Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerEen van de interessantste gebouwen van Den Haag is Plein 23. Op deze plek woonden in vroegere huizen de maitresse van prins Maurits, de familie Huygens, was het logement van Amsterdam gevestigd en uiteindelijk werd het huidige gebouw er neergezet. Het was eerst logement van Amsterdam, regeringsgebouw, paleis, rijksarchief, secretariaat van de tweede vredesconferentie, ministerie van buitenlandse zaken en zetel van het Duitse bestuur.

straten kopfoto

Geschiedenis van Plein 23: Logement van Amsterdam – Paleis – Rijksarchief – Ministerie van Buitenlandse Zaken

Het indrukwekkende gebouw Plein 23 staat, naar het doel waarvoor het is neergezet, bekend als “logement van Amsterdam” Het logement was bedoeld als onderkomen voor Amsterdammers die de stad in Den Haag in het landsbestuur vertegenwoordigden. In die tijd was Holland een onafhankelijke staat die werd bestuurd door de Staten van Holland Staten van Holland. De Staten van Holland was zowel een soort parlement als een ministerraad. De leden van de ‘Staten van Holland’ werden niet gekozen. Het waren afgevaardigden van de belangrijkste steden van Holland. Dat was zo ontstaan toen Holland nog een graafschap was. De Staten waren oorspronkelijk een adviesraad van de graaf geweest. In ruil voor advies brachten de steden belastingen op waar de graaf bijvoorbeeld oorlog mee kon voeren. In de tijd van de godsdiensttwisten werd de graaf (tevens koning van Spanje) afgezet en nam dit adviescollege het bestuur over. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd deze raad eerst nog uitgebreid met meer steden, maar voor de kleinere steden was het duur om een vertegenwoordiger naar Den Haag te sturen. Die moest daar langere tijd verblijven en moest regelmatig terug naar de eigen plaats om overleg te plegen met het stadsbestuur. In 1608 bleef er uiteindelijk een vaste groep steden over die het landsbestuur vormden: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Gouda, Amsterdam, Rotterdam, Gorinchem, Schiedam, Schoonhoven, Den Briel, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Edam, Monnickendam, Medemblik en Purmerend1. Elke stad had één stem, maar de stem van de rijkste stad, Amsterdam, telde heel zwaar. De belangrijkste edelen van Holland hadden hun eigen college, de Ridderschap. Zij hadden gezamenlijk ook één stem, maar wel een belangrijke stem. De Staten van Holland hadden een vaste secretaris die besluiten voorbereidde, verwoordde en uitvoerde: de landsadvocaat, later raadpensionaris geheten. De bekendste en belangrijkste raadpensionarissen in onze geschiedenis zijn Johan van Oldenbarnevelt en Johan de Witt.

Plein 23

Het indrukwekkende gebouw Plein 23

De Staten van Holland vergaderden op het Binnenhof in Den Haag en daarom verbleven de vertegenwoordigers van de steden ook in Den Haag. Forenzen was er in de tijd van de trekschuit nog niet bij en daarom logeerde men in een van de vele Haagse herbergen. Het bleek moeilijk te zijn om tijdens maaltijden niet eens een geheim te verklappen. Daarom besloten de Staten van Holland dat haar leden niet meer in herbergen mochten eten en slapen. De steden moesten uiterlijk op 1 mei 1671 een eigen logement hebben. De maatregel was nauwelijks nodig, want de meeste steden hadden dat toen al gedaan. De grote steden hadden elke een eigen logement. De kleinere steden deelden een gezamenlijk logement.

 

Amsterdam was de rijkste stad van Holland en had in 1550 al eigen woonruimte gehuurd. Dat was geen vast adres, want men verhuisde regelmatig naar een ander adres totdat de Amsterdammers in 1617 definitief neerstreken op het Plein. Dat huis stond op de plek van het nog te bouwen logement dat er nu nog staat.

Plein 23 in een oud boek

Plein 23 in een oud boek.

Eerste huis aan het Plein

Amsterdam huurde het huis eerst, maar een jaar later, op 30 april 1618, werd het huis toch gekocht van de eigenaar. Dat was Aelbrecht de Veer, ridder, en lid van de Hoge Raad. In deze tijd was er nog geen kadaster en hadden huizen geen kadasternummer. Daarom werden in een koopakte de belendingen vermeld, dat zijn de eigenaren van de omliggende percelen. De koopakte geeft dus toch redelijk nauwkeurig aan waar tussen het eerste gekochte Amsterdamse logement lag. Het lag aan de Houtstraat en de buurpercelen waren dat van Margrieta (Margaretha) van Mechelen, de Nieuwe Vaart en Maerten van Brugge.

Margaretha van Mechelen was de vaste maîtresse van prins Maurits. Maurits was ongetrouwd en bleef dat ook, maar Margaretha was zijn belangrijkste vriendin. Ze had een meer officiële status dan andere vriendinnen. De kinderen die zij samen hadden, kregen een goede opvoeding en mochten op het hof verschijnen. Margaretha kwam daar ook, maar waarschijnlijk minder vaak. Ze bezat meer huizen zoals het huis De Regenboog bij het Lamgroen en een huis in Rijswijk. Daar had Maurits paardenstallen en daar reed hij elke middag stipt om drie uur heen. Die stiptheid leidde tot de geruchtmakende moord op juwelier van Wely en de moordenaars hingen jaren aan de galgen naast de Rijswijkseweg.

Het huis van Amsterdam liep aan de oostkant door tot aan de Nieuwe Vaart. Vermoedelijk was dat de sloot langs het Bleijenburg, want de bekende Nieuwe Vaart lag daar weer achter, veel meer naar het noorden.

Van de zuidelijke buurman, Maerten van Brugge, is verder niets bekend.

Uitbreidingen van het logement

Margaretha bleef geruime tijd de noordelijke buurvrouw van Amsterdam, maar op 21 januari 1627 verkocht ze haar huis aan Constantijn Huygens. Die woonde daar een tijd en kon vanuit dit huis zien of de bouw van zijn nieuwe huis aan het Plein opschoot2. Hij bleef hier dus niet lang wonen, maar verkocht dit huis in de Houtstraat aan raadsheer Appollonis Schotte. Nadat deze overleden was verkocht diens weduwe, Maria de Hooghe, dit huis aan de stad Amsterdam3. Het pand van de noordelijke buurvrouw werd dus bij het oorspronkelijke huis van Amsterdam gevoegd.

Bij deze verkopen ging het steeds om panden aan de Houtstraat. Dat klopte toen wel omdat het Plein nog niet bestond. De (Lange) Houtstraat liep dus door tot de Korte Houtstraat. Maar naast de toenmalige Houtstraat lag een grote tuin die eigendom was van de staat. Er was geld nodig om de Tachtigjarige Oorlog te kunnen voeren. Daarom werd onder meer deze tuin verkocht. Langs een deel van de Houtstraat werd het Plein aangelegd. De huizen die toen stonden aan de Houtstraat staan daarom nu aan het Plein.

Het Plein met de huizen van het logement voor de nieuwbouw

Het Plein met de huizen van het logement voor de nieuwbouw.

Twee nieuwe aankopen

Amsterdam had nu aan het Plein twee huizen, maar dat bleek niet voldoende. Eerst kocht de stad enkele percelen grond achter deze huizen, maar in 1676 en 1718 kocht de stad de twee huizen aan de zuidkant van de eerste aankoop. Achtereenvolgens had Amsterdam nu aan het Plein het vroegere huis van Margaretha van Mechelen / Constantijn Huygens, raadsheer Veer en twee andere panden in bezit. Van deze huizen bestaan geen afbeeldingen, maar vermoedelijk werden de vier huizen niet samengevoegd tot één pand. Het is wel bekend dat ze rijk waren ingericht.

Nieuwbouw?

Er zijn wel doorbraken of andere wijzingen in de vier panden geweest, want op een gegeven moment werden er maar drie huizen vermeld. Deze drie huizen bleken in 1735 niet meer te voldoen. Er was achterstallig onderhoud en men vond de huizen niet meer representatief voor de belangrijkste stad van Holland. Eerst werd onderzocht men de goedkoopste manier om dit te bereiken. De Amsterdamse burgemeesters stelden de Amsterdamse vroedschap eerst voor om te onderzoeken of het huizencomplex kon worden behouden. Er lagen al bouwplannen klaar en er was een bouwcommissie ingesteld, maar eerst werd nog advies gevraagd aan de Haagse aannemer die de huizen in onderhoud had. Deze adviseerde om de huizen niet af te breken, maar ze op te knappen. Dat vertrouwden de Amsterdammers niet. Ze waren bang dat “die baasen daerbij merkelijk geïnteresseerd waren”, dat de aannemer uit was op veel onderhoudswerk aan een bouwvallig Amsterdams logement. Nu vroeg men advies aan een Amsterdamse bouwkundige. Die had er geen financieel belang bij want door de gilderegels was het hem toch verboden om in Den Haag te werken. Deze adviseerde om de huizen te slopen en een nieuw logement te bouwen.

Men besloot daarop twee huizen te bouwen achter één gevel en onder één kroonlijst. Het noordelijk deel zou het kleinste deel worden en werd bestemd voor de Gecommitteerde Raad van Amsterdam. Deze werd telkens voor drie jaar gekozen en verbleef die tijd in Den Haag. Het is me niet helemaal duidelijk wat zijn functie was, maar waarschijnlijk was hij een vaste vertegenwoordiger van Amsterdam in de ‘Gecommitteerde Raden in het Zuiderkwartier’. Dat was een soort uitvoeringscommissie van de regering in de zuidelijke helft van het gewest Holland. De noordelijke helft, het Noorderkwartier, had ook zo’n raad. Het zuidelijkste huis, het grootste deel, zou worden gebruikt als logement voor de Amsterdamse afgevaardigden in de Staten van Holland en de Staten-Generaal. Dat waren de landsregering van Holland en het bestuursorgaan van de Republiek, de statenbond waar Holland deel van uitmaakte.

Ontwerp

De plattegrond van de twee huizen en de buitenkant van het logement van Amsterdam werden door twee verschillende mensen ontworpen. Het was in deze tijd niet ongebruikelijk dat een bouwkundige zich bezighield met de constructie van het gebouw en dat een kunstschilder die zich op architectuur had toegelegd de gevel van een gebouw ontwierp. Bouwkundigen en kunstschilders konden het niet altijd eens worden. Dit bleek bijvoorbeeld uit de hoogoplopende ruzie tussen bouwkundige Anthonie Coulon en kunstschilder/architect Daniël Marot bij de uitbreiding van de Oranjezaal tot Huis ten Bosch. De plattegrond van Plein 23 werd vermoedelijk ontworpen door de Amsterdamse aannemer Coenraad Hoeneker of door Cornelis Spruytenburg. Het ontwerp van de gevel werd vermoedelijk gemaakt door kunstsschilder Isaac de Moucheron5. De Moucheron had de moeilijke taak om twee verschillende huizen achter één te verstoppen. Het is te zien dat hij daar in slaagde. De monumentale gevel met een middenrisaliet (vooruitspringend geveldeel) en twee zijrisalieten lijkt symmetrischn. waarin zich de ingangspartijen met grote halfronde bordestrappen bevinden. Aan de achterkant aan het Bleijenburg kregen beide logementen elk een eigen koetshuis voor de stalling van koetsen en paarden. Ook hier kwam beide panden achter één enkele gevel6. Bovenop het gebouw prijkt het stadswapen van Amsterdam. Jan Baptist Xavery maakte vermoedelijk de tekening voor dit door twee leeuwen opgehouden stadswapen7.

Bovenop het gebouw prijkt het stadswapen van Amsterdam. Jan Baptist Xavery maakte vermoedelijk de tekening voor dit door twee leeuwen opgehouden stadswapen7.

Plein 23 voor de oorlog

Plein 23 bij een vooroorlogse verbouwing (prentbriefkaart Lud Fischer)

Bouw

In het begin van 1737 werden de drie oude huizen afgebroken. Op 1 april 1737 vond de officiële eerste steenlegging plaats door Jan Six, het zoontje van de voorzitter van de bouwcommisie. De uitverkoren bouwers waren de bekende Haagse aannemers Huybert van Schagen en Jan Wapperom. De eerste was mr. timmerman, de tweede mr. metselaar8. De bouw ging voorspoedig en zo stond er vrij snel een indrukwekkend gebouw dat boven de omgeving uittorende en ook door zijn breedte opviel. Het gebouw was in een aantal opzichten meer Amsterdams dan Haags, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van grote bordestrappen.

Gebruik

Het grote zuidelijke deel van het gebouw was dus bestemd voor de afgevaardigden in de Staten van Holland en de Staten-Generaal. Vermoedelijk logeerden er ook wel andere Amsterdamse heren, maar de heren afgevaardigden hadden voorrang. Op de bel-etage (eerste verdieping of hoofdverdieping) van dit grote logement lagen de ruimtes waar men zich overdag ophield of vergaderde. Daar lagen onder andere een ‘tapijtekamer’, een “roode kamer” en een “geschilderde kamer”. De ‘tapijtekamer’ zal tapijtbehang hebben gehad. De “roode kamer” was vermoedelijk de antichambre en de “geschilderde kamer” vermoedelijk het werkvertrek van de afgevaardigde burgemeester. Aan de achterzijde van deze etage lagen de burgemeesterskamer, de koffiekamer, de tuinkamer (met een dubbele trap naar de tuin) en de grote zaal. In die zaal werd gegeten en gespeeld want daar stonden een eettafel met achttien notenhouten stoelen, een marmeren koelvat, buffettafels en speeltafels. Op de verdieping daarboven sliepen de afgevaardigden en leden van het stadsbestuur als die in Den Haag waren. Elke kamer had vier bedden. Daarboven was de zolderverdieping bestemd voor het personeel: de meiden, boden, koks en de knechten. In het onderhuis van het grote logement van Amsterdam lagen de keukens, de provisiekelders en de voorraadvertrekken. Aan de kant van het Plein bevond zich tevens de woning van de kastelein.

Het kleine logement dat in het noordelijk deel van het gebouw lag was meer ingericht als woonhuis. Het had grote kamers, een kleine kamer, een kabinet, een voorhuis en een bibliotheek. Ook hier lagen de keukens en de provisiekelders in het onderhuis. Aan de achterkant had dit huis een eigen trap naar de grote tuin9 die door beide huizen werd gedeeld. In die tuin vond je een tuinhuis, een orangerie(een kas) en een stal10.

Kastelein

De hierboven al genoemde kastelein beheerde de beide gebouwen. Meestal nam men hiervoor een echtpaar waarvan de man kok was. De kastelein werd voor een jaar benoemd en moest zich houden aan een streng reglement. Hij mocht niet zomaar iedereen binnenlaten en wijn schenken. Alleen burgemeesters, vroedschappen en hun bedienden mocht hij er laten logeren. Alles was aan regels gebonden en één keer per jaar kwam de echtgenote van een van de regenten uit Amsterdam om de inventaris te controleren. Het was vermoedelijk vooral een dagje uit en een bijverdienste11.

Franse tijd

In 1795 werden Holland en de andere gewesten bezet door de Fransen en maakte de revolutie een einde aan de oude Republiek. De onafhankelijkheid van het gewest Holland en van de andere gewesten opgeheven. De zeven republiekjes werden samengevoegd tot één nieuwe staat, de Bataafse Republiek. De oude regering die was samengesteld uit vertegenwoordigers van de steden werd opgeheven. Amsterdam hoefde dus geen vertegenwoordigers meer in Den Haag te hebben en het logement van Amsterdam was niet meer nodig. Het gebouw bleef eigendom van Amsterdam, maar werd in de Franse tijd door veel verschillende instellingen gebruikt.

De eerst bekende gebruiker was het Uitvoerend Bewind. Het duurde even voordat er een nieuw bestuur kwam. Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap waren de leus, maar het viel nog niet mee om precies te bepalen hoeveel vrijheid en gelijkheid de nieuwe staat zou toestaan. Toen men daar uit was werd in januari 1796 een parlement gekozen, de Nationale Vergadering gekozen. Maar de leuze ‘Broederschap’ bleek een beperkte houdbaarheid te hebben. De tegenstellingen in het parlement liepen zo hoog op dat een groep ‘radicalen’ op 22 januari 1798 met steun van de Fransen een staatgreep uitvoerde. Er kwam een nieuw parlement en een nieuwe regering dat het Uitvoerend Bewind werd genoemd. Deze nieuwe regering werd gevestigd in het logement van Amsterdam. Bij die gelegenheid is geprobeerd het Amsterdamse wapen van de gevel te halen, maar dat was te degelijk aangebracht. Het lukte niet12.

Het Uitvoerend Bewind hield het niet lang vol aan Plein 23, , want hetzelfde jaar nog stond de Nederlandse generaal Daendels er voor de deur voor de volgende staatsgreep. Een aantal leden van het Uitvoerend Bewind werd opgepakt en opgesloten. Ook het parlement, de Nationale Vergadering, werd naar huis gestuurd. Plein 23 bleef nu jaren leeg staan totdat het in 1802 werd betrokken door de Raad van Oorlog. Dit ministerie heette onder Lodewijk Napoleon het Departement van Oorlog. Dit ministerie was al snel niet meer nodig, want Nederland werd ingelijfd door Frankrijk en vanuit Parijs bestuurd. In Plein 23 werd toen een lagere soort rechtbank gevestigd, de ‘Rechtbank van Eerste Aanleg en van de Koophandel’. In 1813 was Nederland verlost van de Franse bezetting en werd het weer een onafhankelijke staat. In 1814 werd in Plein 23 het ‘Commissariaat-Generaal van het Departement van de Monden van de Maas’ gevestigd. Dit besloeg ruwweg het gebied van de huidige provincie Zuid-Holland13.

Paleis

In 1813 werd de zoon van de overleden stadhouder Willem V in Nederland uitgeroepen tot soeverein vorst. In 1815 werd Willem I zelfs koning van een groter koninkrijk dat Nederland België omvatte. Plein 23 leek hem toen een mooi gebouw om als paleis te dienen voor enkele familieleden van hem. Van 1814 tot 1849 woonden er verschillende prinsen of prinsessen. Allereerst bracht Willem er zijn moeder en zus onder. Zijn moeder was de formidabele Wilhelmina van Pruisen. Zijn zus Frederica Louise Wilhelmina (“Loulou”) was ook al weduwe. Voordat zij er konden wonen werd het eerst door rijksarchitect Ziesenis verbouwd tot één paleis. Daarbij verdwenen de beide ingangen en de monumentale ronde bordestrappen. In plaats daarvan er één ingang op gelijke hoogte met de straat in de meest rechtse travee. Voor deze ingang kwam een wachthuisje. Het gebouw was ondertussen van Amsterdam gekocht. De volgende bewoner was de tweede zoon van koning Willem I, prins Willem Frederik Karel. Prins Willem vocht als 18-jarige veldheer in 1815 mee bij Waterloo. In 1831 was hij generaal in het Nederlandse leger dat de Tiendaagse Veldtocht uitvoerde tegen de voor onafhankelijkheid strijdende Belgen. In 1825 waren hij en zijn vrouw, Louise van Pruisen, naar Nederland gekomen en waren in het paleis op het Plein gaan wonen. Ze bleven daar niet lang want in 1828 konden ze verhuizen naar het nieuwe paleis aan het Korte Voorhout. In 1830 werd het paleis weer bewoond door een prinses. Prinses Marianne was de jongste dochter van Willem I, maar ook zij woonde er niet veel. Zij was getrouwd met prins Albert van Pruisen, maar dat was een bijzonder slecht huwelijk. Marianne woonde daarom steeds vaker op haar paleis aan het Plein totdat zij dit in 1838 moest verlaten. Ook de volgende hooggeplaatste bewoners van Plein 23 hadden geen gelukkig huwelijk. De latere koning Willem III en zijn echtgenote prinses Sophie van Württemberg zouden later gescheiden van elkaar leven. Toen Willem III koning werd ging hij in paleis Noordeinde wonen. Sophie woonde op het Huis ten Bosch (14). Na het vertrek van de laatste prins en prinses stond ¬Plein 23 geruime tijd leeg.

Plein 23 als Rijksarchief

Plein 23 als Rijksarchief. (prentbriefkaart Lud Fischer)

Rijksarchief

Pas in 1853 werd er een nieuwe gebruiker gevonden. Dat was het Rijksarchief dat de archieven van allerlei rijksinstellingen bewaarde. In de tijd dat het Rijksarchief er zat werd het gebouw verbouwd. Bovendien werd het gebouw uitgebreid om ruimte te bieden aan nog meer archieven. Voor nieuwbouw vond men ruimte in de tuin en op de plaats van de oude stallen aan het Bleijenburg. Die werden toen afgebroken. Dat er goed voor de archieven werd gezorgd is natuurlijk mooi, maar het belemmerde wel het uitzicht op de mooie achtergevel van het logement. In 1902 verhuisde het Algemeen Rijksarchief naar een nieuwe gebouw aan het Bleijenburg. Plein 23 kwam weer leeg te staan. Het werd af en toe gebruikt voor tentoonstellingen en het diende in 1907 diende als secretariaat van de Tweede Internationale Vredesconferentie . In de jaren 1910-1912 werd het onder leiding van rijksbouwmeester D.E.C. Knuttel weer in (deels) in oude staat hersteld. Het zou worden gebruikt door het departement van Buitenlandse Zaken. De in 1814 verlplaatste hoofdingang kreeg weer zijn oude plaats in de voorgevel. De in de vorige eeuw verwijderde stoep kwam, in verkleinde versie, weer terug. Verder werd het interieur werd aangepast aan de smaak van de tijd.

Plein 23 als Ministerie van Buitenlandse Zaken

Plein 23 als Ministerie van Buitenlandse Zaken (prentbriefkaart Lud Fischer)

Bezetting

Tijdens de Duitse bezetting werd het Plein het centrum van het Duitse bestuur van Nederland. In Plein 23 zat het hoofdkwartier van de Duitse rijkscommissaris, dr. Arthur Seyss Inquart. De bevelhebber van de Duitse strijdkrachten betrok het logement van Rotterdam (Plein 4), en de gehele politietop betrok Plein 1, het Departement van Koloniën. Het gebouw van de Nieuw of Littéraire Sociëteit ‘De Witte’(Plein 24) kreeg na de sluiting in zomer 1941 een bestemming als ‘Kasino des Reichskommissars’, een sociëteit voor officieren en hoge ambtenaren. Op Plein 23 werden er in 1942 ook op de zolder kantoorruimtes ingericht. Het gebouw kreeg toen een serie dakkapellen. In de voorgevel werd de ingang tot het souterrain uitgebouwd tot ingang naar de grote schuilkelder van Seyss Inquart.

Buitenlandse Zaken

Na de Tweede Wereldoorlog huisvestte Plein 23 opnieuw het ministerie van buitenlandse zaken. Het ministerie breidde uit met omringende panden, maar uiteindelijk verhuisde het in 1985 naar nieuwbouw aan de Bezuidenhoutseweg. Het gebouw kreeg daarna weer andere bestemmingen15

Verantwoording

Bijgewerkt op 12-11-2008

Literatuur

• Henk Ambachtsheer, Nienke Boer (red), Van Logement naar Parlement, 1617-2004. Een nieuw gebruik van het logement van Amsterdam en het Algemeen Rijksarchief, Den Haag 2004.

• C.D. Andriesse, Titan kan niet slapen. Een biografie van Christiaan Huygens,, Amsterdam 1993.

• Jan Dröge, 'Het ontwerp, de bouw en de inrichting van het Logement van de heren van Amsterdam te ’s-Gravenhage', Jaarboek Monumentenzorg, 1993, p. 59-84.

• Johanna van Nieuwenhuizen en Iefje Weinberg, Plein 23, 's-Gravenhage, 1986.

• A.J.S. van Rooijen, 'Het huis van Huygens op het Plein',Jaarboek Die Haghe 1897, p. 141-158.

Noten

1. Ambachtsheer 9.

2. Akte voor Hof van Holland op 8 juli 1627 vermeld in van Rooijen, Het huis van Huygens op het Plein, p. 143.

3. Bij akte van transport van 16 mei 1643.

4. Dröge 59-61..

5. van Nieuwenhuizen en Weinberg 133; Onderzoeker Ozinga dacht ook nog aan de Hugenoot Jean Coulon, broer van bovengenoemde Anthonie Coulon.

6. Dröge 63-68.

7. Dröge 80.

8. Dröge 68-70.

9. Han Bruin in Ambachtsheer, 13-14.

10. Van Nieuwenhuizen en Weinberg 150-151.

11. van Nieuwenhuizen en Weinberg 159-163, Han Bruin in Ambachtsheer, 14.

12. Nieuwenhuizen en Weinberg, 165.

13. Nieuwenhuizen en Weinberg, 165.

14. Ambachtsheer 19-29, Nieuwenhuizen en Weinberg, 165-175.

15. Ambachtsheer 31-32, Nieuwenhuizen en Weinberg, 175-181.