters de enige meubelmaker die ook de verdere aankleding van enkele vertrekken aanbracht9. Misschien daardoor mocht Mutters in 1867 het predicaat ‘koninklijk’ te gaan voeren10.

Het gebouw van Mutters aan de Kneuterdijk

Op adres Kneuterdijk 4 (in het midden) had Mutters een nieuw magazijn. Vader en zoon Mutters woonden er met hun gezinnen ook, vermoedelijk op de bovenverdiepingen.

De jaren 1860 waren voor Mutters een drukke tijd. In 1863 kondigde Mutters aan dat de firma zou verhuizen naar “een der voornaamste straten” van Den Haag. Op de hoek van de Kneuterdijk en de Hartogstraat werd een nieuw magazijn ingericht, een winkel dus. In 1864 verhuisde men naar dit adres. Vader en zoon gingen er ook wonen, vermoedelijk op de bovenverdiepingen, op de huisnummers 4 en 4a. De in die tijd nog dunne Haagsche Courant wijdde een paar lange, maar lovende zinnen aan de nieuwe winkel: het ‘magazijn’, zoals dat toen heette toonde een keur aan luxe producten: een rijkdom aan palissander- en mahoniehout, de weelderigste tapijten en stoffen van alle kleur en ontwerp, de kostbaarste spiegels11. Vader Mutters heeft de showroom op deze chique locatie niet lang meegemaakt, want hij overleed een paar maanden na de opening, op 12 juli 1864. Ook de werkplaatsen waren te klein geworden. In 1865 vroeg Mutters de gemeente om tijdelijk een zaal en bergplaats te mogen huren in het gebouw van de Armen-Inrigting aan het Bleijenburg. Op 17 september 1866 werd de eerste steen gelegd voor een nieuwe fabriek. Die verrees buiten Den Haag in de weilanden, slechts “over een wankel houten bruggetje” te bereiken12. De aanleg van het Zeeheldenkwartier was al enigszins schuchter begonnen en toen er straten met woonhuizen werden aangelegd kwam de fabriek in de Trompstraat te liggen, op de hoek van de Piet Heinstraat. Ook de eigenaren Mutters woonden er. Afwisselend was hun adres Trompstraat of Piet Heinstraat. Aan de overkant van de Trompstraat stond later de haardenfabriek van H.W. van Brakel & Zoon13. De nieuwe fabriek was in 1866 naar eigen zeggen de eerste Nederlandse meubelfabriek die stoommachines gebruikte14. De door stoomkracht aangedreven zaag werd in 1868 geplaatst en leverde een vermogen van 6 paardenkracht. In 1869 kwam er nog een stoommachine bij en in 1870 werden ‘nieuwe of verbeterde werktuigen aangebragt’ voor allerlei houtbewerkingen15.

Twee grote Haagse meubelfabrieken

Op een gegeven moment werd de jongere Mutters directeur van Mutters & Zoon. De eerste Hermanus Pieter Mutters in een lange rij was op 20 november 1829 geboren en getrouwd met Johanna Gesina van Swaaij. Ook hun in 1855 geboren zoon heette Hermanus Pieter16. Rond deze tijd was Mutters tot één van de grootste Nederlandse meubelfabrieken uitgegroeid, vermoedelijk de derde in grootte. De grootste was de ‘Anna Paulowna Meubelen Fabriek’ van de ‘Gebrs. Horrix'. Die werd in 1850 aan de andere kant van de stad gebouwd aan de Stationsweg en was veel groter dan Mutters. In 1870 werkten daar 222 arbeiders en bij Mutters slechts 94. Mutters had wel meer stoommachines. De verslagen van de Haagse nijverheid lijken aan te geven aan dat de firma Mutters het in het algemeen beter deed dan ‘Horrix’. Jaar in jaar uit werd in gemeentelijke jaarverslagen de toestand van de fabriek van Mutters als “gunstig” beoordeeld, en kwam men bij Horrix vaak niet verder dan “voldoende” of was er geen opgaaf gedaan17. Dat Den Haag twee grote meubelfabrieken had was toen overigens uitzonderlijk. De meeste meubelmakerijen in Nederland waren eenmansbedrijfjes. Slechts enkele bedrijven hadden enkele personeelsleden in dienst18.

Piet Heinstraat hoek Trompstraat

Op de hoek van de Piet Heinstraat en de Trompstraat stond vroeger de meubelfabriek van Mutters & Zoon.

Het personeel van de meubelfabrieken kwam niet van technische school, maar werd in eigen bedrijf opgeleid. Na de afschaffing van de gilden was er niet voorzien in een nieuwe opleiding voor ambachtslieden. Er werd in de negentiende eeuw veel geklaagd over het gebrek aan vakmanschap van ambachtslieden, maar toen Den Haag in 1873 een ambachtsschool kreeg, wilden veel werkgevers daar geen leerlingen van hebben. Volgens de Ambachtsschool waren werkgevers bang dat geschoolde arbeiders hogere lonen zouden eisen. De lonen en arbeidsomstandigheden in de nijverheid waren in de 19de eeuw bepaald niet goed te noemen. Het is moeilijk om in de 19de eeuw iets over arbeidsvoorwaarden te vinden, want als er over een bedrijf werd geschreven dan was de schrijver meestal vol lof over de gemaakte producten. Uit gemeentelijke verslagen kun je opmaken dat Mutters niet tot de slechtste betalers hoorde. Verder werden er bij een parlementair onderzoek naar slechte arbeidsomstandigheden in Nederlandse fabrieken geen mensen van Mutters & Zoon gehoord. Van andere grote Haagse fabrieken zijn wel getuigenissen te lezen over erbarmelijke werkomstandigheden en uitermate slechte behandeling van personeel.

Kaart van Den Haag 1868

Op deze kaart uit 1868 zijn de twee locaties van Mutters weergegeven. Rechts de Molenstraat, boven links ligt de nieuwe fabriek nog in het weiland. De rest van het Zeeheldenkwartier moet nog gebouwd worden. de Piet Heinstraat..

Tentoonstellingen en prijzen

In de tweede helft van de 19de eeuw bouwde een volgende generatie Mutters & Zoon de fabriek verder uit. De twee zoons van de tweede Hermanus Pieter gingen het vak leren in Parijs en keerden in 1878 met alle opgedane kennis terug naar Den Haag. De oudste van hen, ook weer een Hermanus Pieter (geboren in 1855) kreeg de leiding van de meubelmakerij. Deze derde Herman Pieter ging enkele jaren later naast de fabriek wonen, Trompstraat 1. Zijn broer Gerardus Johannes (1856) kreeg de leiding van de stoffeerderij. Zij werden samen medefirmant, maar Hermanus Pieter werd uiteindelijk de directeur19. De broers hadden overigens nog een beroemde, of in ieder geval bekende neef Johannes. Als architect ontwierp Johannes Mutters heel wat bekende Haagse gebouwen en huizen.

 

Mutters & Zoon deed mee met de tentoonstellingen van nijverheidsproducten die in de 19de eeuw regelmatig werden gehouden om te tonen dat het met het vakmanschap zo slecht nog niet was. Deelnemende bedrijven hoopten de ‘gouden medaille’ te winnen of een van de andere prijzen. Die drukten ze af op hun briefpapier en reclamemateriaal. Werknemers van Mutters wonnen op de ‘Nationale Wedstrijd voor Werklieden’ in 1871 in Den Haag een gouden medaille. Dat lukte ook op de ‘Tentoonstelling van Kunst toegepast op Nijverheid’ te Amsterdam in 1877. Mutters behaalde meer prijzen, maar het lukte niet altijd. Op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1878 won de bijdrage van Mutters geen prijzen20. De bekendste opdrachten uit deze tijd kreeg waren de bouw van de koninklijke wachtkamers op de Haagse stations Staatsspoor (1891) en Hollandse Spoor (1893-1894) en ook de betimmering, het behang en de dressoirs van de Kleine Eetzaal van het Paleis Noordeinde (1895)21.

Het gebouw van Mutters aan de Piet Heinstraat

Tot in 1975 stond dit magazijn van de meubelfabriek Mutters aan de Piet Heinstraat. Links en rechts ervan stonden ook gebouwen van de fabriek (Haags Gemeentearchief).

De fabriek

Er zijn nauwelijks beschrijvingen van de fabriek in de Piet Heinstraat. In 1893 bracht de bekende journalist Johan Gram een bezoek aan Mutters & Zoon en in 1913 gaf het boekje ‘s-Gravenhage als industriestad een korte schets van de toestand van de fabriek in dat jaar.

Gram schreef in een zwierige stijl over allerlei interessante aspecten van het Haagse leven. Hij schreef vaak over bedrijven, deed dat soms in opdracht en steevast was hij lovend. Maar de fabriek van Mutters had een streepje bij hem voor. Het was “de populairste fabriek in de hofstad”, na de ijzergieterij van Enthoven. Meubelfabriek Mutters & Zoon was een fenomeen als de kunsthandel van Goupil op de Plaats of de grote Bazar in de Zeestraat. Het waren de drie Haagse zaken waar gegoede Nederlanders allerlei spullen voor hun interieur konden uitzoeken22. Gram was het meest gefascineerd door de tekenkamer. Daar hingen modellen van wat de fabriek ooit had gemaakt en kon hij door albums bladeren met tekeningen van gemaakte meubels, kamers, salons en plafonds. Vooral de tekeningen van de eetzalen, salons en rookkamers van schepen spraken hem aan. Uitvoerig beschreef hij de opslagplaats, de stoomzagerij en de ruimtes waar meubels werden bewerkt. Daar beitelden “geoefende beeldsnijders de stijl van Lodewijk XVI in de stoelen”. Daar was de kastenmakerij waar de een bezig is met een buikige commode, een ander met een smaakvol buffet in Hollandse renaissancestijl en een derde met een linnenkast. Iets korter was hij over de stoffeerderij waar stoffeerders en behangers bezig waren en spiegels, tapijt, gordijnen, behang, kroonluchters en nog veel meer lagen opgeslagen23.

 

In 1913 werkten er “duizenden werklieden” voor Mutters. Het gaat dan onder andere om meubelmakers, timmerlieden, beeldhouwers, tekenaars, schilders, steenhouwers, decoratieschilders, stoffeerders, glasschilders, loodbewerkers, kopersmeden, kopergieters, smeden, vergulders, cartonpierremakers, stoelenmakers, rietvlechters, electriciens, tapijtwevers en stoffenwevers. Het is niet duidelijk of die allemaal in de fabriek werkten of ook bij toeleveringsbedrijven. In dat jaar kreeg Mutters nog steeds de meeste publiciteit met de afgebouwde scheepsinterieurs, maar het ging ook nog steeds goed met de bestellingen van gewone meubels en huisinterieurs. Het aantal bestellingen nam toe en de werkplaatsen werden regelmatig uitgebreid. In 1911 was het grote magazijn (aan de Piet Heinstraat of de Trompstraat) geopend24.

Naar Belfast

Vijf jaar voordat Johan Gram tekeningen van scheepsinterieurs doorbladerde had de fabriek deze nieuwe markt al aangeboord. In 1888 was Mutters gevraagd om voor een schip van de Holland-Amerikalijn interieur van een luxe kajuit te bouwen. De kajuit met zwart hout, ivoor en tegeltableaus van Rozenburg viel zo in de smaak dat er meer opdrachten kwamen. Voor grote oceaanschepen als de Rotterdam, de Statendam, de Potsdam, de Rijndam, de Noordam en de Nieuw Amsterdam. Maar ook voor kleinere rijnschepen en kleine en grote jachten bouwde Mutters de luxe hutten. Het eerste schip werd nog in Rotterdam gebouwd, maar in 1896 liet de Holland-Amerikalijn het stoomschip Rotterdam in het buitenland bouwen bij de Ierse scheepswerf Harland & Wolff. Harland & Wolf was een van de meest vooraanstaande en grootste scheepsbouwers ter wereld. Op de werf in Belfast werden meerdere grote schepen tegelijkertijd gebouw. De bouwlocatie was te ver weg om even heen en weer te reizen, dus werden de onderdelen eerst in Den Haag gemaakt. Daarna reisden Haagse timmerlieden naar Belfast en bouwden ze de onderdelen ter plekke in. In het begin ging dat niet zo makkelijk. Er ging zoveel mis dat men het bij Mutters een “wonder” vond toen de ‘Rotterdam’ helemaal afgetimmerd de haven van Rotterdam binnenvoer. De Haagse timmerlieden verstonden geen Engels en werden eerst niet vriendelijk ontvangen. Maar het resultaat viel in de smaak en de timmerlieden van Mutters waren voortaan welkom bij Harland & Wolf. Mutters kreeg zodoende ook opdrachten van buitenlandse rederijen. Het bekendste schip dat een Mutters interieur kreeg was de Titanic. Harland & Wolff bouwde dit voor de White Starline25. Toen dit schip op zijn eerste reis zonk was ook de in Den Haag bekende journalist William Stead aan boord.

In 1914 was de tewaterlating van het stoomschip Statendam aanleiding voor een door Mutters georganiseerd persbezoek aan Belfast. De journalist van de Nieuwe Rotterdamsche Courant vond het allemaal tegenvallen. Er was geen feest en er waren geen hoogwaardigheidsbekleders aanwezig: het was maar een “Hollandsch” schip werd hem verteld.26

Thompson Dry-Dock in Belfast

In dit 259 meter lange Thompson droogdok werd de laatste hand gelegd aan de Titanic. De timmerlieden van Mutters hadden hun werk toen al gedaan op de eerste bouwplaats zo'n honderd meter hier vandaan.

Vliegtuiginterieurs

Ook in de 20ste eeuw bleef Mutters met haar tijd mee gaan. Het werk aan schepen ging gewoon door, maar Mutters & Zoon ging zich ook bezig houden met luchtvaart. De fabriek ging niet zelf vliegtuigen bouwen, maar wel cabines. In 1922 zal Mutters het eerste interieur van een KLM-vliegtuig hebben gebouwd27

Vliegtuigen waren in die tijd nog zo bijzonder dat ze bij het publiek bekend stonden onder hun naam. Een vlucht naar Nederlands-Indië was een heroïsche onderneming die uitgebreid in de kranten werd verslagen. Een van de vliegtuigen waar Mutters aan had gewerkt was de driemotorige Fokker F.IX. Van dit tamelijk grote vliegtuig met een nogal luxueus ingerichte cabine werden er maar twee gebouwd. Het had plaats voor 18 passagiers, maar op de route naar Nederlands-Indië was er plaats voor zes passagiers. Het prototype (PH-AGA) kwam op 8 mei 1930 in dienst bij de KLM en kreeg de naam Adelaar. De eerste, de PH-AFK kwam op 18 november 1930 gereed en kwam op 15 januari 1931 in dienst bij de KLM. Zowel de Adelaar als haar zustervliegtuig maakten een vlucht naar Nederlands-Indië. De PH-AGA "Adelaar" vertrok op 13 november 1930 met de vliegers Smirnoff en Aler, de telegrafist Strijkers en de boordwerktuigkundigen Westrate en Waalewijn naar Batavia. Dit vliegtuig won in december 1930 op de Parijse Luchtvaartsalon de Prix d' Elegance. Op 5 februari 1931 begon de PH-AFK haar reis onder gezagvoerder Hongdong naar Nederlands Indië. In 1936 verkocht de KLM de Adelaar aan een Franse eigenaar die het bleek te hebben gekocht voor een van de partijen in de Spaanse burgeroorlog, de Spaanse Republikeinen,. Na de nederlaag werd het vliegtuig nog gebruikt door het regime van generaal Franco28.

20ste eeuw

In de 20ste eeuw bereikte Mutters & Zoon het toppunt van haar roem. Het aantal bekende schepen waar Mutters aan werkte is bijna te groot om op te noemen. Om er nog een paar te noemen: het jacht van de Shah van Perzië, het prinselijk motorjacht “Piet Hein”, het jacht van prins Rainier van Monaco. De “Piet Hein” was het “nationaal geschenk” dat door het volk werd aangeboden aan prinses Juliana en prins Bernhard. Juliana en Bernhard kwamen op 13 april 1937 per auto op bezoek op de Piet Heinstraat, met “de prins aan het stuur”, meldde de krant nog voor de volledigheid. Daar was in triplex een model van de salon, de eetzaal en slaapcabine gemaakt, met de volledige inrichting29.

Ook van een groot aantal bekende Haagse gebouwen heeft Mutters het interieur ingericht. Of de meubelfabriek in dat opzicht plezier had van de familieband met de bekende architect Johannes Mutters is niet duidelijk, maar in een aantal gevallen werkten ze beide aan het zelfde gebouw. Bijvoorbeeld aan de uitbreiding van Hotel De Twee Doelen op het Buitenhof. Verder werkte Mutters aan de feestzalen van Hotel Wittebrug, aan Hotel des Indes, het Palace Hotel en de Lunchroom van Lensvelt Nicola30.

Neergang

In september 1966 vierde Mutters nog het 150-jarig bestaan met 120 man personeel. Dat was onder leiding van een laatste generatie Mutters, de Herman Pieter die in 1954 het roer overnam. Mutters zou nog meewerken aan het interieur van het Congresgebouw31.

Toen in de jaren zestig de Nederlandse scheepsbouw achteruit ging, verlegde de firma Mutters, inmiddels onder leiding van de zesde Herman Pieter Mutters, de aandacht naar de luxe woninginrichtingsprojecten op het vaste land. Het bedrijf De Klerk Binnenbouw B.V. in Rotterdam nam in 1970 de meubelfabriek over. Nog enige jaren bleef het bedrijf de naam ‘Mutters De Klerk Binnenbouw’ dragen. Tegenwoordig is De Klerk Binnenbouw B.V. gevestigd in Nieuwerkerk aan den IJssel, waar zich nog een deel van het archief van meubelfabriek Mutters bevindt.

 

In september 1975 begon de sloop van de fabriek. Onder andere de bewonersorganisatie De Groene Eland verzette zich nog fel tegen de sloop van het historische gebouw. Het mocht niet baten.

In het verhaal opgenomen eigenaren:

Een lijst met eigenaren/directeuren met bijbehorende jaartallen heb ik niet gevonden, maar voor het overzicht van het verhaal heb ik een beperkte lijst opgenomen.

1. Johannes Mutters, vermoedelijk geboren in Den Haag.

2. Hermanus Pieter (1e) Mutters, geboren op 8 juli 1797, overleden 12 juli 1864.

3. Hermanus Pieter (2e) Mutters, geboren op 20 november 1829, overleden 16 jan 1913.

4. Hermanus Pieter (3e) Mutters, geboren op 12 juli 1855.

5. Hermanus Pieter (4e) Mutters, geboren op 15 oktober 1884. Directeur in 1919.

6. Herman Pieter (5e) Mutters, geboren op 21 maart 1938, werd directeur in 1954.

(laatst bijgewerkt op 11 februari 2009)

Verantwoording

Literatuur

• Departement ‘s-Gravenhage van de Maatschappij van Nijverheid, ‘s-Gravenhage als industriestad. Den Haag, 1913.

• Johan Gram, ‘s-Gravenhage in onzen tijd, Amsterdam 1893.

• J.M.W. van Voorst tot Voorst, ‘Twee Haagse meubelfabrieken’, in Antiek, 1975/1975, p. 357-375.

• J.M.W. van Voorst tot Voorst, ‘Haagse meubelmakers en negentiende-eeuwse meubelstijlen’, in Antiek, oktober 1974, pp 237 ev.

Op internet

http://www.dkb.nl/mutters/geschmutters.htm

Noten

1. Departement 136, Gram 87, Van Voorst tot Voorst, Twee Haagse meubelfabrieken, 367.

2. Van Voorst tot Voorst, Haagse meubelmakers, 237.

3. Van Voorst tot Voorst, Haagse meubelmakers 240-241, Departement 138-139.

4. Dit staat in het boekje ‘s-Gravenhage als industriestad’ dat geschreven werd om de Haagse industrie te promoten. De hier in opgenomen informatie over Mutters & Zoon komt van de fabriek zelf.

5. Volgens de volkstellingregisters van 1830 woonden de zoon met zijn gezin en zijn vader en moeder in de Molestraat, adres E 145. Waarschijnlijk woonden ze er in 1816 dus ook al. De zoon was kabinetwerker, de vader gepensioneerd. Maar volgens Departement bladzijde 139 nam de zoon de leiding van het bedrijf pas in 1845 op zich.

6. Huwelijk van 23 oktober 1822 (akte 328). Er wordt wel beweerd dat zij familie van Vincent van Gogh was, maar haar vader Jacobus van Gogh, broodbakker, haar moeder Elisabeth Termeulen en haar broers Gerrit Johannes en Bastiaan komen niet voor in de stamboom van Vincent van Gogh.

7. Departement 139-140, Van Voorst tot Voorst, Twee Haagse meubelfabrieken 367.

8. Van Voorst tot Voorst, Twee Haagse meubelfabrieken 375.

9. Mutters leverde meubels ‘rijk geornamenteerde’ eikenhouten meubels voor de entreekamer en de eetkamer en een ‘rijk vergulde’ penanttafel voor het boudoir. Verder zorgde Mutters voor luxe textielbehang aan wandelen en plafonds en de tapijten, overgordijnen, glasgordijnen en andere gordijnen leveren. Bronnen: Van Voorst Voorst, ‘Twee Haagse meubelfabrieken’ 367, noot: Bijzondere Rekeningen des Konings, feb. 1864, nr. 33, Koninklijk Huisarchief.

10. Van Voorst tot Voorst, ‘Twee Haagse meubelfabrieken’ 367 noot 25: Correspondentie Hofcommissie, Den Haag, 1863, Koninklijk Huisarchief. Het verzoek werd gedaan op 2 april 1683 en pas op 5 mei 1867 gehonoreerd.

11. Haagsche Courant. 20 april 1864; ook vermeld in Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage 16 april 1864.

12. Departement 140. Overigens was de fabriek ook in 1866 al klaar, dus misschien gaat het hier om de opening.

13. ‘s-Gravenhage als industriestad, 89 e.v.

14. Departement 141.

15. Algemeen verslag van den toestand der Gemeente ’s-Gravenhage over 1868 …, bijlage II, V a, fabrieksnijverheid en bijlage KK, vgl. ook mijn artikel ‘Haagse meubelmakers en negentiende eeuwse meubelstijlen, p. 243 (geciteerd bij Van Voorst tot Voorst 367, noot 29.

16. Bevolkingsregister 1861-1879.

17. Van Voorst tot Voorst, Haagse meubelmakers 241-245.

18. Van Voorst tot Voorst, Haagse meubelmakers 240.

19. Van Voorst tot Voorst, Twee Haagse meubelfabrieken 372.

20. Van Voorst tot Voorst 367-372.

21. Van Voorst tot Voorst 374.

22. Gram 84-85.

23. Gram 84-90.

24. Departement 147-148.

25. Departement 143-146.

26. Nieuwe Rotterdamsche Courant 13 juli 1914.

27. Het Vaderland van 24 oktober 1934 schreef dat dit 12 1/2 jaar geleden begonnen was.

28. Gevonden op internet: http://www.aviacrash.nl/paginas/ph-afk.htm; en http://www.nederlandseluchtvaart.nl/forums/f28-nederlandse-luchtvaart-encyclopedie-dutch-aviation-encyclopedia/fokker-f-ix-4192/

29. Haagsche Courant, 13-4-1937.

30. Vaderland 11 april 1932, Vaderland 4 feb 1932.

31. Vaderland 17 september 1966 p. 7.