Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerDen Haag is ontstaan doordat de graven van Holland hier hun hoofdwoning vestigden. Rondom dat grafelijk kasteel ontstond het dorp Den Haag. Onder de eerste grafelijke familie, die van het Hollandse huis, bleef het nog klein.

 

Over Kneuterdijk 13.

Over Kneuterdijk 6.

Over Kneuterdijk 20.

Over Kneuterdijk 22, huis van Van der Mijle.

kopfoto

Kneuterdijk 22 (24), huis van Oldenbarnevelt

(huis E/F en E)

Kneuterdijk 22 is een gebouwencomplex van oorspronkelijk verschillende huizen, die vroeger de adressen Kneuterdijk 22 en 24 vormden. Dit complex fungeerde sinds het begin van de negentiende eeuw als ministerie van Financiën. Aan de westkant van dit ministerie lag op het adres Kneuterdijk 20 het (voormalige) koninklijk paleis.

 

Op Kneuterdijk 22 hebben verschillende huizen gestaan. Er is gebouwd, afgebroken, herbouwd, samengevoegd en gesplitst. In grote lijnen gaat het om drie verschillende huizen, die op bijgaande tekening D, E en F worden genoemd. De huizen A, B en C horen bij de geschiedenis van paleis Kneuterdijk.

 

Het linker gebouw (D) is een oorspronkelijk middeleeuws huis, dat in 1671 is herbouwd door Petronella van Wassenaer Duvenvoirde. In 1749 werd het woonhuis verbouwd tot stadslogement van enkele steden. Die gebruikten het voor hun stadsbestuurders als die in Den Haag verbleven. Het hoekpand F ontstond pas later door splitsing uit het middelste pand E.

Kneuterdijk 20-24

Overzicht van de beschreven panden aan de Kneuterdijk. A, B, en C werden later het paleis aan de Kneuterdijk. E en F vormden samen één groot huis, dat eigendom werd van Johan van Oldenbarnevelt. Hij splitste dit huis in twee huizen.

Huis E/F, eerste eigenaar Van Doornich

Het middelste van de drie huizen (E) wordt vaak het ‘huis van Oldenbarnevelt’ genoemd. Landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt was namelijk opdrachtgever voor de bouw van het huis. Hij was eigenaar geworden van een ouder huis, dat op de tekening is aangeduid met E/F. Van dit huis is van de oudste geschiedenis niet veel bekend. In 1357 was van een zekere Willem Ysbrantszoon eigenaar van een huis op deze plek. Een of meer eigenaren na hem, was Helmich van Doornich de eigenaar. Van Doornich was raadsheer van graaf Willem VI van Beieren en daarna van hertog Filips van Bourgondië. Volgens geschiedschrijver Jacob de Riemer was het huis in die tijd een der aanzienlijkste gebouwen van Den Haag. Het had zoals toen gebruikelijk was, een voorhof, maar daarachter ook nog een binnenhof. Van Doornich koos tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten de kant van gravin Jacoba van Beieren. Zij voerde met haar oom Jan van Beieren een strijd om het graafschap Holland en die verloor zij. Van Doornich werd in 1424 voor zijn steun aan de verliezende partij verbannen. Al zijn eigendommen werden verbeurd verklaard. Jan van Beieren schonk het huis op 26 februari 1424 aan zijn vrouw, Elisabeth van Görlitz1. Helmich van Doornich verzoende zich naderhand weer met Filips van Bourgondië, een latere graaf van Holland. Het is niet zeker of hij toen zijn huis weer terug kreeg.

De heren van Naaldwijk

Op een onbekende datum werd het huis eigendom van de familie Van Ligne, de graven van Arenberg (ook vaak Aremberg genoemd). Deze graven waren ook ‘heer van Naaldwijk’ en daarom werd dit huis ook wel het ‘Huis (of Hof) van Naaldwijk’ genoemd. Jan van Ligne (als Franstalige eigenlijk Jean de Ligne) was de eerste Van Ligne die dit huis bezat. Zijn buurman in buurhuis D was Jacques van Ligne, een verre verwant van hem. Jan van Ligne was baron en geboren in het graafschap Henegouwen. Hij trouwde met Margaretha van der Marck en via dit huwelijk kwam hij aan de titel ‘graaf van Arenberg’. In literatuur wordt hij vaak kortweg ‘Arenberg’ genoemd2. Hij was een vertrouweling van landsheer Karel V en had hoge functies als stadhouder en legeraanvoerder. Hij werd door Karel V zelfs opgenomen in de prestigieuze Orde van het Gulden Vlies. Tijdens de Opstand tegen landsheer Filips II speelde hij een belangrijke rol, maar hij bleef dd landsheer trouw en koos niet voor de opstandelingen. In 1568 vond hij de dood bij de Slag bij Heiligerlee. Zijn zoon Karel erfde toen het huis. Omdat hij partij voor de landsheer had gekozen werden zijn bezittingen (tijdelijk) in beslag genomen. Op 4 mei 1588 moest zijn vrouw het ‘Hof van Naaldwijk’ ontruimen. Het was een representatief huis en daarom verhuurden de Staten van Holland het aan buitenlandse gezanten. De huur ging overigens wel naar mevrouw Arenberg3.

Kneuterdijk 20-24 in 1597

Detail van de kaart van Jacques de Gheyn uit 1597, met daarop de huizen in de hoek van de Kneuterdijk. (Haags Gemeentearchief)

Gezanten op de Kneuterdijk

De eerste gezant van wie bekend was dat hij het huis huurde, was de Engelsman Henry Killigrew. Zijn naam komt in Nederlandse bronnen in allerlei varianten en in vernederlandste vorm voor, zoals Henrick van Kildegreij, Kellegry of Kelleny. Killigrew had in de jaren 1586 tot 1589 namens koningin Elizabeth zitting in de Raad van State. De Raad van State had in die tijd drie Engelse leden als ruil voor de grote militaire en financiële hulp die Elizabeth ons land gaf in de strijd tegen Filips II. Ook de landvoogd was een Engelsman (graaf van Leicester) en er was een groot contingent Engelse troepen in ons land. Het geld en de Engelse troepen waren welkom, maar het centrale bestuur van de Engelse landvoogd en de Raad van State niet. Leicester stelde bijvoorbeeld een verbod in om handel te drijven op de vijand. Voor Holland was die handel een belangrijke inkomstenbron, want met de accijnzen die daarop werden geheven werd een deel van het leger betaald. De handel op de vijand ging dus gewoon door en de Engelse invloed werd binnen enkele jaren uitgeschakeld. Toen enkele Engelse garnizoenen overliepen naar de vijand kon Leicester vertrekken. De Raad van State kreeg nog maar één Engels lid. De latere ambassadeur Carleton was de laatste Engelsman die zitting had in de Raad van State4.

Franse gezanten op de Kneuterdijk

Na Killigrew woonden er Franse gezanten in het huis. De eerste was Paul Choart, heer van Buzanval (Buzenval). Buzanval was al in dienst van Hendrik IV, toen deze nog geen koning van Frankrijk was. Hendrik was leider van de Franse protestanten, maar moest zich bekeren tot het katholicisme om koning van Frankrijk te kunnen worden. Buzanval was vanaf 1591 zijn gezant in Den Haag en hij woonde vermoedelijk vier jaar op de Kneuterdijk. In 1607 woonde een andere Franse gezant in het huis, Elie de la Place, de heer van Russy. Russy probeerde samen met de Franse gezanten Jeannin en Buzanval onze regering te bewegen vrede te sluiten met Spanje. Hendrik IV steunde ons land financieel en militait omdat hij bang was voor Filips II, maar aan de andere kant wilde hij liever vrede. Jeannin en Buzanval woonden tijdens hun missie in het Oude Hof op het Noordeinde (paleis Noordeinde), waar toen ook Frederik Hendrik en diens Franse moeder Louise de Coligny woonden. Van 1609 tot 1611 was Russy ambassadeur van zijn land. Hij woonde toen in het huis van de heer van Cabau aan het Noordeinde, tegenover de Molenstraat5.

Johan van Oldenbarnevelt koopt het huis op de Kneuterdijk

Ondertussen was het huis nog steeds officieel eigendom van de katholieke familie Van Ligne. Toen in 1609 het Twaalfjarig Bestand werd gesloten, mocht eigenaar Karel (Charles) van Ligne ons land weer bezoeken. Net als zijn buurman Van Ligne (zie het buurhuis) had hij enorme bezittingen in de Noordelijke Nederlanden. Omdat ons land de protestanten het voor het zeggen hadden was er voor katholieke edelen geen toekomst. De beide Van Lignes verkochten hun bezittingen in ons land voor het in die tijd astronomische bedrag van 850.000 gulden. Karel van Ligne (Arenberg) verkocht onder andere de heerlijkheid Naaldwijk en het huis Honselersdijk aan Frederik Hendrik. Zijn grote huis op de Kneuterdijk verkocht hij op 13 juli 1610 voor een zacht prijsje (11.000 gulden) aan Johan van Oldenbarnevelt.

Landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt

Johan van Oldenbarnevelt was in veel opzichten de juiste man om ons land te leiden in deze moeilijke periode van de Opstand. Hij loodste ons land langs de rand van de afgrond. Hij wist de onmisbare militaire en financiële steun van de koningen van Engeland en Frankrijk binnen te halen en daarnaast bouwde hij de staatsstructuur van ons land, de Republiek der Verenigde Nederlanden op. Hij zorgde er voor dat de zeven verschillende gewesten ondanks soms zeer tegengestelde belangen konden samenwerken. In de jaren na de dood van Willem van Oranje organiseerde hij een nieuw staatsbestel, waar hij zelf door zijn capaciteiten en persoonlijkheid leiding aan ging geven.

 

Het was Oldenbarnevelt zelfs gelukt om de Spaanse koning het Twaalfjarig Bestand te laten tekenen waarbij hij tijdelijk onze onafhankelijkheid erkende. In de buitenlandse politiek was Oldenbarnevelt succesvoller dan in de binnenlandse politiek. Hij onderhandelde op het scherpst van de snede en tact was zijn zwakke kant. Buitenlandse vorsten waardeerden hem als een gelijkwaardige tegenstander, maar in de binnenlandse politiek liep hij gemakkelijk over anderen heen. Steeds meer mensen voelden zich gepasseerd en hoopten wraakzuchtig op zijn val. Toen Oldenbarnevelt het huis in 1610 kocht, stond hij op het hoogtepunt van zijn macht.

Nieuwbouw op de Kneuterdijk

Oldenbarnevelt liet het westelijk deel van het huis vlak na de aankoop in 1610 slopen. Op de plaats kwam een huis dat Jacob de Riemer in 1735 “een schoon en heerlijk gebouw“ noemde, een van de mooiste van Den Haag6. In het oostelijk deel van het huis werd een veel kleiner huis gebouwd voor zijn zoon Reinier (zie verder hoekhuis F). De architect van het westelijke huis (E) is niet bekend, maar sommigen denken dat dit Hendrik de Keyser is geweest. Het huis kreeg vier verdiepingen en had een opvallende voorgevel in Hollandse renaissancestijl. In de twee geveltoppen zaten ondiepe met beelden, die de Rechtvaardigheid en de Voorzienigheid voorstelden. Het was de woning van een rijk en belangrijk man zoals Oldenbarnevelt op dat moment was en op dat moment het eerste huis aan de Kneuterdijk in een moderne bouwstijl. In april 1611 was de nieuwbouw van het huis al zo ver gevorderd dat Oldenbarnevelt zijn oude huis in de Spuistraat kon verkopen. Hij verkocht het voor bijna 16.000 gulden aan Adriaen van Mathenesse7.

Kneuterdijk 20-24

Dezelfde panden als op de tekening hierboven, maar dan de situatie van ongeveer 1619. Op de plek van het middeleeuwse huis E/F staan nu twee huizen. E is het nieuwe huis van Johan van Oldenbarnevelt, in moderne bouwstijl in vergelijking met de buurhuizen. Huis F is bestemd voor zijn zoon Reinier. Huis D is ook eigendom van Oldenbarnevelt, maar wordt bewoond door zijn schoonzoon Cornelis van der Mijle en zijn dochter Maria.

Val van Oldenbarnevelt

Door zijn stugge optreden kreeg Oldenbarnevelt steeds meer tegenwerking in de politiek. In 1619 pleegde prins Maurits een staatsgreep en schoof Oldenbarnvelt opzij. De landsadvocaat werd beschuldigd van landverraad en werd na een politiek proces terechtgesteld op het Binnenhof (zie bij Oldenbarnevelt).

 

Zijn val trof ook zijn familie. Zijn bezittingen werden verbeurd verklaard en zijn weduwe en kinderen moesten het huis aan de Kneuterdijk verlaten. Zij woonden eerst op het landhuis Stoutenburg bij Amersfoort, maar volgens De Vink woonden zij later in een huis in de Raamstraat. In 1624 werden de geconfisqueerde goederen van Oldenbarnevelt in het openbaar verkocht. Van de opbrengst werden eerst de kosten van het proces tegen Oldenbarnevelt afgetrokken, zoals toen gebruikelijk was. De rest, minder dan de helft van de nalatenschap, ging in 1625 naar de dochter en kleinkinderen van Oldenbarnevelt. Schoonzoon Cornelis van der Mijle kreeg Oldenbarnevelts huis aan de Kneuterdijk toegewezen8.

Lange Voorhout in 1622, met links de Kneuterdijk.

Gezicht naar het Lange Voorhout, met links de huizen aan de Kneuterdijk in 1622. Helemaal links het Hof van Bohemen (Detail van een prent van Verstraten, Haags Gemeentearchief, kl. B. 972)

Maria van Oldenbarnevelt en haar zoon Adriaan van der Mijle

Toen Cornelis van der Mijle op 20 of 21 november 1642 overleed, werd zijn vrouw Maria (van Oldenbarnevelt) eigenaresse van het huis. Zij verhuurde het een tijd aan Elizabeth Stuart (die ook het buurhuis al huurde), maar later verhuurde ze het grote huis vooral aan buitenlandse gezanten. Er woonden een aantal opeenvolgende Franse ambassadeurs. In 1643 was dat Claude Mesmes, graaf d’Avaux. Mesmes was naar ons land gestuurd om de vredesonderhandelingen met Spanje op gang te helpen. Onder andere dankzij hem kon ons land in 1648 de Vrede van Munster sluiten. In 1662 woonde de bekende graaf d’Estrades in het huis. Hij liet in zijn huis katholieke kerkdiensten houden. Dat was officieel verboden, maar de regering kneep wijselijk een oogje dicht.

Haags Besogne van de Verenigde Oost-Indische Compagnie

Enkele jaren daarna huurde de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) het huis en werd dit gebruikt voor het Haagse Besogne. Het Haagse Besogne was een belangrijk onderdeel van de VOC op het gebied van het beleid, maar in 1690 vertrok de VOC al weer naar een gebouw aan het Bleijenburg. In 1697 woonde de Oostenrijkse gezant in het huis, de rijksgraaf von Straetman (of Strattmann). Straetman was eerder in Den Haag geweest, maar hij was er nu in voor de onderhandelingen die tot de Vrede van Rijswijk zouden leiden. Ook na hem woonden hier diverse gezanten, die het huis huurden van de erfgenamen van de in 1657 overleden Maria van Oldenbarnevelt9.

Wigbold van der Does en Wilhelmina Henriëtte van Reede

De laatste erfgenaam van Maria van Oldenbarnevelt was haar achterkleinkind Wilhelmina Henriëtte van Reede, in 1699 getrouwd met Wigbold van der Does. Van der Does had diverse hoge functies en was onder andere lid van de Ridderschap van Holland en van de Staten-Generaal10. Dit echtpaar woonde niet in het op dat moment slecht onderhouden en bouwvallige huis en zij verkochten het op 3 mei 1713 aan de Duitse gravin van Wartenberg. Deze gravin werd zeer bekend, maar een belangrijk deel van haar leven speelde niet in Den Haag, maar in Berlijn.

Catharina van Wartenberg

Deze gravin werd in 1670 als Catharina Rickers geboren in een Nederlands-Hervormd gezin in Lobith. Lobith lag toen in het hertogdom Kleef, dat eerder die eeuw met Nederlands militaire hulp bezit was geworden van de keurvorst van Brandenburg. Brandenburg was ondertussen uitgebreid met Pruisen en keurvorst Frederik III noemde zich sinds 1701 ook koning in Pruisen (en later koning ‘van’ Pruisen). Catharina’s vader was in Kleef hoofd van de Brandenburgse belastingen (“Wasser Licenten und Zollen”)11.

 

Catharina sprak van huis uit Nederlands en gezien haar vaders werk sprak ze waarschijnlijk ook Duits. Op haar twintigste trouwde zij met een hoffunctionaris uit Berlijn. Na diens overlijden in 1693 trouwde zij in 1696 met Oberkammerherr Johann Casimir von Kolbe. Kolbe was in het hertogdom Simmern de charmante opperstalmeester en raadgever geweest van Maria van Oranje-Nassau, de jongste dochter van onze stadhouder Frederik Hendrik. Toen zij in 1688 overleed baarde haar testament opzien toen bleek dat zij haar slot Oranienhof aan Kolbe na had gelaten. De Allgemeine Deutsche Biographie uit 1882 meende dat Kolbe het voorbeeld was van iemand die ondanks zijn luiheid en beperkte capaciteiten de top toch kon bereiken door zijn knappe uiterlijk en handige manieren12.

 

Kolbe zette hierna zijn carrière in Berlijn voort aan het hof van Frederik I en in 1697 werd hij eerste minister. In die positie werd hij berucht. Hij dacht alleen aan zichzelf en richtte het land ten gronde. De historici Linda en Marsha Frey vinden het raadselachtig dat Wartenberg (Kolbe) zoveel invloed kon uitoefenen op de koning. De koningin vond hem een “roofdier” of “windvaan”. Kolbe wist lange tijd complotten tegen hem te verijdelen, maar uiteindelijk werd hij ten val gebracht en moest hij naar Frankfurt in ballingschap. Hij overleed daar ruim een jaar later in 1712. In 1704 was hij als dank voor zijn werk nog verheven tot graaf van Wartenberg.13.

Maîtresse van de koning

In het kielzog van Kolbe kreeg ook Catharina een slechte naam. Haar biograaf Hubberz probeert een objectiever beeld te geven. Haar slechte naam had ze volgens hem deels te danken aan de hoge positie van haar echtgenoot, waardoor zij het mikpunt werd van jaloezie en boosaardige roddels. Ze was knap, welbespraakt, brutaal en niet bang om op te vallen. Hubberz geeft toe dat Catharina niets naliet om haar positie aan het hof te verbeteren. Ze ging affaires aan om haar man en haarzelf vooruit te helpen. De Engelse ambassadeur zou ze hebben verteld dat haar liefdesavonturen moeilijker te tellen waren dan de mosselen op het strand van Scheveningen. Volgens Hubberz kon ze als gewoon burgermeisje niet anders. Aan het hof kon ze alleen vooruitkomen door affaires met mannen en daarmee bereikte ze de hoogste positie. Ze werd ‘maîtresse de titre’, een functie die was overgenomen van het hof van Lodewijk XIV. Over de taken van deze maîtresse spreken de bronnen elkaar tegen. Volgens de een moest ze dagelijks een uur met de koning wandelen en dan zo opvallen dat iedereen hen samen kon zien. Volgens de ander deelden ze ook het bed. Hubberz oppert dat je ‘maîtresse’ ook gewoon kunt vertalen als ‘vriendin’. Niemand wist dus wat ze werkelijk moest doen en Hubberz kan aantonen dat veel verhalen over haar leven niet waar kunnen zijn. Zo was het niet dat ze op veertienjarige leeftijd al animeermeisje was in de herberg van haar vader. Dat ze succes had aan het hof van de Pruisische koning was duidelijk. Volgens de koningin regeerde Catharina het land14.

 

Catharina had volgens Hubberz onprettige kanten, maar de voornaamste bron van negatieve verhalen was volgens hem niet objectief. Dat was gravin Elisabeth Charlotte van de Palts, een “roddeltante”, die een enorme briefwisseling naliet die nog steeds een bron is voor veel onderzoekers. Elisabeth was een kleindochter van de Winterkoningin. Zij was in 1671 getrouwd met de broer van Lodewijk XIV. Elisabeth kende Catharina nauwelijks, maar had volgens Hubberz een grote hekel aan de maîtresses aan het Franse hof. Dat kleurde volgens Hubberz haar mening over Catharina. Ondanks de verhalen hadden Catharina en de koningin van Pruisen volgens Hubberz niet eens zo’n slechte verstandhouding met elkaar. Tussen de onenigheden door kwamen ze bij elkaar op bezoek en hadden ze plezier op elkaars feesten. De moeder van de koningin (keurvorstin van Hannover) vond Catharina zelfs een “recht artige fraw”, die zo gezellig was dat de tijd voorbij vloog. Zij was “eine weltfraw” die Nederlands sprak als een papegaai15.

Gravin Wartenberg in Den Haag

Nadat haar man in Frankfurt was overleden verhuisde Catharina naar de Republiek. De verhuizing naar Nederland was geen onverwachte stap. Zij en haar man hadden al plannen gehad om hun pensioen in Nederland door te brengen en Nederland was Catharina’s moedertaal. Ze kocht het huis van Oldenbarnevelt, maar voordat ze er ging wonen liet ze her eerst verbouwen. De Vink is in het Jaarboek Die Haghe van 1922 niet enthousiast over de verbouwing en overigens ook niet over Catharina. Door Catharina’s verbouwing verdween volgens hem veel van het oude karakter van het huis. Misprijzend schrijft hij dat oude ornamenten, de in lood gevatte ruitjes en de fraaie dakvensters verdwenen en dat de ramen modern spiegelglas kregen. De ingang werd naar het midden verplaatst en de fraai geornamenteerde schoorstenen maakten plaats voor “stijlloze” kolommen. Historicus en Catharina’s tijdgenoot Jacob de Riemer dacht daar anders over. Hij schrijft in 1730 dat zij van het huis “de puye merkelyk hebbende laaten opçieren naar de hedendaagsche bouw-wyze”, oftewel dat zij de voorgevel van het huis helemaal in de laatste mode heeft laten opknappen. Hij kan haar persoonlijk hebben gekend16.

 

De verbouwing nam veel tijd in beslag en in de tussentijd verbleef ze in Utrecht en in Parijs. In Utrecht waren vredesonderhandelingen aan de gang en ontmoette ze diplomaten die ze nog uit Berlijn kende. Toen die conferentie voorbij was haar huis nog niet klaar en ging ze naar Parijs17.

 

In november 1715 kwam ze uiteindelijk in Den Haag en bracht haar laatste negentien jaar door in het grote huis aan de Kneuterdijk. Daar ontving ze veel bezoek en ging ze op bezoek. In de wintermaanden gaf ze feesten en in het voorjaar bezocht ze vaak met haar jongste zoontje familie in Kleef. Ze had zelfs een neef van haar in de buurt wonen, een hoogleraar in Leiden. In 1728 maakte zij een laatste grote reis naar Engeland, maar daarna ging haar gezondheid achteruit en bleef ze in Den Haag wonen. Op 19 maart 1734 overleed ze in Den Haag en op 23 maart werd ze begraven in de Kloosterkerk. Uit de betaalde accijns over de begrafenisaangifte blijkt dat ze rijk was, want ze werd aangeslagen in de hoogste klasse. De Vink over haar laatste jaren overigens een andere lezing dan Hubberz. Volgens hem spioneerde zij voor Pruisen en wist zij “als handige en grenzeloos brutale courtisane” achter staatsgeheimen te komen. Volgens hem raakte zij verarmd door het spel en moest ze wegens schulden naar Parijs vluchten. Daar is zij volgens hem overleden18.

 

Maar uit haar nalatenschap blijkt dat Catharina rijk was. Ze liet een grote collectie porselein en juwelen na. Uit boedelinventarissen blijkt dat het huis met dure spullen was ingericht. De onderste twee verdiepingen gebruikte zij zelf, het personeel woonde op de bovenste twee verdiepingen. Aan de achterkant lag de grote zaal die ruimte had voor gasten en een klein orkest. Het personeel was ongeveer vijf tot tien mannen en vrouwen sterk. Ze had onder andere dienstmeisjes, een portier, koetsier, een hofmeester of maitre-d’hotel en een secretaris19.

Jan Nijman

Na de dood van de gravin werd het huis (op 3 november 1734) door haar erfgenamen verkocht aan Jan Nijman. Diens weduwe schonk het in 1740 aan haar kleinkinderen en die verhuurden het aan de Russische gezant Galiski en later aan de weduwe Galiski. Het huis staat in de negentiende eeuw nog bekend als “het Hotel van de Prinses van Galiski”20.

Kneuterdijk 22 rechts

Kneuterdijk 22 (rechts)

Kneuterdijk 22 eigendom van de staat

Op 22 oktober 1806 verkochten de kleindochters van weduwe Nijman het huis aan de Staat. Het werd met het aangrenzende huis (van Van der Mijle) korte tijd gebruikt door het Departement van Financiën. Ons land was in 1806 onder Lodewijk Napoleon een koninkrijk geworden en voor zijn regeringsapparaat waren grote huizen nodig. De huizen aan de Kneuterdijk werden slechts korte tijd gebruikt door dit departement, want Lodewijk Napoleon besloot in 1807 met zijn regering naar Amsterdam te verhuizen.

 

In het gebouw werden vervolgens staatsarchieven ondergebracht en vanaf 1809 werd er de Koninklijke Militaire School in onder gebracht. Honderd leerlingen kregen in drie klassen hun opleiding tot officier. Op 10 juni 1810 werd het koninkrijk opgeheven en werd ons land ingelijfd bij het Franse keizerrijk van Napoleon. Bij decreet van 16 september 1810 werd de Koninklijke Militaire School opgeheven en gingen de leerlingen naar Frankrijk21.

Ministerie van Financiën

Het militaire gebruik had het Logement van de Vijf Steden geen goed gedaan en er was ook weinig gedaan aan het onderhoud. Het gebouw werd nu op zo goedkoop mogelijk hersteld. Alles wat het huis aantrekkelijk maakte, werd volgens De Vink verwijderd. Het Keizerlijk Decreet van 12 april 1811 gaf het gebouw in gebruik aan de prefectuur (regering) van het Departement der Monden van de Maas. De prefect zelf ging in het grote huis van Bentinck wonen, schuin aan de overkant op het Lange Voorhout. In 1814 werden de gebouwen wederom Ministerie van Financiën22.

 

Met de omliggende gebouwen hield het gebouw lange tijd deze bestemming, maar door de vele verbouwing werd het al snel een doolhof. In 1954 noemde het weekblad Katholieke Illustratie Kneuterdijk 22 het “wonderlijkste departementsgebouw van Den Haag”. Het was een waar labyrint “waar zelfs een minister” kon verdwalen. De oorspronkelijke gebouwen waren allang niet meer in hun originele staat, maar waren naar elkaar doorgebroken. Omdat de verdiepingen op een verschillende hoogte lagen moest je altijd langs een trapje. De Gotische Zaal was door de Duitsers in twee verdiepingen verdeeld. Zij hadden er halvwege een vloer ingelegd23.

 

Pas in 1975 kreeg het ministerie van financiën een nieuw gebouw aan het Korte Voorhout, dat op 22 oktober 1975 werd geopend door dr. P. Lieftinck. De volgende gebruiker van het huis van Oldenbarnevelt werd de Raad van State24.

Kneuterdijk 20-24 in 1710

Het nieuwe.

 

Verantwoording

Voorlopige tekst, 5-3-2011.

Literatuur

• D. Brongers, ‘Een gebouw van de VOC in Den Haag’, in Jaarboek Die Haghe, 2002, 33-40.

• A.Th. van Deursen, ‘De Raad van State onder de Republiek 1588-1795’, in: T. Damsteegt, W. Scholten (red), Raad van State 450 jaar, ’s-Gravenhage 1981.

• Linda und Marsha Frey, Friedrich I. Preussens erster König, Wien, 1984.

• S. Groenveld, De Winterkoning. Balling aan het Haagse Hof, Den Haag, 2003.

• Erich Hubbertz , Catharina Gräfin von Wartenberg, Emmerich 1986.

• Ben Knapen, De man en zijn staat. Johan van Oldenbarnevelt 1547-1619, Amsterdam 2005.

• H.M. Mensonides, De huizen aan de Kneuterdijk tussen Heulstraat en Parkstraat, typoscript, Den Haag, 1973.

• C.H. Peters, De Landsgebouwen te ’s-Gravenhage. Rapport aan Zijne Excellentie den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, ’s-Gravenhage 1891

• Jacob de Riemer, Beschryving van ’s-Gravenhage, II Den Haag 1730.

• Mr. O. Schutte, Repertorium der buitenlandse vertegenwoordigers in Nederland 1584-1810, ‘s-Gravenhage 1983.

• M. Tans, De opleiding tot officier onder koning Lodewijk Napoleon in Honselaarsdijk en ’s-Gravenhage, Ons leger, augustus 1961, pp. 5-9.

• Hans Vlaardingerbroek, Leo Wevers, Bouwhistorische opname en waardestelling. ’s Gravenhage, Kneuterdijk 20-24, deel 2: Kneuterdijk 22-24, Utrecht 2004.

• Mr.dr. Jan den Tex en Ali Ton, Johan van Oldenbarnevelt, ’s-Gravenhage 1980.

• A.W. de Vink, De huizen aan den Kneuterdijk No. 22, in: Die Haghe Jaarboek 1921/922, 120-192.

Noten

1. De Riemer II 732; De Vink en De Riemer geven andere schenkers en ontvangers, maar aan de hand van de gegevens kan het niet anders zijn dan dat Jan van Beieren het huis schonk aan zijn vrouw Elisabeth van Görlitz.

2. Edelen worden in literatuur soms vermeld met hun familienaam, maar vaak naar het gebied waarvan ze heer zijn. In dat geval vervalt het voorvoegsel ‘van’. Naar Jan van Ligne kun je dus verwijzen als ‘Van Ligne’ of als ‘Arenberg’.

3. De Riemer II, 731-733, De Vink 168-169.

4. Van Deursen, De Raad van State, 53-55.

5. Den Tex V p. 573, De Vink 169, Schutte, 1-2.

6. De Riemer 734.

7. De Vink 171-173.

8. De Vink 175-178.

9. De Vink 178-179, D. Brongers, 33, Schutte 150.

10. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, VI, 441.

11. Hubberz 12-21.

12. F.W. van den Berg, ‘Maria van Oranje. Een bijna vergeten telg uit ons vorstenhuis’, Jaarboek Vereniging Oranje Nassau Museum (1993), 6-21.

13. Frey 97-99, Hubberz 101-104, De Vink 182.

14. Hubberz 87-90.

15. Hubberz 90-97, 120-121, Frey 99.

16. De Vink 173-180, De Riemer II 734.

17. Hubberz 114-115.

18. Hubberz 127-128, De Vink 183-185.

19. Hubberz 125-129.

20. De Vink 185-186.

21. Tans 7.

22. De Vink 164-167.

23. Katholieke Illustratie, 27 februari 1954, p 408-413.

24. Jaarboek Die Haghe 1976, p.156.