Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerIn 1795 gingen de Oranjes in ballingschap, wat ze tot 1813 zouden blijven. Deze pagina (deel 1) beschrijft de periode tot hun vlucht naar Engeland in 1795.

kopfoto

De Oranjes in ballingschap, 1795-1813, deel 1

 

Dit is de inleiding van het verhaal over de aankomst van de prins van Oranje in november 1813 in Nederland. De prins, Willem Frederik, landde op 30 november op het strand van Scheveningen en werd de volgende maand uitgeroepen tot Soeverein Vorst van Nederland. Anderhalf jaar later werd hij Koning der Nederlanden. Voordat het zover was, maakten de Oranjes een zware tijd door.

 

In januari 1795 werden de Oranjes verdreven door binnengevallen Franse troepen. Er kwam een nieuwe, democratische regering en voor de Oranjes was geen plaats in het landsbestuur. Zij leefden daarom van 1795 tot november 1813 in ballingschap. De stadhouder en zijn vrouw woonde in Londen, zijn zoon Willem Frederik verhuisde spoedig naar Berlijn. De oudste zoon van de stadhouder moest meer dan achttien jaar in angst en onzekerheid leven, voordat hij met zijn familie kon terugkeren naar Nederland.

 

Voor informatie over het ontstaan van het stadhouderschap en het bestuur van ons land vóór 1795, zie de Inleiding.

Ons land in 1795: Republiek der Verenigde Nederlanden

In 1795, het jaar dat de Oranjes door de Fransen werden verjaagd, was ons land geen koninkrijk en bestond ons land uit zeven staatjes die een soort statenbond hadden gevormd, de Zeven Verenigde Nederlanden. De zeven staatjes waren min of meer onafhankelijk en ze hadden ieder een eigen regering, die de ‘Staten’ werden genoemd. Holland werd bestuurd door de Staten van Holland en Utrecht door de Staten van Utrecht. Holland besloeg toen ongeveer het grondgebied van de huidige provincies Noord- en Zuid-Holland.

 

De staatjes werden provincies of gewesten genoemd. Zij bestuurden zichzelf op het gebied van binnenlands bestuur, maar voor contacten met buitenlandse regeringen hadden ze een gezamenlijk bestuursorgaan opgericht, de Staten-Generaal. Deze instelling ontving buitenlandse diplomaten en zond gezanten naar buitenlandse vorsten. De Staten-Generaal vertegenwoordigde de zeven gewesten gezamenlijk onder de naam Republiek der Verenigde Nederlanden. Buitenlanders dachten dat de Republiek één staat was, maar dat was niet zo. Wel waren de zeven staten onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze werkten samen op het gebied van landsverdediging en er was één gezamenlijk leger. De zeven staten deelden ook dezelfde persoon in de functie van stadhouder. Dat was in 1795 de Oranjeprins Willem V. Mocht een gewest als Holland een afwijkende politiek willen voeren, tegen de zin van de andere gewesten in, dan zorgde de stadhouder er meestal voor dat dit gewest weer in het gareel werd gebracht.

 

De stadhouder was machtig, maar hij was niet de vorst. De zeven provincies of gewesten waren republiekjes, die werden geregeerd door een kleine groep inwoners. Het gewest Holland werd geregeerd door burgers uit een kleine groep families die in enkele steden de macht in handen hadden. Deze burgers, de regenten, werden niet democratisch gekozen. De burgers die in de regering zaten kozen hun eigen opvolgers. Dit gebeurde in de steden.

De provincies van de Republiek der Verenigde Nederlanden

De provincies van de Republiek der Verenigde Nederlanden

In de steden van Holland lag de macht bij enkele families. Eens per jaar kozen de leden van het oude stadsbestuur de leden van het nieuwe bestuur. Zij kozen gewoonlijk iemand uit eigen kring, meestal een lid van een bevriende familie. Stadsbesturen werden over een lange periode gedomineerd door dezelfde families en personen. Het gewest Holland werd bestuurd door de ‘Staten van Holland’. Deze instelling vergaderde in Den Haag. In de tijd van de Republiek bestond de ‘Staten van Holland’ uit vertegenwoordigers van zes steden en een vertegenwoordiger van de Ridderschap (de edelen). Oorspronkelijk stuurden meer steden een vertegenwoordiger naar de Statenvergaderingen, maar voor de meeste steden was het te duur om een delegatie naar Den Haag te sturen. De vergaderingen duurden weken en de vertegenwoordigers moesten ergens in Den Haag logeren. Uiteindelijk bleven de rijkste zes steden over als permanent lid van de Staten van Holland, samen met de Ridderschap.

 

De andere steden, het platteland (de dorpen) en alle edelen werden vertegenwoordigd door een kleine groep edelen die de Ridderschap vormden. Hun vertegenwoordiger was ook lid van de ‘Staten van Holland’. Hij had daar één stem naast de zes van de steden, maar zijn stem gold als belangrijke stem.

 

Een andere belangrijke persoon in het landsbestuur was de stadhouder. De stadhouder was een soort ambtenaar van de ‘Staten van Holland’, in de taal van die tijd dienaar van de Staten. In de begintijd van de Republiek vond men het noodzakelijk om naast de burgers een hoge edelman te benoemen in een belangrijke staatsfunctie. Vrijwel alle andere alle andere landen werden geregeerd door vorsten en een hoge edelman moest de regering van eenvoudige burgers wat meer status geven. Om deze en om meer redenen benoemde men gewoonlijk een prins van Oranje tot stadhouder.

Stadhouder Willem V rijdt Den Haag binnen, 1787

Stadhouder Willem V rijdt Den Haag binnen, 1787

Deze prins was dus officieel dienaar van de Staten, maar in tijden van crisis kreeg de stadhouder extra bevoegdheden. De prinsen van Oranje kregen dus snel meer macht. In de tweede helft van de achttiende eeuw, van 1747 tot 1795, had de stadhouder zelfs erg veel macht, zelfs meer dan de koning van Engeland had in zijn land (zie verder in deel 1).

De Patriotten

De stadhouder regeerde ons land in 1795 nog steeds samen met de regenten. Dat waren de machtigste burgers van het land. De goed betaalde regeringsbaantjes werden in overleg met de stadhouder verdeeld onder leden van de machtigste regentenfamilies. Het ging bij de toebedeling van overheidsbaantjes vaak meer om de verdeling tussen de families, dan om het goed functioneren van het landsbestuur. Daar was veel kritiek op van burgers die niet tot de machtige families hoorden, maar wel de capaciteiten hadden. Omdat het ook in economisch opzicht niet goed ging, werd de onvrede onder de burgers steeds groter.

Patriottenrel

Afbeelding 3: Op 17 maart 1786 werden leden van de regering (Staten van Holland) bij de uitgang van het Binnenhof tegengehouden door Oranjegezinden. Die vonden dat de stadhouderspoort (tussen Binnenhof en Buitenhof) alleen mocht worden gebruikt door de stadhouder.

Ontevreden burgers verenigden zich in “genootschappen” en protesteerden tegen het slechte bestuur en tegen de misbruiken door regenten. Vooral stadhouder Willem V werd het mikpunt van kritiek, want hij was de man die de touwtjes in handen had. Hij was goedwillend was, maar weifelend en was niet in staat het landsbestuur te verbeteren. Hij bleef dus het symbool van het slechte landsbestuur waar ontevreden burgers tegen ageerden. Die burgers noemden zichzelf ‘patriotten’. Zij wilden het landsbestuur moderniseren met een gekozen regering en zij wilden een rechtvaardiger maatschappij. In 1787 wisten de patriotten stadhouder Willem V tijdelijk uit Den Haag te verjagen. Maar de prins kon terugkeren toen zijn zwager (de Pruisische koning) een leger stuurde dat zijn terugkeer naar Den Haag mogelijk maakte.

 

Engeland en Pruisen garanderen het stadhouderschap

Stadhouder Willem V kon dankzij Pruisische hulp het land weer regeren, maar ook Engeland wilde in ons land een pro-Engelse regering. In 1788 sloten Engeland, Pruisen en de Republiek (der Verenigde Nederlanden) een aantal defensieverdragen. De drie landen beloofden elkaar militaire steun, maar het voor Willem V was het belangrijkste dat Engeland en Pruisen in deze verdragen ook het voortbestaan van het stadhouderschap garandeerden1.

Franse revolutie

De positie van Willem V werd niet alleen door de binnenlandse Patriotten bedreigd, maar ook vanuit het buitenland. Ook in andere landen waren burgers ontevreden over het bestuur. In Frankrijk was de ontevredenheid het grootst, omdat de koning daar bijna kon doen wat hij wilde. Hij had zoals dat heette ‘absolute macht’. Franse burgers eisten kiesrecht, bescherming van eigendom, gelijke behandeling en een onafhankelijke rechtspraak. De protesten werden hard onderdrukt, maar in 1789 moest de koning concessies doen. Na enkele jaren moest hij aftreden. De periode waarin dit gebeurde wordt de ‘Franse Revolutie’ genoemd. Onder de leuze ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ schiepen opeenvolgende burgerregeringen een nieuw landsbestuur. Er kwam kiesrecht, rechtsbescherming en gelijke behandeling voor iedereen.

 

De regeringen volgende elkaar snel op, zoals dat vaker gebeurd in het begin van een revolutionaire tijd. De eerste jaren werden de Franse regeringen steeds radicaler, daarna weer gematigder. Frankrijk moderniseerde snel en kreeg een veel efficiënter bestuur. Volgens sommige historici ontleende Frankrijk zijn militaire macht in deze tijd aan het feit dat nu ook mensen van buiten de hoogste adel tot generaal op konden klimmen. In Frankrijk kon een uitzonderlijk bestuurlijk talent als Napoleon Bonaparte het schoppen tot generaal, staatshoofd en keizer2.

 

De Oranjes konden hadden positie als stadhouder dus alleen behouden door hulp uit het buitenland. Stadhouder Willem V zat niet vast in het zadel en ook vanuit het buitenland werd zijn positie bedreigd. De Franse revolutionaire regering raakte al snel in oorlog met omringende landen die de Franse koning wilden helpen. Het gevaar dreigde dat ons land ook betrokken zou raken bij deze oorlog en door het veel sterkere Frankrijk zou worden bezet. Iedereen wist dat de Franse revolutionairen de Nederlandse revolutionairen zouden helpen bij het verdrijven van stadhouder Willem V.

Europa aan de vooravond van de Franse tijd

Europa aan de vooravond van de Franse tijd, ca. 1792

Frankrijk

De Oranjes hadden dus veel te vrezen van Frankrijk, toen waarschijnlijk het machtigste land van Europa. Al vóór de Franse revolutie hadden Franse koningen geprobeerd hun land uit te breiden, bijvoorbeeld tot aan de Rijn en met inbegrip van ons land. Ons land had zijn onafhankelijk alleen kunnen behouden met steun van andere landen. De Franse revolutionairen wijzigde de Franse veroveringspolitiek niet. Ons land zou zijn onafhankelijkheid alleen kunnen behouden met hulp van andere grootmachten van deze tijd, van Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen.

Oostenrijk en Pruisen

Oostenrijk en Pruisen hoorden tot het Duitse Rijk. Het waren eigenlijk twee landen binnen een ander land. Het Duitse Rijk bestond uit honderden staten en staatjes onder een kiezer. De staatjes hadden eigen vorsten en regeringen die hun land regeerden zonder tussenkomst van de keizer. De centrale regering onder leiding van de keizer had slechts beperkte macht.

 

De twee grootste Duitse staten waren Oostenrijk en Pruisen en deze landen waren belangrijk voor het voortbestaan van ons land en voor de Oranjes. Ten zuiden van ons land lagen de Zuidelijke Nederlanden. Dit gebied van ongeveer het huidige België was bezit van de vorst van Oostenrijk. Onder gunstige omstandigheden werd ons land door een groot Oostenrijkse leger beschermd tegen een aanval uit Frankrijk. Stadhouder Willem V verwachtte ook hulp van Pruisen. In 1787 had de koning van Pruisen al troepen gestuurd om hem te helpen tegen de Patriotten. Willem V verwachtte dat de koning hem weer zou helpen.

Oostenrijk en het Duitse Rijk

Hoewel de Duitse keizer in het keizerrijk slechts beperkte macht had, was hij toch een machtig man. Die macht ontleende hij aan andere titels. Hij was ook aartshertog van Oostenrijk en vanuit Wenen regeerde hij een groot statencomplex. Oostenrijk was de machtigste staat in het Duitse Rijk en domineerde het zuiden van dat rijk. Buiten het keizerrijk bezat de aartshertog de Zuidelijke Nederlanden (“België”), Bohemen, Hongarije, Sicilië en Milaan. Als het moest kon hij de Zuidelijke Nederlanden beschermen met een groot leger. De aartshertog verloor in het Duitse rijk steeds meer terrein aan Pruisen en compenseerde dat door zich meer te richten op het zuiden, op Oostenrijk, Hongarije en Italië. De verdediging van de Oostenrijkse Nederlanden was voor hem minder van belang. Daarmee verloren de Oranjes Oostenrijk als buffer tegen Frankrijk.

Keizer Frans II, tevens aartshertog van Oostenrijk

afbeelding 6: Keizer Frans II (tevens aartshertog van Oostenrijk) (bron Wikipedia, originele verblijfplaats niet bekend)

Pruisen en het Duitse Rijk

De grootste concurrent van Oostenrijk om de macht in het Duitse rijk was de koning van Pruisen. Eerdere Pruisische koningen hadden hun land al uitgebreid door veroveringen en het Pruisische leger gold als het beste van de wereld. Maar de huidige koning (Frederik Willem II) gaf veel geld uit en hij kon zo’n groot als zijn voorgangers hadden niet meer betalen. Pruisen kon alleen een kleine veroveringsoorlog aan in Polen, maar grote militaire avonturen in het westen van Duitsland, Nederland of Frankrijk, leken niet verstandig. Pruisen en Rusland hadden al delen van Polen ingelijfd en in januari 1793 bezetten ze nieuwe stukken van Polen. De militaire bezetting van delen van Polen was een zware financiële last. Pruisen was niet erg enthousiast om een grote oorlog tegen Frankrijk te voeren, ook niet om de Oranjes te helpen.

Koning van Pruisen Frederik Willem IIT

afbeelding 7: Koning van Pruisen Frederik Willem II (Friedrich Wilhelm II) (schilderij van Anton Graff, 1792, gevonden op Wikipedia)

Engeland

Naast Oostenrijk en Pruisen was Engeland (eigenlijk het Verenigde Koninkrijk3) de laatste grootmacht in West-Europa. Voor een eiland als Engeland was een sterke vloot belangrijker dan een sterk landleger. Een sterke vloot moest ook de wereldwijde Engelse zeehandel beschermen. Maar Engeland had er ook baat bij dat op het Europese vasteland niet één staat oppermachtig werd. Al eeuwen probeerde Engeland dit te voorkomen door bondgenootschappen te sluiten met andere grote landen. Desnoods gaf Engeland armere landen subsidies om een groot leger te kunnen onderhouden.

 

Omdat Engeland niet wilde dat de hele Noordzeekust Frans werd, was dit land een stabiele bondgenoot voor de Oranjes. Maar Engeland steunde de Oranjes niet door dik en dun. Een regering zonder Oranje was ook geen bezwaar, zolang die maar niet pro-Frans was.

Tegengestelde belangen

Voor het behoud van hun positie waren de Oranjes dus afhankelijk van landen als Frankrijk, Engeland, Pruisen en Oostenrijk. Rusland speelde hierin pas later een rol. De vorsten (of regeringen) van deze landen streefden hun eigen, vaak tegengestelde doelen na. Geen enkel land bleek de komende jaren een vaste bondgenoot van de Oranjes. Dat gold ook voor de grote landen onderling. Geen enkel land was een betrouwbaar bondgenoot. Afhankelijk van de militaire, politieke of financiële situatie sloten of verbraken landen bondgenootschappen. Engeland en Oostenrijk waren het meest standvastig in hun strijd tegen Frankrijk, maar ook deze landen gaven de strijd soms op en zochten vrede met Frankrijk.

Tegenstanders van de Franse revolutie

De meeste landen van Europa werden in de achttiende eeuw geregeerd door vorsten met titels als keizer, koning, prins, hertog of graaf. Sommige vorsten waren redelijk vooruitstrevend en sommigen sympathiseerden zelfs met de ideeën van de Franse revolutie. Maar geen enkele vorst zag graag dat een vorst door het volk werd afgezet. Daarom zetten de aartshertog van Oostenrijk en de Pruisische koning hun tegenstellingen even opzij toen de Franse koning werd afgezet. Zij bespraken in Pilniz (bij Dresden) hoe zij de Franse koning konden helpen. Op 27 augustus 1791 zeiden ze in een gezamenlijke verklaring dat ze de monarchie in Frankrijk wilden herstellen, mits andere landen mee zouden doen. De verklaring was niet erg serieus, want met die andere landen bedoelden ze Engeland en ze wisten al dat Engeland geen oorlog wilde om de Franse koning te helpen. Daarnaast waren Pruisen en Oostenrijk niet eensgezind. De Pruisische koning was vooral voor een oorlog tegen Frankrijk, omdat hij dan een reden had om de Duitse hertogdommen Gulik en Berg te bezetten. Die wilde hij inlijven bij Pruisisch gebied. De Oostenrijkse aartshertog Leopold II was waarschijnlijk wel serieus van plan het Franse koningspaar te helpen. De koningin was immers zijn zus Marie Antoinette.

ALTTEKST

afbeelding 8

De Franse regering nam de verklaring van Pilnitz op als een serieus dreigement en verklaarde op 20 april 1792 de oorlog aan Oostenrijk (officieel aan de Duitse keizer, maar die was dus aartshertog van Oostenrijk).

 

In 1792 begon dus een reeks oorlogen die tot 1815 zou duren. Frankrijk hield het zo lang vol omdat het streed tegen bondgenootschappen met vaak onwillige bondgenoten. Engeland en Oostenrijk waren de standvastigste tegenstanders van Frankrijk, maar Pruisen probeerde zoveel mogelijk neutraal te blijven.

De Oranjes

Dit verhaal is de inleiding op de geschiedenis van hoe Willem I koning der Nederlanden werd. Hoewel dit verhaal dus gaat over de lotgevallen van de Oranjes, wordt vooral over andere landen geschreven. Dat komt omdat de Oranjes voor het behoud van hun positie en daarna het veroveren van een nieuwe positie, afhankelijk waren van het buitenland. De Oranjes waren afhankelijk van buitenlandse steun en die kregen ze soms wel en soms niet. Die hing af van de politieke en militaire situatie in Europa en die zou in de periode tot 1815 bijna per jaar veranderen. Het ene jaar kon hoopvol zijn voor de Oranjes, maar het volgende jaar konden de steun en successen van de bondgenoten hun weer tegenvallen.

Eerste Coalitieoorlog

Maar toen na de Franse oorlogsverklaring van 20 april 1792 de eerste van deze oorlogen begon, zaten de Oranjes op het Haagse Binnenhof nog redelijk vast in het zadel. Deze oorlog wordt de Eerste Coalitieoorlog genoemd, naar de coalitie (verbond) van landen die Frankrijk bestreden. De coalitie begon met Pruisen en Oostenrijk, maar breidde zich langzaam uit met enkele andere landen. Erg succesvol was de Eerste Coalitie overigens niet. De gezamenlijke veldtocht van Oostenrijk en Pruisen tegen Frankrijk mislukte, omdat de vorsten elkaar niet vertrouwden4. De inval van buitenlandse troepen veroorzaakte in Frankrijk een tegenreactie, want op 19 november 1792 verklaarde de Franse regering dat Frankrijk broederschap en hulp (fraternité et secours) zou geven aan alle volkeren die hun vrijheid wilden verkrijgen. Frankrijk zou het volk in andere landen helpen bij het verjagen van de vorst. Deze verklaring was goed nieuws voor de Nederlandse patriotten die de afgelopen jaren vergeefs tegen de stadhouder hadden geageerd en na de Franse revolutie naar Frankrijk waren gegaan. Zij konden nu officieel Franse hulp vragen bij het verjagen van de stadhouder.

Oorlogsverklaring aan Oranje

De Fransen hadden op dat moment de Oostenrijkers en Pruisen weer uit Frankrijk verdreven. In november bezette een Frans leger de Oostenrijkse Nederlanden (het huidige België). In het begin van het nieuwe jaar verklaarde Frankrijk de oorlog aan de Engelse5 koning George III en stadhouder Willem V (1 februari 1793). De oorlog was dus niet gericht tegen het Britse en Nederlandse volk, maar dat was slechts een subtiel verschil. Het volk in beide landen zou er niet minder onder lijden. De Nederlandse Staten-Generaal reageerde verontwaardigd dat de Fransen de oorlog verklaarden aan de verkeerde persoon: de stadhouder was immers geen soeverein, maar slechts een “Illuster Personage” die ondergeschikte was van de soevereine regering werkte6.

 

Het ging Frankrijk voor de wind, en het land werd alleen maar sterker. In militair opzicht maakte het niet uit dat meer landen zich bij de coalitie aansloten uit verontwaardiging over de onthoofding van de Franse koning koning Lodewijk XVI op 21 januari 1793.

 

Frankrijk werd sterker door het invoeren van de militaire dienstplicht. Tot dan toe bestonden legers uit beroepsmilitairen, die vaak in het buitenland waren geworven. Frankrijk kon door de dienstplicht in korte tijd een groot leger op de been brengen met soldaten die vochten voor hun idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Op 23 augustus 1793 riep de regering grote aantallen Fransen op voor het leger.

 

Nadat ze de Oostenrijkse Nederlanden hadden bezet, stonden Franse legers aan de grens van ons land (de Republiek der Verenigde Nederlanden) en liep de positie van stadhouder Willem V gevaar. De strijd op het vasteland ging voornamelijk ging tussen Oostenrijkse en Franse legers. Terwijl Pruisen zich in 1793 terugtrok uit de coalitie, sloot Engeland er zich bij aan. Engeland vocht voornamelijk op zee en in de koloniën tegen Frankrijk. In feite was deze oorlog een voortzetting van eerdere oorlogen uit de achttiende eeuw. In maart 1793 heroverden de Oostenrijkers de Oostenrijkse Nederlanden (nu België) en waren de grenzen van de Nederlandse Republiek weer veilig7.

ALTTEKST

afbeelding 9

Stadhouder Willem V en zijn gezin

Op het Haagse Binnenhof moet stadhouder Willem V opgelucht zijn geweest over de Oostenrijkse successen. De stadhouder woonde met zijn gezin in het stadhouderlijk paleis op het Haagse Binnenhof. Nog niet lang geleden was daar een nieuwe vleugel bij aangebouwd met de balzaal die later de vergaderzaal van de Tweede Kamer werd. Willem V was getrouwd met de Pruisische prinses Wilhelmina (Frederica Sofia Wilhelmina). De Oranjes hadden door haar familiebanden met Pruisen. Wilhelmina’s vader was koning van Pruisen (Frederik Willem II) en de latere koning van Pruisen (1797) was haar broer. De Oranjes hadden ook familiebanden met het Engelse vorstenhuis. De Engelse koning George III was een neef van Willem V.

 

Willem V en zijn Pruisische echtgenote Wilhelmina hadden in 1794 drie kinderen. Het oudste kind was hun dochter Louise, voluit Frederika Louise Wilhelmina (roepnaam Loulou). Louise was in 1790 getrouwd met een zoon van de hertog van Brunswijk, Karel George August van Brunswijk. De hertog was een befaamd veldheer in het Pruisische leger, maar zijn zoon was lichamelijk en geestelijk zwak. Hij zou zwak begaafd zijn geweest. Na de niet zo gelukkig getrouwde Louise kwamen twee zoons, Willem Frederik (1772) en Willem George Frederik (1774). De oudste, Willem Frederik, was “erfprins”. Het stadhouderschap van de Republiek was namelijk erferlijk. Hij volgde zijn vader automatisch op als stadhouder en als ‘prins van Oranje’. Hij zou dan Willem VI worden8.

 

De erfprins was in Berlijn getrouwd met de dochter van de Pruisische koning Willem Frederik II. Deze prinses heette net als zijn moeder Wilhelmina (voluit Frederika Sophia Wilhelmina). Om de twee Wilhelmina’s uit elkaar te houden, noemde men de oudste Willemijn en de jongste Mimi. Willem Frederik woonde met Mimi in een eigen paleis, het ‘Oude Hof’ (nu paleis Noordeinde). Dit paleis was vaker gebruikt door de oudste zoon van de stadhouder. Het was het paleis van de opvolger van de stadhouder. De toekomstige stadhouder had zelf ook al een opvolger, want in 1792 was op het Oude Hof zijn eerste kind geboren, Willem Frederik George Lodewijk. Dit zoontje zou stadhouder Willem VII moeten worden. Om hem te onderscheiden van de andere Willems werd hij “Guillot” genoemd9.

Erfprins, Willem Frederik, toekomstig koning Willem I

afbeelding 10: Erfprins, Willem Frederik, toekomstig koning Willem I

Van erfprins tot Willem I

In dit verhaal komen verschillende Oranjes voor met de naam ‘Willem’. Omdat het moeilijk is hen uit elkaar te houden, plaats ik in de tekst soms hun volgnummer achter hun naam. Stadhouder Willem V blijft Willem V, maar Willem Frederik werd later koning Willem I. Om het nog eenvoudiger te maken noem ik hem hieronder vaak ‘erfprins’. Diens zoon, Willem Frederik George Lodewijk, werd koning Willem II.

 

De Oranjes waren de machtigste familie van de Republiek (der Verenigde Nederlanden). Stadhouder Willem V had zelfs meer macht dan zijn Engelse oom, de Engelse koning. Die moest rekening houden met een machtig parlement dat hem durfde tegen te spreken. In de Republiek deden de leden van de Staten-Generaal en de Staten van Holland dit niet gauw. Zij hadden hun positie te danken aan de stadhouder.

Pruisen valt af als bondgenoot (1794)

In 1794 vielen de Fransen de Oostenrijkse Nederlanden opnieuw aan, deze keer onder gunstiger omstandigheden. Pruisen liet het definitief afweten. Engeland en de Republiek probeerden de koning van Pruisen in de oorlog te houden met subsidies. In het Haagse Verdrag (16 april 1794) zegden deze landen Pruisen geld toe om een leger van 62.000 man aan te houden. Dit leger zou de Republiek moeten beschermen. Later in het jaar bleek dat Pruisen dit leger niet wilde missen. De koning had het leger zelf nodig, onder andere in Polen. Hij droeg de Oranjes al het goede toe, maar hij stuurde geen troepen naar het verre Nederland. Hij sloot zelfs liever vrede met de vijanden van zijn schoonfamilie.

 

Met deze houding, maakte de koning van Pruisen het zichzelf niet gemakkelijk. Hij probeerde een goede verhouding te krijgen met Frankrijk, maar ook met de coalitie tegen Frankrijk. Met behendig schipperen hield hij deze politiek een tijd vol, maar uiteindelijk raakte zijn opvolger daardoor in de problemen.

 

In oktober 1794 trok Pruisen zich terug uit het Haagse Verdrag en nog diezelfde maand trokken Oostenrijkse legers zich terug achter de Rijn. Alleen Engeland bleef nog over als bondgenoot van ons land. Oostenrijk bleef in oorlog met Frankrijk, maar de aartshertog richtte zich meer op behoud van gebied dat dichter bij Oostenrijk lag. De Oostenrijkse – of Zuidelijke Nederlanden lagen ver weg en waren voor hem niet zo belangrijk10.

ALTTEKST

afbeelding 11

Engeland als enige bondgenoot

En zo bleef alleen Engeland over als mogelijke bondgenoot tegen de Fransen. De Engelse koning George III was een neef van stadhouder Willem V. Willems moeder was de Engelse prinses Anna van Hannover. Zij werd ‘van Hannover’ genoemd, omdat de Engelse koningsfamilie oorspronkelijk uit Hannover kwam. In 1714 erfde de keurvorst van Hannover de koninklijke waardigheid in het Verenigd Koninkrijk, zodat er sindsdien een personele unie bestond. George III was koning van Engeland en keurvorst van het Duitse Hannover.

 

Het waren niet alleen de familiebanden die maakten dat Engeland een potentiële bondgenoot van Willem V kon zijn. Ons land was ook strategisch van belang voor Engeland. De Engelse regering wilde ten koste van alles voorkomen dat de hele Noordzeekust in Franse handen viel. Franse koningen keken al in de zeventiende eeuw met een begerig oog naar de rijke Republiek (ons land), maar het was hen niet gelukt ons land daadwerkelijk te bezetten. Dat was onder andere te danken aan Engeland, dat in coalitie met andere landen ons land tegen Frankrijk te hulp kwam. Omdat Franse koningen steeds opnieuw probeerden hun land naar het noorden uit te breiden, was wel eens geopperd om ons land samen te voegen met de Zuidelijke (Oostenrijkse) Nederlanden. Een groter land zou zich beter kunnen verweren tegen Frankrijk. De erfprins, de jonge Willem Frederik (Willem I), had tijdens zijn studie een scriptie geschreven over het nut van deze samenvoeging11.

 

Maar nadat Pruisen de coalitie tegen Frankrijk had verlaten en Oostenrijk zich had teruggetrokken uit de Nederlanden, kwam de verdediging van ons land neer op ons eigen leger en eventuele hulptroepen uit Engeland. Maar het Nederlandse leger was veel te klein. Het was volgens prinses Wilhelmina nog maar een “schim van een leger”. En de Nederlandse bevolking reageerde nauwelijks op een oproep om (vrijwillig) dienst te nemen. De Oranjes moesten het vooral hebben van een klein Engels en Hannoveraans leger.

Franse troepen over bevroren rivieren

De Oranjes bereidden zich dus al voor op een overhaast vertrek. Prinses Wilhelmina zond in oktober 1794 haar juwelen naar haar dochter Louise in Brunswijk. Dat hertogdom was een niet onbelangrijke staat in Noord-Duitsland, waar de Oranjes redelijk goede betrekkingen mee hadden. Het was veiliger om de Oranje-eigendommen daar te brengen omdat dit hertogdom nog niet door Frankrijk werd bedreigd. De Oranjes bezaten nog het Duitse vorstendom Nassau-Dietz, maar dat lag dichter bij Frankrijk en liep meer gevaar bezet te worden door vreemde troepen.

 

In de zomer staken de Franse legers de grote rivieren niet over, maar in de strenge winter trokken ze over de bevroren rivieren. Op 27 december 1794 trok een Frans leger over de Maas. Ze werden niet tegengehouden, maar door grote groepen burgers met open armen ontvangen. De Fransen werden verwelkomd als verlossers van de “stadhouderlijke dwingelandij”.

De Oranjes vluchten naar Engeland

Langzaam trokken de Franse troepen naar het noorden. Toen zij op 14 januari Gouda bereikten, trokken de Engelse en Hannoveraanse troepen zich terug naar Overijssel12. Hierdoor was voor de Oranjes de vluchtroute naar Duitsland afgesloten. Op 13 januari hoopten ze nog via Den Helder te kunnen reizen, maar op 15 januari bleek ook die route te gevaarlijk. De Oranjes besloten daarom via Scheveningen naar Engeland te gaan. Scheveningen had geen haven, maar Scheveningse vissersschepen meerden aan op het strand. Dat kon omdat ze een platte bodem hadden. De stadhouderlijke familie zou de volgende dag (16 januari) vroeg vertrekken.

 

De Oranjes probeerden ook hun kostbaarste bezittingen te redden. Hieronder hoorde de onvervangbare collectie miniaturen. Deze verzameling geschilderde portretten van bekenden was zo belangrijk als nu het fotoalbum van mensen. Een ooggetuige (“de heer Thinne”) zag “wel zestig rijtuigen” langs zijn huis rijden naar Scheveningen. Niet alleen de Oranje probeerden naar Engeland te vluchten. Ook veel andere rijke mensen wilden met een pink (een type vissersschip) naar Engeland te vluchten. Volgens een andere ooggetuige werden: “in groote haast […] aldaar eenige pinken, ruim twintig in getal, gereed gemaakt en met de goederen der vluchtelingen beladen. Ook schijnen aanzienlijke geldsommen aan boord gebracht te zijn, die echter wel ten onrechte toen ter tijd op eenige millioenen begroot werden. Men zag één lange rij van vrachtwagens zich langzaam over den Scheveningschen weg bewegen.”

Het Binnenhof in Den Haag

De stadhouderlijke familie nam afscheid van het Binnenhof

Op 16 januari verhinderde een harde westenwind het uitvaren. Op 17 januari draaide de wind en besloot men de volgende dag te vertrekken. Op zijn laatste avond in Nederland (17 januari) had Willem V een weinig opbeurend gesprek met leden van de Staten van Holland (de regering, zie deel 1deel 1). De regering had onderhandelaars gestuurd naar de Fransen. Uit wat hij hoorde, begreep de stadhouder dat men niet van plan was ten koste van alles vast houden aan zijn stadhouderschap. De regering dreigde hem te laten vallen.

 

Op een van de koudste dagen van een strenge winter namen de Oranjes afscheid van de Republiek. Zondag 18 januari rond negen uur ’s ochtends, namen de prinsessen in het stadhouderlijk paleis op het Binnenhof (het ‘Nieuwe Hof’) afscheid van personeel en van anderen. Daarna vertrokken de twee Wilhelmina’s en de jongste Willem (“Guillot”, Willem II) in een rijtuig naar Scheveningen. Het afscheid was emotioneel: “Het jongske, zeer ontwikkeld voor zijn leeftijd, en gedragen op den arm eener hofdame, scheen met belangstellende blikken in het rond te zien, toen de moeder het, alvorens in het rijtuig te stappen, onder tranen en snikken in de armen nam en teederlijk omhelsde.” Op het strand droeg de Scheveningse kastelein Petting prinses Wilhelmina (sr) door de golven naar de visserspink van Michiel de Heyer. De schepen waren blijkbaar al in zee getrokken. Nadat de andere Oranjes aan boord waren gebracht, stak het schip in zee. Achter hen voeren twaalf bomschuiten met hun persoonlijke bezittingen. De tocht naar Yarmouth duurde zo’n vierentwintig uur13.

Afscheid van het stadhouderschap

Willem V was met zijn zonen achtergebleven. Volgens verschillende historici wilde hij eerst officieel laten vastleggen dat zijn overhaaste vertrek niet betekende dat hij afstand deed van zijn stadhouderschap. Volgens hen ging Willem met officieel ‘verlof’ naar het buitenland en behield hij zijn rechten op zijn functie als stadhouder. Hij nam in een brief afscheid van de Staten-Generaal en de Staten van Holland. Daarin schreef hij dat hij het land zou verlaten om de vrede niet in de weg te staan. Hij wist dat de Fransen niet wilden onderhandelen zolang hij nog stadhouder was: hij wilde niet “een obstakel zyn aan den Vreede, die voor de goede Ingezetenen nodig was”. Hij zou zich daarom tijdelijk terugtrekken en hoopte dat de Staten-Generaal niet zouden afkeuren: “om voor een tyd zich met hoogdeselfs geheele Familie van hier te retireeren, in hoope dat H.H.M. zulks niet zouden afkeuren”. H.H.M. is de afkorting van “Hun Hoog Mogenden”, de leden van de Staten-Generaal. De Staten-Generaal bogen zich de ochtend van zijn vertrek over de brief en namen deze voor kennisgeving aan. Volgens één bron wilden ze er niet meteen op reageren. Volgens een andere bron gaven ze Willem V de volgende dag toestemming voor een tijdelijk vertrek.

 

Na het vertrek van de prinsessen namen Willem V en zijn zonen in de danszaal van het Nieuwe Hof afscheid van de hofhouding, vertrouwde aanhangers en van buitenlandse gezanten. Volgens Naber sprak hij daar ook de leden van de Staten-Generaal toe. Volgens Naber “billijkten” deze zijn tijdelijke verlof, maar of zij dit deden namens de regering of spraken op persoonlijke titel is niet duidelijk.

Het vertrek van Willem V naar Engeland

Het vertrek van Willem V naar Engeland, Dirk Langendijk, Christoffel Meijer (Rijksmuseum)

Scheveningen, zondag 18 januari 1795

Na de bijeenkomst in de danszaal vertrok Willem V met zijn zonen Willem Frederik en Willem George Frederik naar Scheveningen. Volgens één beschrijving stonden Oranjegezinden zwijgend langs de weg. Op het strand werden de stadhouder en prinsen door vissers naar de Johanna Hoogenraad gedragen. Hierna voer dit schip niet meteen weg, omdat men nog wachtte op beter nieuws. Maar dat kwam niet en omdat men bang was dat de wind zou draaien, besloot men te vertrekken. Met een (zeil)schip liepen ze kans bij ongunstige wind de kust niet te kunnen verlaten. Willem V wilde in Plymouth overstappen op een van de Nederlandse oorlogsschepen die daar lagen. Rond middernacht ging de pink onder zeil.

 

Diezelfde avond bereikten de eerste Fransen Den Haag. Op 23 januari arriveerde de Franse bevelhebber Pichegru en de dagen hierna vestigden de Fransen zich in de door de Oranjes verlaten gebouwen. Zij werden “plechtig” ontvangen door het oude, Oranjegezinde, bestuur van Den Haag. Dat was nog niet vervangen. Op 26 januari had Holland al een voorlopig (nieuw) bestuur, dat vergaderde op het Binnenhof. Zoals prinses Wilhelmina vanuit Engeland aan haar dochter Louise schreef: er hing een “dichte sluier” over hun toekomst.

 

De dag na het vertrek van Willem V, namen de Staten-Generaal een resolutie aan die het besluit van Willem V om te vertrekken “als een maatregel van uiterste necessiteit” goedkeurden. De resolutie werd de stadhouder nagezonden14.

 

Vervolg: zie deel 2.

 

Verantwoording

Deze pagina zal eind november gereed zijn.

Literatuur

• F. de Bas, Prins Frederik der Nederlanden en zijn tijd, delen II en III, Schiedam 1891 en 1903.

• Henriette L.T. de Beaufort, Gijsbert Karel van Hogendorp. Grondlegger van het Koninkrijk, Den Haag 1963.

• J.A. Bornewasser, ‘Kirche und Staat in Fulda unter Wilhelm Friedrich von Oranien, 1802-1806', in: Quellen und abhandlungen zur Geschichte der Abtei und der Diözese Fulda, 19, Fulda 1956.

• Michael Broers, Europe under Napoleon 1799-1815, London 1996.

• H. Brugmans, Van Republiek tot Koninkrijk. Geschiedenis der Nederlanden van 1795-1815, Amsterdam, 1939.

• Henriette L.T. de Beaufort, Gijsbert Karel van Hogendorp. Grondlegger van het Koninkrijk, Den Haag 1963.

• Robert Fruin, H.T. Colenbrander, I. Schöffer, Geschiedenis der staatsinstellingen in Nederland tot den val der republiek, ’s-Gravenhage 1980.

• F.M.L. van Geen, 'Het rassemblement van Osnabrück en de Militaire Willemsorde', in Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO), 8e reeks, vijfde deel (1944), 95-99.

• J.A. van Houtte, e.a. Algemene Geschiedenis der Nederlanden V, Utrecht 1952.

• Jonathan Israel, The Dutch Republic. Its rise, greatness and fall, Oxford, 1995.

• Johanna Naber, Prinses Wilhelmina. Gemalin van Prins Willem V, Amsterdam 1908.

• L.A. Struik, Oranje in ballingschap, 1795-1813: een odyssee, Amsterdam 2006.

Noten

1. Traktaten van Berlijn van 15 april en 13 augustus 1788 en traktaat gesloten op het Loo van 13 juni 1788), bron: Nieuwe Nederlandsche jaerboeken, deel 2, 1292-1294, gevonden op: Nieuwe Nederlandsche jaerboeken.

2. Broers 6-13.

3. Eigenlijk moet je schrijven het Verenigd Koninkrijk. Koning George III was immers koning van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland (‘King of the United Kingdom of Great Britain and Ireland’), dus Engeland, Schotland, Wales en Ierland. Voor het gemak schrijf ik hieronder maar over Engeland.

4. Brose 23-29.

5. Officieel was George III koning van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland. Om het eenvoudig te houden gebruik ik in de tekst soms het onjuiste ‘Engeland’.

6. Struik 29-30.

7. Broers 13-14.

8. Prins van Oranje was op dat moment niet meer dan een titel. Willem III was de laatste Nederlandse Oranje die echt het Franse prinsdom Orange bezat. Hij was er soeverein vorst totdat de Franse koning het prinsdom inlijfde. Willem III bleef de titel voeren tot hij in 1702 kinderloos overleed. Toen werd de titel geërfd door twee erfgenamen die lange tijd een juridische strijd voerden om de omvangrijke erfenis van Willem III. De koning van Pruisen, een achterneef van Willem III, vond dat hij de titel ‘prins van Oranje’ mocht voeren en de Friese stadhouder Johan Willem Friso vond dat hij dit recht ook had. Omdat hun erfgenamen dat in 1795 nog steeds deden, was er naast Willem V nog een Franse prins van Oranje en een Pruisische

Overigens merkt Van Ditzhuyzen op dat de titulatuur in de 16de en 17de eeuw een ingewikkelde en nog niet grondig bestudeerde materie is. Er werd geen consequent gebruik van titels zodat dezelfde personen onder verschillende benamingen werden opgevoerd. Sommige auteurs kiezen de benaming die de betreffende personen zichzelf gaven en dat deden ze soms in een ander land weer anders. In haar biografisch woordenboek gebruikt zij een zo juist mogelijke standaardisatie: kinderen van Willem van Oranje zijn voornaam van Oranje, graaf/gravin van Nassau, kinderen van Frederik Hendrik: prins(es) voornaam van Oranje, graaf/gravin van Nassau, de afstammelingen van Johan Willem Friso: prins(es) van Nassau en Oranje, vanaf 1813 prins(es) van Oranje-Nassau; bron: Van Ditzhuyzen p. 12

9. Struik 13-24; Willem V had nog twee zoons die jong overleden waren.

10. Sillem 265-283, Struik 33-35.

11. Fischer 28.

12. Volgens Colenbrander p. 44 er was ook nog een Oostenrijks legerkorps in Nederland.

13. Over de vlucht van de Oranjes geven verschillende auteurs details die elkaar soms tegenspreken; de gegevens vond ik bij: Naber 176-186, Kikkert 17, Hallema 125, 235-236, Van Meerkerk 179-181, Naber 176-185, Geyl 302-303, Colenbrander 46-49, ’s Gravenhaagse Courant van 24 januari 1795; De gegevens in de literatuur zijn nogal eens tegenstrijdig: volgens Colenbrander waren er op 16 januari al 27 pinken met vluchtelingen vertrokken, maar waren er 7 of 8 teruggekeerd vanwege het drijfijs; volgens Kikkert ging het om veertien visserspinken (en misschien waren dit de schepen die exclusief door de Oranjes werden gebruikt; volgens Geyl vond de vlucht plaats op zondag 18 januari, volgens anderen op 17 januari. De meeste auteurs hebben het over een zondag en in 1795 viel de zondag op 18 januari. Volgens Colenbrander waren de prinsessen om 8 uur aan boord van hun schip gegaan en vertrokken Willem en zijn zoons om 14.00 uur naar Scheveningen. Volgens Didier p. 18 had Willem al op Oudejaarsdag 1794 twintig Scheveningse vissersboten gehuurd, die klaar lagen met stadhouderlijke bezittingen. Volgens Van Meerkerk werden schepen gevorderd op 15 januari. Volgens www.historici.nl werd zijn “tijdelijke” vertrek op 19 januari 1795 door de Staten-Generaal goedgekeurd. De scheepstypen die werden gebruikt, pink en bomschuit, vond ik in de bronnen vermeld.

14. Colenbrander 45-59, Struik 65.