Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerDe geschiedenis van de Nieuwe Haven deel II. Voor het eerste deel zie deel 1.

Nieuwe Haven in 1880

Geschiedenis van de Nieuwe Haven II

(foto boven: Gemeentearchief Den Haag).

Sjiek en volks

Aan de zuidkant (linkerkant op kaarten) van de Nieuwe Haven waar nu het gezondheidscentrum staat stonden geen huizen, maar aan de andere kant wel. De bebouwing zal aan deze kant gemengd zijn geweest. Aan de westkant (bovenkant volgens de kaart) woonden rijke mensen zoals Armand Francois Jules Armand, graaf van der Duyn, heer van Maasdam. Van der Duyn werd bekend toen hij samen met Van Hogendorp en Van Limburg Stirum na het plotselinge vertrek van de Franse legers in 1813 een voorlopige regering vormde, in afwachting van de terugkeer van koning Willem I. Hij was hierna lid van allerlei hoge commissies en was van 1817 tot 1844 gouverneur van Zuid-Holland. Hoewel hij voor de koning werkte, had hij moderne opvattingen. Hij wilde als 19de eeuws liberaal meer invloed van de burgerij op de regering en Willem I voelde daar niets voor. Pas met de grondwet van 1848 zou de burgerij invloed krijgen. Het huis van Van der Duyn werd in 1971 afgebroken voor de aanleg van het Prins Bernhardviaduct ondanks protest van diezelfde burgerij.

 

Het nu helaas afgebroken gedeelte van de Nieuwe Haven bij de Turfmarkt was dus wel sjiek te noemen. Het verlengde van de Nieuwe Haven, waar het Wijnhaven werd genoemd, was zelfs zo goed dat een beroemdheid als Mozart er logeerde. De toen nog jonge Wolfgang Amadeus Mozart verbleef met zijn ouders en zus Nannerl de eerste maanden in het hotel La Ville De Paris, op de hoek van de Fluwelen Burgwal. De familie Mozart bracht zeven maanden in Den Haag door. Mozart gaf concerten in Den Haag en Amsterdam en schreef hier zijn Haagse Composities, KV 22 t/m KV 32. Toen het hotel te duur werd logeerde de familie in een huis aan het Spui, waar een gevelsteen daar nog aan herinnert.

Nieuwe Markt / Wijnhaven

Nieuwe Markt / Wijnhaven met rechts in het wit hotel La Ville de Paris. Hier logeerde Mozart enige tijd (Haags Gemeentearchief).

Op het eind van de 19de eeuw was deze kop van de Nieuwe Haven nog steeds niet arm. Julius van de Sande Bakhuijzen, een schilder van de Haagse School, was hier toen een andere bekende inwoner. Het is onbekend of hij de Nieuwe Haven heeft geschilderd. De schilders van de Haagse School waren vooral geïnteresseerd in de lieflijke taferelen van het buitenleven. Dat konden zij toen nog direct buiten Den Haag vinden: de duinen begonnen al bij de Laan van Meerdervoort, de Trekvliet met zijn molen was niet ver en Scheveningen met zijn bomschuiten was ook nog erg mooi. Bakhuijzen heeft van de omgeving wel een aquarel van de niet zo pittoreske metaalfabriek Enthoven aan het Zieken nagelaten, die tot de collectie van het Haags Gemeentemuseum hoort.

 

Aan de overkant van het sjieke gedeelte lag een stukje straat dat Heemstee of Heemstede werd genoemd. Dat is vermoedelijk genoemd naar een 'heer van Heemstede' die een huis aan de Houtmarkt had. In een ander verband wordt een Hugo van Heemstede genoemd die eigenaar was van een daarachter gelegen blekerij. Zelfs in de 19de eeuw wordt er aan Heemstede nog een blekerij genoemd. Vreemd genoeg zie je daar op oude stadskaarten geen bleekvelden. Je ziet er huizen met mooie tuinen. Heemstee liep uit op een nog smallere kade, Wijd en Zijd genoemd. De herkomst van de naam slaat mogelijk op het wijdse uitzicht over de (bleek)velden.

Nieuwe Haven 6

Het huis Nieuwe Haven 6 tijdens de onthulling van een gedenksteen aan Van der Duyn van Maasdam. Het in de 18de eeuw gebouwde huis zou in 1971 onder veel protest worden gesloopt. (foto Gemeentearchief Den Haag).

Politiebureau Nieuwe Haven

In 1968 haalt een niet met naam genoemde 'oudste medewerker' van de Haagse Courant herinneringen op aan de Nieuwe Haven. Hij beschrijft de buurt niet zo lovend als een woonwijk voor "scharesliepen, lorrebazen, orgeldraaiers, ballonnetjesmannen" en "nietsnutten die al moe werden als ze een ander zagen werken". Aan de Nieuwe Haven was ook een politiebureau gevestigd. Dat leek in deze buurt wel nodig te zijn als je leest dat bij 'Jantje de Graaf, indien dronken acht agenten vaak niet mans genoeg waren om hem naar het bureau te transporteren.' Een Gerritje Pohl, "gewezen schoenmaker, later aapjeskoetsier (koetsier van een aapje, ofwel een soort taxi) alias snorder" deed niet veel voor hem onder. De oudste medewerker van de Haagse Courant beëindigt zijn opgewonden verhaal met "In deze buurt heerste armoede, landloperij, lage ontucht." Het gebied van het politiebureau Nieuwe Haven had zijn beruchte plekken. De Bagijnestraat en omgeving wemelde van de bier- en danshuizen, die meestal verkapte bordelen waren. Het bureau was ondergebracht in een van de herenhuizen, vermoedelijk het huis van Van der Duyn van Maasdam. Van de vier politiebureaus die Den Haag toen telde (Groenmarkt, Keizerstraat, Alexanderveld, Nieuwe Haven) was het als centrumbureau het meest roerige. Na het bombardement op het Bezuidenhout op 3 maart 1945 was het bureau een van de eerste opvangadressen van slachtoffers.

Nieuwe Haven rond 1900

Nieuwe Haven rond 1900 met links een bleekveld. Het straatje met de huisjes aan de overkant is het Wijd-en-Zijd. Verderop naar links toe is de Ammunitiehaven (Gemeentearchief Den Haag).

Demping van grachten

Aan de haven was toen al een eind gekomen. De grachten waren berucht om hun stank. Afval werd in de grachten gegooid en de inhoud van 'sekreten' en 'privaten' belandde daar ook. Ook de industrieën loosden hun afvalstoffen in de grachten. In de loop van de 19de eeuw was het blijkbaar erger geworden.In 1884 schreef het Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage dat 'Dier nog plant kunnen er eenigen tijd het leven in behouden. Het zogenaamde water is modder geworden. Maagberoerend zijn de walmen die er uit opstijgen.' De winkeliers aan het Spui en Turfmarkt klaagden dat hun nering afnam en de hotels trokken minder gasten. Het grachtwater was zelfs gevaarlijk voor de gezondheid, want het verontreinigde het drinkwater dat door de bevolking bij de stadspompen werd gehaald. Den Haag werd enkele keren door cholera- en tyfusepidemien getroffen. In 1866 overleden 970 mensen aan de cholera. Een van de ergst getroffen gebieden lag in de Rivierenbuurt, de Oranjebuitensingel. De oorzaak van cholera was eerst nog niet bekend, maar het werd langzamerhand wel duidelijk dat de meeste slachtoffers in de arme wijken vielen.

Nieuwe Haven in Den Haag

Nog een oude foto van de Nieuwe Haven (Gemeentearchief Den Haag)

De Haagse arts J.H.W. Schick was een van de eersten die het voorkomen van cholera en tyfus in verband bracht met slecht drinkwater uit de grond. Dat deed hij in zijn boekje "Over de Gezondheidstoestand van 's-Gravenhage". Vooral in de volksbuurten die op veengrond waren gebouwd was er door slechte riolering gevaar voor de volksgezondheid. Hij pleitte in 1852 voor betere riolering en andere maatregelen voor gezonder grachtwater. In 1865 pleitten zestien Haagse artsen voor een waterleiding. Maar het Haagse stadsbestuur was niet overtuigd van het nut en vond dat dit te veel geld ging kosten. Allereerst ging men de stank te lijf. Vooral op verzoek van bewoners van grachten werden vanaf 1860 enkele grachten gedempt: Schedeldoekshaven, Ammunitiehaven, een deel van het Spui en de Lutherse Burgwal en Paviljoensgracht. De havenfunctie kon blijkbaar door andere havens worden overgenomen. Vermoedelijk speelde de opkomst van de spoorwegen hierbij ook een rol. Pas in 1901 kwam er door aanleg van de nieuwe Laakhaven weer havenruimte bij.

 

Demping van de Nieuwe Haven liet nog op zich wachten. Ook hier was stankoverlast het motief. Maar er waren ook tegenstanders van demping omdat de haven nodig zou zijn voor de scheepvaart. Mr. J.H. Valckeniers Kips, voorzitter van de Vereeniging van Handel en Nijverheid, schrijft in een open brief in 1892 dat de demping nodig is wegens het 'ongezonde, walgelijke en onreine van onze binnengrachten'. Hij is het niet eens met de tegenstanders van de demping die beweren dat de binnengrachten niet voor de handel kunnen worden gemist. Hij schrijft dat het merendeel van de schuiten die in de havens liggen niet voor vervoer worden gebruikt, maar slechts gebruikt worden als drijvende pakhuizen en winkels. Hij somt op: 30 schuiten aan de Turfmarkt, 10 aan de Nieuwe Haven en 5 aan het Spui, maar de meeste zijn drijvende pakhuizen en winkels. Die doen de gevestigde winkeliers oneerlijke concurrentie aan omdat zij slechts een luttel bedrag aan liggeld en een zeer laag bedrag aan belasting betalen. Daarom hebben sommige handelaars zelfs lege schuiten voor hun winkels gelegd om te voorkomen dat drijvende winkeliers daar aanleggen. De meeste kolen en aardappelen die op deze grachten zouden worden aangevoerd komen volgens hem niet meer per schip, maar per spoor. Ook de steenkolen komen op het station aan. Hij bewijst zijn stelling doordat de meeste aardappelen uit Duitsland, Oostenrijk of Frankrijk komen. Per schip komen alleen de aardappelen uit Nederland. De weinige schepen die nu aanleggen op de Turfmarkt en Nieuwe Haven zouden ook aan kunnen leggen op de Zuidoost Binnensingel. De tegenstanders van de demping hebben natuurlijk meer onze sympathie. Publicist Johan Gram klaagt in 1905 al dat het oude Den Haag niet meer bestaat: "De Stille en Amsterdamse Veerkade, Hout- en Turfmarkt, Nieuwe Haven, zijn parodieën op brede straten en boulevards; het zijn parvenu's die den hoed en den mantel hebben aangepast van lieden, wier gestalte niet het allerminst op de hunne gelijkt. Was het voor de gezondheid van de bewoners nodig om die stinkende grachten te dempen en aldus het Hollandse karakter van de stad voorgoed te bederven?" De aanleg van riolen was volgens hem voldoende geweest. Het gemeentebestuur heeft er volgens hem alles aan gedaan om de Nieuwe Haven te verpesten. Klakkeloos werden de hoge bomen gerooid. "In plaats van de hoge bomen te eerbiedigen en het gedempte deel te bestemmen tot brede rijweg en de vroegere kades tot trottoir te bestemmen, velt men de mooie hoge bomen en bestemt het middengedeelte voor de voetgangers, maar die maken er geen gebruik van." De demping trekt blijkbaar ook onwelkom verkeer aan want verderop schrijft hij: "De bevolking der zijstraten die op de nu gedempte Nieuwe Haven uitkomen, brengt een lawaai en geschreeuw in deze buurt, die de rustige bewoners allesbehalve welkom is. Nog menigmaal zullen de Nieuwe Havenaars de aansluiting met die luidruchtige overburen betreuren."

Licht, liefde, leven

Al voordat de Nieuwe Haven werd gedempt stond er al een schoolgebouw. Die school was nog niet de ambachtsschool, maar een school van de vereniging “Licht, Liefde, Leven”. Deze vereniging had een “neutrale” naai- en breischool opgericht, naast een bestaande school die alleen voor orthodox-hervormde kinderen was. Een verklaring voor de curieuze naam “Licht, Liefde, Leven” is niet meer te vinden. Toen De vereniging de naai- en breischool wilde uitbreiden met een bewaarschool moest daarvoor een nieuw gebouw worden neergezet. Men vond voldoende geld bij medestanders, zodat in 1865 van 'metzelaar Willem Hendrik van Zanten' een stuk grond kon worden gekocht. De grond lag aan de Nieuwe Haven, maar omdat de gracht er nog lag had het de ingang aan het Lamgroen. De school die het volgende jaar gereed kwam was voor die tijd modern. Het stijlvolle witte gebouw had centrale verwarming en petroleumverlichting. De centrale verwarming was financieel te hoog gegrepen en werd na drie jaar vervangen door kachels. Begin 1867 werd de gecombineerde Handwerkschool en Bewaarschool plechtig geopend. Mej. J. Kaakebeen werd aangesteld als directrice van de school die officieel 'School voor Vrouwelijke Handwerken van nut en smaak' heette. Er was een klas voor betalende leerlingen en een voor leerlingen waarvoor het schoolgeld door derden werd betaald. Door onenigheid over de doelstellingen kende de school een kort bestaan. De schoolvereniging verloor veel leden en het aantal leerlingen liep terug. Het gebouw werd daarom te duur en moest verkocht worden. In 1873 vond het bestuur een koper in de Ambachtsschool.

De oude ambachtsschool

De oude ambachtsschool zoals gebouwd als naai- en breischool door de vereniging Licht, Liefde, Leven. Voor de ramen kijken leerlingen nieuwsgierig naar de fotograaf.

Ambachtsschool

Den Haag liep niet voorop met de oprichting van een ambachtsschool. Aan zo’n school was al langer behoefte. Tot 1798 zorgden de ambachtsgilden voor een goed opleidingssysteem voor ambachtslieden. In dat jaar werden de gilden opgeheven omdat ze door allerlei regelgeving concurrentie beperkten. De opleiding van nieuwe ambachtslieden werd aan particuliere ondernemers overgelaten en in de praktijk gebeurde daar te weinig aan. Opleiden kostte geld. Om die reden duurde het dus lang voordat er een nieuwe vorm van opleiding kwam. De eerste ambachtsschool verrees in Amsterdam in 1861. Pas jaren later waren het leden van een Haagse werkgeversvereniging die de vereniging "De Ambachtsschool te ’s-Gravenhage” oprichtten. Zij konden bijna driehonderd donateurs vinden die een groot of klein geldbedrag gaven. Het belang van particuliere giften was groot omdat de overheid het belang van goed onderwijs nog niet voldoende onderkende. De Provincie gaf een subsidie van f. 2.000, maar de gemeente en het rijk zouden pas later subsidies gaan toekennen. Onder de donateurs van het eerste uur vinden we bekende Hagenaars als de industrieel Enthoven, houtzager Van Gogh, bakker Lensvelt. Dr. A. Vrolik droeg ook nog een aanzienlijk bedrag bij.

 

Door de problemen van de vereniging Licht, Liefde, Leven kwam er juist op tijd een schoolgebouw vrij dat voor fl. 25.000 kon worden gekocht. Na de overdracht moesten allerlei kleinere verbouwingen plaatsvinden en werd de ingang verplaatst naar de Zuidoost Binnensingel. Op 11 september 1873 vond de plechtige opening plaats. De school startte de lessen met 41 leerlingen, 4 leraren, 4 praktische onderwijzers en de eerste directeur H. L. Boersma.

 

Hoewel er al een paar ambachtsscholen waren blijkt uit het archief van de school dat men nog niet precies wist hoe men een technische opleiding vorm moest geven. De duur van de opleiding werd vastgesteld op 3 jaar. De opleidingsduur kon niet te lang zijn omdat kinderen ook geld moesten bijdragen aan de inkomsten van het gezin. In het begin kregen de leerlingen veel theorie, maar in latere jaren bleek dat de praktijk belangrijk was en werd het theoretische deel steeds meer ingekrompen ten gunste van het praktische werk.

Ingang school

Ingang van de school.

Nut

Het schoolbestuur moest in de begintijd het nut van de school nog aantonen. Er was verzet uit kringen van de werkgevers, de patroons, maar ook uit 'kringen van de arbeidersstand'. De school liet daarom op een jaarlijkse tentoonstelling in maart zien wat de leerlingen konden maken. De school hield ook om dezelfde reden de vorderingen van oud-leerlingen bij. Deze gegevens werden in 1884 door critici gebruikt om aan te tonen dat de leerlingen die het zo goed deden toch al uit hogere maatschappelijke milieus kwamen. Het schoolbestuur was zich daar wel van bewust, maar stelde dat de meeste leerlingen gewoon werden opgeleid tot goed werkman en dat men niet van plan was om leerlingen te weigeren op grond van afkomst van de ouders. De kritiek maakt niet veel indruk, want het jaar daarop wordt al met trots gemeld dat veel oud-leerlingen zelfs een vervolgopleiding gaan volgen. Zij zetten hun studie voort aan de Teekenacademie in Den Haag en behalen ook daar goede resultaten.

vervolg Vervolg: Nieuwe Haven 3.