Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDeze pagina zal in het voorjaar van 2013 klaar zijn.

kopfoto

De Oranjes en ons landsbestuur vóór 1795

Toen de prins van Oranje op 30 november 1813 op het strand van Scheveningen aankwam, om na de verdrijving van de Fransen het bestuur van ons land over te nemen, was er veel gebeurd. In 1795 waren hij, zijn ouders en verdere familie voor de Fransen en patriotten gevlucht. De vlucht en de periode van ballingschap die hierop volgden zijn beschreven op deze pagina. De gebeurtenissen in Den Haag in 1813 op deze pagina.

N.B. Deze pagina zal in oktober klaar zijn.

Inleiding

In 1813 landde de toekomstige koning Willem I in Scheveningen met het plan koning van Nederland te worden. In de jaren 1813-1815 slaagde hij er die wens in vervulling te laten gaan. Hij werd koning van het ‘Koninkrijk der Nederlanden’ en was de eerste koning van dat nieuwe koninkrijk. Voor 1813-1815 bestond dit koninkrijk nog niet. Het grondgebied van ons land was kleiner en het bestuur van het land was heel anders. In de eerste plaats was ons land niet één staat, maar een verzameling van staatjes die op sommige punten samenwerkten. De statenbond was ontstaan in de onafhankelijkheidstrijd tegen de Spaanse koning, tijdens de periode die Tachtigjarige Oorlog wordt genoemd. De verschillende staatjes die tijdens die oorlog gingen samenwerken waren ontstaan in de Middeleeuwen.

Ons land in de Middeleeuwen

In de Middeleeuwen ontstonden er in ons land enkele staatjes. Die werden gesticht door hoge edelen die graven, hertogen, bisschoppen of heren werden genoemd. Deze heren begonnen meestal als heer over een klein en breidden hun gezag vervolgens uit over andere gebieden. Uiteindelijk ontstonden staatjes als het graafschap Holland, het hertogdom Gelre (Gelderland) en het bisdom Utrecht. Ook bisschoppen konden in deze tijd een land besturen. De graven, hertogen en bisschoppen regeerden hun gebied vrijwel als koning. Een van de graven van Holland liet in Den Haag een kasteel bouwen. Dat kasteel werd zijn voornaamste residentie in Holland. Heel lang woonde de oorspronkelijke grafelijke familie niet in Den Haag, want de zoon van de graaf die vermoedelijk voor het eerst langere tijd in Den Haag woonde, overleed op jonge leeftijd. Hij had geen kinderen en het graafschap werd via zijn tante geërfd door zijn oom, de graaf van Henegouwen. Holland was hierna in bezit van de graven van Henegouwen, totdat ook deze familie (in mannelijke lijn) uitstierf. Via een erfenis en na langdurige strijd kwamen Henegouwen en Holland in bezit van de hertog van Beieren-Straubing. Een hertog stond hoger op de adellijke ladder dan een graaf, maar de hertogen van Beieren bleven in Holland gewoon graaf. Ze waren hertog van Beieren en graaf van Holland, maar vaak werden ze in Holland uit eerbied voor hun hogere titel ook ‘hertog’ genoemd. Holland, Henegouwen en Beieren werden overigens niet samengevoegd tot één staat. Holland bleef een apart graafschap met een eigen bestuur. Daarin had de hertog of graaf natuurlijk het laatste woord. De laatste Beierse vorst, hertogin Jacoba van Beieren, moest Henegouwen en Holland na veel militaire strijd afstaan aan de hertog van Bourgondië.

Centralisatie van de Nederlanden

De hertog van Bourgondië was op dat moment de machtigste vorst in Nederland en België. Deze hertogen kregen steeds meer graafschappen, hertogdommen en dergelijke in handen dat ze op een gegeven moment vrijwel geheel Nederland en België in bezit hadden. Hun staatjes in Nederland en België werden samen ‘de Nederlanden’ genoemd en de hertogen installeerden een centraal bestuur voor deze Nederlanden in Brussel. Holland bleef in de Nederlanden een afzonderlijk graafschap met een eigen bestuur en eigen voorrechten (‘privileges’ genoemd), maar als de hertog de kans kreeg, voerde hij een maatregel in die voor alle Nederlandse staatjes gold. Zo kwam er een klein beetje eenheid in het bestuur van de Nederlanden. De hertog van Bourgondië werd ook een beetje vorst van de Nederlanden. Hij was nog lang geen koning, maar men noemde hem ‘landsheer’. Dat was gemakkelijker dan het opsommen van al zijn titels, want hij was hertog van onder andere Bourgondië en Gelderland, graaf van onder andere Vlaardingen en Holland en zo telde hij op den duur zeventien staatjes, tot zijn Nederlanden. De Zeventien Verenigde Nederlanden werden bestuurd vanuit Brussel en daar vergaderden vaak ook de vertegenwoordigers van de staatjes met de landsheer. De staatjes werden overigens “provincies” genoemd, al waren het toen onafhankelijke staatjes.

De Staten van Holland

De vertegenwoordigers die met de landsheer vergaderden vormden niet een parlement, zoals de Tweede Kamer der Staten-Generaal nu. De vertegenwoordigers werden niet gekozen door de gehele bevolking, maar door enkele bevoorrechte groepen van de bevolking. Die groepen werden ‘standen’ genoemd en dat waren bevolkingsgroepen die verschillende rechten hadden. Geestelijken en edelen waren de mensen met de meeste voorrechten. Zij vormden de eerste en de tweede stand. De burgers van steden hadden de minste voorrechten. Zij vormden de derde stand. Vertegenwoordigers van deze drie standen mochten met de graaf overleg voeren over belangrijke zaken. De vergadering van de drie standen noemde men statenvergadering of kortweg ‘Staten’. In Holland bestond de statenvergadering uit een vertegenwoordiger van de edelen en vertegenwoordigers van een aantal steden. De graaf bepaalde zelf welke steden hij uitnodigde en over welke zaken hij wilde overleggen. Alleen bij het heffen van een nieuwe belasting was hij verplicht toestemming te vragen. De ‘Staten van Holland’ vertegenwoordigden overigens maar een heel klein deel van de bevolking. In de eerste plaats hadden alleen de rijkere steden het geld om een vertegenwoordiger naar de graaf te sturen. Kleinere steden verschenen vaak niet op de vergadering. Naast de rijkere steden vergaderde ook maar één edelman mee in de Staten van Holland. Deze edelman sprak namens het gehele platteland van Holland en met platteland bedoelde men toen bijna het hele land. Ook plaatsen die geen stadsrecht hadden gekregen hoorden toen (officieel) tot het platteland. Den Haag bezat geen stadsrecht en had dus geen eigen vertegenwoordiger in de Staten van Holland. Een plaats als Delft bezat wel stadsrecht en het stadsbestuur van deze stad kon dus wel invloed uitoefenen in de Staten van Holland. In de tweede plaats vertegenwoordigden deze vertegenwoordigers dus maar een heel klein deel van hun achterban. De stadsbesturen werden niet gekozen door alle burgers van de stad, maar door een kleine groep burgers die vanouds kiesrecht hadden. En de edelman in de Staten vertegenwoordigde dus vrijwel de gehele bevolking.

Stadhouder van Holland

De landsheer, de hertog van Bourgondië, zetelde dus gewoonlijk in Brussel om al zijn landen in Nederland en België te besturen. Hij had niet veel tijd om al zijn provincies te bezoeken en in Den Haag, de regeringsstad van het graafschap Holland, kwam hij niet vaak. De landsheer stelde daarom een vervanger aan die ‘stadhouder’ werd genoemd. Het woord “stedehouder” betekende vroeger ‘plaatsvervanger’. De stadhouder van Holland bestuurde het graafschap vanaf het Binnenhof in Den Haag. Stadhouders waren altijd hoge edelieden. Ze voerden allerlei belangrijke taken uit voor de landsheren, maar ze streefden ook hun eigen familiebelangen na. Om die reden waren ze vaak afwezig en ze werden ook niet voor lange tijd benoemd. Na een paar jaar kwam er weer een andere hoge edelman als stadhouder.

De koning van Spanje

Na de graven uit het Hollandse, Henegouwse en Bourgondische huis, kwamen de Nederlanden in 1482 in handen van de familie van de Habsburgers. De vorsten uit deze familie werden onder andere ook koning van Spanje en keizer van het Duitse rijk. De Habsburgers waren de machtigste vorstenfamilie van de 16de eeuw. De laatste Habsburger waar het noordelijk deel van de Nederlanden mee had te maken, was landsheer Filips. Filips werd vooral bekend als koning van Spanje, Filips II. In Holland was hij gewoon graaf en dan eigenlijk als Filips I (de eerste). Filips was een streng katholieke man die een ambitieuze politiek nastreefde. Hij voerde onder andere oorlog in Italië, met Frankrijk, met Engeland en hij kreeg ook te maken met een opstand in de Nederlanden.

De Opstand (Tachtigjarige Oorlog)

Filips was gelovig katholiek en wilde niet toestaan dat mensen een ander, nieuw geloof aan gingen hangen. In deze tijd had je in Europa maar één kerk, de rooms-katholieke kerk. Deze kerk kwam in opspraak door misbruiken en af en veel mensen wilden de rooms-katholieke kerk veranderen, met een ouderwets woord heet dat ‘hervormen’. Maar mensen die een ander geloof aanhingen werden in opdracht van Filips vervolgd en bestraft met de doodstraf. Deze zware straf leidde tot veel protesten. Deze onrust kwam bovenop de onvrede over de economische crisis en nieuwe belastingen en was de druppel die de emmer deed overlopen. Er brak een opstand uit die werd geleid door een groep mensen die radicaal wilden breken met de katholieke kerk, de calvinisten.

 

Filips stuurde een leger dat er in slaagde om de opstand in de zuidelijke provincies te onderdrukken. In de noordelijke provincies hielden de opstandelingen het vol. Zeven provincies verklaarden zich onafhankelijk van Filips en sloten een militair en politiek verbond. In dat verbond, de ‘Unie van Utrecht’, beloofden de zeven provincies met elkaar samen te werken in de buitenlandse politiek en de oorlogvoering. Hun vertegenwoordigers vergaderden hierover samen in de ‘Staten-Generaal’. De vertegenwoordiger van de Staten van Holland was de machtigste man in de Staten-Generaal, want Holland was de rijkste provincie of gewest (gewest is een andere naam voor provincie).

Republiek der Verenigde Nederlanden

Met heel veel moeite hielden deze opstandige gewesten stand tegen de machtige Filips en zijn opvolgers. De oorlog duurde zo’n tachtig jaar en in deze tijd organiseerden de zeven gewesten hun landsbestuur. Tijdens de opstand hadden de statenvergaderingen van de gewesten het bestuur al op zich genomen. De Staten van Holland leidden de opstand in Holland. Ze zorgden ervoor dat de bevelhebbers van het leger belastinggeld kregen om troepen te werven (het leger bestond toen nog uit huurlingen). De statenvergaderingen deden eerst nog of zij dit deden als adviesorgaan van de landsheer. Dat waren ze van oorsprong namelijk ook. Maar naarmate de opstand langer duurden, deden ze niet meer alsof. Het werd duidelijk dat de opstandelingen en landsheer Filips het niet meer eens zouden worden. De Staten van Holland zworen Filips in 1581 af als graaf of landsheer en de andere noordelijke gewesten deden dit ook.

Bestuur van de Republiek der Verenigde Nederlanden

In eerste instantie zocht men een opvolger voor de landsheer, maar de hiervoor gevraagde hoge edelen bevielen niet. Na enkele mislukkingen besloot men het voortaan zonder landsheer te doen. De zeven gewesten besloten ieder afzonderlijk verder te gaan als republiek. Omdat dit voor de oorlogvoering verstandig leek is er wel gepraat over verdergaande centralisatie van het bestuur. Al eerder hadden de zeven gewesten een militair (en politiek) verbond gesloten, de Unie van Utrecht (1579). Hierbij beloofden de gewesten op militair gebied samen te werken. Ook de buitenlandse politiek zou men gezamenlijk gaan voeren. De zeven republiekjes gingen dus een soort statenbond vormen en deze statenbond noemde men de ‘Republiek der Verenigde Nederlanden’. Een echte republiek zoals wij die kennen was deze ‘republiek’ niet, want het ging om een samenwerkingsverband van zeven republiekjes. In het buitenland zag men dit overigens anders. De buitenlandse politiek was geen zaak van de gewesten afzonderlijk, maar een zaak van de gewesten gezamenlijk, van de Republiek. Buitenlandse vorsten hadden dus alleen te maken met vertegenwoordigers van de Republiek der Verenigde Nederlanden en niet met vertegenwoordigers van een afzonderlijk gewest. In tijd van nood overtraden gewesten deze regel wel eens en onderhandelden ze op eigen houtje met een buitenlandse delegatie.

 

In het begin neigde men overigens wel tot een sterker centraal bestuur. Men richtte een (nieuwe) Raad van State op, dat het bestuur zou moeten vormen van de zeven gewesten, dus van de ‘Republiek’. Omdat de Raad van State een politieke koers volgde die niet naar de wens van elk gewest was, werd dit bestuursorgaan spoedig opzij geschoven. Het nieuwe centrale bestuursorgaan werd de Staten-Generaal. Anders dan de leden van de Raad van State, hielden die van de Staten-Generaal vooral rekening met de belangen van het eigen gewest en niet met het algemene belang. Dat betekende dat de Republiek geen sterk centraal gezag kreeg en dit zou zo blijven tot de inval van de Fransen in 1795. In de Franse tijd werd ons land voor het eerste één staat, met een centrale regering.

 

De Staten-Generaal vergaderde op het Binnenhof in Den Haag, net als het bestuur van het gewest Holland, de ‘Staten van Holland’.

 

De Republiek (der Verenigde Nederland) werd dus niet bestuurd van bovenaf, maar van onderop. Niet de Staten-Generaal waren het machtigste bestuursorgaan, maar (vooral in Holland) de steden. De enige centrale macht in ons land zou de stadhouder worden, maar in hoeverre hun ingrijpen in de politiek altijd even volgens de wet was, is niet duidelijk. De wijze waarop ons land moest worden bestuurd was niet uitputtend op papier gezet. Je had nauwelijks meer dan de regels van de Unie van Utrecht en de korte aanstellingsbrieven van de stadhouders. Er ontstond dus regelmatig onenigheid over allerlei zaken die niet zwart op wit op papier gezet waren.

Het lokale bestuur, steden en regenten

Het was allemaal erg ingewikkeld. In het gewest Holland lag de macht bij de stadsbesturen. Steden waren in de Middeleeuwen ontstaan toen de graaf aan enkele tientallen dorpen in Holland het stadsrecht had gegeven. Steden kregen een bijzondere positie in het bestuur. Dorpen hoorden tot het ‘platteland’ en dat werd bestuurd door allerlei ‘heren’. In de Middeleeuwen waren dit in principe edelen. De bewoners van het platteland hadden geen invloed op het bestuur, tenzij ze in opstand kwamen. De inwoners van steden hadden wel invloed op het bestuur. Stedelingen konden de status van burger krijgen, als ze het entreegeld tenminste konden betalen. Hun nazaten waren dan ook burger, ook als ze armlastig werden.

 

De burgers kozen een stadsbestuur. Oorspronkelijk mochten vermoedelijk alle burgers het bestuur van de stad kiezen. Later kwam de macht in de stad in handen van een kleinere groep burgers. Vermoedelijk kwam dat omdat niet veel mensen zich met het bestuur konden of wilden bemoeien. Je moest er natuurlijk tijd voor hebben en geld. Naast een volledige baan kon je niet aan de stadspolitiek wijden. De macht in een stad lag meestal lange tijd in handen van een kleine groep families. Deze families voerden strijd met enkele andere families die in de oppositie zaten. Af en toe greep de oppositie de macht en regeerde een andere groep burgers. De machtige burgers in de steden werden ‘regenten’ genoemd.

Staten van Holland soeverein

De Staten van Holland waren dus ooit ontstaan doordat de graaf van Holland toestemming nodig had om extra belasting te kunnen heffen in de steden van Holland. De stadsbesturen overlegden met hem in de Staten van Holland en zij kregen daardoor enige invloed op het landsbestuur. Toen de Opstand uitbrak en de graaf werd afgezet, namen de Staten van Holland het bestuur over. Eerst zocht men nog naar een nieuwe vorst, want in die tijd werden vrijwel alle landen nog door een prins of koning bestuurd. Toen de zeven gewesten niet tevreden waren over de aangezochte edelen, besloten ze dan maar zichzelf te gaan besturen. De Staten van Holland namen toen, zoals dat heet de ‘soevereiniteit’ op zich. Dat betekent dat zij de hoogste macht in Holland hadden, net als in andere landen de koning de hoogste macht had. Ze waren dus niet adviseur van de vorst, maar regeerden vanaf nu zelf. Ze waren dus de baas in Holland. Zij stelden de wetten vast, namen de belangrijke besluiten en benoemden hoge functionarissen. Maar omdat Holland na het tekenen van de Unie van Utrecht had beloofd dat de buitenlandse politiek en de oorlogvoering een zaak van alle gewesten gezamenlijk was, vielen deze zaken onder de Staten-Generaal. In alle andere zaken van bestuur had de Staten van Holland het hoogste woord, met een chique woord de soevereiniteit. Deze verhouding is te vergelijken met die tussen Nederland en Europa.

Samenstelling van de Staten van Holland

De Staten van Holland waren van adviescollege nu het hoogste bestuursorgaan geworden. Tegelijk waren ze nog steeds ook een beetje het parlement van Holland. De vertegenwoordigers van de steden vergaderden als parlementariërs en namen daarna de besluiten zoals nu de regering. De Staten vergaderden veel langer dan voorheen en alleen de rijkste steden konden hun vertegenwoordigers zolang in een Haagse herberg laten logeren. Al snel werd het gebruik datalleen de zes grootste steden in de Staten van Holland zitting namen. Die steden waren Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda. Naast de zes steden zat er nog één edelman in de Staten. Van deze edelman zei men dat hij de rest van Holland vertegenwoordigde. Hij zat er namens het platteland (de dorpen) en de kleinere steden. De edelman was niet helemaal alleen, want samen met enkele andere edelen hoorde hij tot een groep edelen die de ‘Ridderschap’ werd genoemd. In de Ridderschap zaten de belangrijkste edelen van Holland. Zij hadden slechts één stem in de Staten van Holland en de steden samen zes. De edelen waren echter rijke en machtige heren en ze hadden vaak veel invloed. In de politieke strijd die later uitbrak tussen de regenten (de steden) en de stadhouder, kozen de meeste edelen partij voor de stadhouder.

Staten van Holland: raadpensionaris

Naast de leden (de zes steden en de edelman van de Ridderschap) had de Staten van Holland nog een secretaris die ‘raadpensionaris’ werd genoemd. De raadpensionaris werd korte tijd landsadvocaat genoemd en zijn oorspronkelijke taak was dan ook vooral het geven van juridisch advies. Verder bereidde hij de vergaderingen voor en voerde opdrachten uit. Onder Johan van Oldenbarnevelt werd de landsadvocaat een belangrijk man in de Staten van Holland en zelfs een overheersende figuur in Holland. Later zou Johan de Witt als raadpensionaris eveneens de politiek van Holland domineren. Zowel Oldenbarnevelt en De Witt raakten verwikkeld in een strijd om de macht met de stadhouder en verloren die. Johan van Oldenbarnevelt werd veroordeeld tot de doodstraf en Johan de Witt werd a href=" moord_op_gebroeders_de_witt_moord.htm">vermoord.

Stadhouder

Naast de raadpensionaris was er in Holland nog een machtige functionaris, de stadhouder. De stadhouder was de belangrijkste “dienaar” (zoals dat toen heette) van de Staten van Holland. Hij was dus de hoogste ambtenaar. De stadhouder was vroeger de plaatsvervanger geweest als de landsheer afwezig was. Omdat de landsheer eigenlijk permanent afwezig was omdat hij woonde in Brussel of Madrid, werd hij in Den Haag permanent vervangen door een stadhouder. De situatie veranderde toen landsheer Filips was afgezet en de Staten van Holland de soevereiniteit (hoogste macht) in Holland overnamen. Zij waren permanent in Holland en hadden geen plaatsvervanger meer nodig. Toch benoemden de Staten van Holland in 1585 een stadhouder. Ze hadden (tijdelijk) om politieke redenen een gewichtige edelman nodig, maar de functie van stadhouder zou blijven. De Staten van Holland hadden immers iemand nodig die met gezag de wensen van de regering kon uitvoeren.

 

De “nieuwe” stadhouder had dus een andere positie dan de vroegere stadhouder. Hij was niet meer plaatsvervanger van een afwezige vorst en dat betekende dat hij veel minder vrijheid om te doen wat hij wilde. De bazen van de nieuwe stadhouder waren in principe permanent aanwezig op het Haagse Binnenhof en ze keken steeds mee. De stadhouder was de hoogst geplaatste functionaris van de Staten van Holland. Maar omdat men in deze tijd erg vasthield aan het oude, kreeg de stadhouder in de praktijk ook bevoegdheden die de oude stadhouder had uitgeoefend als plaatsvervanger van de landsheer. Deze bevoegdheden pasten niet bij zijn positie als ambtenaar, maar plaatsten hem op gelijke hoogte met de regering, de Staten van Holland. Die bevoegdheden kreeg de eerste stadhouder niet meteen op de dag van zijn benoemding toegewezen. Die werden later toegevoegd aan zijn functie. Zijn belangrijkste taken waren de bescherming van de nieuwe staat. In die staat was officieel slechts één godsdienst toegestaan en dat was het calvinisme. De stadhouder moest er voor waken dat het calvinisme de enige “ware godsdienst” bleef. Ook had de stadhouder het recht om in tijden van dreiging, stadsbesturen te vervangen. Met deze twee bevoegdheden kon de stadhouder de macht in het land overnemen. Als hij werd tegengewerkt door de Staten van Holland, kon de stadsbesturen van de belangrijke steden vervangen. Hij verving tegenstanders door aanhangers en het nieuwe stadsbestuur was het in de volgende vergadering van de Staten van Holland met hem eens. Dat was bij de eerste aanstelling in 1585 nog niet de bedoeling. De keus viel toen op de zoon van een vroegere stadhouder van Holland, Willem van Oranje. Oranje was leider van de Opstand geworden, maar was in 1584 vermoord. Deze zoon, Maurits, werd dus de hoogste ambtenaar van het gewest Holland. Later kreeg Maurits dezelfde functie in de meeste andere gewesten. Na Maurits kregen latere Oranjes nog de functies van ‘kapitein-generaal’ en ‘admiraal-generaal’. Daardoor waren de Oranjes ook nog eens opperbevelhebber van de landstrijdkrachten van de zeemacht. In de laatste functies waren ze overigens in dienst van de Staten-Generaal. Oorlogvoering was volgens de bepalingen van de Unie van Utrecht immers een zaak van de zeven gewesten gezamenlijk, dus van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Als stadhouder waren de Oranjes in dienst van de afzonderlijke gewesten. Dat ze meerdere petten op hadden gaf nog weleens verwarring en leidde tot conflicten met vooral het gewest Holland. Dat ze opperbevelhebber waren van de strijdkrachten, gaf hun functie ook nog eens extra macht.

 

De stadhouder werd aangesteld door het gewest, maar de benoeming of bekrachtiging gebeurde door de Staten-Generaal.

De stadhouder krijgt meer macht

Een heel duidelijke functieomschrijving (“instructie”) had de stadhouder niet. Maurits had alleen een benoemingsbesluit, maar geen instructie (functieomschrijving). Bij zijn opvolgers Frederik Hendrik en Willem II kwam men niet verder dan een benoeming en een concept-instructie (voorstel voor een instructie). Volgens zijn aanstellingsbesluit moest hij alles doen wat hij in de functies van “Gouverneur, Capiteijn Generael en Admirael” van de gewesten hoorde te doen. Gouverneur is de oude naam van stadhouder en het kwam er op neer dat hij veel taken deed die de stadhouders vroeger ook deden. Hij kreeg daardoor veel macht. Hij mocht bij de verkiezing van stadsbesturen een keus maken uit een van de twee kandidaten die een stad hem voordroeg. Elk jaar koos de vroedschap (zeg maar “gemeenteraad”) van de stad nieuwe bestuurders. Dat waren burgemeesters en schepenen. De burgemeester kun je tegenwoordig zien als wethouders. De schepenen waren zowel wethouder als rechter. De stadhouder kreeg op deze manier invloed op de stedelijke politiek.

 

In naam hadden de Staten van Holland de hoogste (soevereine) macht in Holland, maar in de praktijk was dit niet altijd zo. Het hing er vooral vanaf wie de sterkste machtspositie in het land bekleedde. Meestal was dat de stadhouder. De politieke achterban van de Staten van Holland was vrij smal. In de Staten waren de machtigste families van zes steden vertegenwoordigd. De oppositie in deze steden en de bevolking in de andere steden en die van het platteland voelden zich niet vertegenwoordigd in de Staten van Holland en steunden dan maar de prins van Oranje, de stadhouder.

 

De stadhouder kreeg steeds meer macht. De Oranjes werden daarbij geholpen door hun grote rijkdom en door hun hoge adellijke status als prins van Oranje. Ze regeerden het Franse prinsdom Oranje en hadden daar de soevereine macht (de hoogste macht).De stadhouder had andere belangen dan de machthebbers in de belangrijkste steden van Holland. De Oranjes hadden eigen dynastieke (familie) belangen. De machthebbers in de Hollandse steden waren kooplieden en de Staten van Holland probeerde altijd de positie van de handel te verbeteren. De stadhouder probeerde steeds de positie van zijn familie te verbeteren. De Oranjes zorgden ervoor dat hun kinderen automatisch de positie van stadhouder erfden. Ze probeerden hun kinderen uit te huwelijken aan buitenlandse vorstenhuizen. Verschillende stadhouders waren gehuwd met Engelse prinsessen. De belangen van de stadhouder waren niet automatisch de belangen van Holland. Voor de kooplieden was Engeland meestal een concurrent. Voor de Oranjes waren leden van het Engelse koningshuis vaak een bondgenoot. De belangen botsten vaak ook op andere punten.

De stadhouder bijna als koning

Na Maurits werden achtereenvolgende leden van de Oranje-familie aangesteld als stadhouder. Maurits’ opvolger Frederik Hendrik probeerde zijn macht in de Republiek (der Verenigde Nederlanden) te vergroten. Na enkele grote overwinningen op het slagveld besloot men zijn zoon al als opvolger aan te stellen. De functie van stadhouder werd erfelijk. Ook op andere manieren ging de functie van stadhouder steeds meer lijken op die van een koning. In noodsituaties mocht hij ook de vroedschap (raad) in een stad vervangen door andere mensen. Dat hebben de stadhouders een enkele keer gedaan. Daarbij overschreden ze de grenzen van hun bevoegdheden, maar ze verkregen daardoor wel een bijna vorstelijke macht.

 

Op het eind van de zeventiende eeuw kreeg stadhouder Willem III steeds meer grip op de stadsbesturen en dus ook op de Staten van Holland. Na zijn kinderloze overlijden in 1702 namen de regenten de macht weer terug, maar die verloren zij in 1747 weer. De twee Oranjestadhouders die hierna kwamen, hadden een vrijwel koninklijke macht. Hoewel ze officieel slechts dienaar waren van de Staten (van Holland), bepaalde ze zelf wie daar lid van konden worden. Terwijl de koningen van Engeland werden tegengewerkt door een parlement, konden de Oranjestadhouders doen wat ze wilden. Tenzij de bevolking in opstand kwam, en dat ging op het eind van de achttiende eeuw gebeuren.

 

In 1747 onder druk van buitenlandse dreiging weer opnieuw stadhouder benoemd in Holland. Willem IV. Deze stadhouder had binnenlands een sterkere positie dan zijn voorgangers. Hij was de eerste Oranje die stadhouder in alle gewesten was. Voor hem hadden de noordelijke gewesten namelijk een andere stadhouder gehad. In 1747 was er maar één stadhouder. Daarnaast kreeg Willem IV meer bevoegdheden dan zijn voorgangers. Hoewel hij in naam nog steeds dienaar van de Staten van Holland (en de andere gewesten) was, ging zijn positie in de praktijk nog meer lijken op die van een koning. Dat kwam niet door één enkel besluit. Er was een lappendeken aan bevoegdheden en die verschilden per gewest, per regio of per stad.

Patriotten en Fransen

De nieuwe stadhouder Willem IV had meer bevoegdheden dan zijn voorgander Willem III en daardoor had hij ongekend grote macht in ons land. Hij en zijn opvolger werkten nauw samen met een kleine groep regenten die de macht niet wilden kwijtraken. Er kwam steeds meer kritiek op de regenten die het land bestuurden. Die verdeelden onder elkaar goed betaalde overheidsbanen en dat wekte wrevel op bij burgers die buiten het bestuur werden gehouden. Het verdelen van lucratieve overheidsbaantjes ging onder Willem IV gewoon door. Hij was zelfs het middelpunt van deze handel in functies. Burgers die hiertegen protesteerden noemden zich 'patriotten'. Zij wilden invloed op de regering, maar kregen die niet. Onder Willems zoon en opvolger Willem V brak een kleine opstand uit. Hij werd verjaagd, maar zijn schoonvader (de koning van Pruisen) stuurde troepen, die Willem V weer in het zadel hielpen.

 

Het verzet tegen vorsten was een Europese trend. In Frankrijk werd koning Lodewijk XVI afgezet tijdens de Franse Revolutie. Een paar jaar na deze omwenteling had de nieuwe Franse regering tijd om de revolutie over Europa te verspreiden. Een Franse inval dreigde al enige tijd, maar begin 1795 viel een Frans leger ons land binnen. De regering werd afgezet en Willem V en zijn gezin vluchtte naar Engeland.

Verantwoording

Deze pagina wordt nog afgemaakt.

Literatuur

• -.

Noten