Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerVilla Boschlust aan de Bezuidenhoutseweg was een van de mooiste villa's in het Den Haag van de 19de eeuw. De eerste bewoner was de bekende minister van koloniën Johannes van den Bosch. Een latere bekende bewoners was Prins Alexander. In de jaren zeventig verrees op de plek van het huis het winkelcentrum Babylon, in 2009 en 2010 wordt hier New Babylon gebouwd.

 

Over het Haagse Bos.

Meer over Frederiksoord.

Over winkelcentrum Babylon.

kopfoto

Van Villa Boschlust tot New Babylon

Deel 1: Van Villa Boschlust tot Jan Pieterszoon Coenstraat

Een van de markantste Haagse villa’s in de 19de eeuw was de villa Boschlust die in 1838 aan de Bezuidenhoutseweg werd gebouwd in een nog landelijke Bezuidenhoutse polder. Deze polder was in de Middeleeuwen al bekend als gebied waar voor het grafelijk kasteel op het Binnenhof turf werd gestoken. Later werd dit veengebied ingepolderd en meer geschikt gemaakt voor landbouw. Voor 1838 kocht een zekere Baron van den Bosch een stuk aantal stukken weiland van een zekere Gijsbertus Koolemans en liet daar, vlak bij zijn werk, een villa bouwen.

Boschlust in 1838

Villa Boschlust in 1838 (tekening P.J. Lutgers, Gemeentearchief kl. A 71)

Gijsbertus Koolemans woonde zelf aan de Bezuidenhoutseweg en bezet hier veel weilanden die hij vermoedelijk aan boeren verpachtte. Het Bezuidenhout was al eeuwen in gebruik bij boeren, maar in de 19de eeuw zou steeds meer weiland verkocht worden aan projectontwikkelaars die er woonwijkjes lieten bouwen. De villa van Baron van den Bosch was een van de eerste woonhuizen en ongetwijfeld een van de opvallendste.

Johannes van den Bosch

De hierboven genoemde Baron van den Bosch was de in 1780 in Herwijnen als zoon van een arts geboren Johannes van den Bosch. Johannes was op school geen goede leerling, maar hij studeerde later op eigen gelegenheid hard aan vakken die hij interessant vond. Hij was een praktische denker met een oneindige stroom nieuwe ideeën. Zijn werk als apothekersleerling boeide hem niet zo en hij schoolde zich daarnaast in wiskunde en bouwkunst. Hierdoor belandde hij bij de genie in het leger van de Bataafse Republiek. Enkele jaren daarvoor hadden de Fransen de stadhouder verjaagd en had de burgerij de macht overgenomen.

Johannes van den Bosch in Indië

Op zijn eerste werkplek, Indië, was hij als officier betrokken bij het in staat-van-verdediging brengen van Java. De verwachte Britse aanvallen gingen echter niet door. Enkele jaren later kocht hij een landgoed en verpachtte dit als landbouwgebied. Hierdoor kreeg hij vermoedelijk belangstelling voor landbouw. Hij bleef in het leger werken en werd uiteindelijk luitenant-kolonel en adjudant-generaal. Hij leidde enkele expedities op Java naar gebieden waar de bevolking in opstand was gekomen tegen enkele grootgrondbezitters en schreef daarover later: ‘Na vele dorpen verbrand en menige Javaan over den kling gejaagd te hebben, werd ook daar de rust schijnbaar hersteld’. Tenslotte trouwde hij in Indië met de dochter van een bevelhebber van het Indische leger, Sandol Roy, een Zwitser.

Johannes van den Bosch

Johannes van den Bosch (tekening J.H. Hoffmeister, Haags Gemeentearchief kl. B 2189)

Wegens zijn verzet tegen het beleid van gouverneur-generaal Daendels werd hij ontslagen en vertrok hij naar Nederland. Hij verkocht zijn landgoed en kon nog lang van de opbrengst leven. Hij ging boeken lezen over landbouw en economie, twee vakgebieden die hij later in zijn werk nodig zou hebben. Maar na de bevrijding van de Fransen keerde hij eerst weer terug in legerdienst.

Van den Bosch in Nederland

Ons land maakte de jaren die hierop volgden een moeilijke tijd door. Het mislukken van de landbouwoogst in 1817 bracht het land in een zware crisis waardoor in Zuid-Holland een kwart van de bevolking als ‘arm’ werd beschouwd. Hoewel het buiten zijn eigenlijke werkterrein, het leger, lag stortte Van den Bosch zich toch op het armoedeprobleem. Hij wilde armoede bestrijden door grootschalige werkverschaffing. Het ging hem er vooral om dat mensen voor zichzelf leerden zorgen. Het moest niet alleen tewerkstelling zijn of liefdadigheid. Mensen moesten in zijn koloniën worden opgeleid tot zelfstandige pachters. Door zijn enthousiasme wist hij andere mensen voor zijn ideeën te interesseren. De koning gaf toestemming tot het oprichten van een landbouwkolonie en die werd op 1 april 1818 opgericht. Johannes van den Bosch nam zelf plaats in het Dagelijks bestuur van de Permanente Commissie, samen met de sociaal bewogen Haagse advocaat J.C. Faber van Riemsdijk.

Maatschappij van Weldadigheid

Deze Maatschappij van Weldadigheid werd een landelijke organisatie met talrijke lokale subcommissies die mensen moesten selecteren voor de kolonie. Van den Bosch werkte voortvarend. In een voor het grote publiek geschreven notitie schreef hij dat de armoede werd veroorzaakt door het eigendomsrecht. Lang vóór Karl Marx dit deed schreef generaal Van den Bosch dat het geld in handen kwam van steeds minder mensen. De grote massa was geheel afhankelijk geworden van deze bezitters en het lot van de massa was erger dan slavernij. Maar anders dan Marx wilde hij eigendom niet afschaffen, omdat dit weer tot andere problemen zou leiden. Er was haast bij. Van den Bosch wees op het dreigende revolutionair gerommel in Frankrijk en in Engeland.

Plattegrond uit 1823 met de Bezuidenhoutseweg nog vrijwel onbebouwd

Detail van een plattegrond uit 1823 met de Bezuidenhoutseweg nog vrijwel onbebouwd (Haags Gemeentearchief gr. 307).

Frederiksoord

In Drenthe kocht hij in de buurt van Steenwijk een landgoed met landhuis, herberg en acht kleinere woningen. Al voordat de koop helemaal rond was bestelde hij al hout en ijzerwerk. De bouw van de eerste kolonistenwoning kon dus snel beginnen. De eerste steen van de eertse woning werd gelegd op 25 augustus 1818 en onder zijn leiding waren de eerste 52 stenen huisjes met rieten dak in november al gereed. De eerste kolonisten konden er gaan wonen. Om voldoende publiciteit te krijgen waren de eerste kolonisten uit 47 verschillende plaatsen gekozen. De mannen werkten onder leiding van vier korporaals die door de koning ter beschikking waren gesteld. Ze moesten spitwerk doen. Vrouwen en kinderen konden vlas spinnen dat werd geleverd door de Haagse Armeninrichting.

 

De kolonie werd ‘Frederiksoord’ genoemd, naar de prins. Directeur van de kolonie werd kapitein Benjamin van den Bosch, een broer van Johannes. De kolonie was een succes en werd verder uitgebreid. Er werden nieuwe taken voor de kolonisten bedacht, die beter aansloten op hun vroegere werk. Ook ging men turfsteken, steenbakken en kalkbranden. In 1820 kwam de kolonie Willemsoord klaar en werd begonnen met Wilhelmina’soord. Johannes van den Bosch was zelf steeds aanwezig en had weinig tijd om naar Den Haag te gaan. Alleen in het jaar 1819 was hij langere tijd in Den Haag. Hij huurde het landhuis Zorgvliet, maar ook daar bleef hij aan het werk: hij experimenteerde in de grote tuin van het landhuis met nieuwe gewassen.

Plattegrond uit 1839. Links van Huis ter Noot het terrein van villa Boschlust ingetekend.

Detail van een plattegrond uit 1839 met links van Huis ter Noot het terrein van villa Boschlust ingetekend (Haags Gemeentearchief gr. 605).

Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië

Zijn daadkracht bleef niet onopgemerkt en koning Willem I vroeg hem voor allerlei staatscommissies, met name als het ging om koloniale en sociaal-economische kwesties. Van den Bosch zat boordevol ideeën, had een grote wilskracht en een onverwoestbaar optimisme. Hij werd, enigszins tegen zijn zin, voor korte tijd naar West-Indië gezonden. Het werk voor de Maatschappij van Weldadigheid was immers nog lang niet af. Maar hij was nog niet terug in Nederland of hij moest gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië worden. Alleen omdat het een benoeming was voor slechts drie jaar had hij belangstelling. Hij verbleef er van 1830 tot 1834.

Van den Bosch en het Cultuurstelsel

In Nederlands (Oost)-Indië richtte Van den Bosch zich vooral op de landbouw. Hij moest iets aan de overheidsfinanciën doen en daarom de landbouwproductie verhogen. Hij voerde het bekende Cultuurstelsel in. Javaanse boeren werden verplicht om op een vijfde deel van hun grond landbouwproducten te verbouwen voor de regering. Dat was een soort belasting. Het systeem werkte niet zo goed als het door Van den Bosch was bedoeld.

Van den Bosch als minister van Koloniën

Nog geen twee weken na zijn aankomst in Nederland, was hij (op 30 mei) minister van Koloniën. Hij stond nu duidelijk een conservatieve koers voor en had geen belangstelling meer voor het lot van de armen. De financiële opbrengsten van de koloniën werden belangrijker dan het welzijn van de lokale bevolking. De koning beloonde hem met de verlening van adellijke titels. Eerst werd hij baron (in 1835) en daarna graaf (1839). In 1839 accepteerde de Kamer zijn de onduidelijkheid in zijn financiële beleid niet meer en trad hij af als minister.

In 1842 werd hij lid van de Tweede Kamer namens Zuid-Holland. Na een korte ziekte overleed hij in januari 1844.

Boschlust aan de Bezuidenhoutseweg

Van den Bosch moest nu dus in Den Haag gaan wonen. In de eerste helft van de 19de eeuw was er nog geen mogelijkheid om uitgebreid te gaan forenzen. De populairste vorm van openbaar vervoer was de trekschuit, maar dat ging niet snel. Van den Bosch kon geen huis vinden dat een grote tuin had. Hij kocht daarom in mei 1836 een stuk grond aan de Bezuidenhoutseweg. Uit de grootte van het perceel kunnen we afleiden dat hij met een grote tuin eigenlijk een park bedoelde. De Bezuidenhoutseweg had toen nog geen bebouwing vanaf hotel Bellevue aan de Rijnstraat en het huis Ter Noot. De grond lag tegenover de Koekamp op de plek van New Babylon en de daarachter gelegen parkeergarage.

 

Van den Bosch had in 1834 al contact gehad met een architect, maar uiteindelijk koos hij J.D. Zocher uit Haarlem uit voor de aanleg van het huis en de tuin. Van den Bosch koos zelf de vruchtbomen die in de tuin kwamen te staan.

 

Zocher ontwierp een royaal herenhuis met twee vleugels en mocht voor het huis de beste kwaliteit steen gaan gebruiken. Binnen kreeg het huis marmeren vloeren en Parijse spiegels, en dat was blijkbaar heel chique. In 1836 had Van den Bosch een erfenis van bijna een half miljoen gulden gekregen, dus geldproblemen zou hij er niet snel door krijgen. Het huis werd gebouwd door aannemer Harm Wind uit Smilde, die Van den Bosch ongetwijfeld via de Maatschappji van Weldadigheid had leren kennen. Die bouwde het voor f. 70.000 en had het op 1 mei 1838 klaar. Door allerlei nakomend meerwerk werd het huis natuurlijk weer veel duurder, maar uiteindelijk stond er dan ook een prachtig landhuis in een prachtig park. Het huis kreeg de naam ‘Boschlust’. Het had wel iets van een koloniaal huis, met zijn hoge, ruime kamers en de open vóórgalerijen, en dat was waarschijnlijk ook de bedoeling van de oud-koloniaal die Van den Bosch natuurlijk was.

Villa Boschlust, Bezuidenhoutseweg in 1838

Villa Boschlust in 1838 (A. Mensing, Haags Gemeentearchief kl. B 108).

Jan David Zocher was een bekende Nederlandse architect, die zich ook bezig hield met het ontwerpen van wijken en ook tuinen. Hij was een van de bekende Nederlandse architecten die in de Franse tijd een beurs kreeg om in Parijs bouwkunde te studeren. Hij werkte ook voor koning Willem I. In Den Haag ontwierp hij de 19de-eeuwse nieuwbouwwijk Willemspark.

Prins Alexander en Boschlust

Na het overlijden van Johannes van den Bosch in 1844 kocht Prins Alexander het huis Boschlust. Alexander was een zoon van koning Willem II en Anna Paulowna en was toen bijna 27-jaar. Hij woonde tot dan toe met zijn broer Hendrik op paleis Noordeinde, maar verhuisde in 1845 naar Boschlust. Alexander zou er niet lang wonen. Hij overleed op jonge leeftijd, in 1848 op Madeira. Boschlust werd toen geërfd door zijn ouders. Die hadden er geen belangstelling voor en zijn moeder verkocht het huis in maart 1851 aan Cornelis Suermondt, iemand uit een Rotterdamse familie van wijnkopers. Die woonde er met zijn gezin tot zijn overlijden in 1883.

Villa Boschlust tegenover het Haagse Bos

Villa 'Boschlust' aan de Bezuidenhoutseweg.

Boschlust als Villa Suermondt

Cornelis Suermondt was geboren in 1815 Rotterdam geboren en was 36 jaar toen hij de villa kocht. Hij was getrouwd met de zes jaar jongere Elisabeth van Hoboken. Twee dochters en een zoon waren in Rotterdam geboren, twee dochters zouden op 25 juni 1855 geboren worden terwijl het gezin in Boschlust woonde. Naast de familie woonden er knechten en dienstbodes in het huis. Het gezin Suermondt woonde buiten Den Haag niet zomaar in de natuur, want op het eind van de jaren 1860 begon de aanleg van het Station Rijnspoor, dat op 1 mei 1870 geopend werd. De familie kan Vincent van Gogh nog gekend hebben, want die woonde in zijstraat langs hun tuin, de Schenkweg, op nummer 138, later 136. Vincent van Gogh zal dagelijks tussen het station Rijnspoor en hun tuin hebben gelopen op weg naar zijn werk op de Plaats.

Kaartje met Villa Boschlust ingetekend in situatie van 2010

Villa Boschlust en park ingetekend in situatie van 2010. In lichte tinten de situatie van nu. In zwart de straten uit de tijd van Villa Boschlust, het Panorama Wauters aan de Bezuidenhoutseweg, in blauw en groen het water en groen van het park van Boschlust. Babylon ligt precies op de plaats waar Babylon / New Babylon ligt. De links aangrenzende Schenkweg liep dwars door het huidige station. Ter hoogte van het Prins Bernhardviaduct lag aan deze weg het huis van Vincent van Gogh. Panorama Wauters heeft korte tijd aan de Bezuidenhoutseweg gestaan. Het was vergelijkbaar met Panorama Mesdag, maar was op den duur niet succesvol. De route naar het vroegere Station Staatsspoor lag naar de kant van de binnenstad en niet, zoals later naar de kant van het Malieveld.

Erven Suermondt

Nadat Cornelis Suermondt in 1883 overleden was, bleef het huis nog een tijd staan en werd het vermoedelijk bewoond door een van de kinderen. Het was van de erfgenamen, vrouw en kinderen, waarschijnlijk al snel de bedoeling om het huis af te breken en het land te gebruiken voor de aanleg van een woonwijkje. Ze namen hiervoor de bekende Haagse architect W.B. van Liefland in de hand. Twee mensen probeerden in de jaren rond 1890 nog Boschlust te behouden en hier het Rijks Ethnografphisch museum in onder te brengen. Dat waren Jhr. Mr. J.K.W. Quarles van Ufford en Pieter Jacobus van Houten. Quarles van Ufford (zie biografie) was advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden. In 1850 werd Quarles tot adjunct-commies aan het Ministerie van Binnenlandsche Zaken benoemd. Thorbecke was toen Minister. Van Houten was een de vele Hagenaars die in Indië rijk was geworden en nu in Den Haag rentenierde. De familie Suermondt werkte niet mee aan de schappelijke koopprijs en daarom vroeg Van Houten de gemeente om een bijdrage om het huis toch te kunnen kopen. De gemeente wilde er geen geld in steken. Het Rijks Ethnographisch Museum bleef in Leiden en staat daar nu bekend als Museum Volkenkunde.

Woonwijk in het Bezuidenhout

Op 20 december 1889 vroeg architect W.B. van Liefland namens de familie Suermondt bij de gemeente toestemming een nieuw wijkje aan te leggen. De enige wijzigingswens van de gemeente was dat de twee straten die op de Bezuidenhoutseweg uitkwamen twee meter breder zouden worden. Die moesten veertien meter breed worden in plaats van twaalf. De gevels van de huizen mochten niet hoger zijn dan de breedte van de straat. Verder moest de grond voor de straten kosteloos worden afgestaan aan de gemeente. Die zou op kosten van familie Suermondt de riolering en de straten aanleggen.

 

In 1890 nam de gemeente de straten van het bouwproject over en kregen de straten een naam: Jan Pietersz. Coenstraat, Daendelsstraat, Laurens Reaelstraat en Pieter Bothstraat. In 1891 werden rioleringsbuizen gelegd en de trottoirs aangelegd. Enkele straten in de buurt waren al naar Johannes van den Bosch genoemd, maar vreemd genoeg werd een van de straten op zijn eigen Boschlust genoemd naar Daendels. Dat was juist de gouverneur-generaal waarmee Van den Bosch het zo oneens was dat Daendels hem ontsloeg en naar Nederland stuurde.

 

In de jaren 1890 tot 1894 werd het bouwterrein door de familie opgedeeld in bouwpercelen en straten en werden de bouwpercelen verkocht aan een groep aannemers en particulieren. Metselaar Pieter Lammens, Arie Lammens en timmerman Anthonie Lammens en Huibertus Lammes bezaten de meeste percelen, maar er waren veel meer nieuwe eigenaars. Zij zullen de huizen hebben gebouwd of hebben laten bouwen en de aannemers zullen de huizen hebben doorverkocht. De verkoop van deze huizen viel ongeveer samen met de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk Duinoord. De ontwikkelaars van dit project prezen in reclamecampagnes het wonen op duingrond aan als gezond. Wonen op veen, zoals in het Bezuidenhout, werd afgeraden. Na een aanvankelijke aarzeling bezweken mensen toch voor de mooie huizen en de mooie omgeving in het Bezuidenhout, ondanks het veen. Het Bezuidenhout groeide maar langzaam en werd niet in enkele jaren gebouwd. Tegen het nadeel van de felle reclamecampagnes stond dat het Bezuidenhout dichter bij het centrum van Den Haag lag. Uiteindelijk kochten juist welgestelden de grote woningen die hier gebouwd werden.

Café Boschlust

De naam Boschlust kwam na afbraak van de villa overigens weer terug. Er was een café Boschlust, maar dat brandde in 1973 af. Het werd afgebroken en in de plaats daarvan kwam een flatgebouw met zes etages, op de hoek van de Bezuidenhoutseweg en de Utrechtsebaan.

Jan Pieterszn. Coenstraat, Den Haag, juni 1965

Jan Pieterszn. Coenstraat gezien vanaf de Bezuidenhoutseweg naar de Cornelis Speelmanstraat, juni 1965 (Dienst voor de Stadsontwikkeling / Haags Gemeentearchief)

Kantoren

Toen door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de economie slechter werd, bleken veel mensen het wonen in die grote huizen niet meer te kunnen betalen. Ze gingen kleiner wonen en verkochten of verhuurden hun huis in het Bezuidenhout. Vaak waren het bedrijven die interesse hadden voor deze grote panden en al vóór de Tweede Wereldoorlog was het Bezuidenhout al een beetje een kantorenwijk geworden.

 

Daarnaast nam de aantrekkelijkheid van het Bezuidenhout als woonwijk enigszins af door het toenemende verkeer. De Laan van Nieuw Oost-Indië werd een drukke verkeersweg toen de snelweg vanuit Utrecht gereedkwam en op deze laan uitkwam. Om deze rustige, statige en boomrijke laan te verbreden werden de bomen gekapt.

 

Ondanks of misschien dankzij deze verkeersdrukte zagen stedenbouwkundigen nog een ander probleem van het Bezuidenhout. Na de aanleg van Station Staatsspoor (het huidige Centraal Station) en het spooremplacement rond 1870 konden er geen nieuwe wegen worden aangelegd tussen Den Haag en het Bezuidenhout. De Bezuidenhoutseweg werd een verkeersknelpunt. Pas later werd een spoorwegovergang gemaakt naar de Rivierenbuurt.

Bombardement op het Bezuidenhout

Voor de oorlog stonden er in het Bezuidenhout veel van die grote panden leeg, maar in de oorlog kwam Den Haag ineens huizen te kort toen de Duitsers langs de kust een verdedigingslinie aan gingen leggen. De kuststrook moest worden ontruimd, huizen werden afgebroken en wie daar woonde of werken moest verhuizen. Veel bedrijven en instellingen verhuisden hun kantoor naar een van de grote panden in het Bezuidenhout. Dat waren veel overheidsinstellingen en bijvoorbeeld de administratie van het Gemeentemuseum.

 

Het Bezuidenhout was een overvolle woon- en kantoorwijk toen het op 3 maart 1945 getroffen werd door bommen van geallieerde vliegtuigen. Het bombardement moest de lanceerinstallaties van Duitse V-1 raketten in het Haagse Bos uitschakelen, maar door een fout van een inlichtingenofficier wierp een deel van de geallieerde bommenwerpers hun bommen op het Bezuidenhout. De schade was enorm. Grote delen van de wijk waren verwoest en er vielen honderden doden.

Oorlogsschade bombardement Bezuidenhout

Verwoestingen na het bombardement op het Bezuidenhout (foto Gemeentepolitie / Haags Gemeentearchief)

Een nieuw stadscentrum in het Spuikwartier

De huizen op het terrein van Boschlust werden niet getroffen, maar grote delen van de wijk ernaast waren verwoest. De schade was zo groot dat hele straten onherstelbaar verwoest waren. Omdat men in het aangrenzende Spuikwartier al eerder straten met zeer slechte woningen wilde slopen was er ineens een groot gebied waar stedenbouwkundigen nieuwe plannen voor konden maken.

Kaart met schade na het bombardement

Schade aan panden na het bombardenent. Groen geeft lichte schade aan, rood is onherstelbaar verwoest (Detail van kaart z.gr. 1588, Haags Gemeentearchief)

Stadsbouwmeester Dudok kwam vlak na de oorlog met het eerste plan. Hij wilde een compleet nieuw regeringscentrum aan leggen in het Spuikwartier, het aangrenzende Bezuidenhout en de Koekamp. Er zouden ministeries gebouwd worden, een groot nieuw station “Bezuidenhout” en spoor- en autowegen. De huizen die op de plaats van de vroegere villa Boschlust stonden, lagen daar net tussenin.

Plannen voor Bezuidenhout/Spuikwartier

Op zijn plannen kwam veel kritiek. Ze waren te grootschalig en bovendien te duur. Er kwamen nieuwe plannen, maar ook die waren grootschalig en duur. Het rijk had wensen en het toenemende verkeer moest worden opgevangen. Het rijk had veel werk door de wederopbouw en het toenemend aantal overheidstaken en veel rijksambtenaren zaten verspreid door de stad op verschillende locaties. Het rijk wilde hen concentreren in een paar nieuwe ministeries die in het centrum van Den Haag moesten worden gebouwd. Het toenemende verkeer baarde Den Haag al langer zorgen en nu stelde het rijk ook eisen. Den Haag moest een goede aansluiting krijgen op de nieuwe autosnelwegen. Ook het openbaar vervoer zou groeien. In elk plan kwamen snelwegen door het Bezuidenhout en een groot station op de hoek van de Rijnstraat en de Bezuidenhoutseweg voor. kwam ook in elk nieuw plan. Dat station zou het oude Station Staatsspoor moeten vervangen, ondergronds worden aangelegd en een ondergrondse spoorlijn naar Scheveningen of ook naar Bouwlust krijgen. Boven de spoorlijn zou een snelweg komen, met aftakkingen naar rondwegen rond de binnenstad.

Jan Pieterszoon Coenstraat en omgeving

Jan Pieterszoon Coenstraat en omgeving op een Engelse plattegrond uit de Tweede Wereldoorlog. In het midden van deze straten staat de plek van Babylon in geel ingetekend en de gele lijn is ongeveer het traject van de huidige Utrechtsebaan. Op de kaart staat de Duitse tankwal ingetekend, langs de Benoordenhoutseweg en door het Haagse Bos. (Haags Gemeentearchief, collectie kaarten, fragment van kaart z.gr. 0120)

Nieuwe plannen voor Bezuidenhout/Spuikwartier

Ook op de nieuwe plannen kwam kritiek en ook deze plannen bleken te duur. gaven In nieuwe en goedkopere plannen zoals Forum en De Nieuwe Hout werd het station daarom niet ondergronds aangelegd, maar op de begane grond. Dat was goedkoper, maar dat betekende wel er geen snelweg kon komen boven het spoor. Die snelweg werd in latere plannen opgeschoven en werd later aangelegd als Utrechtsebaan. De Rotterdamse baan die zou worden aangelegd op het tracé van de Binckhorstlaan en de Lekstraat en Rijnstraat, ging helemaal niet door.

Ministeries

In de jaren vijftig ging men aan het werk. Allereerst startte men in maart 1957 aan met het rijkskantorengebouw op de hoek van de Bezuidenhoutseweg en de 1ste Van den Boschstraat. Het werd naar ontwerp van rijksbouwmeester G. Friedhoff in een aantal blokken gebouwd. De meeste blokken werden gebruikt door het Ministerie van Landbouw en Visserij, een van de andere door de Luchtmachtstaf. Tegenover het Ministierie van Landbouw en Visserij was op Bezuidenhoutseweg 30 al het Ministerie van Economische Zaken gevestigd. Toen dit daar in 1917 geopend werd heette het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel.

 

In de jaren zeventig zou men naast deze rijksgebouwen de tunnel van de Utrechtsebaan gaan gegraven. Daarvoor moest een deel van het Bezuidenhout worden gesloopt en een stuk van het Haagse Bos worden gekapt. Tussen de Utrechtsebaan en Station Staatsspoor was grond gereserveerd voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Koninklijke Bibliotheek en het Algemeen Rijksarchief. Een deel van de huizen in dit gebied was sinds maart 1945 al verwoest. De andere zouden worden gekocht of onteigend en daarna gesloopt. De gemeente was al panden gaan kopen in dit gebied.

Van woongebied tot sloopgebied

Het gebied van de J.P. Coenstraat en andere straten op het terrein van villa Boschlust was men niet vergeten. Men wilde de fraaie straten niet behouden, want zij pastten niet tussen alle hoogbouw. Alle ministeries en wegen waren al gepland, dus werd dit gebied aangewezen als locatie van een kantoorgebouw. Daarnaast was een rijkskantoor gepland met onderin een grote parkeergarage.

 

Direct na de oorlog had de gemeente in deze straten al panden gekocht omdat er zo’n tekort was aan kantoren. Veel huizen in deze straten waren kantoor van allerlei organisaties, instituten en bedrijven, maar er woonden ook nog steeds rijke particulieren. De internationaal bekende internist J. Koopman was ook muziekliefhebber en had in zijn grote huis een grote muziekbibliotheek. In kranten kom je advertenties tegen waarin dienstbodes werden gevraagd in een van de grote huizen. Maar verder waren hier kantoren gevestigd van handelsondernemingen, van TNO, het Nationaal Rheumafonds, van advocaten en makelaars. Op Jan Pieterszoon Coenstraat 34 zat de bekende dansschool Académie de Danse Rocco Dubois, “het summum op dansgebied en amusement”.

Verzet tegen sloop

Burgers verzetten zich nog tegen de sloop, maar dat was vergeefs. Zij dachten dat de kapitale huizen van de Jan Pieterszoon Coenstraat mooi zouden staan op het nieuwe stationsplein, maar zij wisten nog niet hoe het Centraal Station er later uit ging zien. Stadsbouwmeester Van der Sluys vond de panden aan de Jan Pieterszoon Coenstraat niet karakteristiek genoeg om te worden behouden. In de jaren zestig werden daarom allerlei onteigeningsprocedures in gang gezet. Op 14 juli 1965 gaf de gemeenteraad toestemming om percelen aan de Jan Pieterszoon Coenstraat en omgeving te onteigenen of te kopen en te slopen om Station Staatsspoor uit te kunnen breiden.

 

Enkele jaren later moesten de huizen met oneven nummers van de Daendelstraat worden gesloopt voor een noodweg die moest worden aangelegd om de bouw van de Utrechtsebaan mogelijk te maken. Vele panden waren al eigendom van de gemeente1.

Kaalslag in Bezuidenhout, ca. 1970

Kaalslag in het Bezuidenhout. In de verte de overkapping van het Station Staatsspoor, vooraan de Francois Valentijnstraat, het huizenblok daar rechts boven staan nog enkele huizen aan de Daendelstraat (Haags Gemeentearchief, foto 880964)

 

Voor deel 2, de aanleg van Babylon zie Babylon aan de Bezuidenhoutseweg.

Verantwoording

Deze versie van de pagina is van 12-05-2010.

Literatuur

• Susan Legêne, Johannes van den Bosch op de website van het IISG.

• Peter Wander, Haagse Huizen van Oranje. Vier eeuwen paleizen en huizen van de Oranjes in en om de Residentie, Den Haag 1982.

• J.J. Westendorp Boerma, Een geestdriftig Nederlander, Amsterdam, 1950

Noten

1. Diverse advertenties en artikelen in de Haagsche Courant. Verder: Haagsche Courant 16 januari 1964, 29 mei 1964 en Binnenhof 19 april 1968..