Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDe bekende Acte van Redemptie voorkwam in 1576 de kap van het Haagse Bos.

kopfoto

Acte van Redemptie

De Acte van Redemptie is misschien wel het bekendste document uit de geschiedenis van Den Haag, dat bovendien nog ver na zijn ontstaan invloed heeft op politieke besluitvorming.

Opstand

De geschiedenis van de acte begint met de Opstand tegen landsheer Filips. De Opstand staat ook bekend als de Tachtigjarige Oorlog tegen de Spaanse koning. Een deel van de bevolking van Holland. Het ging om de vrijheid om de calvinistische godsdienst te mogen uitoefenen en om weerzin tegen maatregelen die Filips had bedacht voor meer eenheid in het bestuur en in de belastingen. De opstand was op een regelrechte burgeroorlog uitgelopen die vooral in de beginjaren Den Haag zwaar trof. Omdat Den Haag geen stadsmuren had was het niet veilig om in Den Haag te blijven. De oude katholieke regeringsinstellingen waren Den Haag ontvlucht en de nieuwe protestantse regering vestigde zich in het ommuurde Delft. De uittocht van bestuurders en ambtenaren was niet goed voor de Haagse economie, maar daarnaast leed Den Haag ook nog eens onder de schade die Spaanse en eigen troepen aanrichtten. De weinig overgebleven Hagenaars moesten zelf betalen voor het onderhoud van de Nederlandse huursoldaten. Toen alle legers eindelijk vertrokken waren lag Den Haag er desolaat en verlaten bij. Een ooggetuige beschreef dat Den Haag ontvolkt was, veel huizen beschadigd of niet meer onderhouden en dat het gras in de straten groeide.

Haagse Bos vroeger

Haagse Bos vóór 1597. In lichte kleuren en in rood de huidige situatie. In zwart en donkerblauw de wegen, gebouwen en sloten en beek van vroeger. Meer uitleg

Geldgebrek

Het bestuur van Den Haag had niet veel geld en de regering (Staten van Holland) ook niet. De oorlog kostte handenvol geld en iedereen verwachtte in 1575 dat de oorlog nog lang zou duren. Er was dringend geld nodig om de huursoldaten te betalen. Er was geen dienstplicht, maar men gebruikte huursoldaten. Als huursoldaten hun geld niet kregen gingen ze plunderen of ze gingen in dienst bij de vijand.

 

In 1572 had Den Haag de regering al geld geleend en zelfs waren klokken uit Haagse kerken omgesmolten tot kanon. Omdat het geld op was werd een nieuwe geldbron aangeboord. Holland was immers niet arm aan onroerend goed, want van katholieke instellingen waren de bezittingen in beslag genomen. De eigendommen van voormalige katholieke kerken en kloosters konden meteen verkocht worden. In 1575 besloot men meer goederen te verkopen. Op de nieuwe lijst van te verkopen goederen stonden ook de (leegstaande) Kloosterkerk en het Haagse Bos.

Redding van de kerk

Het Haagse dorpsbestuur probeerde eerst de kerk van de sloopt te redden, want dat leek een goede kans van slagen te hebben. Men verwachtte of hoopte dat gevluchte Hagenaars weer terug zouden keren. Die mensen zouden een kerk nodig hebben en Den Haag had zeker niet teveel kerken. Bovendien was volgens de Hagenaars geen kerk in Holland zo mooi was als deze kerk: “in gantsch Hollandt onder alle die conventen gheen soe schoone, verheven, luchtighe, ruyme, welbetimmerde kerck en is, die oeck [soe] veel gecost heeft … ende daerinne zoe veel heerlicke, eedele ende groote personnagien begraven liggen, soe van graven van Hollandt, Egmondt, Wassenaer ende andere…“. Op 14 januari 1576 besloot de regering dat Den Haag de Kloosterkerk mocht blijven gebruiken1.

Verzoekschrift

De redding van het Haagse Bos ging minder vlot, maar gelukkig stond het dorp Den Haag niet alleen. Den Haag was een dorp, maar een deel van Den Haag werd niet bestuurd door het dorpsbestuur. Het waren de rechters van het Hof van Holland en de heren van de Grafelijke Rekenkamer die het gebied op en rond het Binnenhof bestuurden. Ook zij hadden belang bij een bloeiend Den Haag, want velen van hen bezaten in Den Haag onroerend goed. Des te mooier Den Haag erbij lag, des te meer hun onroerend goed opbracht.

 

De redding van het Haagse Bos ging minder vlot, maar gelukkig stond het dorp Den Haag niet alleen. Den Haag was een dorp, maar een deel van Den Haag werd niet bestuurd door het dorpsbestuur. Het waren de rechters van het Hof van Holland en de heren van de Grafelijke Rekenkamer die het gebied op en rond het Binnenhof bestuurden. Ook zij hadden belang bij een bloeiend Den Haag, want velen van hen bezaten in Den Haag onroerend goed. Des te mooier Den Haag erbij lag, des te meer hun onroerend goed opbracht.

Kasteel Ternoot

Kasteel Ter Noot naast het Haagse Bos.

Redemptie

De regering van Holland vergaderde hierover in Rotterdam. Daar besloot men op 14 januari 1576 dat Den Haag de verkoop van het Bos kon afkopen tegen het toen zeer aanzienlijke bedrag van 6.000 ponden. Den Haag was grotendeels ontvolkt en de mensen waren arm, dus dit bedrag was hoog. Het moest bovendien binnen tien dagen betaald worden. Den Haag kreeg nauwelijks tijd om naar geld te zoeken, want een week later werd het getroffen door een aardbeving die grote schade veroorzaakte. Veel (houten) huizen waren door plundering en achterstallig onderhoud zo gehavend dat ze gemakkelijk instortten. De Haagse bestuurders vroegen uitstel van betaling en misschien hoopten ze wel op clementie. Die kwam er niet. Ze hoorden enkele maanden niets, maar begin april 1576 maande de regering Den Haag snel te betalen. Vooraan in het Bos liet de staat al bomen kappen.

 

Dit bedrag moest binnen tien dagen betaald worden, want het geld was dringend nodig. Den Haag kreeg nauwelijks tijd om naar geld te zoeken, want een week later werd het, in de nacht van 22 op 23 januari, getroffen door een aardbeving die meer schade gaf dan de Haagse bevolking ooit had meegemaakt bij natuurrampen. Veel (houten) huizen waren door plundering en achterstallig onderhoud al zo gehavend dat ze gemakkelijk instortten. De Haagse bestuurders vroegen daarom uitstel van betaling en hoopten misschien wel op clementie. Inderdaad hoorden ze enkele maanden niets van de regering, maar begin april 1576 maande de regering Den Haag om snel te betalen. Om er druk achter te zetten begon men vooraan in het Bos al bomen te kappen.

 

Hoe de onderhandelingen verder gingen is niet bekend, maar op 16 april 1576 bereikte men overeenstemming. Willem van Oranje verleende toen in Delft, mede namens de landsregering, een “acte van redemptie”. In dit besluit beloofde de regering dat het Bos en de “warande” van Den Haag zal blijven “geredimeerd en geaffecteerd”, en dat het nooit om wat voor reden dan ook zal worden verkocht om te kappen ten behoeve van het publiek belang of ander belang. In hedendaags Nederlands komt het er op neer dat het bos niet mocht worden verkocht om gekapt te worden. Het moest behouden blijven, maar alleen zolang het gebruik van het bos niet zou wijzigen. In de loop van de tijd is men de precieze betekenis van wat hier staat vergeten. In de volgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Maar voor dat de acte ging gelden moest Den Haag nog wel voldoen aan drie voorwaarden:

1. Den Haag zou afzien van een vergoeding die ze kon krijgen voor de aan de marine afgestane kerkklokken.

2. de lening die Den Haag in 1572 aan de regering had gegeven zou pas na de oorlog hoeven te worden terugbetaald.

3. de burgerij van Den Haag zou met de regeringsambtenaren (suppoosten) een som van 1.000 caroli gulden opbrengen. Den Haag mocht hiervoor een extra belasting heffen2.

 

Het innen van deze belasting ging niet gemakkelijk. De inwoners van Den Haag waren in die tijd niet rijk. Veel Hagenaars die aan deze belasting moesten meebetalen konden die niet betalen. Ze hadden al andere schulden en een aantal van hen was geruïneerd of vertrokken3.

Voor altijd gered?

Maar verder kon Den Haag tevreden zijn. Het Bos was voor altijd gered, althans zo leek het op dat moment. Later zou het bos opnieuw gevaar lopen door verkoop, kap van bomen, aanleg van wegen, vestiging van ministeries, plannen voor een vredespaleis, plannen voor een schouwburg of plannen voor een tramlijn. Dat mag volgens de Acte van Redemptie niet, zeggen tegenstanders van deze plannen.

Nooit mogen verkopen of nooit mogen kappen?

Volgens de letterlijke tekst van de Acte van Redemptie mag het bos niet worden verkocht om te worden gekapt. Het mag dus wel worden verkocht, maar dan mogen de bomen niet worden gekapt. Dat men vaak schrijft dat het Haagse Bos nooit mag worden verkocht berust op een verkeerde lezing van de tekst. Er staat “tot geenen tijden [...] en sal mogen vercoepen omme off te houden ofte doen offhouden” en dat betekent: “...nooit mogen verkopen teneinde te kappen of te laten kappen”. Dat betekent dus niet dat het bos niet mag worden verkocht, maar dat het bos niet mag worden verkocht om het te kappen. Verkopen mag wel, maar kappen mag niet.

Gebruik van het bos

Volgens een andere bepaling van de Acte geldt deze alleen zolang de bestemming van het bos niet wijzigt. Tegenwoordig is het bos een wandelgebied voor iedereen. Gysbert de Cretser schreef in 1711 nog over het bos dat het een aangename “lust- en wandelplaats” was voor de inwoners van “dit voortreffelyk Vlek”. Hagenaars konden er wandelen in wat hij noemde de verse en aangename lucht “onder de lommer en schaduw van de bomen, zoals alle vreemdelingen en reizigers doen”. De Cretser ging er, net als veel anderen na hem, van uit dat het Haagse Bos in 1576 ook een wandelbos voor de Hagenaars was. Maar dat was niet zo. Oorspronkelijk had het bos, zoals veel bossen in die tijd, een andere functie. Het Haagse Bos werd door de graaf alleen maar in stand gehouden om er te kunnen jagen. Vrijwel alle regelgeving voor het bos was er duidelijk op gericht om de jachtmogelijkheden in het bos te bevorderen. Daarom mochten ook alleen de graaf of de stadhouder met hun gasten in het bos komen. Voor alle andere mensen was het bos verboden terrein. Omdat het verbod werd overtreden werd het bos zelfs helemaal afgesloten met een aarden wal met doornen, sloten en hekwerk. Verboden om het bos te betreden werden meerdere keren herhaald, de laatste keer zelfs na het uitvaardigen van de Acte van Redemptie.

 

In 1579 werd opnieuw wild uitgezet in het Haagse Bos en werd in naam van Willem van Oranje een nieuwe verordening uitgevaardigd met diverse verboden inzake het Haagse Bos. Het bos werd weer beter afgesloten. Eigenaars of bewoners van huizen die grensden aan het bos (aan het Voorhout) moesten deuren, vensters, hekken en omheiningen naar het bos toe dichtmaken. Er mochten geen vlonders, planken of bomen over de grachten en sloten rond het bos worden gelegd. Er kwam opnieuw een strengere verordening in 1593 en op 9 mei 1608 vaardigde prins Maurits het “Placaet, Roerende ’t Bosch ende Wildernisse van ’t Hager-hout” uit. De laatste bekende verordening over het Haagse Bos was het Placaet van 23 april 1613. Daarin werd het bos door de overheid (nogmaals) gesloten als ‘park’ om de ontwikkeling van het wild en bomen te bevorderen: “tot cieraet van ’t Bosch van den Hage, ende beter onderhout van ’t Wilt daer inne voedende”. Verder werden oudere verboden nog eens herhaald (zie verder Haagse Bos).

 

Het Haagse Bos was in 1576 dus een van de jachtgebieden van de stadhouder. Rijksarchivaris J. Fox schreef daarom in 1967 dat de Haagse bestuurders met de Acte van Redemptie het Haagse Bos helemaal niet wilden behouden als wandelplek. Ze wilden het alleen behouden als jacht- en wandelgebied voor de stadhouder. Zij wilden dat Den Haag aantrekkelijk bleef als vestigingsplaats voor stadhouder Willem van Oranje. Die had het onveilige Den Haag verlaten en verbleef in Delft, maar het was nu weer veiliger geworden. Men hoopte dat hij terug zou komen naar Den Haag zodat hij weer als vanouds ging wonen op het Binnenhof en jagen in het Haagse Bos. Maar als het bos zou zijn gekapt zou Willem van Oranje zich misschien bedenken en op zoek gaan naar een andere woonplaats. Den Haag zou zijn status van residentie en regeringsstad kwijtraken en dat zou ernstige gevolgen hebben voor de economie. Het Haagse Bos moest dus behouden blijven voor het plezier van de stadhouder, niet voor dat van de gewone Hagenaar. De redenering van Fox is zeer plausibel, maar in 1948 verklaarde de gemeentearchivaris de Acte van Redemptie nog geldig4.

Aantasting van het bos

Sinds 1576 is er ondanks de vermeende geldigheid van de Acte van Redemptie regelmatig gekapt en is het bos steeds kleiner geworden. Het voorste stuk dat we nu kennen als Malieveld was vroeger ook deel van het Haagse Bos. Oorspronkelijk liep het bos tot aan het Lange Voorhout. De tuinen van de huizen aan de oostkant van het Voorhout (waar het vroegere paleis ligt en de ambassade van de Verenigde Staten) liepen tot aan de muur die rond het bos lag5. Ook de Nieuwe Uitleg is gebouwd op grond dat oorspronkelijk Haagse Bos was.

 

Een enkele keer doen burgers of gemeente een beroep op deze Acte van Redemptie en dan weet iedereen weer van het bestaan van het bekendste Haagse document. Toen er in 1905 plannen waren om het Vredespaleis op het Malieveld te bouwen waren er protesten en verwezen burgers naar de Acte van Redemptie. Maar in de Tweede Wereldoorlog heeft de Acte van Redemptie het Haagse Bos niet kunnen redden. De Duitse bezetter gebruikte het bos voor de lancering van raketten en het hout werd gebruikt als brandhout.

Haagse Bos na de oorlog

Ondanks de Acte van Redemptie toch kaalslag in het Haagse Bos na de Tweede Wereldoorlog. In de verte het gebouw van de Haagse Dierentuin (prentbriefkaart Lud Fischer).

Hieronder staan volledige tekst van de acte, ter verduidelijking verdeeld in alinea’s. De originele tekst heeft geen alinea’s. Door op de rode nummers te klikken komt u bij de uitleg over de tekst.

Tekst van de Acte van Redemptie van ’t Bosch van den Haege.

Alzoe Zijne Princhelicke Excellentie, mitsgaders die Eedelen ende Steden van Hollandt, representerende die Staeten van denselven lande, omme redenen henlieden daertoe bewegende, van advyse ende meyninge zijn geweest te procederen tot vercoepinge ende affhoudinghe van de Waranden ende ’t Bosch van den Haege, omme die penningen daervan commende te employeren tot dienste van den Lande ende vorderinge der gemeene saeck;Uitleg 6

 

ende daertegens die gemeen Suppoesten van den Hove van Hollandt ende die Magistraet van den Haeghe, uuyten name van de Gemeente ende arme Inwoenders aldaer, aenmerckende ende oick Zijne voorsz. Excellentie, mitsgaders den Staeten voornoemd verthoent hebben, bij verscheiden remonstrantien, dat ’t selffde tenderen zoude tot gantssche ruyne ende desolatie van voorsz. Vlecke van den Haege, ende consequentelicken tot bederffenisse van Gasthuijsen, Heiligegeestarmen, Wees- ende Leproeshuysen ende andere miserablen binnen denzelven Haege staende ende onthoudende, als opte huysen aldaer gerent ende gehypoteecqueert zijnde tot groote merckelicke sommen jaerlicx met meer andere redenen van beswaernissen, zoe wel by monde als in de voorsz. scriftelicke remonstrantie verhaelt, versocht hebben, ’t voorsz. Bosch ende Warande met eenige gerede penningen te moegen redimeren, doende tot dien eynde zeeckeren presentatie:Uitleg 7

 

Soe est dat Zyne Excellentie en de Staeten voorschreven op alles goet regardt genoemen ende rypelicken gelet hebbende, zoewel ’t gundt tot vorderinge der voorsz. gemeene Saecke als tot preservatie van de voorsz. Vlecke van den Haege, metten gevolgen van dien, soude moegen strecken, bewegen wesende tot der voorsz. thoenders ernstelicke versouck ende bede, metten selven Suppoesten ende Magistraet van den Haege geaccordeert hebben ende accorderen mits desen,Uitleg 8

 

dat mits bij den voorsz. thoenders, in den eersten den voorsz. Staeten voer de redemptie van ’t voorsz. Bosch ende Warande remitterende ende quytscheldende gelyckzyluyden verclaeren te remitteren ende quytschelden mitsdesen, de Clocken uuyten Haege by den voorsz. Staeten doen haelen, bedraegende ontrent ter somme van vijftien-hondert Carolus guldens, zonder daervoeren tot eeniger tijdt, den voorsz. Staten yet te mogen eysschen, ende voorts belovende, gelyck oeck die voorsz. Verthoenders bij desen beloven, dat de leeninge van penningen gedaen in handen van Mr. Heijnderick Meyster in den jaere LXXII lestleden tot behouve des gemeen Lants, blyven zal in sulcken staete ende surcheantie, als die jegenwoerdelicken wordt gehouden, sonder dat bij dengheenen, die in den voorz. jaere eenige penningen als voeren sullen hebben geleent, staende desen de oerloeghe ende troublen, ’t voorz. gemeen Landt daervan eenige restitutie sal moegen worden geeyscht, ofte dezelve ter oersaecke van dien den gemeenen Staeten moyelicken ofte lastich sullen mogen vallen;Uitleg 9

 

ende dat bovendien die voorscreven Suppoesten ende Lidtmaten van dien, mitsgaders die voorsz. Magistraet van den Haege, den voorsz. Staeten tot des gemeen lants behouff, aen baeren ende gereeden gelden opleggen ende betaelen sullen die somme van duijsent Carolus guldens eens; welcke somme zyluyden volgende dyen denzelven Staeten op huijden promptelicken aengetelt ende opgeleijt hebben.Uitleg 10

 

Zijne Excellentie en de Staeten voornoemd den voorz. Suppoesten ende Magistraet vastelicken wederomme belooft hebben ende beloven by desen, dat ’t voors. Bosch ende Warande van den Haege daermede blijven sal geredimeert ende geaffecteert, dat men ’t selve tot geenen tijden uuijt wat saecke van necessite oft noot ’t selffde soude moegen geschieden, en zal mogen vercoepen omme offtehouden ofte doen offhouden, ten behouve van de gemeene Saecke ofte andersints, ende dat men nijet en sal gehengen ofte gedogen ’t zelve te geschieden, behoudelick ende welverstaende, dat ’t voorsz. Bosch ende Warande van den Haege sal blijven tot alsulcken gebruijck, ende service als ’t van ouden hercommen heeft gestaen, ende dat by kennisse van die van de Reeckeninge ende den Rentmeester Generael van Noorthollandt naer ouder gewoente.Uitleg 11

 

Gedaen tot Delff den XVI Aprilis XVc sessent zeventich ende was ondergeteijckent Guillaume de Nassou.

Onder stont gescreven: Ter ordonnantie van de staeten, by my, onderteyckent C. de Rechtere.

Hebbende opgedruct Zijne Princhelyke Excellentie groot Segel, ende daerbeneffens ’t Segel van de Staeten van Hollandt.

 

Kort inhoud

De inhoud van de Acte van Redemptie is eigenlijk vrij beperkt: “de regering van Holland is met het bestuur van Den Haag overeengekomen om af te zien van het plan het Haagse Bos voor de kap van bomen te verkopen. Deze regeling geldt overigens alleen zolang er geen verandering komt in het gebruik van het Haagse Bos.”.

 

Een afbeelding van de acte is te bekijken op de website van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis: Acte van redemptie.

Verantwoording

Eerste tekst 10 april 2011, laatste bewerking (tekstverbetering) op 25 mei 2017.

Literatuur

• Jhr. Calkoen, Haagse Bos. Bestuurs- en rechtstoestanden in Den Haag, Den Haag 1910.

• J. Fox, Het Haagse Bos met Koekamp en Malieveld in historisch perspectief, Den Haag 1967.

• H. Mensonides, Het Haagse Bos en de Acte van Redemptie. Handschrift, 1972, met bijlagen.

• J. Smit, Den Haag in den Geuzentijd, Den Haag, 1922.

Noten

1. Smit 274-275.

2. Smit 277-279.

3. Smit 279-280.

4. Mendonides 7.

5. Calkoen 190-193.

6. De Princhelicke Excellentie is prins Willem van Oranje. Hij leidde in deze tijd de regering van het gewest Holland. De edelen en de steden van Holland vormden de Staten van Holland, de regering van Holland. Deze partijen hadden dus het plan tot verkoop en kappen (afhouwen) van de warande en het Haagse Bos.

N.B. De betekenis van warande is niet eenduidig. Het kan een jachtterrein zijn, maar ook een omsloten tuin. Tot en met het afzetten van Filips II was het Haagse Bos niet openbaar toegankelijk, maar mocht alleen worden gebruikt door de landsheer (de graaf) of de stadhouder. Met Bos en Warande wordt gewoon het Haagse Bos bedoeld.

7. De bestuurders van Den Haag hebben hier tegen geprotesteerd en verklaard dat Den Haag hier financieel zeer onder zou lijden, vooral de instellingen voor sociale zorg. Den Haag verzocht (verkoop en kap van) het Haagse Bos en de warande met geld te mogen afkopen.

8. De regering van Holland (prins Willem en de Staten van Holland) hebben na rijp beraad besloten het verzoek van Den Haag te honoreren en zijn met het bestuur van Den Haag tot de volgende overeenkomst gekomen:

9. De verzoekers schelden de regering van Holland kwijt, het afstaan van kerkklokken uit Den Haag en de lening die in 1572 aan de regering was verstrekt mocht later worden terugbetaald.

10. Verder zal Den Haag direct een bedrag betalen van 1000 carolus guldens contant.

11. Willem van Oranje en de Staten van Holland (de regering van Holland) belooft het bestuur van Den Haag nog eens dat het Haagse Bos zal zijn vrijgekocht (geredimeerd) en (de schuld) betaald (geaffecteerd). Men belooft dat het Haagse Bos om geen enkele reden (ook niet in het publiek belang) mag worden verkocht om de bomen te kappen en dat men ook nooit zal toestaan dat dit gebeurt. Voorwaarde is wel dat het gebruik van het Haagse Bos niet veranderd, dus niet anders wordt dan tot dan toe bekend is.

12. De regering van Holland belooft het bestuur van Den Haag nog eens vast en zeker dat het Haagse Bos en de warande hiermee zal zijn vrijgekocht (geredimeerd) en (de schuld) betaald (geaffecteerd). Men mag het Haagse Bos om geen enkele reden meer verkopen om te kappen, en dat mag ook niet in het publiek belang. Het Haagse Bos en de Warande zullen alleen gebruikt mogen worden voor het doel waar het tot nu toe van ouds voor is gebruikt. Dit houdt dus in dat het bos niet mag worden verkocht om gekapt te worden, zolang het bos zijn toenmalige gebruiksfunctie zou behouden. Het bos mag wel worden verkocht, maar het kapverbod blijft rusten op de verkochte grond.

 

Bijlage: de Remonstrantie

Korte inhoud van het verzoekschrift van Den Haag aan de landsregering.

Het verzoekschrift is geschreven door de heren van de Raad en Rekenkamer, de onderhoutvester over Holland, de procureur-generaal en advocaat-fiscaal van Holland en de rentmeester-generaal van van Noord-Holland en namens alle hoge ambtenaren (suppoosten genoemd) en rechters van het Hof van Holland, namens de baljuw, schout, burgemeester en regeerders uit naam van de burgers en inwoners van Den Haag.

 

Den Haag heeft veel geleden onder de oorlog. In 1572, na het innemen van Den Briel, heeft Den Haag meer te lijden gehad van bezetting door soldaten van de vijand en soldaten van de prins, dan enige andere plaats. Door de Spaanse bezetting van mei tot november werd Den Haag zeer getroffen door het afbreken van huizen en geweld tegen inwoners. Na het vertrek van de Spanjaarden kwamen de Staatse soldaten, zeven, later zes vendels sterk. Deze moesten kost- en inwoning krijgen, omdat ze daar zelf geen geld voor hadden. Zij vernielden net zo goed huizen als de vijand. Zij vertrokken afgelopen mei en lieten de weinige overgebleven Hagenaars in ellende achter. Deze Hagenaars hadden hun kleren, huisraad, servies, linnengoed, bedden en nog veel meer, moeten verkopen voor het onderhoud van de soldaten, omdat hun huizen niet afgebroken of beschadigd waren door de soldaten, in afwachting van hulp door de Prins.

 

Daarbij komt dat verleden zomer (1575) meer dan de helft van de inwoners van Den Haag aan de pest is gestorven en de andere helft, de suppoosten en andere ambachtslieden naar Delft, Rotterdam en Dordrecht gevlucht zijn.

 

De heel kleine groep overgebleven is verarmt en leeft van financiële steun van anderen. Bovendien zijn tweehonderd Hagenaars overleden in dienst van de Prins. En zestig man heeft gewerkt aan het ontzet van Leiden, op hun eigen kosten.

 

Naast al deze lasten dreigt nu een nog grotere last, namelijk een die de ondergang van Den Haag kan bewerkstelligen: het voorstel om het Haagse Bos te kappen en verkopen. Dat zou niet moeten gebeuren, want Den Haag is een Koninklijke en prinselijke hofstad en residentie. Het Bos is de enige overgebleven warande van heel Holland die moet worden behouden en beschermd.

 

Keizer Karel V, Maria van Hongarije en René van Châlon (s) en alle andere stadhouders en opperhoutvesters gebruikten het bos dagelijks om te jagen of te wandelen. Het Bos is ook de enige wildernis en sierraad van Den Haag en Holland.

 

Het Bos zal volgens de verordeningen van de landsheren onderhouden en beschermd blijven en Den Haag zal wel weer opbloeien als de bewoners weer terugkomen en de regeringscolleges zullen wel terugkomen. Maar het Bos is in tegenspraak met de verordeningen vernield. Ook het gasthuis, het weeshuis en de Leprozen en andere godsdienstige instellingen voor arme mensen lijden financieel onder de vernieling en verlating van Den Haag omdat veel mensen hun leningen niet terug zullen worden betaald12.