Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerIn november 1813 vond onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp de omwenteling plaats die leidde tot de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden onder het koningschap van Willem I. Deze pagina gaat over de gebeurtenissen tot aan de proclamatie van het nieuwe landsbestuur op 21 november.

kopfoto

De omwenteling van 1813 in Den Haag, deel 2 (vervolg): de moeilijke weg naar de proclamatie van 21 oktober

Dit is een vervolg van deel 2 (eerste stuk).

17 november 1813 (woensdag): “nu hebben wij het in handen”

Woensdag 17 november was een belangrijke dag. Na een nacht overleg namen de Franse autoriteiten ’s ochtends (7:00 uur) het besluit te vertrekken. De Franse troepen zouden vandaag in de kazerne blijven, tenzij ze werden “uitgedaagd”. Waarnemend maire Faber van Riemsdijk zou in Den Haag overblijven als enige vertegenwoordiger van het Franse gezag. Om deze niet benijdenswaardige positie te overleven, kreeg hij het advies zich tijdelijk terug te trekken uit het gemeentebestuur. Hij mocht een provisionele (tijdelijke) gemeenteraad instellen. Hij koos daarvoor de twee raden van de prefectuur, Johan Diederik van Slingelandt en Johan van Hees.

 

Faber van Riemsdijk gaf kolonel Tullingh opdracht zijn Nationale Garde te laten aantreden en vrederechter Van der Goes toestemming wapens uit te delen aan de Rustbewaarders (de betrouwbare burgers, zie eerste stuk. Na een nacht vergaderen met prefect De Stassart ging kolonel Tullingh zijn overbuurman Van Limburg Stirum vertellen wat hij zijn bijna-buurman (De Stassart) had gehoord over het oproer in Amsterdam en het aanstaande vertrek van de Fransen uit Den Haag. Zodra Tullingh vertrokken was, spoedde Van Limburg Stirum zich naar Van Hogendorp, een halve straat verder, op de Kneuterdijk. Het waren “korte lijnen”, want de belangrijkste Franse autoriteiten, Fransgezinden en Oranjegezinden woonden vrijwel alle in elkaars gezichtsveld.

Kneuterdijk 6 en 8, Den Haag

Twee belangrijke locaties in dit verhaal: Kneuterdijk 6 (links) was het huis van Collot d’Escury. Hier verbleef de Prins van Oranje vlak na zijn aankomst in Den Haag. Rechts daarvan, op de plaats van het grote gebouw (ABN-AMRO) stond in 1813 onder andere het huis van Gijsbert Karel van Hogendorp, op Kneuterdijk 8.

Van Limburg Stirum meldde Van Hogendorp “nu hebben wij het in handen”. Ook buiten broeide het al: men “bespeurde reeds gisting en samenscholing” en er liep al veel volk met oranje versierselen. Van Hogendorp en de zijnen waren al klaar voor een staatsgreep (een “Omwenteling”). Een proclamatie waarin zij een nieuw landsbestuur onder de Prins van Oranje aankondigden was al eerder gedrukt bij de Orangistische drukker Gualterus Vosmaer. En er stond al een onbekend aantal mannen klaar om wapens af te halen bij geweermaker Bronkhorst in de Molenstraat.

 

Maar Van Hogendorp wist dat een gewapende opstand geen kans maakte tegen de Pruisische beroepssoldaten van het Franse garnizoen. Hij gaf de graaf van Limburg Stirum opdracht om oud-burgemeester Slicher te polsen, een paar huizen verderop op Lange Vijverberg 2. Voor zijn vertrek kreeg de graaf een oranje kokarde opgesteld door Mina (Wilhelmina), de oudste dochter van Van Hogendorp. Volgens vroegere geschiedschrijvers was hij een held, dat hij als eerste notabele openlijk in het oranje durfde te lopen. Maar volgens Van Gelder had hij van Tullingh al gehoord dat de Fransen dit oogluikend toe zouden laten en volgens Van Hogendorp was zijn medestander Van der Duijn van Maasdam de eerste, die op straat een grote oranje kokarde op zijn hoed droeg21.

Het gedenkteken op het gebouw Kneuterdijk 8, Den Haag

Het gedenkteken op het gebouw Kneuterdijk 8, Den Haag.

17 november: De Fransgezinde maire Faber van Riemsdijk verliest steun

Maar oud-burgemeester Slicher wilde niet meewerken aan een Oranjegezind gemeentebestuur dat volgens Van Hogendorp moest bestaan uit oud-regenten (bestuurders) uit de tijd van stadhouder Willem V (zie eerste stuk). Dat was een teleurstelling voor Van Hogendorp, want die vond de steun van oud-regenten belangrijk. Als die oud-bestuurders meededen leek zijn omwenteling minder op de onwettige staatsgreep die het in feite was. Het was dan meer het herstel van een oude situatie. Maar de meeste notabele (aanzienlijke) burgers van Den Haag wilden de tijd van stadhouder Willem V helemaal niet terug. De Fransen hadden het landsbestuur in veel opzichten verbeterd. Ze waren bang dat de Prins van Oranje die verbeteringen zou terugdraaien.

 

Een aantal van notabelen vergaderde deze ochtend bij waarnemend-maire Faber van Riemsdijk. De maire was bang dat samenwerking met de Oranjegezinden zou betekenen, dat de verbeteringen uit de Franse tijd zouden worden teruggedraaid. Hij wilde de lijn van het Franse bestuur voortzetten. Van Limburg Stirum schoof ook aan en hield een fel betoog. Hij zei dat de groep Van Hogendorp alleen genoegen nam met een bestuur in naam van de Prins van Oranje. De notabelen waren het daar niet mee eens, maar ze waren wel onder de indruk van zijn stevige optreden. Ze lieten na deze vergadering niets meer van zich horen en lieten Faber van Riemsdijk in de steek (o.a. Van Hees, J.D. van Slingelandt en Van der Burch van Spieringshoek).

Leopold, graaf van Limburg Stirum, een van de belangrijke Oranjegezinden in november 1813

Leopold, graaf van Limburg Stirum, een van de belangrijke Oranjegezinden in november 1813

Toen Van Limburg Stirum terugkeerde bij het huis van Van Hogendorp kreeg hij een ovatie van mensen die zich daar hadden verzameld. Maar Faber Van Riemsdijk stond er nu vrijwel alleen voor. Hij kon alleen Jan Slicher overhalen om mee te gaan naar het stadhuis. Voor hen geen ovatie van de van alle kanten mensen toestromende mensen, die waren versierd in oranje. Het detachement Nationale Garde dat bij het stadhuis was geposteerd, had zich ook uitgedost in het oranje. De gardes mengden zich tussen het joelende volk. Alleen Willem ‘t Hoen en Adriaan Bachman durfden naar het stadhuis te komen om plaats te nemen in een nieuw gemeentebestuur. Slicher, ’t Hoen en Bachman waren alle drie oud-regenten. Ze waren vóór de Franse tijd schepen (een soort wethouder) geweest in Den Haag.

17 november 1813, rond 14:00 uur: vertrek van het Franse bestuur

Rond twaalf uur droeg de Franse prefect het Franse gezag onverwacht over aan waarnemend maire Faber van Riemsdijk. Die moest zich daarmee maar zien te redden, want even later, rond een uur of twee, reed het bekende, opvallend gele rijtuig van prefect De Stassart voor op het Lange Voorhout. Maar terwijl de menigte hem daar opwachtte, ging de prefect met hulp van zijn bijna-buurman Tullingh door de achtertuin van zijn huis naar de Kazernestraat. Daar stapte hij op een paard en reed over de nog onbewoonde Noordwal de stad uit. Via Rijswijk of Voorburg ging hij richting Gorinchem22.

Frans van der Duyn van Maasdam, een van de leiders van de omwenteling van november 1813

Frans van der Duyn van Maasdam, een van de leiders van de omwenteling van november 1813

17 november in de middag: graaf van Limburg Stirum provisioneel gouverneur van Den Haag

Aan (vermoedelijk) het begin van de middag overlegde Van Hogendorp met zijn kleine groep vertrouwelingen: Frans van der Duyn van Maasdam, Leopold van Limburg Stirum, Ocker Repelaer van Driel, François Clement de Jonge, François Daniël Changuion en Johan François van Hogendorp (een verre neef). Nu oud-burgemeester Slicher geen Oranjegezind gemeentebestuur durfde op te zetten, moesten ze zelf iets doen. Als eerste stap gaven ze Van Limburg Stirum toestemming tot optreden als provisioneel gouverneur van Den Haag. Van hen mocht hij de openbare orde handhaven uit naam van de Prins van Oranje.

 

Dit was natuurlijk geen officiële benoeming, want Van Hogendorp en zijn groep had dat gezag helemaal niet. Ze wisten niet eens waar de Prins van Oranje was en ze wisten evenmin wat zijn plannen waren met ons land. Het gouverneurschap van Van Limburg Stirum was voorlopig het besluit van deze kleine groep Haagse notabelen, die hiervoor nog steun moesten vinden onder de bevolking, zowel binnen Den Haag, als daar buiten:

 

's-Hage 17 November 1813

 

Alzoo ons kennelijk is dat het naderend oogenblik van regeeringloosheid een geheele

omkeering van deze stad zoude kunnen na zich sleepen en wij ons inzonderheid verpligt

achten om zulk een onheil voortekomen, zoo is het dat wij bij dezen den Heer Leopold

Graaf van Limburg Stirum magtigen om op te treden als Provisioneelen Gouverneur

van den Haag en uit naam van Z. H. den Prins van Oranje, de openbare

rust en goede orde te bewaren, opdat wij in veiligheid en op eene geregelde wijze in

staat mogen zijn om al de oude Regenten van het Land die zich hier in den omtrek

bevinden, bijeen te roepen en gezamenlijk te besluiten tot welzijn van den Lande.

F. van der Duijn van Maasdam

G. K. van Hogendorp

J.F. van Hogendorp

O. Repelaer van Driel

F. D. Changuion

Gijsbert Karel van Hogendorop, de leider van de omwenteling van november 1813

Gijsbert Karel van Hogendorop, de leider van de omwenteling van november 1813

17 november: het provisioneel gemeentebestuur erkent Oranje

De graaf Van Limburg Stirum was legerofficier geweest in de rang van kapitein. Op deze dag, maar vermoedelijk op 18 november, werd hij bevorderd tot generaal. Vlak na de vergadering ging de graaf naar het stadhuis, om medewerking te vragen bij het opzetten van een Oranjegezind landsbestuur.

 

De graaf nam een strooibiljet mee dat eerder was gedrukt bij drukkerij Vosmaer. Hij zou het op 9 november al bij zich hebben gehad, maar toen vond hij het nog te vroeg voor een machtsovername. Nu liet Van Hogendorp “tot in alle agterstraten” bekend maken dat de Hagenaars de prins het best konden helpen door “de rust te bewaren”:

 

De Fransche autoriteiten vertrokken zijnde hebben wij geoordeeld, dat het land niet kan behouden blijven zonder de zaak op te neemen in qualiteit van oude Regenten, en uit Naam van den Prins van Oranje.

Uit de ingesloten convocatie, die bij expresse alomme verzonden wordt blijkt, dat er morgen eene Vergadering zijn zal, geschikt om alle zaaken af te doen, tot de komst van Zijne Hoogheid toe.

 

nmiddels verrichten wij het noodige, en ten dien einde hebben wij den Heer Leopold Grave Van Stirum gemachtigd om op te treden als Gouverneur van Den Haag ,en uit Naam van Zijne Hoogheid werkzaam te zijn. Hij heeft reeds 14 dagen krachtiglijk medegewerkt om de rust te bewaren; wij zijn verzekerd, dat dezelve door hem behouden zal blijven, en wij zien geen ander middel om dit te verkrijgen, dan dat hij aanstonds erkend worde door de Regeering van Den Haag, dat de beste Harmonie onder allen heersche en dat de Oranjevlag aanstonds worde uitgestoken.

 

Op een oogenblik, daar alles aankomt op eensgezindheid verwachten wij van de Haagsche Regeering eene medewerking, die aangenaam zijn zal aan Zijne Hoogheid en aan het Volk.

F. van Der Duyn van Maasdam

G.K. van Hogendorp

O. Repelaer van Driel

F.D. Changuion

F.L. de Jonge

Verklaring van Van Hogendorp en de zijnen van 17 november 1813

Verklaring van Van Hogendorp en de zijnen van 17 november 1813.

Maar Van Riemsdijk wilde niet meewerken aan deze staatsgreep. Hij voelde zich gebonden aan zijn eed aan de Franse keizer en trok zich terug uit het gemeentebestuur. De raadsleden Slicher, ’t Hoen en Bachman bleven aan en erkenden Van Limburg Stirum als gouverneur van de stad. Omdat deze optrad “uit naam van” Oranje was hiermee de omwenteling in Den Haag in feite voltrokken. Het enige probleem was het Franse garnizoen dat nog in de stad lag. De volgende proclamatie, die meldde dat er een provisioneel (tijdelijk) gemeentebestuur was ingesteld, hield zich nog op de vlakte:

Aankondiging

Van de Provisioneele Raad dezer Stad tot behoud van Rust en Order

Daar het publiek gezag door de omstandigheden verhindert wordt, werkzaam te zijn, is opinstantelijk verzoek van een aantal der voornaamste ingezetenen van deze stad geformeerd een Provisioneele Raad, ten einde alles in het werk te stellen, wat doenlijk is om de rust en order te behouden.

 

En heeft dezelve Provisioneele Raad dien volgens goed gevonden een iegelijk op het vriendelijkst, doch tevens met allen ernst, welke het belang der zake vordert aan te manen van zich rustig en vreedzaam te gedragen en zoo er onverhoopt eenige kwaadwilligen mogten zijn dezelfde te waarschouwen, dat zij zig zorgvuldig hebben te wagten, van eenige personen te beledigen of derzelver bezittingen te benadeelen, zullende de schuldigen naar exigentie van zaken, rigoureuselijk worden gestraft.

In den Haag, den 17 November 1813

Aankondiging Provisionele Raad van Den Haag van 17 november 1813

Aankondiging Provisionele Raad van Den Haag van 17 november 1813 (gepubliceerd in Staatkundig Dagblad der Monden van de Maas, donderdag 18 november 1813)

Met deze lokale omwenteling had Van Hogendorp had nog geen Oranjegezind landsbestuur. Dat wilde hij opzetten met hulp van alle oud-regeerders die in de jaren 1794 en 1795 in het bestuur zaten. Hij nodige hen uit voor een vergadering bij hem thuis, de volgende dag om twaalf uur. Als zijn landsbestuur bestond uit oud-regeerders zou zijn opstand een enigszins legitiem (wettig) tintje krijgen. Hij stuurde de volgende uitnodiging:

 

Alzo de Regeeringloosheid voor de deur staat, en de droevigste gevolgen van Plundering en

Bloedvergieten daaruit kunnen voortvloeyen, al was het slechts gedurende weinige dagen;

zoo hebben wij noodig geoordeeld, de voornaamste Leden en Ministers van de oude Regering, zoo

als die in de jaren 1794 en 1795 bestond, met den meesten spoed bij een te roepen en dien volgens

eenige van dezelve aan te schrijven om het verder bekend te maken.

De Bijeenkomst zal zijn alhier ten huize van den Heer Gijsbert Karel van Hogendorp, op den

Kneuterdijk, Donderdag den I8den November om Twaalf uur.

 

F. van der Duijn van Maasdam

Gijsbert Karel van Hogendorp

O. Repelaer van Driel

F. D. Changuion

F. C. de Jonge23

17 november: uitgelaten vrolijkheid

Op straat was ondertussen een uitgelaten sfeer ontstaan, die vrijwel nergens dreigde uit te lopen in geweld. Ondanks de Franse troepen in de stad liepen mensen uitdagend langs “Franse” gebouwen, waar ze de Franse emblemen van overheidsgebouwen haalden. Ook werden alvast de straatnamen gewijzigd. Cours Napoléon, Cours de l’Impératrice en Place du Roi de Rome werden weer Voorhout, Vijverberg en Plein. Waar toch geweld dreigde, hadden Oranjegezinde notabelen de zaak snel in de hand.

 

Die notabelen hadden het druk. Van Hogendorp stond iedereen te woord en zijn huis was ”het middelpunt van alles”. Het gemeentebestuur was vanaf twaalf uur in vergadering en stelde om ongeveer half twee het nieuwe provisionele (tijdelijke) gemeentebestuur in. Oud-burgemeester Jan Slicher werd president, vrederechter en oud-schutterscommandant Hendrik van der Goes werd commandant van de Rustbewaarders en Jacob Pronk werd commissaris voor Scheveningen.

 

Volgens Van Houtte stelde Slicher zich nu voor de volle honderd procent achter Van Hogendorp, maar hij deed dat wel voorzichtig zolang het Franse leger nog in de stad was. Toen hij de Oranjevlag niet van het stadhuis en de Grote Kerk durfde te hangen, ging Van Limburg Stirum naar de Franse generaal Bouvier om toestemming te vragen. De generaal deed niet moeilijk: hij wees uit zijn hotelraam naar de met oranjevlaggen versierde turfschepen in de Nieuwe Haven en Turfmarkt en zei dat het toch niet meer was tegen te houden. Rond vier uur wapperde de Oranjevlag van het stadhuis en de toren van de Grote Kerk.

 

Deze middag was iedereen, iedereen “juichte, zong, danste en sprong”. Een detachement van de Nationale Garde trok met wapperende vaandels en slaande trom door de stad. Hier daar hield men halt en werd een proclamatie van gouverneur Van Limburg Stirum voorgelezen. Zelfs generaal Bouvier kwam (volgens de verhalen) even kijken24:

 

Uit naam van zijne Hoogheid den Heere

Prince van Oranje,

Leopold, Graaf van Limburg Stirum,

Gouverneur van den Haag.

Alzo de gezegende herstelling van zaken met vaste schreden nadert, zoo geef ik kennis aan alle de Ingezetenen van den Haag, dat hunne wenschen binnenkort bekroond zullen worden, en dat aanstonds een Provisioneele Regeering zal optreeden om in alles te voorzien, totdat zijne Hoogheid zig in eigen Persoon onder ons vertoonen zal.

 

Inmiddels roep ik op alle goede burgers om te waken voor de rust en orde; ik beloof aan den geringsten zelfs eenen dag van vreugde en vrolijkheid op stads kosten, maar ik waarschuw elk, die zou willen rooven en plunderen, dat de zwaarste straf op hem zal vallen.

Zegt het voort.

Den Haag in november 1813

De Pruisische hulptroepen van de Fransen waren gestationeerd op het Binnenhof, in het midden van de tekening. Het Binnenhof was aan alle kanten omgeven door grachten en aan de noordkant door de Hofvijver. Het was daarom een van de beter verdedigbare plekken van Den Haag.

17 november (avond): spanning rond het Franse garnizoen

Op het eind van de middag overlegden Van Hogendorp en enkele anderen met de Franse generaal Bouvier over het voorkomen van botsingen tussen dronken Pruissen en zich moed indrinkende Nationale Gardes. De generaal zei Van Hogendorp dat hij zijn actie “mooi” had gevonden, maar waren ze niet te vroeg begonnen? Van Hogendorp antwoordde “met een kalm lachje”, maar wist in zijn hart wel “hoe hachelijk het stond.” Hij vreesde dat het “moorddadig kon worden”, als de Fransen slaags raakten met zijn vrijwilligers. Veel van hen hadden geen militaire training, maar hij hoopte dat zij dan door hun geestdrift zouden winnen. De Pruisen waren beroepsmilitairen en zij hadden twee stukken geschut.

 

Slechts weinig mensen beseften hoe riskant de situatie was. Volgens Chad had de groep van Van Hogendorp 500 slecht bewapende gardes, 50 burgers met jachtgeweren, 50 oud-militairen, 50 oud-leden van de garde, 400 Rustbewaarders, 20 jongelui te paard en enkele vrijwilligers met pieken. Het Franse garnizoen bestond volgens hem uit 400 man van het tweede regiment chasseurs étrangers, 100 goed bewapende douaniers en twee kanonnen.

 

Men besloot dat de Pruisische hulptroepen op het Binnenhof zouden blijven, maar voor alle zekerheid hield men het Binnenhof in de gaten. Het militaire hoofdkwartier van de groep Van Hogendorp was het huis van de graaf van Limburg Stirum. Daar verdeelde men de wachtposten over de beschikbare mensen. De Nationale Garde verdubbelde de hoofdwacht op het Buitenhof en andere gardes en Rustbewaarders bezetten andere huizen in de buurt. Tullingh en zijn medeofficieren verschansten zich in het gebouw de Twee Steden, tegenover het Binnenhof. Officieren onder Van Limburg Stirum bezetten andere posten rond het Binnenhof.

 

’s Avonds om half elf hoorde één van de wachtposten dat de Fransen van plan waren de hoofdwacht te overrompelen, de gardes te ontwapenen en aanzienlijke burgers te gijzelen. Kolonel Tullingh en adjudant Hulst zochten generaal Bouvier op, op het Binnenhof. De generaal vertelde dat dit voorstel inderdaad was gedaan, maar dat hij het had afgewezen. Bouvier bood zich volgens Tullingh aan als gijzelaar, maar dat vond Tullingh niet nodig.

 

Om drie uur liet generaal kolonel Tullingh weten, dat hij bevel had gekregen naar Krimpen te vertrekken. Hij vroeg de “provisioneelen gouverneur van Limburg Stirum“ te spreken. Toen die op het Binnenhof verscheen, droeg Bouvier hem “bij wijze van capitulatie het commando” op. Bouvier gaf Tullingh opdracht Van Limburg Stirum te gehoorzamen. De Franse troepen (Pruisen en douaniers) zouden om acht uur vertrekken. Hij vroeg voldoende brood, kaas en bier voor hun reis25.

17 november: de omwenteling in Scheveningen

Scheveningen was een broeinest van anti-Frans verzet. Vrijwel iedereen had hier last van Franse maatregelen als het verbod op handel op Engeland en de invoering van de dienstplicht. De populariteit van de Oranjes was volgens Van Gelder vergroot toen Willem V het in 1799 voor elkaar kreeg dat Engeland 63 gevangen genomen Scheveningse vissers vrijliet. Volgens Van Gelder is het “vrij zeker” dat Scheveningse vissers brieven heen en weer brachten tussen Engeland en Nederland.

 

De oorlog op zee belemmerde de visserij of maakte die helemaal onmogelijk en de Scheveningse vissers probeerden wat bij te verdienen met smokkelhandel op Engeland. De Fransen probeerden dit tegen te gaan door een grote groep douaniers in Scheveningen en andere kustplaatsen te stationeren.

 

Er waren ernstige opstootjes in Scheveningen in het voorjaar van 1812 en het voorjaar van 1813 (zie deel 1. Ook begin november was het onrustig. Een belangrijke organisator van het verzet was reder Jacob Pronk Nzn. Pronk overlegde de ochtend van 17 november in Den Haag met Van Limburg Stirum. De graaf gaf hem de opdracht: “Pronk, zet in Scheveningen alles in het Oranje”.

 

Toen Pronk naar Scheveningen terugliep, kwamen mensen hem al tegemoet bij het Scheveningse Veer (tussen Noordeinde en huidige Zeestraat). Met een rijtuig ging hij naar de Keizerstraat. Bij zijn huis tegenover het Smidsslop werd hij door een enthousiaste menigte uit het rijtuig gedragen. Hij sprak de mensen toe met: “Vrienden ik kome van een hoger hand U allen aan te zeggen, dat de Franschen ons hebben verlaten en dat het voor het gansche land Oranje Boven is. Zijt van mijn woorden verzekerd; twijfelt niet. Ik heb als last ulieden allen bekend te maken alsdat de Prins binnen 3 à 4 dagen in Den Haag zal komen. In naam van zijne Hoogheid is er een wet gekomen, dat een ieder zich mag vervroolijken, maar dat degenen die zich schuldig maken aan plunderingen of mishandelingen met den dood zullen gestraft worden”.

 

Dit was misschien wat voorbarig, maar het werd met luid gejuich begroet. Even later ging het hele dorp in Oranje de straat op. Tegen de ongeveer dertig Franse gendarmes in het dorp zei hij dat de Franse troepen Den Haag al hadden verlaten en dat de omwenteling daar al voltrokken was. De gendarmes vertrokken toen ook maar26.

18 november 1813 (donderdag): Den Haag vrij van Franse troepen

Al vroeg in de ochtend stonden de Nationale Garde en de gemeentelijke Rustbewaarders op het Buitenhof gereed om de aftocht van de Franse troepen te begeleiden. Kolonel Tullingh ging de Franse troepen voor met generaal Bouvier, over het Binnenhof, Buitenhof, Plaats, Hoogstraat, Venestraat en Wagenstraat. Ze reden tot de herberg van Witsenburg op de hoek van de Haagweg en Herenstraat in Rijswijk. Daar droeg generaal Bouvier het commando van de stad schriftelijk op aan Tullingh. De generaal had blijkbaar in de gaten gekregen, dat zijn overdracht van de macht aan Van Limburg Stirum (de vorige dag) geen handige beslissing was geweest. Van Limburg Stirum was immers een vertegenwoordiger van de opstandelingen. Hij zette dit nu recht door de macht schriftelijk over te dragen aan de commandant van de Nationale Garde. De garde was officieel nog steeds in Franse dienst, dus tegen deze machtsoverdracht konden de superieuren van de generaal geen bezwaar maken. Bouvier wist natuurlijk wel dat Tullingh de kant van Oranje zou kiezen. En inderdaad liet Tullingh toen hij terugkwam op het Buitenhof zijn gardes de Franse kentekenen van hun uniform afhalen.

De Fransen vertrekken over de Wagenbrug uit Den Haag, 18 november 1813

De Franse troepen vertrekken over de Wagenbrug uit Den Haag, 18 november 1813 (Dagboek Baake, Haags Gemeentearchief)

18 november: oud-regenten vergaderen bij Van Hogendorp

Van Hogendorp had ongeveer vijftig oud-regenten van het toen nog zeer grote landsbestuur van 1794 en 1795 bij hem uitgenodigd, voor een vergadering bij hem thuis. Maar om twaalf uur verschenen buiten zijn vaste groep vertrouwelingen, slechts dertien oud-regenten op Kneuterdijk 8. Onder deze dertien zat slechts één vertegenwoordiger van buiten het gewest Holland. Dat was de in Den Haag geboren grietman van Het Bildt en Baarderadeel, Hans Willem van Aylva. Hij vertegenwoordigde Friesland op deze vergadering. Andere oud-regenten meldden zich af wegens ouderdom, ziekte of hadden dringende bezigheden elders, of lieten helemaal niets van zich horen. Later in de middag arriveerde Anton Falck uit Amsterdam. Hij was lid van het nieuwe gemeentebestuur van Amsterdam en was een overtuigd medestander van Van Hogendorp.

 

De kleine opkomst werd niet gecompenseerd door groot enthousiasme voor de plannen van Van Hogendorp. Vier regenten betwijfelden of deze vergadering wel wettige besluiten kon nemen. Zij vormden niet het wettige bestuur en er was niet zoveel chaos op straat dat er sprake was van een noodtoestand. Die konden ze dus niet aanvoeren als reden waarom ze genoodzaakt waren om in te grijpen en als tijdelijke regering de orde te herstellen. De oud-regenten schrokken terug van een opstand. Eén oud-regent vroeg zich af waar de Prins van Oranje was en of deze wel machtiging had verleend voor een opstand onder Van Hogendorp. Een andere oud-regent vroeg of het coalitieleger al in de buurt was. Sommige aanwezigen vonden het jammer dat Van Hogendorp geen oud-Patriotten had uitgenodigd. Dat had het draagvlak voor een opstand flink vergroot.

 

Van Hogendorp had eigenlijk een “Staten-Generaal” bijeen willen roepen, met alle nog levende oud-bestuurders (“Oude Regenten”), dus de mensen die tot en met 1794 in de ridderschappen en stadsbesturen hadden gezeten (zie Ridderschap en Staten van Holland). Van Hogendorp had ook al namen voor posities in zijn landsregering. Van der Duyn van Maasdam zou president worden, hijzelf raadpensionaris en een aantal anderen minister. Hij kreeg weinig steun voor dit plan.

 

Dat was een teleurstelling, want Van Hogendorp had haast. Hij wilde zich niet afvragen of hij wel gerechtigd was een staatsgreep te plegen. Hij wilde een nationale regering installeren, voordat het leger dat ons kwam bevrijden een voorlopig bestuur zou instellen. Dan zou het buitenland beslissen over de toekomst van ons land. Van Hogendorp wilde daarom zo snel mogelijk een bestuur onder de Prins van Oranje hebben ingesteld. Falck omschreef de brave oud-regenten boos als “bejaarde heren”, die “bedaarlijk” praatten of ze het recht wel hadden “om zich enig gezag aan te matigen”. Het waren “meest allen sukkels, zonder eenige bewustheid van, veelmin vertrouwen op eigen krachten”. Maar Van Hogendorp was ook niet een prettig man om mee te vergaderen. Hij was graag zelf aan het woord, maar had weinig geduld voor tegenspraak.

 

Van Hogendorp liet zijn voorstel voor een nieuwe grondwet alleen zien aan Falck, “omdat hij sprak als een man”. Hij besloot de vergadering te sluiten en voort te zetten op 20 november. Hij wilde dan ook andere “notabelen” uitnodigen, dus ook Patriotten en Fransgezinde oud-bestuurders. Falck ging in de tussentijd naar Amsterdam.

18 november in de middag

In de middag ontbond gouverneur Van Limburg Stirum in een ceremonie op het Lange Voorhout de Nationale Garde. Dat was immers officieel een Franse legereenheid. Hij nam de gardes nu in dienst als Oranje Garde (of Oude Schutterij). De gardes keerden hun witte kleppen om (die waren nu blauw) en haalden de Franse arenden van hun sjako’s. In zijn toespraak kondigde Van Limburg Stirum aan dat de geallieerde legers snel zouden komen.

 

Commissaris Ampt mocht zijn functie behouden onder het nieuwe bestuur. Hij was de Oranjgezinden niet slecht gezind geweest. Om te voorkomen dat mensen door gebrek aan voedsel opstandig zouden worden, kondigde het gemeentebestuur aan dat er de volgende dag brood en kaas zouden worden uitgedeeld op het stadhuis. Bij drukkerij “Vosmaer en zoone” werd een nieuw pamflet verkocht, “Oranje boven! Het land is vrij” (zie noot hieronder).

 

Tegen vier uur keerden ruim tweehonderd van de vertrokken Pruisische soldaten terug in Den Haag. Ze waren gedeserteerd omdat ze niet tegen hun koning (van Pruisen) wilde vechten. Volgens één bron legden zij bij Van Limburg Stirum de eed af op de Prins en hielpen ze mee de rust te handhaven. Maar volgens Van Gelder waren de meeste Pruisen beschonken en wilden niet naar hun kazernes. Ze zwierven door de stad, schoten af en toe, maar trokken zich ’s nachts terug in hun kazernes. De volgende ochtend waren ze weer rustig en hanteerbaar27.

19 november 1813 (vrijdag): de eerste Haagsche Courant verschijnt

In de ochtend verscheen de eerste Haagsche Courant. Het was de eerste krant die alleen in het Nederlands verscheen, want sinds de inlijving bij Frankrijk waren de kranten tweetalig. Nederlanders konden zo langzaam wennen aan hun nieuwe nationaliteit en aan hun nieuwe officiële taal, het Frans. De krant, die werd gedrukt bij Vosmaer, verscheen de volgende dag als ’s Gravenhaagsche Courant.

Haagsche Courant 19 november 1813

De eerste Haagsche Courant na de Franse tijd, 19 november 1813. Groter exemplaar: groter

De eerste berichten in de eerste Haagsche Courant waren oud nieuws: de uitnodiging van Van Hogendorp voor de vergadering van de vorige dag en de benoeming van Van Limburg Stirum tot gouverneur. Op de brooduitdeling bij het stadhuis werden 5000 broodjes uitgedeeld, meer dan verwacht.

 

Op deze vrijdag vertrokken twee gezanten naar Engeland, met een brief van Van Hogendorp aan de Prins van Oranje. Van Hogendorp had de brief al op 17 november geschreven, maar Jacob Fagel en Hendrik George de Perponcher hadden nog even gewacht op mogelijk goed nieuws uit de vergadering van 18 november. Nu vertrokken ze met een vissersschip uit Scheveningen, op dat moment zonder goed nieuws. Van Hogendorp had in de brief verslag gedaan van de gebeurtenissen in Den Haag en geschreven dat hij van plan was een voorlopige regering uit te roepen in naam van de prins. Fagel en De Perponcher kwamen de volgende dag (20 november) in Engeland aan. Om drie uur ’s middags ging vanaf de kust al bericht naar de admiraliteit in Londen dat in Holland een complete revolutie was uitgebroken: “Complete revolt in Holland. Dutch Baron on his way to the Prince of Orange. Texel Fleet in mutiny.” Dat laatste was niet zo. Fagel en De Perponcher spraken de prins op 21 november. Voor alle zekerheid had Van Hogendorp een majoor Wauthier met een vergelijkbare brief naar Duitsland gestuurd. Misschien was de prins al naar Duitsland gereisd en had hij zich daar aangesloten bij de coalitielegers.

 

Op 17 november waren nog meer schepen de zee op gestuurd om contact te leggen met de Engelse vloot. Zes schepen waren naar het noorden gevaren, zes naar het zuiden en twaalf in de richting van Engeland. Ze moesten het nieuws over de opstand doorgeven en vragen om steun van Engelse troepen.

 

Met wat geluk vond de visserspink met de Spaanse oud-consul Schwartzmann aan boord een Engels eskader in Hollesley Bay, aan de oostkust van Engeland. De consul kon vice-admiraal Ferrier er van overtuigen dat het verstandig was zo snel mogelijk Engelse troepen naar Den Haag te sturen. Hij had een schriftelijke verklaring bij zich van Van Limburg Stirum. Na overleg met waarschijnlijk zijn hoofdkwartier, stak Ferrier in zee met de schepen Scarborough, Bedford, Cumberland en Princess Caroline28.

20 november 1813 (zaterdag): bang voor terugkeer Franse troepen

In Den Haag groeide de spanning voor Van Hogendorp en de zijnen. De Fransen waren vertrokken, maar zouden ze niet snel weer terugkeren? De gevluchte prefect De Stassart had een “snorkenden brief“ geschreven aan een vroegere ondergeschikte in Den Haag. Volgens hem was een leger van 100.000 man op weg naar Holland: hij voorzag grote wreedheden voor Den Haag (“Je prévois des choses bien cruelles pour la ville d la Haye”). Ook maire van Schinne waarschuwde uit Parijs voor represailles. Uit de laatste berichten begreep Van Hogendorp dat het Franse leger in Gorinchem al was versterkt met 1200 man en dat er nog 12.000 man op komst waren.

 

Tegenover dit verontrustende nieuws stond geen goed nieuws. Het gemeentebestuur van Amsterdam bleef nog neutraal. De Fransen hielden Naarden en Gorinchem nog bezet en de coalitielegers waren verder van Nederland dan gedacht. De kleine voorhoede Kozakken was te klein om de Fransen te kunnen verjagen. In Rotterdam en andere plaatsen verwoog men de Oranjevlag weer van de torens te halen.

 

In verwachting van terugkeer van de Fransen werkten de Oranjegezinden in Den Haag dag en nacht aan de omwenteling. Tullingh beschrijft zijn “grote vermoeienis” en uitputting. Elke dag riep men opnieuw vrijwilligers op voor de Oranje Garde en voor een nieuw korps cavalerie. Van Hogendorp wilde met dit legertje de plaatsen rond Den Haag bevrijden van een niet-Oranjegezind bestuur. Vrijwilligers konden zich aanmelden in de Schuttersdoelen (nu Haags Historisch Museum), het Boterhuis (de Waag op hoek Prinsegracht) en bij het magazijn op de Fluwelen Burgwal. In de avond bracht de Oranje Garde vier stukken geschut uit Delft binnen.

 

Bij Van Hogendorp werd de geschorste vergadering van 18 november voortgezet. Ook enkele voormalige Patriotten waren aanwezig (zie noot). Volgens Chad waren er ongeveer 50 mensen aanwezig: “some of the most wealthy persons of the town had been summoned to attend”. Toen ook deze mensen niet enthousiast waren voor een opstand, zei de Amsterdammer Cornelis Fannius Scholten dat ze al zover waren gegaan, dat ze niets meer te verliezen hadden. Van de Fransen hoefden ze geen vergeving meer te verwachten: ze konden alleen maar doorgaan. Wat hij zei overtuigde de meeste anderen niet. Van Hogendorp stelde toen voor, dat mensen die vóór een omwenteling waren, met hem mee gingen, naar de kamer ernaast. Deze mensen nodigde hij uit voor een vergadering in de avond. Van Hogendorp schreef teleurgesteld dat “van dit uitgezocht hoopje al wederom de een voor en de ander na afdroop”.

 

Het gemeentebestuur probeerde ondertussen de rust op straat te bewaren. Men vermaande het volk om zich na een dag feesten, op zondag rustig te gedragen. Iedereen konden dan ongestoord zijn kerkdiensten houden zonder “luidrustig geschreeuw”. De raad vertrouwde erop dat winkeliers hun winkels voortaan op zondag gesloten zouden houden29.

20 november 1813: avondvergadering bij Van Hogendorp: bijna een nieuwe regering

De groep mensen die verder wilden met de opstand, vergaderden ’s avonds om zeven uur verder. Van Hogendorp zei dat hij nu wilde doorzetten, desnoods alleen. Tijdens de vergadering kwam Van Limburg Stirum langs met de Rotterdammers François Frets en F.B. s’Jacob. Die waren bij hem komen vragen om wapens voor de Rotterdamse Oranjegezinden. Van Limburg Stirum was nooit aanwezig bij overleg over politieke zaken, maar hij kwam nu toch omdat hij Van Hogendorp wilde laten zien dat er wel degelijk voldoende enthousiasme was voor een Oranjegezinde regering (“Algemeen Bestuur”).

 

Van Hogendorp, Van der Duyn van Maasdam, d’Escury van Heinenoord, F.D. Changuion en F.C. de Jonge konden zich vinden in een bekendmaking (“proclamatie”) waarin werd aangekondigd dat zij het Algemeen Bestuur van ons land op zich hadden genomen, tot de komst van de Prins van Oranje. Zij wilden tekenen, maar toen bleek dat anderen dit niet deden (zie noot 30), trokken de drie laatsten hun handtekening in. Alleen de namen van Van der Duyn van Maasdam en Van Hogendorp bleven staan onder de volgende tekst:

 

Alzoo de regeringloosheid veel is voorgekomen in de meeste steden, door wijze voorzieningen van de notabelste ingezetenen, maar het algemeen bestuur geheel verwaarloosd en in niemands handen is, terwijl het geroep van alle zijden om zulk een Bestuur tot redding van het Vaderland onze harten diep getroffen heeft; zoo is het, dat wij besloten hebben, hetzelve op te vatten tot de komst van Zijne Hoogheid toe, bezwerende alle de brave Nederlanders om zich te vereenigen tot ondersteuning van dit ons cordaat besluit. God helpt diegenen, die zich zelve helpen.

’s-Hage, den 20 November 1813

F. van der Duyn van Maasdam

G.K. van Hogendorp

Proclamatie van A.F. van der Duyn en G.K. van Hogendorp, 20 november 1813 (Rijksmuseum)

Tekst van de niet officieel naar buiten gebrachte "proclamatie" van A.F. van der Duyn van Maasdam en G.K. van Hogendorp, 20 november 1813 (Rijksmuseum)

Met slechts twee handtekeningen wilde men dit besluit niet naar buiten brengen. Van Limburg Stirum was teleurgesteld en riep dat hij een militaire regering ging instellen. Dat leek Van Hogendorp geen goed idee en hij vroeg de graaf de volgende ochtend om acht uur langs te komen. De vergadering kwam tot één besluit: Van der Duyn van Maasdam en d’Escury van Heinenoord zouden naar Amsterdam gaan om het stadsbestuur over te halen het voortouw te nemen voor de omwenteling.

 

Toen de graaf van Limburg Stirum thuis kwam, wachtten kolonel Tullingh en twee officieren van de Oranjegarde hem op. De kolonel had hem die avond eerder gesproken en aangedrongen op uitroeping van een Oranjegezinde regering. Hij had de afgelopen dagen gemerkt dat het volk ongeduldig werd. Na de teleurstellende vergadering bij Van Hogendorp bracht Van Limburg Stirum geen goed nieuws. Ze besloten de volgende ochtend om negen uur gezamenlijk naar Van Hogendorp te gaan.

 

Ook buitenstaanders viel deze dagen op hoe machteloos en verdeeld de groep rond Van Hogendorp was. Ze werden bespot door de niet-Oranjegezinde Hagenaars (zie noot) 30.

21 november 1813 (zondag): uitroeping van het Algemeen Bestuur onder Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam

Het zou vandaag allemaal goed komen. De volgende ochtend ging Van Limburg Stirum al vroeg naar Van Hogendorp. De graaf was bang voor verder uitstel, maar tot zijn verrassing vertelde Van Hogendorp dat hij had besloten de nieuwe regering uit te roepen (“het Algemeen Bestuur te aanvaarden”). Omdat Van Hogendorp niet het verwijt wilde krijgen dat hij op eigen houtje had gehandeld, stelde hij voor dat Van Limburg Stirum en zijn officieren hem “officieel” zouden vragen.

 

Van Limburg Stirum bracht vervolgens kolonel Tullingh en de twee oud-officieren Sweerts de Landas en C.F. de Jonge naar Kneuterdijk 8. Daar waren ze na de “voormiddagsgodsdienstoefening”. Kolonel Tullingh voerde het woord, dus hij zal Van Hogendorp hebben gevraagd om het Algemeen Bestuur uit te roepen. Van Hogendorp las “als antwoord” de proclamatie van de vorige avond voor. Hij was bereid het Algemeen Bestuur met Van der Duyn van Maasdam te aanvaarden. De laatste was in Amsterdam, maar Van Hogendorp wist dat deze medestander geen bezwaar had om samen met hem de nieuwe regering te leiden.

Uitroeping van het Algemeen Bestuur in het huis van Gijsbert Karel van Hogendorp op 21 november 1813 (Rijksmuseum)

Uitroeping van het Algemeen Bestuur in het huis van Gijsbert Karel van Hogendorp op 21 november 1813 (gefantaseerde voorstelling, naderhand geschilderd door Pieneman - Rijksmuseum, Pieneman Driemanschap 21 nov 1813)

Niet iedereen die op dit schilderij was afgebeeld was werkelijk aanwezig in de woonkamer van Van Hogendorp op Kneuterdijk 8. Links voor de tafel zat de opsteller van de tweede proclamatie, belastingambtenaar Elias Canneman. Achter Canneman stonden familieleden van Van Hogendorp. Gijsbert Karel van Hogendorp zat naast van hem in een kamerjas. Schuin achter hem stond Adam-Frans Graaf van der Duyn van Maasdam, staand naast deze stond Leopold, Graaf van Limburg Stirum. Meer naar rechts stond kolonel Tullingh met zijn arm omhoog en achter hem de andere officieren. Het Driemanschap in de titel van dit schilderij is in feite eerder sprake het Tweemanschap van Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam, aangevuld met Van Limburg Stirum, die zich vooral met militaire zaken bemoeide.

Zo had Nederland op zondag 21 november rond een uur of twaalf een nieuwe regering, het tijdelijke Algemeen Bestuur. Dit zou regeren tot de komst van de Prins van Oranje.

 

Na deze hobbel ging het snel. Elias Canneman, een (niet Oranjegezinde) ambtenaar van de belastingen, had op verzoek van Van Hogendorp een nieuwe, uitgebreidere proclamatie (afkondiging) opgesteld. Daarin werd bekend gemaakt dat er een nieuwe regering was gevormd in naam van de Prins van Oranje.

Proclamatie van den 21sten November 1813, houdende kennisgeving der daarstelling van een Algemeen bestuur der Vereenigde Nederlanden: geprostuëerd uit het besluit van dien dag, no. 1 (Staatsblad der Verëenigde Nederlanden:

 

In naam van Zijne Hoogheid den Heere Prinse van Oranje

Het Algemeen Bestuur der Verëenigde Nederlanden

Nederlanders!

Het oogenblik is geboren, waarop wij ons nationaal bestaan hernemen

Proclamatie 21 november 1813 blad 1

Proclamatie 21 november 1813, eerste blad (overige bladen zie schilderij Piemenan).

De proclamatie schrijft verder dat iedere Nederlander nationale vrijheid en onafhankelijkheid wil, dat iedereen zich wil scharen achter Oranje en dat de ondertekenaars zich geplaatst hebben aan het hoofd van de regering, uit naam van de Prins van Oranje en in afwachting van zijn komst.

 

Het Algemeen Bestuur ontsloeg iedereen van de eed van trouw en gehoorzaamheid aan de Franse keizer. Wie de Franse regering of Franse ambtenaren nog gehoorzaamde, werd beschouwd als verrader. Iedereen werd opgeroepen eendrachtig samen te werken en netjes de belasting te betalen. De besturen van alle departementen, steden en dorpen werden verplicht deze proclamatie af te kondigen en in het openbaar op te hangen.

 

Van Hogendorp las het stuk van Canneman door en zette zonder iets te wijzigen zijn naam en die van de afwezige Van der Duyn van Maasdam er onder. Diezelfde middag benoemde hij Anton Falck tot secretaris van het Algemeen Bestuur. Tot diens terugkeer uit Amsterdam nam Changuion zijn functie waar.

 

Later die dag werd de proclamatie van Canneman op verschillende plaatsen in de stad voorgelezen. Bij de afkondiging op het Lange Voorhout waren onder ander Van Hogendorp en Changuion aanwezig. Ook kolonel Tullingh was er, met zijn Oranjegarde en een muziekkorps die tussen het voorlezen door zorgde voor militaire muziek. Volgens Tullingh veroorzaakte de proclamatie een enorme geestdrift in de stad. Op 22 november werd de proclamatie gepubliceerd in een Buitengewone ’s Gravenhaagsche Courant. Later werd deze proclamatie opgenomen in het Staatsblad der Verëenigde Nederlanden, als eerste officiële besluit.

 

Niet alle mensen waren zo blij als Tullingh beschrijft. Veel oud-regenten en notabele Hagenaars dachten dat de Fransen nog terug konden komen. Iedereen kende verhalen over de wraak op Hamburg. Het verhaal ging dat veel mensen die vissersschepen charterden om op zoek te gaan naar Engelse schepen, in werkelijkheid een veilig heenkomen zochten. Ze werden spottend “pinkeniers” genoemd. Ook van Repelaer van Driel en F.C. de Jonge, twee vertrouwelingen van Van Hogendorp, werd gezegd dat ze pinkeniers waren31.

22 november 1813 (maandag): militair optreden buiten Den Haag

Het Algemeen Bestuur ging voortvarend aan de slag. Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam wilden zo snel mogelijk Oranjegezinde besturen buiten Den Haag. Zij stuurden de proclamatie (afkondiging) van de vorming van hun Algemeen Bestuur naar andere steden en vroegen de gemeentebesturen de proclamatie op te hangen en in het openbaar voor te lezen. Maar de meeste gemeentebesturen weigerden dit. Ze waren niet voor Oranje of ze waren bang voor terugkeer van de Fransen. Alleen Delft en Vlaardingen erkenden het Algemeen Bestuur van Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam.

 

Om 10 uur kwamen vertrokken de Oranje Gardes onder Tullingh naar Leiden. De garde ging met twee stukken geschut, begeleid door muziek via het Korte Voorhout over de Bosbrug door het Haagse Bos. De tocht zou zijn bedacht door Van Limburg Stirum en Van der Duyn van Maasdam. Commandant De Jonge hoorde dit pas later en ging pas de volgende dag naar Leiden.

 

Het enthousiasme om mee te doen werd steeds groter en de hele dag vertrokken nieuwe vrijwilligers naar Leiden. Niet iedereen was even goed bewapend, want volgens Baake waren er niet genoeg wapens. Bij Huis ten Deijl kwam Tullingh de maire van Leiden (Heldewier) tegen. Die vroeg hem naar Woerden op te trekken omdat de Franse bezetting daar zo klein was. Maar Tullingh weigerde, want hij wist dat zijn vrijwilligers geen partij zouden zijn voor de Franse troepen die nog in Utrecht waren gelegerd32.

Kaart militaire situatie eind november 1813

De belangrijkste plaatsen in de militaire strijd rond Den Haag, eind november 1813 (detail van kaart uit Gedenkboek 1813, deel 1, voor titelblad).

23 november 1813 (dinsdag): Woerden veroverd

In de nacht arriveerden nog eens 16 Pruisische soldaten. Ze kwamen uit Arnhem en er kwamen nog enkele uit Noord-Holland. Uit Pijnacker kwamen 26 vrijwilligers voor de cavalerie. Van Limburg Stirum werd benoemd tot gouverneur-generaal van de troepen in de gehele (provincie) Holland (andere bronnen vermelden dat dit gisteren al was gebeurd). Commandant van Den Haag werd kolonel O. van Well.

 

In Leiden nam generaal-majoor C.F. de Jonge het commando over van Tullingh. Hij gaf wel opdracht naar Woerden op te trekken, vermoedelijk nadat hij onder druk was gezet door het gemeentebestuur van Leiden. Het Haagse legertje kon Woerden in de avond nog bezetten. De Fransen waren vertrokken.

 

Dezelfde avond arriveerde een zekere Guicherit met een visserspink in Scheveningen. Hij was niet de vroegere hofpredikant van stadhouder Willem V, want die was al overleden. Misschien was het zijn zoon. Deze Guicherit bracht het nieuws dat de Prins van Oranje op weg was met een Engelse vloot33.

24 november 1813 (woensdag): Dramatische gebeurtenissen in Woerden

De bezetting van Woerden duurde nauwelijks een nacht, want al vroeg in de ochtend vielen 400 Franse militairen bij verrassing Woerden binnen. De Oranje Garde verloor 21 doden, 9 gewonden en 33 krijgsgevangenen. De overige gardes wisten te vluchten. Ook kolonel Tullingh werd gevangen genomen.

 

In de middag werd in Den Haag bekend dat Woerden was veroverd. Steeds nieuwe vrijwilligers gingen naar Leiden. Volgens Baake waren dat 60 man infanterie en bijna 30 man cavalerie.

 

Pas in de loop van de avond werd bekend dat de verovering “in een ontruiming was verkeerd.” De hele nacht wachtte men in Den Haag op Oranje Gardes uit Woerden, die de een na de ander binnen kwamen. Het was duidelijk dat ze in Woerden waren verrast. Ze waren van alles beroofd, vaak zonder uniform, maar in allerlei andere kleding uitgedost. Hun lot maakte diepe indruk en veel families verkeerden in angstige spanning of hun gardist wel terug zou komen.

 

Ook werd men bang dat Den Haag die nacht zou worden aangevallen. Cornelis van Maanen, voormalig president van het Keizerlijk Gerechtshof, schreef dat “laat en van nacht (…) hier alles in groote angst en ongerustheid (was), omdat men bericht bekomen had, dat de uitgetrokken burgers die Woerden bezet hadden, vandaar verdreven waren. Men vreesde niets minder dan dat de Fransche troupes binnen weinige uren in Den Haag zouden zijn en dat dan die stad een vreeslijk lot te wachten had. De angst vermeerderde door de verzekering, dat sommige onzer leden of geemployeerden van het revolutionaire bestuur al in pinken gevlucht waren en ook anderen hunne goederen vervoerden; ik geloof niet dat dit alles gelogen was."

 

De onzekerheid werd vergroot doordat de beloofde Kozakken nog niet waren gearriveerd. Men kreeg door dat er nog maar weinig coalitietroepen in Nederland waren. Men wist natuurlijk niet dat het Noordelijke coalitieleger van plan was rechtstreeks naar Frankrijk op te rukken en ons land te passeren. Pas toen de opperbevelhebber hoorde over de geslaagde opstand, gaf hij generaal Winzingerode opdracht Nederland te bevrijden. De generaal Winzingerode schatte dat hij pas 19 december Deventer kon bereiken. In die tussentijd was het Franse leger in ons land sterker dan dat van de coalitie.

 

Op 24 november verschenen 300 Kozakken onder majoor Marklay in Amsterdam. Volgens Chad waren die gekomen op verzoek van M. van der Hoeven, een van de agenten van Van Hogendorp. De advocaat had de Kozakken bij Nijkerk ontmoet. Majoor Marklay verklaarde dat hij de stad in bezig nam namens de grote mogendheden, maar hij wilde zich niet inlaten met het „politiek bestuur". Maar na de komst van de Kozakken besloot het Amsterdamse gemeentebestuur het Algemeen Bestuur van Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam te erkennen (althans hun vertegenwoordigers in Amsterdam).

 

In Den Haag bracht men het Binnenhof in staat van verdediging. Het Binnenhof was nog helemaal omgeven door water, namelijk de grachten en de Hofvijver. En het nieuwe gemeentebestuur krabbelde wat terug. Men vroeg de Fransgezinde Faber van Riemsdijk terug als leider van het stadsbestuur. Maar die wilde deze niet34.

Laatste stuk gracht van de grachten die vroeger rond het Binnenhof lagen. Dit stuk ligt tussen het ministerstorentje en Mauritshuis.

Van de vele grachten rond het Binnenhof, ligt nog dit stuk gracht tussen het ministerstorentje en Mauritshuis.

25 november 1813 (donderdag): angst voor Franse aanval op Den Haag

Omdat men een Franse aanval verwachtte, begonnen voor Den Haag spannende dagen. Het nieuwe legertje hield de wegen in de gaten, maar men hoopte natuurlijk dat de Kozakken eerder zouden arriveren. Het zal wel bekend zijn geweest dat er hooguit een paar honderd Kozakken in Nederland waren en mogelijk enkele duizenden Fransen. Dus men keek in Scheveningen reikhalzend uit naar zeilen aan de horizon. Die moesten de Prins van Oranje brengen en de dringend noodzakelijke Engelse troepen. Maar de wind stond al dagen verkeerd en de zeilschepen konden de kust niet bereiken.

 

Maar Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam waren niet zo bang voor een Franse aanval. Ze vonden de angst voor een aanval uit Woerden “blinde schrik; dog men moet daarin blijven voorzien.” Ze bleven een eindeloze stroom brieven sturen naar steden en dorpen, met het verzoek om de kant van Oranje te kiezen.

 

In de ochtend trok generaal Sweerts de Landas met Pruisische militairen uit Rotterdam, en trok door Den Haag naar Leiden. De Pruissen hadden een met kruit en munitie gevulde boot naar de Kapelsbrug gevaren en de lading naar het Binnenhof gebracht (Kapelsbrug is hoek Lange Poten en Spui/Hofsingel). In avond trokken enkele schuiten met boeren door Den Haag. Ze waren gewapend met pieken en waren door Den Haag op weg naar Leiden. Afgelopen nacht waren opnieuw leden van de Oranjegarde uit Woerden teruggekomen. Toen de garde in de middag naast de Sebastiaansdoelen moest aantreden op het Tournooiveld, bleek het enthousiasme al flink afgenomen. Veel gardisten kwamen niet opdagen35

26 november 1813 (vrijdag): loos alarm

Vrijdag hoorden Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam dat er in Woerden zo’n 2500 Franse militairen aanwezig zouden zijn. De vijftig uit Amsterdam toegezegde Kozakken waren nog niet in Den Haag aangekomen. Ze vroegen met spoed meer hulp uit Amsterdam.

 

Het gerucht over de Fransen in Woerden bleek al snel loos alarm. De rest van de dag was er alleen goed nieuws. In de ochtend zette een Engels schip de Engelsman Charles Grant aan land. Grant was een zakenman die toevallig ook officier was in de Engelse militie. Grant vertelde Jacob Pronk in Scheveningen dat de (grote) Engelse schepen waren vertraagd door tegenwind. Bij zijn tocht naar Den Haag werd Grant toegejuicht door mensen die dachten dat hij de eerste was van een grotere Britse troepenmacht.

 

Grant had geen militairen bij zich, maar wel kranten met goed nieuws. Van Hogendorp, die door zijn bezoek aan de Verenigde Staten goed Engels kende, las in de kranten het laatste nieuws over haastige voorbereidingen voor het inschepen van troepen voor Holland. Baake schreef in zijn dagboek dat hij had gehoord dat de Prins van Oranje op weg was met 30.000 manschappen.

 

Grant was hier als zakenman, maar hij had toevalligerwijs (of vreemd genoeg) toch zijn uniform van militie-officier (“volunteer uniform”) bij zich. Van Hogendorp vroeg hem dit aan te trekken en daarmee door de stad te lopen. Van Hogendorp hoopte dat een rondwandelende Britse officier de Hagenaars gerust zou stellen en eventuele Franse spionnen op het verkeerde been zou zetten. Na een rondje door Den Haag, ging Grant op verzoek van Van Hogendorp naar Rotterdam. Daar moest hij ook met zijn uniform rondlopen. Grant maakte daarmee zoveel indruk dat hij op 16 februari zowel in Den Haag als in Rotterdam tot ereburger werd benoemd36.

27 november 1813 (zaterdag)

Ondanks de wandeling van Grant en de geruststelling dat er niet zoveel Fransen in Woerden zaten, bleef de sfeer in Den Haag uitermate gespannen. Er brak paniek uit toen een dronken Pruisische tamboer de straat opging en alarm sloeg op zijn trommel. Hij werd op de Nieuwe Haven door enkele burgers opgepakt. Overdag werkte men door aan de verdediging van Den Haag. Volgens Baake werden er zes kanonnen en twee houwitsers voor de hoofdwacht op het Buitenhof geplaatst.

 

In de ochtend kwam de Engelsman Thomas Cator op het strand van Scheveningen aan, vermoedelijk ook weer in een klein schip dat minder last had van de verkeerde wind. Hij had een brief voor Van Hogendorp van de Prins van Oranje. Willem Frederik (de Prins van Oranje) schreef erin dat hij verheugd was over de “gebeurtenis die het Vaderland weer in de rang van Volken van Europa had geplaatst”. Hij was erg blij dat hij na een afscheid van 19 jaar weer in Nederland zou zijn. Van Hogendorp liet de brief vertalen uit het Frans en bij Vosmaer drukken als extra uitgave van de ’s Gravenhaagsche Courant. De krant werd in de stad verspreid en naar andere steden verzonden. Sommige mensen dachten dat de brief verzonnen was.

 

De prins had vlak voor zijn vertrek naar Nederland nog overleg gehad met de Engelse regering. De regering benoemde meteen een gezant voor het bevrijde Holland. De gezant werd Lord Clancarty, een Brits-Ierse edelman (Richard Le Poer Trench). Hij zou met de prins en diens gevolg naar Holland varen. Het gezelschap vertrok op 25 november uit Londen naar Deal (tussen Dover en Ramsgate in Zuidoost Engeland). Daar ging men aan boord van het oorlogsschip Warrior. De volgende ochtend vertrok de Warrior naar Holland37.

28 november 1813 (zondag): Engelse oorlogsschepen voor Scheveningen

Op deze Zondagochtend arriveerden de vier Engelse oorlogsschepen uit Hollesley Bay. Vice-admiraal Ferrier liet het linieschip Cumberland en het fregat Princess Caroline onder kapitein Baker voor Scheveningen liggen. Hijzelf vertrok met de schepen Scarborough en Bedford naar Texel. Van Limburg Stirum en Baker overlegden op het Lange Voorhout over de militaire situatie. Van Limburg Stirum had dringend hulp nodig tegen een eventuele Franse aanval en Baker beloofde zoveel mariniers te sturen als hij kon missen. Die zouden de volgende dag in Den Haag worden gestationeerd38.

Basjkieren of Kozakken op het Lange Voorhout, 28 november 1813

Basjkieren of Kozakken op het Lange Voorhout, 28 november 1813 (N.J. Penning, in Dagboek Baake, Haags Gemeentearchief)

28 november 1813: komst van Basjkieren en Kozakken

Niet veel eerder of later dan het moment dat Baker via het Noordeinde in Den Haag aankwam, reed een stoet van zo’n 75 Kozakken over de Bosbrug Den Haag binnen. Er was lang op de bevrijders gewacht en ze werden onder met gejuich ontvangen. Het Haagse vrijwillige korps cavalerie onder overste Timmermans begeleidde hen de stad in. Het ging overigens niet alleen om Kozakken, want hun eerste luitenant Alexander Gaguine meldde dat zijn groep bestond uit 50 Basjkieren en 25 Kozakken.

 

De Basjkieren en Kozakken sloegen hun kamp eerst op in de bocht van het Lange Voorhout (bij hotel Des Indes dus), maar de nacht brachten ze door bij de poort in het Nachtegaalspad (de latere Parkstraat), zo’n beetje naast de Kloosterkerk. De kazerne van de garde van de prefect lag aan de Kazernestraat, maar de Basjkieren en Kozakken sliepen naast grote vuren in de open lucht.

 

Ook deze dag werd weer nieuw geschut uit Delft aangevoerd. Nu ging het om twee stukken geschut die op de Koekamp werden geplaatst om de Engelse mariniers bij hun binnenkomst met saluutschoten te begroeten39.

29 november 1813 (maandag): Engelse mariniers in Den Haag

In de nacht gingen de voorbereidingen tegen een mogelijke aanval vanuit Utrecht verder. Er werd wederom geschut naar Leiden gebracht. Vroeg in de ochtend brak er paniek uit, rond vijf uur. Er was een felle brand uitgebroken in een groot huis op het Korte Voorhout. Daar had anderhalve week eerder nog de Franse procureur-generaal Jacquinot gewoond. Het gerucht ging dat de brand was aangestoken en dat het vuur het sein was voor een Franse aanval. Men ging op zoek naar Franse geheim agenten en enkele vermeende spionnen werden opgepakt. Het huis brandde af, maar de wind woei gelukkig niet naar de Koekamp. Daar was een “Kruithuis” gevuld met 40.000 buitgemaakte patronen en 80.000 pond buskruit.

 

In Scheveningen bracht men grote hoeveelheden wapens en kruit uit de Engelse schepen aan land. Van Gelder merkt op dat veel mensen geld verdienden aan de omwenteling. De gemeente Den Haag kreeg declaraties voor het beschikbaar houden van visserspinken en de huur van allerlei soorten transportmiddelen van vissers. Willem I kreeg later een rekening van twaalf maal 600 gulden voor de twaalf schepen die zijn vader Willem V in 1795 naar Engeland hadden gebracht. De gemeente Den Haag schoot veel kosten voor, want het Algemeen Bestuur had zelf nog geen geld. Mensen als Van Limburg Stirum schoten uitgaven die ze deden meestal wel voor. Op het stadhuis kwamen veel giften binnen voor het nieuwe landsbestuur. Op 25 november kon Van Limburg Stirum al 6.000 gulden uit dit fonds krijgen.

 

De regering-Van Hogendorp deed zijn werk bij Van Hogendorp in diens huis Kneuterdijk 8. Anton Falck verscheen deze maandag uit Amsterdam. Hij nam de functie van secretaris van het landsbestuur op zich. Van Hogendorp benoemde vandaag op eigen houtje (zoals hij vaker deed) enkele leden van zijn kabinet van commissarissen. In een definitief bestuur zouden de commissarissen de titel ‘minister’ krijgen. Voor de post van Oorlog stelde hij Berend Bentinck van Buckhorst aan. Elias Canneman werd Commissaris voor Financiën en Hendrik van Stralen werd dat voor Binnenlandse Zaken. Enkele dagen later benoemde hij Joan Cornelis van der Hoop van der Hoop voor de post van Marine.

Basjkieren of Kozakken op het Nachtegaalspad, 28 november 1813

Basjkieren of Kozakken in avond of nacht op het Nachtegaalspad (Parkstraat), 28 november 1813 (N.J. Penning, in Dagboek Baake, Haags Gemeentearchief)

Vandaag werd in Den Haag bekend dat de Franse generaal Molitor zich met zijn troepen uit Utrecht had teruggetrokken. De Fransen hadden ook Woerden en Nieuwersluis verlaten. Nu durfden meer gemeentebesturen over te gaan naar het kamp van Oranje.

 

Tegen de avond om ongeveer zes uur trokken 270 Engelse mariniers Den Haag binnen. Ze werden ontvangen met “vreselijk” gejuich en begeleid met muziek en saluutschoten vanaf de Koekamp. De bevolking was uitzinnig van vreugde (“overjoyed”) en “iedereen” wilde wel een Engelsman onderdak geven. De mariniers werden ondergebracht in barakken in de Kazernestraat.

 

De Kozakken waren om drie uur al vertrokken naar Rotterdam (volgens een andere bron vertrok slechts een “groot gedeelte”). Van Hogendorp en Falck wilden dat de bevrijding zoveel mogelijk een Nederlandse aangelegenheid zou zijn. Ze wilden niet bevrijd worden door het grote coalitieleger van Rusland, Pruisen en Zweden. Maar Engelse troepen waren blijkbaar wel welkom, vermoedelijk omdat men verwachtte dat Engeland een bestuur onder Oranje zou steunen.

Engelse mariniers landen op het strand van Scheveningen, november 1813

Engelse mariniers landen op het strand van Scheveningen, november 1813 (Dagboek Baake, Haags Gemeentearchief)

Ondanks hun korte bezoek vielen de Kozakken genoeg op in Den Haag. Ze worden gewoonlijk niet zo positief omschreven, maar volgens onderzoekster Aalders is dat niet terecht. Zij schrijft dat ooggetuigenverslagen uit 1813 vaker positief waren dan negatief. Pas latere auteurs schreven over misdragingen om een interessanter verhaal te kunnen schrijven. In werkelijkheid gedroegen de Kozakken en Basjkieren zich relatief gedisciplineerd40.

De omwenteling van november 1813

Van Hogendorp stichtte op 21 november de Nederlandse staat, in afwachting van de komst van de Prins van Oranje. Hij deed dat op het juiste moment. Zijn omwenteling was vroeg en werd vrij snel erkend door de opperbevelhebbers van de coalitie en hun vorsten. Voor de coalitie was het gunstig als Nederland zichzelf bevrijdde. De coalitielegers hadden dan minder last van de resterende Franse troepen in ons land. Daarvoor wilden ze de onafhankelijkheid van ons land graag erkennen.

 

Volgens Van Houtte was dit de belangrijke verdienste van Van Hogendorp. Hij stelde de onafhankelijkheid van ons land snel veilig, zodat we door de geallieerden niet konden worden beschouwd als veroverd gebied. In principe waren de grootmachten het er wel over eens dat ons land zijn onafhankelijkheid terug zou krijgen, maar het was nog niet duidelijk wie ons land zou regeren. Van Houtte vraagt zich wel af of Van Hogendorp niet teveel risico’s heeft genomen voor Oranje. Volgens hem waren de voorzichtigen in november 1813 soms gewoon bang, maar waren de doorzetters misschien wel eens te roekeloos.

 

Volgens Koolemans Beynen kwamen de bevrijders als vrienden, maar ook drukte hun komst door inkwartieringen en rekwisities van wagens en voedsel toch zwaar op de bevolking41.

 

Vervolg: zie deel 3

 

Verantwoording

Eerste versie, 18 november 2013. Ik heb op deze pagina de namen van personen vanwege de herkenbaarheid geschreven zoals ze in de meeste literatuur voorkomen. Vooral in oudere geschiedenissen komen mensen met dubbele achternamen voor, terwijl alleen de laatste naam hun echte achternaam was. In plaats van bijvoorbeeld ‘Scholten’ schrijf ik dus ‘Fannius Scholten’.

Literatuur

• Anne Aalders, Met gevelde lans en losse teugel: kozakken in Nederland 1813-1814, Bedum 2002.

• H. Algra, Oranje in ballingschap (1795-1813), .

• Nicolaas Johannes Baake, Journaal van 1802 tot 1813.

• Henriette L.T. de Beaufort, Gijsbert Karel van Hogendorp. Grondlegger van het Koninkrijk, Den Haag 1963.

• Herman Bosscha, Geschiedenis der staats-omwenteling in Nederland, voorgevallen in het jaar achtienhonderd dertien, dln 1-3, Amsterdam, 1814-1816.

• H. Brugmans, Van Republiek tot Koninkrijk. Geschiedenis der Nederlanden van 1795-1815, Amsterdam, 1939.

• G.W. Chad, A Narrative of the late Revolution in Holland, London 1814.

• H.T. Colenbrander, Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840, deel 1 – 10, ’s-Gravenhage 1905-1922, online op: historici.nl.

• Stefan Dudink, Legs fit for a king. Masculinity in the Staging of the Dutch Restoration Monarchy, 1813-1819, in BMGN, Low Countries Historical Review, 127, 2012, nr. 1.

• Robert Fruin, H.T. Colenbrander, I. Schöffer, Geschiedenis der staatsinstellingen in Nederland tot den val der republiek, ’s-Gravenhage 1980..

• H.E. van Gelder, ‘Varia over 1813’, Jaarboek Die Haghe, 1913, p. 195-250. .

• H.E. van Gelder, ‘’s-Gravenhage’, in:Historisch gedenkboek der herstelling van Neerlands onafhankelijkheid in 1813, deel 3, Haarlem 1913..

• H.E. van Gelder, De regeering van 's-Gravenhage 1795 -1851, Jaarboek Die Haghe, 1908, 215-258..

• H.E. van Gelder, Beroepen vóór honderd jaar, Jaarboek Die Haghe 1913, pp. 164-ev.

• J.L.G. Gregory , Mr. J.C. Faber van Riemsdijk in de maand november 1813: eene bijdrage tot de geschiedenis der omwenteling van 1813, 's Gravenhage 1864.

• J.H. de Groot, Abraham Ampt in 1813, Jaarboek Die Haghe 1964, pp 46-ev.

• C.F. Gijsberti Hodenpijl, Napoleon I te ’s-Gravenhage, Jaarboek Die Haghe 1893, 73-79.

• H. van der Hoeven, Gijsbert Karel van Hogendorp. Conservatief of liberaal?, Groningen 1976.

• H. van Hogendorp, Brieven en Gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, ’s-Gravenhage 1866-1903, delen 1-7.

• J.A. van Houtte, e.a. Algemene Geschiedenis der Nederlanden V, Utrecht 1952.

• Th. Jorissen, De omwenteling van 1813 : bijdragen tot de geschiedenis der revolutie : met inleiding en aanteekeningen, Groningen 1867.

• Matthijs Lok, Windvanen. Napoleontische bestuurders in de Nederlandse en Franse restauratie (1813-1820), Amsterdam 2009.

• Mr. P.H.P. van Marle, De Fransche tijd, Jaarboek Die Haghe 1904, pp. 135-161.

• P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, Leiden 1912.

• J. Smit. Den Haag in den Franschen tijd. Een drietal schetsen, z.j. .

• J. Smit, 1813. Residentie en Vaderland tijdens de verlossing uit de Fransche Overheersching, , Den Haag 1913.

• A.J. Teychiné Stakenburg, Gijsbert Karel van Hogendorp. Wegwijzer naar nieuwe tijden, Rotterdam, ’s-Gravenhage, 1963.

• C.A. Tamse (red), De monarchie in Nederland, Amsterdam/Brussel, 1980.

• Wilfried Uitterhoeve, 1813-Haagse Bluf. De korte chaos van vrijwording, Nijmegen 2013..

• E.J. Vles, Twee weken in november: de omwenteling van 1813. Amsterdam 2006.

 

Noten

21. Slicher woonde niet op de hoek van Kneuterdijk en Plaats zoals sommige bronnen beweren. Hij kocht het huis Lange Vijverberg 2 in 1809 (bron: Jaarboek Die Haghe 1945, p. 22-23.

22. H. van Hogendorp, Brieven en Gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, ’s-Gravenhage 1866-1903, deel 4, p. 200.

23. Tekst van de proclamatie bij Baake, de tekst bij Van Hogendorp Brieven en Gedenkschriften IV 237.

24. Van Houtte 149, RGP 17 blz 1671-1672, Fruin, Verspreide Geschriften V, blz. 359, Van Gelder, Gedenkboek 1813 p. 68, Proclamatie uit Baake 63.

25. H. van Hogendorp, Brieven en Gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, ’s-Gravenhage 1866-1903, deel 1 pp 201-203 en deel 4, p. 200, Van Houtte 146, 149 J.H. de Groot, Abraham Ampt 62-63, Chad 76-80, Colenbrander, Gedenkstukken, deel 6, band 3, GS 17, p. XXIX-XXX en p. 1676, en deel 6, band 1, GS 13, p. 43, Van Gelder, Gedenkboek 1813 p. 53-67, Jorissen I 43, 89-90, Smit 27-28, Baake 61-63.

26. Van Gelder 1813, 67-69.

27. Baake 68-77, Van Gelder, Gedenkboek 1813 p 69-75, 79, Smit 33-35, H. van Hogendorp, Brieven en Gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, ’s-Gravenhage 1866-1903 Deel 4, p. 181 e.v., 202, 240, Colenbrander, Gedenkstukken, deel 6, band 1, GS 13, p. 434, De Bas 3 (1) 164, Vles 73-74; het verhaal dat de Fransen vertrokken via Voorburg lijkt niet waarschijnlijk; Bij de vergadering bij Van Hogendorp om 12.00 uur waren aanwezig: de vijf die de oproep mede hadden gedaan: G.K. van Hogendorp, Van der Duyn van Maasdam, Repelaer, Changuion en F.C. de Jonge en verder de volgende oud-regenten: W. Verbrugge (oud vroedschap en burgmeester van Delft), W. Jager (pensionaris van Haarlem) en A.C. Vangele Twent (vroedschap en burgemeester van Haarlem), Isaac Willer (schepen en vroedschap van Leiden), H. Oudewater (vroedschap en burgemeester van Dordrecht) en L.P. van Tets (vroedschap van Dordrecht). J.M. Collot d’Escury (vroedschap en burgemeester van Rotterdam), mr. Van Buren en Hendrik van Stralen, beide oud-secretarissen van gecommitteerde raden van het Zuider- en het Noorderkwartier, IJsbrand de Kock en L.L. van Zuylen (vroedschappen uit Alkmaar), Aylva (grietman van Het Bildt en Baarderadeel, Ruger van Alderwerelt (vroedschap van Delft). De vier regenten die de wettigheid van de vergadering betwijfelden waren (A. Hope, Steengracht van Oosterland, Van Spaen van Voorstonden en L. van Heeckeren van de Cloese). (bron: D. van Akerlaken, Hendrik van Stralen, Den Haag 1878).

Tekst van het pamflet van 18 november: Oranje Boven!

Holland is vrij!

De Bondgenooten trekken naar Utrecht

De Engelschen worden geroepen.

De Franschen vlugten naar alle kanten,

De zee is open.

De koophandel herleeft.

Alle partijschap heeft opgehouden.

Al het geledene is vergeten

en vergeven.

Alle de aanzienlijken komen in de Regering.

De Regering roept den Prins uit

tot hooge Overheid.

Wij voegen ons bij de Bondgenooten,

en dwingen den vijand tot vrede.

Het volk krijgt een vrolijken dag,

op gemeene kosten,

Zonder plundering of mishandeling.

Elk danke God!

De oude tijden komen wederom.

Oranje boven!

28. Van Gelder, Gedenkboek 1813 p. 75-77, 79, Vles 73-76, Smit 34-35, De Bas 3 I p. 184 / G.J.W. Koolemans Beijnen, de militaire geschiedenis van de omwenteling, in Gedenkboek 1813 deel 1, p. 157.

29. Baake 78-83.

30. Chad 94, Smit 35-37, Jorissen Bijdragen II p 62, Colenbrander VI no 1881, Van Gelder 76-83, De Bas 3 (1) 164-165, Van Gelder, Gedenkboek 1813 p. 76-78, H. van Hogendorp, Brieven en Gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, ’s-Gravenhage 1866-1903, deel 1 pp 201-203, deel 4, p. 202-204, 238-260, Vles 76-78; verslag van de avondvergadering van 20 november door Van Straalen en François Frets, Rotterdams advocaat; op ochtendvergadering waren aanwezig: Hogendorp noemt in zijn ‘gedenkschriften’ mensen uit Leiden, waaronder Kemper en Elout. Er waren ook vertegenwoordigers van de regeringen van Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Rotterdam en Alkmaar; op de avondvergaderingen waren de mensen die niet wilden tekenen vermoedelijk: vermoedelijk Repelaer van Driel, de Patriot D.C. de Leeuw, oud vice-admiraal Pieter Melvill en Cornelis Fannius Scholten. Het bespotten gebeurde onder andere op een feestje bij de rijke heer Hope n die een feestje hadden bij Hope (in het voormalige paleis Lange Voorhout). Een paar dagen later verklaarde Van Maanen dat het allemaal nog “al te los spel” was en dat alle bedaarde en verstandige lieden er net zo over dachten.

31. Vles 81-83, Baake 84-85, Colenbrander VI no. 1848 p. 1681 (Herinneringen Tullingh), De Bas 3, p. 166, Van Gelder 1813 in Den Haag 83-85, Smit 37-38; C.F. de Jonge was majoor, maar werd op 21 november tot generaal-majoor bevorderd.

32. Baake 93, Van Gelder 85, Vles 84-89..

33. Smit 37-38, Baake 95-96, J.C. Overvoorde Gedenkboek 1813, deel 3, p. 359-364.

34. Smit 37-38, Baake 95-96, 100, J.C. Overvoorde Gedenkboek 1813, deel 3, p. 359-364, Van Gelder 86-87, Chad 115-116, 120, 126-133, Gregory, Van Riemsdijk in de maand november 1813, P.J. Blok, ‘Staatkundige geschiedenis van de omwenteling, in: Gedenkboek 1813, deel 1, p. 19.

35. Baake 101, Van Gelder 86.

36. Van Gelder 86-88, Brieven en Gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, IV, 342, Baake 107-108, Van Gelder 86-88, Chad 117-118..

37. Van Gelder 88, Vles 104-105, Baake 108-109, Chad 135-136.

38. zie noot 39.

39. Chad 133-134, Baake 114-116, Van Gelder 89-90, Vles 105-107, De Bas 3 I p. 184, G.J.W. Koolemans Beijnen, de militaire geschiedenis van de omwenteling, in Gedenkboek 1813 deel 1, p. 157; Ferrier heeft in de verschillende verhalen verschillende rangen, maar de Engelstalige Wikipedia vermeldt hem als rear-admiral John Ferrier - Wikipedia; Baake noemt kolonel Rom van Pouderoyen als commandant van de vrijwillige cavalerie die de Kozakken Den Haag binnenbracht. De Basjkieren waren een Turks volk, dat net als de Kozakken hulptroepen leverde voor het Russische leger, in ruil voor een zekere autonomie.

40. Chad 134-135, Baake 118-121, Van Gelder 90-93, Vles 108-109; volgens Bosscha (227) gingen ongeveer 250 mariniers aan land, volgens Chad (134) 200 mariniers.

41. Van Houtte 149-151, Koolemans Beynen I, blz. 224-229.