Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDe geschiedenis van de Rivierenbuurt in het kort. Ik werk er regelmatig aan verder.

 

Over de Ammunitiehaven

Over de Nieuwe Haven

kopfoto

Rivierenbuurt

De Haagse Rivierenbuurt is een relatief jonge wijk waarvan slechts met moeite wat van de oudere geschiedenis te vinden is. Ik heb nog geen uitgebreide geschiedenis van de wijk gevonden. Met wat moeite vond ik wat snippers informatie die ik in de loop van de tijd hoop uit te breiden tot een echte wijkgeschiedenis.

De Rivierenbuurt kent slechts weinig gebouwen die ouder zijn dan de 19de eeuw. De grens van de buurt is immers het Zieken en de Zuid-Oost Singelsgracht.

Het gebied waar nu de Rivierenbuurt ligt, was ooit een drassig veengebied tussen Den Haag en Voorburg. Van oudste bewoners is niets bekend. Het eerste teken van leven is misschien de weg geweest die in de Romeinse tijd de wachtpost aan de Scheveningse weg verbonden moet hebben met het Romeinse stadje Forum Hadriani, bij Voorburg aan de Vliet. Daar zal een weg tussen hebben gelegen langs de route van de Binckhorstlaan of de Pletterijkade en dan vervolgens via de (oude) Nieuwe Haven uitkomend op de Korte Houtstraat1. Of de over deze weg reizende Romeinen onderweg ook Germanen in dit gebied zagen wonen is niet bekend. De eerste tekenen van activiteit komen uit de middeleeuwen. Het gebied waar nu de Rivierenbuurt ligt was eeuwenlang een landelijk veengebied buiten Den Haag, dat tussen twee duinruggen lag. Op de ene duinrug lag het grafelijk kasteel rondom het Binnenhof en op de andere duinrug lag Voorburg. Het gebied was eigendom van de graaf en hij gebruikte dit gebied om turf weg te winnen. Deze turf werd gebruikt als brandstof voor het kasteel2.

Op een bepaald moment was door dit gebied de Schenkwetering gegraven. De naam Schenk is een verbastering van Scheijink of Scheiding. De scheiding waar het hier om gaat is die tussen Den Haag en Voorburg. De Schenk was de sloot die in deze tijd tevens de grens was tussen Den Haag en Voorburg. Dit veengebied waar nu o.a. het Bezuidenhout en de Rivierenbuurt liggen, liep regelmatig onder water en wel zodanig dat er maatregelen gewenst waren. De boosdoener was blijkbaar de Haags Bosbeek, de beek die aan de zuidoostkant langs het Haagse Bos liep en ook het Spui van water voorzag. In 1442 besloot het Hoogheemraadschap Delfland een kade aan te leggen langs de zuidkant van deze beek en ook langs beide zijden van het Spui3. Er werden ook twee houten sluizen geplaatst die er voor zorgden dat het water uit het veengebied kon worden geloosd op het Spui en de Trekvliet. In 1446 werd de afwatering van dit gebied verbeterd door de aanleg van een watermolen, de (Oude) Veenmolen die het water op de Trekvliet loosde4.

In de middeleeuwen zijn we afhankelijk van snippers informatie omdat er zo weinig geschreven werd. Uit die spaarzame informatie weten we nog net dat er in Den Haag een vrouwenklooster stond dat veel land bezat in de “Rivierenbuurt”. Het St. Maria in Galileaklooster lag aan de Lange Poten en het land was geschonken door de graaf of gravin. Het klooster verpachtte het merendeel van dit land weer aan boeren. Vanaf het klooster liep een landweg de polder in, de Zusterlaan die we nu kennen als Nieuwe Haven en Pletterijstraat, maar dan zonder Zuid-Oost Singelsgracht, want die werd pas enkele eeuwen later gegraven.

Verder is er over dit gebied weinig bekend. Niet dat er nooit iets gebeurd is, want het dichtbij gelegen kasteel De Binckhorst is belegerd geweest, verwoest en herbouwd. Maar dat vereist meer onderzoek dan mij nu mogelijk is.

De volgende belangrijke stap zal dan de aanleg van de Zuid-Oost Singelsgracht zijn. De aanleiding hiervan was de Tachtigjarige Oorlog. Nederland was toen nog verdeeld in enkele kleine staatjes zoals het graafschap Holland en het bisdom Utrecht en die waren in opstand gekomen tegen hun heer, die tevens koning Filips II van Spanje was. Den Haag werd tijdens de oorlog de hoofdstad van de opstandelingen, maar het had geen stadsmuren en grachten. Prins Maurits, de legeraanvoerder, vond het daarom verstandig om rondom Den Haag een stadsmuur aan te leggen met een grachten. De op de ontwerptekening imposant ogende stadsmuur kwam er niet, maar voor het graven van grachten wilde de regering nog wel geld uitgeven. Dat zou voldoende moeten zijn tegen een Spaanse verrassingsaanval. Zo werd in het begin van den 17de eeuw een grachtengordel om Den Haag heen gegraven. De grachtengordel werd ruim om Den Haag gelegd en het duurde eeuwen voordat Den Haag deze ruimte had volgebouwd. Pas in de 19de eeuw kwamen er voor het eerst stadsuitbreidingen buiten deze grachtengordel.

 

Buiten de grachten was er alleen bebouwing te vinden langs wegen en kanalen en stonden er hier en daar wat boerderijen, buitens van rijke Hagenaars en een enkel vervallen kasteel. Ook aan de buitenkant van de grachtengordel werden huizen neergezet, want ook toen woonden mensen graag aan het water. Zo waren er huizen aan de Boomsluiterskade en aan de Trekvliet (die hier Zieken heet). Door de Rivierenbuurt liepen toen twee weggetjes waarlangs enkele huizen stonden. Op oude kaarten is dit zelden goed te zien omdat dit gebied buiten de stad lag en dus niet interessant genoeg om af te beelden. Een mooie kaart uit 1665 laat slechts een stukje voorloper van de Rivierenbuurt.

Rivierenbuurt in 1665

De Rivierenbuurt op een kaart uit 1665. Links het Zieken en de Trekvliet, bovenin de gracht met Uilebomen en Boomsluiterskade

De twee weggetjes zijn op deze kaart goed te zien. Bij A ligt de huidige huisartsenpraktijk, bij B de Zusterlaan, tussen de beide C’s ligt het Voorburgstraatje. De Zusterlaan is nu de Pletterijstraat, maar het Voorburgstraatje bestaat niet meer.

Het was oorspronkelijk een kade die op een afstand langs de Trekvliet liep. Het gebied tussen deze kade en de Trekvliet werd waarschijnlijk gebruikt om bij hoog water de kans op overstroming te verkleinen, want dat water kon hier worden opgevangen. Het land werd nog nuttig worden gebruikt, want het was rietveld en dit riet werd gebruikt als dakbedekking voor huizen. Deze vlietlanden werden na verloop van tijd opgehoogd en geschikt gemaakt voor groententeelt. Omdat het hier zo mooi groen was en aan het water lag kwamen er weer wat later ook buitenhuizen met mooie tuinen. Gezien de naamgeving van de straat kon je over deze kade in Voorburg komen. De hoofdweg naar Voorburg zal de Binckhorstlaan zijn geweest.

De Zusterlaan liep oorspronkelijk vanaf de Poten naar de weilanden buiten Den Haag en liep daar dood. Aan de Poten stond toen een klooster dan bijna al het gebied dat nu Rivierenbuurt is in eigendom had. Toen de Zuid-Oost Singelsgracht gegraven werd gegraven kwam er geen brug die beide stukken Zusterlaan met elkaar verbond. Het ene deel van de laan werd later hernoemd in Nieuwe Haven, het andere deel bleef ook bestaan en werd Pinksterbloemlaantje genoemd. Toen de Rivierenbuurt werd aangelegd kwam op vrijwel dezelfde plek de Pletterijstraat te liggen.

In de 17de en 18de eeuw zie je op kaarten de bebouwing langs de Boomsluiterskade toenemen. Pas in het midden van de 19de eeuw zie je meer bebouwing langs het Voorburgstraatje en het Pinksterbloemenlaantje.

 

Bedrijvigheid en verkeer

De veenpolder waar de Rivierenbuurt in is gebouwd bestond in de 19e eeuw nog voornamelijk uit weilanden, rietvelden en moestuinen. De eerste grote bebouwing van de Rivierenbuurt was een grote metaalfabriek. Aan het Zieken verrees in 1824 de metaalpletterij van Maritz en Enthoven in een voormalige manege die flink uitgebreid zou worden. E.B.L. Maritz kwam een geslacht van oorspronkelijk Zwitserse kanongieters en een broer van L.I. Enthoven had een metaalpletterij in Londen. De pletterij leverde in eerste instantie metaalprodukten en oorlogsmateriaal voor de Nederlandse marine en maakte koperen muntgeld voor Nederlands-Indië. Later ging men de fabriek ook andere metaalprodukten maken. De brug die nu nog over de Veenkade ligt is bijvoorbeeld door Enthoven gemaakt, maar de fabriek maakte ook het standbeeld van Laurens Jan Coster in Haarlem en het standbeeld van Erasmus in Amsterdam. De fabriek werd door uitbreidingen een groot complex van gebouwen. In 1890 had de fabriek 800 arbeiders in dienst. De fabriek draaide lange tijd goed, maar besloot vanwege de betere verkeersligging toch naar Delft te verhuizen. Aan de andere kant van het Zieken was een andere grote metaalfabriek, de “Prins van Oranje” ook al gesloten. Den Haag gold in de 19de eeuw als industriestad, maar met de sluiting van Enthoven in 1905 was dit tijdperk definitief voorbij.

Een van de bruggen van Enthoven ligt aan de Zwarteweg

Een van de bruggen van Enthoven ligt aan de Zwarteweg (prentbriefkaart Lud Fischer)

In de 19de eeuw kwam er in de Rivierenbuurt niet alleen rook uit de pijpen van Enthoven, maar vanaf 1843 reden er ook stoomtreinen door de buurt. De komst van de eerste stoomtrein gold in die tijd als een opzienbarende gebeurtenis. Er reed al een trein tussen Amsterdam en Haarlem, maar deze lijn werd via Leiden doorgetrokken tot Den Haag. De lange rechte dijk die door het vlakke polderlandschap werd getrokken eindigde bij Station Hollands Spoor op het grondgebied van Rijswijk. Deze gemeente wilde graag afstand toen van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid rond dit station en stond het gebied aan Den Haag af. Rijswijk had geen geld om meer politieagenten in dienst te nemen en bovendien lag het station te ver van de dorpskern van Rijswijk af.

De komst van spoorwegen had grote gevolgen voor de havenbuurt van die aan weerszijden van het Spui lag. Goederen die tot dan toe per schip naar Spui, Turfmarkt, Ammunitiehaven en Nieuwe Haven werden gebracht gingen steeds meer per trein. Ook bijvoorbeeld vis ging nu vanuit Scheveningen via station Hollands Spoor naar het binnenland. De spoorlijn werd in 1847 doorgetrokken naar Rotterdam.

Den Haag had nu een spoorlijn, maar naar de spoorverbinding met Duitsland werd reikhalzend uitgekeken. Men hoopte dat deze lijn meer Duitse toeristen naar Scheveningen zou brengen. Het duurde meer dan twintig jaar voordat deze lijn er kwam. De onderhandelingen duurden jaren en pas in 1870 vond de feestelijke opening van de lijn Gouda-Den Haag plaats. Deze lijn werd geëxploiteerd door de Nederlandse Rijnspoorwegmaatschappij. Toen de Nederlandse staat deze maatschappij overnam ging het station Staatsspoor heten en vanaf 1973 Centraal Station.

Vlak na 1870 kwam er ook een spoorverbinding tussen Staatsspoor en Hollands Spoor. Deze bocht is nu nog te herkennen aan de Lauwersstraat en werd later verlegd tot waar die nu ligt. Door de bouw van deze spoorlijnen was meteen al de grens van de Rivierenbuurt aangegeven.

Het bestaan van twee grote stations werd niet door iedereen even handig gevonden en bracht de gemoederen af en toe in beweging. Zo vond architect Berlage in 1908 dat station Staatsspoor moest worden opgeheven. Maar al eerder in 1897 had architect Lindo gemerkt had dat de spoorwegen er niets voor voelden geld uit te geven voor deze wijzigingen aan het spoorwegnet.

Woningbouw

De eerste grootschalige woningbouw in de Rivierenbuurt was de aanleg van het Hofje van Nijverheid. Op 15 januari 1863 vroeg timmerman M.J. Erkelens een vergunning aan om ongeveer 200 ‘werkmanswoningen’ te mogen bouwen op de Kruidentuin aan de Zuid Oost Buitensingel. Een ‘timmerman’ kon in die tijd ook ‘aannemer’ beteken en hij opereerde niet alleen. Met hem waren nog drie andere heren eigenaar geworden van deze grond. De woningen zouden in vier rijen ruggelings gebouwd gaan worden en niet groot zijn, 2,80 m breed x 4,20 m diep. Om een toegang tot het huizencomplex te geven zou het huis Z.O. Buitensingel 98 geheel of gedeeltelijk worden afgebroken. Op 26 maart schrijft ‘Erkelens en Co’ dat men begonnen is met het uitgraven van het veen en het leggen van een fundering. De informatie over het project is schaars doordat niet al het archief bewaard is gebleven, maar op latere tekeningen komen 148 woningen voor. Ook op plattegronden kun je zien dat het nog steeds een groot project is geweest. Het complex is bekend geworden onder de naam ‘Hofje van Nijverheid’ of ‘Nijverheidshofje’.

Hofjes in de Rivierenbuurt rond 1878

Hofjes in en rond de Rivierenbuurt rond het jaar 1878.

In lichtrood en lichtblauw de situatie van ongeveer nu. De hofjes uit ca. 1878 zijn in zwart ingetekend, de grachten uit die tijd zijn met donkerblauwe strepen aangegeven. A = Voorburgstraatje, B = Pinksterbloemlaantje, C = Nieuwe Havenstraat, D = de nog ongedempte Turfmarkt. E = de Nieuwe Haven, ook nog niet gedempt.

1 = politiebureau Nieuwe Haven, 2 = Hofje van Nieuwkerk, 3 = Hofje van Van Heusde, 4 = Hofje van Terlaak, 5 = Hofje van Van der Maden, 6 = Hofje van Haaksman, 7 = Hofje van Luberti, 8 = Hofje van Van Heusde, 9 = Hofje van Ginjolen, 10 = Hofje van Tieri, 11 = Hofje van Paauw, 12 = Hofje van Vintgens, 13 = Hofje van Swaaf, 14 = Hofje van Nater, 15 = Hofje van Hoefakker, 16 = Hofje van Teunissen, 17 = Hofje van Sas, 18 = Hofje van Swissaart, 19 = Hofje van Deel, 20 = Buitenhofje, 21 = Margaretha's Hofje, 22 = Hofje van Nijverheid, 23 = Ferdinandshofje, 24 = Hofje van Nieuwkerk, 25 = Hofje van Nieuwkerk, 26 = Hofje van Valkenburg.

Hofjes

Het begrip ‘hofje’ doet misschien denken aan rustig hofje voor oudere dames zoals die in eerdere eeuwen wel werden gebouwd, maar 19de eeuwse hofjes leken daar helemaal niet op. Geen grote binnentuin en een bestuur van regenten die voor het onderhoud van het hofje zorgden. De 19de eeuwse arbeidershofjes waren kleinere of uitgebreide woningcomplexen die vaak werden gebouwd op leegstaande achtererven. Aan de straatkant bouwde men ‘normale’ huizen, maar in plaats van grote tuinen kwam aan de achterkant een complex van kleine arbeiderswoninkjes. De grond werd benut om zoveel mogelijk huisjes te bouwen. Er werd geen ruimte opgeofferd aan straten of tuinen en evenmin aan goed sanitair. De huisjes werden met de achterkant tegen elkaar aan gebouwd. Ook aan de voorkant werd de vrije ruimte zo klein mogelijk gehouden. Er kwam geen straat, maar een steeg die meestal zo smal was dat er nauwelijks zon in kwam. Ergens in het hofje stond een waterpomp en er was ook wel plek voor de behoeftes en een plek voor het afval. Riolering bestond er eerst niet. Fecaliën werden afgevoerd door een sloot, een open soort riool. Omdat deze uitkwamen op de grachten roken die niet fris, zeker in de zomer kleine of niet. De hofjes, waar veel mensen dicht op elkaar woonden, waren de minst gezonde plaatsen van Den Haag. De huizen waren bovendien slecht gebouwd. Ze verzakten doordat ze geen fundering hadden of ze lekten door de slecht daken. Veel hofjes lagen onder het niveau van de straat zodat ze makkelijk onder water liepen, de beerput overstroomde en de inhoud door het hele hofje verspreid werd.

 

Pas tegen het eind van de 19de eeuw gaan idealistische burgers betere woningen bouwen voor arbeiders. Soms werden die zo duur dat alleen de geschoolde arbeider de huur kan betalen. Pas later komt er sociale woningbouw met subsidie van de overheid.

 

De Rivierenbuurt en omgeving had in de tweede helft van de 19de eeuw een zeer groot aantal van dit soort ‘hofjes’. In 1878 had Den Haag volgens een telling 279 hofjes, waarvan er ruimt zestig in de Rivierenbuurt de omgeving van de Nieuwe Haven en Hekkelaan lagen. De meeste hofjes droegen de naam van de eigenaar, zoals het Hofje van de Wijs of het Hofje van Sas. Het grootste was het Hofje van Nijverheid dat meer dan 160 woningen had. Het drinkwater uit de verschillende pompen was slecht. Soms was het “stinkend”, soms troebel en bij alle pompen was het water geel. Vier tot zes gezinnen delen één privaat (toilet) en de putten waar de toiletten op lozen werden vaak pas geleegd als de al overliepen. Maar de huisjes waren netjes en goed gebouwd. Dat was anders bij het Hofje Terlaak aan het Pinksterbloemlaantje. Daar stonden 51 huisjes met twee waterputten met ondrinkbaar water, acht privaten (toiletten). De woningen waren slecht onderhouden. Eén was altijd vochtig en had een verzakte vloer. Dertien huisjes stonden na de ophoging van een aangrenzend terrein meestal onder water. De cholera woedde hier in 1866 hevig. Het Hofje van Terlaak aan de Nieuwe Haven was veel beter. In andere hofjes was de toestand onhoudbaar omdat zij zonder ventilatie zijn en voor de huisjes drie mestputten liggen die te weinig geleegd werden. Er waren ook hofjes die niet zo slecht waren.

Hofje aan de Havendwarsstraat

Hofje aan de Havendwarsstraat. Niet alle hofjes waren erg smal (Haags Gemeentearchief).

Rivierenstraten

Een nieuw groot woningbouwplan werd rond 1880 uitgevoerd. De Rotterdamse firma A. van Stolk en Zoonen legde toen een aantal straten aan tussen de Zuid-Oost Buitensingel en de Rijnstraat. De broer van de eigenaar, Th. van Stolk, naar wie het sjieke Van Stolkpark is genoemd, voerde de onderhandelingen met de gemeente. Veel woorden maakte de gemeente er niet aan vuil. De toestemming werd vlot gegeven. Na de bouw werd de gemeente eigenaar van de straten om het onderhoud uit te voeren en toen kregen de straten ook een naam: Maasstraat, Amstelstraat, Waalstraat, Lekstraat en IJsselstraat.

 

Het zou nu weer veertig jaar duren voordat er ruimte kwam voor nieuwe woningbouw. Ten eerste zat de fabriek van Enthoven in de weg en verder had Den Haag weinig ruimte om uit te breiden. Daarom werd het gebied van de Rivierenbuurt eerst overgeslagen. Den Haag breidde eerst uit in de Laakkwartier, het Bezuidenhout, de Stationsbuurt en de Schildersbuurt (zoals de oorspronkelijke naam van de Schilderswijk luidde; en ook sinds 1988 (raadsvoorstel 1988 nr. 394) is de Schilderswijk weer officieel Schildersbuurt). In het Laakkwartier waren de Fijnjekade en Leeghwaterkade al klaar. In het Bezuidenhout waren al straten aangelegd met namen die eerder aan de Rivierenbuurt deden denken als Vlietstraat en Schenkstraat. Maar deze naar rivieren genoemde straten lagen van de latere Rivierenbuurt gescheiden door de spoorweg naar Utrecht en de rivier de Schenk die toen ook nog naast het spoor liep. Toch waren er in de begintijd wel banden tussen de Rivierenbuurt en het Bezuidenhout, want de eerste bewonersorganisatie van de Rivierenbuurt heette “Bezuidenhout en Wijk VII’s Belang” en was gevestigd in het Bezuidenhout. De Vlietstraat en Schenkstraat zijn afgebroken en op dezelfde plek ligt nu de wijk Bezuidenhout-West. Het afbreken van huizen aan de Schenkstraat is wel jammer, want in een van de huizen, op nr. 13, heeft Vincent van Gogh nog een tijd gewoond. Hij woonde hier een tijdje en werkte bij kunsthandel Goupil op de Plaats.

Rivierenbuurt plan van Abraham van Stolk

Plan van Van Stolk voor woningen aan de Amstelstraat, Lekstraat en Waalstraat (Haags Gemeentearchief).

De Rivierenbuurt: Wijk VII

De bouwplannen voor de Rivierenbuurt bestonden al een tijd als “Wijk VII”, maar men wachtte op het vertrek van de fabriek van Enthoven. Dat gebeurde in 1904 en toen ging het snel. Anders dan in 1880 werd de stadsaanleg grootschaliger aangepakt en had de gemeente een intensieve bemoeienis met het plan. In de 19de eeuw werd stadsuitbreiding uitgevoerd door particulieren. Deze kochten een of meer weilanden en planden daarop straten en huizen. Een andere groep particulieren kocht weer andere weilanden en bouwde daar straten en huizen op zonder zich te bekommeren om de aansluiting op bestaande straten. Deze wijze van stadsuitbreiding was niet meer geschikt voor een groeiende stad met steeds drukker wordend verkeer. En ook wilde de gemeente minimum-eisen stellen aan de kwaliteit van de stratenplannen zodat het naar de eisen van die tijd een fatsoenlijke woonomgeving werd.

Voor de verdere bouw van de Rivierenbuurt werd een bouwplan ingediend door bouwonderneming “Wijk VII”. Het plan werd ook als Wijk VII in de gemeenteraad behandeld. Anders dan in 1880 was de gemeente ook betrokken bij het plan. De gemeente had geleerd van de verkeersproblemen in de binnenstad en wilde een goed stratenplan in de wijk en goede aansluiting van deze wijk met andere stadsdelen. De ligging tussen twee stations.had ook consequenties want deze stations hadden nog geen goede verbindingen met de binnenstad en hadden dat ook niet onderling. De laatste weg moest door de Rivierenbuurt komen en betekende een verlenging van de reeds bestaande Lekstraat. De nieuwe verkeersweg tussen station Hollands Spoor en de binnenstad kennen we nu als Pletterijkade en het Zieken. Het Zieken zou verbreed worden en de Trekvliet zou worden verlegd zodat de bouwonderneming minder Rivierenbuurt overhield om huizen in te bouwen. De gemeenteraad gaf in 1908 toestemming om het bouwplan uit te voeren, maar het ging daarna niet snel. De bouwer had veel grond in bezit, maar het verkrijgen van de laatste percelen grond kostte vele jaren. De meeste eigenaren wilden hun grond niet zomaar verkopen en pas in 1913 waren de laatste onteigeningsprocedures afgerond. Via de Staatsspoorwegen was de Nederlandse staat ook eigenaar van enkele percelen grond en ook met de Staat kwamen de onderhandelingen pas in 1913 tot een positief resultaat. De bouwer was ondertussen al begonnen met bouwen en rond 1912 woonden de eerste mensen al in straten als de Scheldestraat, Gouwestraat en Pletterijstraat. Het is niet duidelijk hoe snel het bouwproces verliep, maar het duurde langer dan twee jaar. Aan de andere kant van de Schenk was men al eerder gaan bouwen, want tot 1907 hoorde dit gebied tot de gemeente Voorburg en die had al eerder toestemming tot bouw gegeven.

De woningen waren bedoeld voor de middenstand en voor arbeiders. Een echte woonwijk zoals de Bomen- en Bloembuurt werd zou het niet geworden. Vanaf het begin vestigden zich in de Rivierenbuurt bedrijven op de begane grond en werden de bovenetages als woning gebruikt. De Scheldestraat kreeg voortuinen waarvan de gemeenteraad in 1957 besloot om die over te nemen.

In het plan waren o.a. inbegrepen de bouw van een nieuwe tussen Nieuwe Haven en de huidige Pletterijstraat, de bouw van nieuwe bruggen op de kruising Bierkade, Spui en Uilebomen en Uilebomen-Pletterijkade en tussen het Rijswijkseplein en Pletterijkade en tussen Rijswijkseplein en Schenkwetering en nog drie bruggen over de Schenk. De sluis aan het Rijswijkseplein werd verplaatst en de Lekstraat werd doorgetrokken naar de Schenkwetering.

Plan voor wijk VII

Plan voor wijk VII. De aanleg van het Schenkviaduct gaf de Schenkwetering een totaal ander aanzien. De beide delen van de Rivierenbuurt werden er door gescheiden. De Schenk, het oude sluisje van de Schenkwetering verdwenen in 1957.

Het eerste grote bedrijf was het grote kantoor van de Postcheque- en Girodienst aan het Spaarneplein naar een ontwerp van architect D.E.C. Knuttel. In 1962 kwam daar de Staatsdrukkerij aan de Christoffel Plantijnstraat. De Rivierenbuurt kent ook veel kleinschalige bedrijvigheid. De gemeente wil de woonfunctie van de buurt versterken door nieuwe woningen neer te zetten. Het hierboven genoemde gebouw van de Staatsdrukkerij, nu SDU, is alweer afgebroken. Ook het Azivo zette hier in 1975 een grote apotheek neer. Op de zgn. SDU locatie wordt nu het bouwplan Haegsche Hof gebouwd. En er zijn meer nieuwbouwplannen in de buurt. Op de Boomsluiterskade moeten nieuwe grachtenhuizen komen en daartegenover, aan het Lamgroen is hoogbouw gepland. Maar dat ligt eigenlijk net buiten de Rivierenbuurt. Officieel heet deze buurt 'Uilebomen'.

Straten in de Rivierenbuurt

Pletterijstraat

De Pletterijstraat is met de Boomsluiterskade de oudste straat van de Rivierenbuurt. In de Middeleeuwen liep hier al de Zusterlaan, die later Pinksterbloemlaan ging heten. Dat was een landelijke laan met enkele boerderijtjes en landelijke bedrijfjes. Het Hofje van Nijverheid had hier ook een ingang.

Op Pletterijstraat 66 was tot 1943 het Israëlietisch Weeshuis ‘Hulp Voor Weezen’ gevestigd. Het weeshuis lag niet ver van de oude Joodse buurt die achter de Nieuwe Kerk lag en waar alleen de naam Rabijn Maarsenplein nog aan herinnert. Het Weeshuis zat eerst op Stille Veerkade 20, vanaf 1878 in een groter pand, Raamstraat 45. In 1929 verhuisde het weeshuis naar het speciaal voor dit doel door het bekende architectenbureau Simons en Van Braningen ontworpen gebouw aan de Pletterijstraat. Het weeshuis nam vanaf 1933 ook Joodse kinderen op die uit Duitsland waren gevlucht. Op 6 maart 1943 deden de Duitsers een inval in het weeshuis. Alle kinderen en het volledige personeel werden er weggehaald en naar Westerbork gezonden. Vrijwel iedereen werd op 13 maart 1943 werden omgebracht

Plan voor wijk VII

De nog landelijke Pinksterbloemlaan, nu Pletterijstraat.

Servaas van Rooyenhof

De wijk verandert voortdurend. Een van de nieuwbouwprojecten is de Haegsche Hof, woningen die gebouwd werden op het terrein van de voormalige Staatsdrukkerij. Een van de straatnamen is bedacht in 2009. Het gaat om de Servaas van Rooyenhof. Een zekere A.J.S. van Rooijen was de eerste gemeentearchivaris van Den Haag. Om chiquer te lijken trok Abraham Jacobus Servaas van Rooijen zijn laatste voornaam bij zijn achternaam. Hij schreef zijn achternaam toen als Servaas van Rooyen. Hij was overigens niet de enige die dit deed. Soms lukte het om deze nieuwe achternaam bevestigt te krijgen door de ambtenaar van de burgerlijke stand, zodat de kinderen bij hun geboorte officieel een sjiekere naam kregen.

Verantwoording

(bijgewerkt op 06-03-2010, wordt nog verder uitgebreid.)

Literatuur

• A. Bicker Caarten, Middeleeuwse watermolens in Hollands polderland, 1407/’08 - rondom 1500, Wormerveer, 1990.

• John Duivesteijn, Kijk op de Schilderswijk. Geschiedenis van een arbeiderswijk, Den Haag 1984.

Noten

1. N.J. Pabon in Jaarboek Die Haghe, 1925/1927, p. 16 ev.

2. Fockema Andreae, S.J., ‘Ruzie in de Veenpolder’, Jaarboekje Die Haghe 1948/9, p 35, 36.

3. N.J. Pabon in Die Haghe 1924, p. 218-220.

4. A. Bicker Caarten, Middeleeuwse watermolens in Hollands polderland, 1407/’08 - rondom 1500, Wormerveer, 1990, p. 113.