Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDeze pagina geeft informatie over de aanleiding van het bombardement op het Bezuidenhout van 3 maart 1945.

kopfoto

Bombardement op het Bezuidenhout

Deel 2: de V2's en de Britse tegenmaatregelen (tot 3 maart)

Duitsland in het defensief

Het doel van het bombardement van 3 maart 1945 was de uitschakeling van Duitse V2-raketten, die in afwachting van hun lancering in het Haagse Bos lagen. De Duitsers waren in september 1944 begonnen deze nieuwe raketten af te schieten. De raketten die vanuit Den Haag werden gelanceerd waren vooral gericht op Londen. Het was een soort wanhoopsactie die in militair opzicht niet veel zin had, maar die in Engeland wel veel schade veroorzaakte en veel doden kostte.

 

Aanvankelijk verliep de oorlog voor de Duitsers voorspoedig en de Duitse opmars werd pas in 1942 definitief tot staan gebracht. In de herfst en winter van 1942 drongen de geallieerden de Duitsers op verschillende fronten terug en in juni 1944 landden Britse en Amerikaanse legers op het vasteland van Europa. In de zomer van 1944 rukten deze legers zo snel door Frankrijk op dat iedereen een spoedig einde van de oorlog verwachtte. De Duitsers waren in het defensief en de Duitse leiders konden alleen maar hopen op wonderwapens. Duitse geleerden waren al langere tijd bezig met de ontwikkeling van raketten en zij lagen hiermee voor op de geallieerden. De eerste typen raket die zij konden gebruiken waren de V1 en de V2 (waarvan de V1 eigenlijk geen raket was). Deze wapens waren in het diepste geheim ontworpen en getest op Peenemünde, een eilandje aan de kust van Noord-Oost Duitsland.

V1 en V2

De V1 was de eenvoudigste van deze twee wapens. Het apparaat werd op een wagen geplaatst die met hoge snelheid over rails werd gelanceerd in de richting van zijn doel. De V1 was dus een soort vliegende bom. De V2 was veel geavanceerder. Deze raket ging op eigen kracht de lucht in en vloog sneller dan het geluid. De voornaamste doelwitten van deze raketten waren de steden Antwerpen en Londen. Antwerpen was een grote havenstad die de geallieerden gebruikten om hun legers te bevoorraden. Maar de precisie van de raketten was niet erg groot en veel raketten kwamen niet in het havengebied, maar in de woonwijken van Antwerpen terecht. De beide wapens hadden een beperkte reikwijdte. De V1 kon als hij vanaf de Franse kust werd gelanceerd Zuidoost-Engeland en Londen bereiken. Dat ging niet meer toen de Duitsers uit Noord-Frankrijk waren verdreven. Ze konden de V1 daarna niet meer gebruiken. De V2 had een langer bereik. Daarmee konden ze Londen bereiken vanaf het Nederlandse kustgebied. Toen de V2-inslagen begonnen bleek dat de V2 nog veel gevaarlijker was dan de V1. De V2 veroorzaakte veel meer schade en vloog zo snel dat hij tijdens de vlucht niet meer kon worden neergeschoten.

V2-raket op een Meilerwagen.

V2-raket op een zgn. Meilerwagen (foto van Wikipedia, afkomstig van het Imperial War Museum)

Luchtfoto's

De Britten wisten dat de Duitsers bezig waren met de ontwikkeling van dit soort wapens, maar ze wisten niet wanneer die in gebruik zouden komen. Britse verkenningsvliegtuigen maakten vanaf het begin van de oorlog luchtfoto’s van geheel Duitsland en van door Duitsland bezette landen. Analisten bekeken de foto’s op de basis 'RAF Medmenham'. Zij keken of ze op de foto’s bekende gevaarlijke objecten zagen, of nieuwe, nog onbekende objecten. Op de foto’s van Peenemünde zag men vreemde objecten, waarvan analisten niet konden bedenken waar ze voor dienden. Pas toen twee afgeluisterde Duitse generaals in een Britse gevangenis hun mond voorbij spraken, bekeek men alle luchtfoto’s nog eens gericht naar sporen van raketten. De analisten bekeken de foto’s stereoscopisch waarmee ook de hoogte van objecten kon worden berekend. De daarvoor gebruikte apparatuur kwam uit Zwitserland en werd via Duitsland en Zweden naar Engeland vervoerd. Bij de nieuwe zoekactie ontdekte men op Peenemünde een slank object van 14 meter hoogte, dat een raket moest zijn. De Britten hadden de V2 ontdekt, maar het lukte ze daarna niet de ontwikkeling en productie te vertragen. De Duitsers verplaatsten deze namelijk na het eerste Britse luchtbombardement naar ondergrondse fabrieken. Die lagen te diep onder de grond om vanuit de lucht te kunnen worden beschadigd1.

Het V1-offensief

Het eerste wonderwapen dat in gebruik kwam was de V1. Ook van de V1 wisten de Britten niet hoe dit wapen functioneerde. Pas toen men in de kustzone van Noord-Frankrijk tientallen stenen viaducten ontdekte, die schuin omhoog liepen in de richting van Londen, begreep men dat dit lanceerinstallaties van een nieuw wapen moesten zijn. Op luchtfoto’s ontdekte men zo’n honderd lanceerinstallaties. De geallieerde luchtmacht probeerde deze zoveel mogelijk te verwoesten met bombarderen, maar het lukte de Duitsers vanaf juni 1944 toch grote aantallen V1-raketten af te schieten. Deze maakten in Londen grote aantallen slachtoffers2.

 

Na de geallieerde invasie in Normandië begon de opmars van het geallieerde leger op het vasteland van Europa. Noord-Frankrijk bleef niet lang in Duitse handen en eind augustus waren vrijwel alle V1-lanceerinstallaties in handen van de geallieerden. Het aantal V1-inslagen in Londen nam af en op 7 september verklaarde de Britse minister van Binnenlandse Zaken dat de ‘Battle of Britain’ (de luchtslag om Groot-Brittannië) vrijwel voorbij was. Hij sprak te vroeg, want de volgende dag kwam de eerste V2-raket op Londen terecht3.

Voorbereiding van het V2-offensief

De Duitsers hadden het V2-offensief goed voorbereid. Ze hielden het westen van Nederland nog bezet en ze hadden berekend dat ze Londen met de V2 nog net konden bereiken vanaf de kust van Nederland. Langs de kust was Den Haag de beste plaats om de raketten te lanceren. In en om Den Haag lagen veel bossen en parken waar ze de grote raketten konden opslaan buiten het zicht van anderen. Ook zonder bladeren gaven bomen toch enige beschutting tegen verkenningen vanuit de lucht, zeker als je met camouflagenetten werkte. En bossen en parken waren ook minder goed toegankelijk voor mensen die kwamen spioneren. Om deze reden was ook het vestinggebied, de ontruimde wijken langs de kust, een geschikt gebied voor het werken met V2’s. Ook voor vervoer was Den Haag ideaal, want het Haagse station Staatsspoor was het eindpunt van de spoorlijn uit Duitsland. De V2’s werden overigens (gewoonlijk) niet in Den Haag van treinen overgeladen op vrachtwagens, maar op het station van Leiden. Vermoedelijk kozen de Duitsers voor Leiden omdat zij de treinen daar vlak bij het ziekenhuis konden stationeren. De Britse luchtmacht durfde treinen die zo dicht bij een ziekenhuis stonden niet te beschieten of te bombarderen. Op het station werd de V2 overgeladen op een vrachtauto, die het gevaarte naar een tijdelijke opslaglocatie reed. Gezien de lengte kon men de V2’s waarschijnlijk alleen liggend in een bos of park verbergen of in een heel groot gebouw. De V2’s bleven niet lang in opslag, want de raket had door de gevoelige apparatuur een korte levensduur. De raket werd daarom binnen enkele dagen, vlak voor de lancering gemonteerd. Dan reed een afvuureenheid met hun wagens en de mobiele lanceerinstallatie naar de uitgekozen lanceerlocatie, waar ook de raket naar toe werd gereden. Voor de lancering was niet heel veel ruimte nodig. Een harde ondergrond was voldoende of een open ruimte die met beton kon worden verhard. Er lagen veel mogelijke lanceerlocaties in en rond Den Haag.

V2 wordt in startpositie geplaatst.

Een V2 wordt vanaf een Meilerwagen omhoog gebracht op een ijzeren richttafel (Haags Gemeentearchief, foto nr. 1.53288, ca. 1944, fotograaf onbekend)

V2 vanuit Wassenaar

Nadat alles organisatorisch was voorbereid, arriveerde op 7 september de eerste Duitse V2-eenheid in Wassenaar. Wassenaar was waarschijnlijk uitgekozen omdat het vanwege de vele bossen en parken voldeed aan de eisen. De eenheid was een batterij van bataljon 485. Als lanceerlocatie had men een verharde straat in een niet druk bevolkte villawijk gekozen. De bewoners van villa’s aan de Koekoekslaan, Lijsterlaan en van nabij gelegen landhuizen aan de Konijnenlaan moesten vertrekken en de ramen en deuren van hun huizen op een kier laten staan. Op 8 september arriveerden de raketten met het overige materieel op vrachtauto’s. Om 18.36 uur werd de rust van Wassenaar verstoord: er klonken volgens getuigen “zware dreunen als felle onweerslagen en daar tussendoor een geluid als snel mitrailleurvuur”. Omwonenden zagen twee “monsterachtige sigaren” brandend boven de bomen opstijgen en met razende snelheid richting zee verdwijnen (op de kaart nr. 1).

 

Vijf minuten na de lancering sloeg de eerste raket in op Londen (18.41). De tweede raket kwam vlak bij Londen neer in een bos bij Epping. Binnen een uur na de lancering had de lanceerploeg alles ingepakt en waren de twintig Duitse soldaten met hun materieel vertrokken. Het enige dat herinnerde aan de lancering was een brandplek van meer dan zeven meter diameter en brandschade aan bomen.

 

Het Nederlandse verzet gaf de informatie die zij over de lancering kon verzamelen door aan de inlichtingendienst in Engeland. De volgende dag, 9 september, vielen Britse jachtvliegtuigen de lanceerlocaties al aan. Men wist blijkbaar niet dat de Duitsers mobiele lanceerinstallaties gebruikten, die na de lancering zo snel mogelijk werden opgeruimd. Naast lanceerplaatsen probeerde men bij latere luchtaanvallen ook opslagplaatsen te vernietigen. Nadat eerst de bewoners van een klein gebied waren geëvacueerd, moesten na volgende luchtaanvallen mensen uit het veel grotere gebied tussen de Landscheidingsweg en Kerkdam en Park Marlot hun huis verlaten. Op 10 september arriveerde een tweede batterij van bataljon 485 in Wassenaar. De twee batterijen hadden elk drie 'afvuurtafels' tot hun beschikking en konden dus samen meer V2's afschieten. Op 12 september vuurden ze vijf V2's af vanuit Marlot (op de kaart nr. 2)4.

Lancering van de V2

Over het Haagse deel van de V2-geschiedenis bestaat wel literatuur, maar daarin worden helaas geen bronnen vermeld. Het is dus niet duidelijk waar de informatie vandaan komt5. De auteurs van de geraadpleegde literatuur zijn het erover eens dat de V2's per trein naar station Leiden werden gebracht. De treinen reden via Utrecht en Den Haag of via Amsterdam en Haarlem. Ze reden 's nachts omdat het treinvervoer overdag gevaarlijk was. Treinen waren een gemakkelijk doelwit van geallieerde jachtvliegtuigen. Om luchtaanvallen tegen te gaan, stelden de Duitsers hun treinen vlakbij het ziekenhuis van Leiden op. Ook andere V2-locaties lagen zoveel mogelijk dicht bij een burgerdoel in de hoop dat Britse piloten dit niet durfden aan te vallen. Vanaf het station van Leiden brachten vrachtauto's de V2's naar een tijdelijke opslagplaats in of bij Den Haag. Volgens Boer gebruikten de Duitsers de eerste weken daarvoor oude munitiebunkers op landgoed Raaphorst (op kaart nr. 3). Later gebruikten de Duitsers ook andere opslagplaatsen, veelal in de open lucht.

 

 

De lanceringen vanuit Wassenaar werden na 17 september tijdelijk gestaakt. Die dag waren Britse luchtlandingstroepen bij Arnhem geland. De Duitsers waren bang dat hun troepen in West-Nederland ingesloten raakten en zij trokken hun kostbare V2-troepen terug naar veiliger gebied. Vanuit het oosten en noorden van Nederland konden de V2 's Londen niet meer bereiken, maar nog wel het gebied rond Norwich. Pas toen de Duitsers in oktober bij Arnhem stand hielden, stuurden ze hun V2-eenheden weer terug naar Den Haag6.

Nieuwe V2-aanvallen vanuit omgeving Den Haag

 

Op 20 of 21 oktober arriveerde batterij 444 (van bataljon 485) in Den Haag, vanuit Friesland. Deze eenheid lanceerde haar V2's afwisselend vanuit Wassenaar of vanuit het Rijswijkse Bos (op kaart nr. 8). Batterie 444 had vijf 'afvuurtafels' en kon dus meerdere V2's per dag afschieten.

 

Naast Wassenaar, Rijswijk en Zuidwest Den Haag gebruikten de Duitsers ook de wijken langs de kust. Die waren immers verlaten door de (meeste) bewoners toen de Duitsers hier hun kustvesting gingen aanleggen. In het vestinggebied hoefden de Duitsers minder bang te zijn voor spionage, want gewone burgers mochten hier niet komen. De V2's en het V2-materiaal konden hier per trein komen over de toenmalige spoorlijn naar Scheveningen. De V2's werden uitgeladen bij de Harstenhoekweg (op de kaart nr. 9) om daarna ergens in Scheveningen te worden opgeslagen. Volgens onderzoeker Duncan zat het hoofdkwartier van de V2-troepen in het Van Stolkpark. De Britten dachten dat het Promenade Hotel (op de kaart nr. 10) een opslagplaats was. In het vestinggebied bevonden zich veel verschillende lanceerlocaties, onder andere vlakbij het Gemeentemuseum (11).

 

In Wassenaar was landgoed Raaphorst het doelwit van Britse luchtaanvallen, omdat hier vaak V2's opgeslagen zouden zijn. Ook de omgeving van renbaan Duindigt (op de kaart nr. 12) en het Haagse Bos (nr. 13) waren om die reden vaak doelwit van Britse jachtvliegtuigen7.

kaart met V2-locaties

Kaart met V2-locaties. 1. eerste V2-lanceringen vanuit Wassenaar, 2. V2-lanceringen vanuit Marlot, 3. V2-opslagplaatsen op landgoed Raaphorst, 4. Station Staatsspoor, 5. Ockenburg, 6. Bloemendaal, 7. Madestein, 8. Rijswijkse Bos, 9. Station Scheveningen bij Harstenhoekweg, 10. Promenade Hotel, 11. Gemeentemuseum, 12. Renbaan Duindigt, 13. Haagse Bos. (originele kaart: National Archives London)

V2-schade in Londen

Hoewel er ook veel V2's terecht kwamen in Antwerpen, hadden de meeste Haagse V2's Londen als doel. De inwoners van Londen hadden al geleden onder de Duitse luchtbombardementen van 1940 en onder de V1-aanvallen in 1944. Net toen deze in september 1944 ophielden en de Duitsers op de grond bijna verslagen leken, begonnen de V2-aanvallen. De V2 bleek een nog veel groter gevaar dan de V1 en joeg meer angst aan. Hij vloog sneller dan het geluid zodat je hem niet hoorde aankomen. Zijn voorganger, de V1, hoorde je aankomen zodat je nog kon proberen een schuilplaats te zoeken. Een V2 hoorde je pas als hij in sloeg. Verder veroorzaakte de V2 een enorme schade. Bij de inslag op een Woolworth-warenhuis op 25 november 1944 vielen 168 doden. Londenaren voelden zich alleen veilig in diepe schuilkelders en in de diepst gelegen metrostations. De Britse regering schreef de eerste ontploffingen toe aan lekkages van gasleidingen, maar uiteindelijk moest men toegeven dat de zware ontploffingen veroorzaakt werden door een nieuw Duits wapen, de V2.

 

De V2's maakte veel slachtoffers. Naar schatting verloren 2.754 Engelsen het leven en er raakten 6.523 gewond. De meeste slachtoffers vielen in Londen. In september sloegen daar 36 V2's in en in oktober waren dat er 95. In november vielen er 154 doden en in december 134. In 1945 waren er al meer dan tweehonderd inslagen per maand. In januari, februari en maart 1945 waren dat respectievelijk 222, 229 en 226. De Britse luchtmacht deed al veel tegen de V2, maar naarmate er meer inslagen waren, werd de druk op de regering om meer te doen groter8.

Schade door V2 in Londen.

Schade in Londen door een V2 in maart 1945. Een man bekijkt een onderdeel van de V2 (Imperial War Museum).

Verkenning en spionage

De Britse legerleiding wist al langer dat de Duitsers in begin september V2-raketten zouden gaan gebruiken. Men wist te weinig over de raket om tegenmaatregelen te nemen. De radarstations die de lanceerlocaties van V1's konden opsporen waren (nog) op Frankrijk gericht. Toen de V2's vanuit Nederland bleken te komen, konden de Britten die dus niet gebruiken om te zien vanaf waar ze waren afgeschoten.

 

De Britten lieten daarom vliegtuigen boven de Noordzee vliegen om het radioverkeer van de V2-eenheden af te luisteren. Ook stuurden ze jachtvliegtuigen naar de kust van Nederland om uit te kijken naar lanceringen. Als een piloot een V2 zag opstijgen kon hij in de buurt kijken of hij nog Duitse eenheden of materieel zag en die eventueel meteen aanvallen.

 

Volgens Simpson kregen de Britten veel belangrijke informatie over de V2 van het Nederlandse verzet. Het verzet speelde zelfs een belangrijke rol bij de bestrijding van de V2. De bekendste verzetsman die informatie over de V2 verzamelde was de Delftse hoogleraar Johannes Uytenbogaart. In zijn huis in Wassenaar zou hij van brokstukken van voortijdig ontplofte V2's een min of meer complete V2 hebben nagebouwd. Hij verdiepte zich in de ontwikkeling van raketten en begreep waar de verzamelde onderdelen voor dienden. Wat hij op deze manier over de V2 ontdekte stuurde hij naar Engeland. Daar kregen ze nog informatie van het Nederlandse verzet die onmisbaar was, want vanuit de lucht zag je niet alles van wat er op de grond in Nederland gebeurde. Maar spioneren was levensgevaarlijk en zeker twaalf mensen van Uytenbogaart's verzetsgroep vonden de dood. Een van de slachtoffers was de bekende Haagse radiopionier Hanso Idzerda. Hij werd doodgeschoten toen hij zocht naar resten van een neergestorte V29.

 

Door het bekijken van radarbeelden, door verkenningsvluchten, door informatie van het verzet en door meldingen van piloten kregen de Britten langzamerhand een beeld van hoe de V2-organisatie werkte. Ze wisten op een gegeven moment op welke locaties de V2's werden gelanceerd, hoe de V2's naar de lanceerlocatie werden gebracht, wat de tijdelijke opslagplaatsen waren en waar de Duitse V2-troepen verbleven. Maar het duurde maanden voordat deze informatie was verzameld en men doelen had geïdentificeerd om vanuit de lucht aan te vallen. Pas later ontdekte men dat de waarde van die informatie betrekkelijk was omdat de Duitsers steeds rouleerden tussen locaties om de kans op schade door luchtaanvallen te verminderen.

Gelanceerde V2.

Het onregelmatige spoor van een V2 (Imperial War Museum).

Britse tegenmaatregelen

De Britten konden niet veel doen tegen de V2. De fabrieken waar de V2’s werden gemaakt lagen zo diep onder de grond dat bombarderen geen effect had. De V1 kon na de lancering nog worden neergeschoten, maar de V2 vloog veel te snel voor de luchtafweer van toen. De Britten konden de aanvallen alleen tegengaan door het transport naar Nederland te verstoren en door de lanceerplaatsen en opslagplaatsen vanuit de lucht aan te vallen. Ook hoopte men dat luchtpatrouilles boven Den Haag de Duitsers zouden afschrikken. Maar ’s avonds en ’s nachts waren de Britse jachtvliegtuigen weer weg en konden de V2’s ongestoord worden gelanceerd. Het bestrijden van de V2 werd een taak van de Britse luchtmacht, maar het was nog niet duidelijk hoe dat effectief kon gebeuren.

Britse luchtmacht

Het luchtruim van Groot-Brittannië werd beschermd door 'Fighter Command'. Dit luchtmachtonderdeel stond onder leiding van Air Marshall (luchtmaarschalk) Roderic Hill. Deze officier kreeg de opdracht de V2's te bestrijden10.

 

Naast Fighter Command waren nog twee luchtmachtonderdelen betrokken bij aanvallen tegen V2-doelen. Dit waren 'Bomber Command' en de 'Second Tactical Airforce' (Tweede Tactische Luchtmacht). Bomber Command had als hoofdtaak het bombarderen van doelen in Duitsland, zoals fabrieken die oorlogsmateriaal fabriceerden. Dat gebeurde met grote viermotorige bommenwerpers die hun bommen van grote hoogte lieten vallen. Deze aanvallen gebeurden meestal 's nachts zodat de langzame vliegtuigen minder kwetsbaar waren voor het Duitse luchtdoelgeschut. De Second Tactical Airforce vloog met iets kleinere bommenwerpers die aanvallen uitvoerden op doelen dicht bij het front of op andere doelen waarbij iets meer precisie was verreist. Als het Duitse leger versterkingen aanvoerde over een brug, dan moesten deze tweemotorige bommenwerpers die brug vernietigen. Fighter Command mocht voor de strijd tegen de V2's hulp vragen aan deze twee luchtmachtonderdelen, maar in de praktijk kwam van die hulp weinig terecht. Bomber Command en de Second Tactical Airforce hadden hun de handen al vol aan hun eigen taak. Het vernietigen van oorlogsfabrieken in Duitsland en het aanvallen van het Duitse leger bij het front had voor hen een hogere prioriteit dan het bestrijden van de V2. De bestrijding van de V2 kwam dus vooral neer op Fighter Command. Dit luchtmachtonderdeel vloog in 1944 nog steeds met het befaamde Spitfire-jachtvliegtuig dat in zomer 1940 bekend werd uit de luchtslag om Engeland. De 'commands' (zoals Fighter Command) waren verdeeld in 'groups' en die bestonden weer uit 'wings'. Wings bestonden uit een aantal 'squadrons' (eskaders) van gewoonlijk twaalf vliegtuigen.

Problemen bij luchtaanvallen

De bestrijding van de V2 vanuit de lucht was niet eenvoudig. Gebouwen, opslagplaatsen en lanceerlocaties waren geheim, ze waren gecamoufleerd, goed verstopt en ze bevonden zich nogal eens dicht bij Nederlandse woonhuizen.

 

De Britse luchtmacht probeerde in de eerste plaats het transport van V2's te stoppen. Britse vliegtuigen vielen al eerder spoorlijnen en spoorbruggen aan, en daar kwamen nu treinen met V2's bij. Maar de treinen reden vaak 's nachts en de spoorlijnen werden meestal snel gerepareerd. Bovendien parkeerden de Duitsers de treinen overdag bij voorkeur in de buurt van woonhuizen of bijvoorbeeld het ziekenhuis van Leiden.

 

Een ander doelwit van Britse vliegtuigen waren de opslagplaatsen en montagehallen van de V2's. De raketten lagen opgeslagen in parken en bossen, verscholen onder de bladeren van de bomen of onder camouflagenetten. Vanuit de lucht waren de raketten moeilijk te vinden. De Britten kregen de belangrijkste informatie over de locatie van V2's vermoedelijk van het Nederlandse verzet. Toen de bomen in de winter hun bladeren verloren waren de raketten makkelijker op te sporen. Tegen die tijd hadden de Britten de V2-organisatie beter in kaart gebracht en konden Britse vliegtuigen gebouwen en andere doelen aanvallen die met de V2-aanvallen te maken hadden. Een van die gebouwen was de WSM-remise in Loosduinen. Men dacht dat daar brandstof werd gefabriceerd, iets wat nu wordt betwijfeld11.

 

Niet alle V2-doelen waren gemakkelijk aan te vallen. Het westen van ons land was dicht bevolkt en de Britten wilden Nederlandse burgerslachtoffers voorkomen. Bill Simpson beschrijft in zijn boek 'Spitfire Dive-Bombers' hoe moeilijk dit was. De geallieerden zetten in het westen van ons land geen zware bommenwerpers in, want die vlogen zo hoog dat hun bommen over een groter gebied verspreid zouden neerkomen. Voor aanvallen met meer precisie waren kleinere jachtvliegtuigen geschikter. Deze vliegtuigen konden hun doel in een duikvlucht nauwkeuriger raken, met minder kans op schade aan de omgeving. Men sprak af dat V2-doelen ten westen van Amersfoort alleen door jachtvliegtuigen van Fighter Command zouden worden aangevallen.

 

Voor de aanvallen op V2-doelen zette Fighter Command vliegtuigen in van het type Spitfire. Volgens Simpson was dit vliegtuig uitermate geschikt voor precisieaanvallen vanuit duikvlucht. De piloten doken van grote hoogte (9.000 voet= 2743 meter) op het doel, lieten de bommen vallen en trokken op het laatste moment weer op. Maar tot in november vlogen de betrokken squadrons met een type Spitfire dat over zo'n grote afstand geen bommen kon vervoeren. De interne brandstoftank van het vliegtuig was te klein om heen en weer naar Den Haag te vliegen. Voor de lange vlucht naar Nederland en terug moest het vliegtuig een externe brandstoftank meenemen, maar naast die tank was er geen ruimte voor bommen. De Spitfires van het oude type konden V2-doelen alleen aanvallen met het boordgeschut. Als het nodig was om een doel met bommen aan te vallen, dan vlogen de piloten zonder extra brandstoftank naar een geallieerd vliegveld in België. Daar tankten ze dan bij.. Maar deze vliegvelden lagen dicht bij het front en werden intensief gebruikt door de squadrons die het grondleger moesten helpen. Ze waren overvol en er was weinig gelegenheid om extra Spitfires te ontvangen. In november gingen de meeste squadrons vliegen met Spitfires van een nieuwer type (type XVI). Dit vliegtuig kon zonder externe brandstoftank heen en weer vliegen naar Den Haag en het had dus wel plaats voor bommen.

Slecht weer

Een laatste hinderpaal bij de luchtaanvallen was het weer. De Duitsers begonnen hun V2-offensief in de herfst en zij gingen daarmee door in de winter. Dit waren de seizoenen met slecht weer. De Engelse squadrons vlogen vanaf hulpvliegvelden die niet veel regen aankonden en in de herst en winter stonden de startbanen vaak blank. En als de vliegtuigen wel konden opstijgen ontdekten de piloten vaak dat hun doel in Den Haag geheel of gedeeltelijk onder de wolken verborgen lag. Er werden veel aanvallen gepland, maar een groot deel werd door de weersomstandigheden geannuleerd of afgebroken.

 

Bij goed vliegweer vlogen twee vliegtuigen vooruit om het doel te verkennen. Als er geen zware bewolking was, gaven ze dat per radio door. De vliegtuigen op de basis werden dan bewapend en stegen op. Als de vliegtuigen (van het nieuwere type) bommen mee namen, werd bij onbewolkt weer één zware bom (van 500 pound = 226 kilo) geladen. Bij matige bewolking werden er twee lichte bommen (van 250 pound = 113 kilo) geladen plus een extra brandstoftank. De vliegtuigen hadden dan extra brandstof om boven Den Haag te cirkelen in afwachting van een gat in de bewolking.

 

Voor vertrek kregen de piloten informatie over het doel. Elk doel had een identificatienummer dat de juiste ligging aangaf op een kaart. De piloten bekeken luchtfoto's en stratenkaarten en ze kregen een overlevingspakket met onder andere Nederlands geld. Onderweg konden de piloten niet met elkaar praten. Hun radio had vier kanalen en daarmee hadden ze contact met de thuisbasis in Engeland, met een vliegveld in (bevrijd) België en met de commandant van de vliegtuigen. Het vierde kanaal was voor noodoproepen13.

Luchtfoto Oosterbeek

class="bijschrifttekst">Luchtfoto gemaakt door een verkenningsvliegtuig van de 106de Group van de gebouwen van de filmstudios bij Oosterbeek na een aanval door Spitfires (Imperial War Museum).

De luchtaanvallen: september

De Britse luchtaanvallen kwamen pas geleidelijk op gang, vermoedelijk omdat er in het begin nog niet veel V2's op Londen vielen. Bovendien waren er andere prioriteiten en in het begin waren nog niet alle V2-doelen bekend. Na de Britse luchtlandingen bij Arnhem hielden de V2-aanvallen tijdelijk op en was er helemaal geen urgentie bij het aanvallen van V2-doelen. De Duitsers trokken hun V2-troepen toen tijdelijk terug uit de Randstad. Ze bleven V2's afschieten, maar vanaf de nieuwe locatie konden ze Londen niet bereiken en ze richtten zich op andere doelen in Engeland.

 

De Britse luchtmacht kwam overigens wel meteen in actie na de eerste V2-lanceringen. De eerste V2-doelen waren snel gelocaliseerd, waarschijnlijk vooral door hulp van het Nederlandse verzet. Op 13, 14 en 17 september vielen Britse bommenwerpers de landgoederen Raaphorst en Eikenhorst (14) in Wassenaar aan. Op 15, 16 en 19 september vlogen jachtvliegtuigen V2-patrouilles in de buurt van Den Haag. Op 23 september vielen jachtbommenwerpers een 'race-circuit' aan (waarschijnlijk Duindigt) en op 25 september was het doel een voorraaddepot bij Den Haag.

 

Het eerste squadron dat werd ingezet bij de V2-bestrijding was het 229ste squadron. Drie andere squadrons werden maar tijdelijk ingezet, want die moesten na korte tijd weer luchtsteun gaan leveren aan het grondleger. De drie andere squadrons die hun V2-taak overnamen kwamen ook niet altijd toe aan V2-aanvallen. Ze moesten vaak ander werk doen, zoals het escorteren van bommenwerpers.

 

Deze drie squadrons (nrs. 303, 354 en 602) werden eind september gestationeerd aan de oostkust van Engeland in Norfolk. Van deze squadrons was alleen het 602de squadron Brits. De bemanning van het 303de squadron bestond uit Polen en dat van het 453ste squadron uit Australiërs. Een squadron kon op volle sterkte twaalf vliegtuigen inzetten. De aanvallen tegen V2-doelen bij Den Haag werden meestal uitgevoerd in groepen van vier vliegtuigen. De drie squadrons kregen in februari versterking van het 451ste (Australische) squadron en het Engelse 124ste squadron.

 

Ook op de grond in Den Haag merkte men in september weinig van acties tegen de V2. Twee keer kwam er een brandstoftank op de grond terecht en drie maal sloegen ergens mitrailleurkogels in. Hierbij raakten twee mensen gewond.

 

De in de paragrafen hieronder vermelde gegevens geven maar een globaal beeld van de Britse luchtaanvallen voorafgaand aan het bombardement van 3 maart. De verschillende bronnen geven niet altijd dezelfde informatie. Dat komt mogelijk omdat vliegtuigen niet altijd Den Haag als primair doel hadden. Piloten vielen vaak meerdere verschillende doelen aan en die hadden niet allemaal direct iets met de V2-aanvallen te maken14.

Spitfires van het 603de squadron

Spitfires van het 603de squadron worden geladen met bommen voor een aanval op een V2-doel in de buurt van Den Haag (Imperial War Museum).

Luchtaanvallen in oktober

Ook in oktober registreerde de Haagse Luchtbeschermingsdienst niet veel Britse luchtaanvallen. De vier squadrons van Fighter Command vlogen toen vooral patrouilles langs de Nederlandse kust. De piloten moesten uitkijken naar V2's. Als ze een raket zagen opstijgen, moesten ze de lanceerplaats proberen te lokaliseren. Veel V2's zagen de piloten niet, want de Duitsers vuurden ze vooral af als er geen Britse vliegtuigen in de buurt waren. Op 3 oktober zagen piloten van het 303de squadron hoe een V2 omhoog kwam vanaf de zuidwestkant van Den Haag. Deze patrouilles hadden weinig succes en werden eind oktober beëindigd15.

 

Vanaf 15 oktober kwam de verantwoordelijkheid voor de bestrijding van de V2 volledig bij Fighter Command te liggen. Dit was volgens Simpson een verbetering, want Fighter Command voerde meteen een betere tactiek in. Piloten moesten een 'gewapende verkenning' ('armed recce') uitvoeren. Dat hield in dat ze een doel moesten aanvallen ook als ze geen Duitse troepen of V2's konden zien. Als het doel door bewolking niet te vinden was, mochten ze een ander (voorgeschreven) V2-doel aanvallen. Zoals gezegd werden de doelen in de begintijd meestal beschoten met de boordmitrailleurs.

 

Op 22 oktober werden de eerste 'armed recces' op V2-doelen gevlogen door squadrons 303 en 453. De jachtvliegtuigen vielen vaak buiten Den Haag doelen aan als treinen, binnenschepen en autoverkeer. Maar nog steeds waren er weinig aanvallen op Den Haag en ook weinig slachtoffers. Op 18 oktober viel er op het Petuniaplein een dode bij een aanval op Ockenburg en op Stichting Bloemendaal16.

Luchtaanvallen in november

In november kwamen de luchtacties meer op gang, vermoedelijk omdat Fighter Command de belangrijkste V2-locaties nu kende: station Leiden, de landgoederen Bloemendaal en Ockenburg in Loosduinen, het Promenade Hotel in het vestinggebied, het Haagse Bos, Duindigt en enkele landgoederen in Wassenaar. Er waren veel meer locaties, want de Duitsers verplaatsten zich steeds om luchtaanvallen voor te zijn. Volgens Simpson wemelde het in en rond Den Haag van V2-doelen17.

 

Doordat er in Londen dagelijks steeds meer doden vielen, kwam er steeds meer druk op Fighter Command om iets tegen de V2-aanvallen te doen. Luchtmaarschalk Hill vroeg toestemming om ook doelen aan te vallen die meer risico's opleverden voor Nederlandse burgers. Hij kreeg die toestemming, maar Fighter Command ging nog steeds voorzichtig te werk. Men stelde een lijst op van doelen die minstens 250 yard (228 meter) van burgergebouwen verwijderd lagen. Deze lijst werd elke week aangepast met nieuwe informatie over V2-locaties18.

 

In de loop van november gingen enkele squadrons vliegen met het nieuwere type Spitfire, model XVI. Dit type jachtvliegtuig kon verder vliegen met de interne brandstoftank, zodat de piloten zonder tussenlanding heen en weer konden vliegen naar Den Haag en tegelijk bommen meenemen waarmee ze V2-doelen zwaarder konden beschadigen. De Britse regering had op 10 november voor het eerst toegegeven dat Londen werd aangevallen met V2-raketten. Om paniek te voorkomen had men de ontploffingen eerst toegeschreven aan lekken in gasleidingen. Maar toen dat er teveel werden moest men wel toegeven dat de ontploffingen werden veroorzaakt door een nieuw Duits wapen. Men moest nu ook laten zien dat de luchtmacht wat deed tegen de V2.

 

In november voerden Britse jachtvliegtuigen meer aanvallen uit, maar niet zoveel als de bedoeling was. Regelmatig maakten wind, regen of sneeuw het opstijgen onmogelijk, of het vliegen moeilijk. Ook boven Den Haag kon zware bewolking hangen, waardoor men het doel niet kon zien. Veel aanvallen werden op het laatste moment geannuleerd. Op 2, 5, 7 en 8 november werden V2-doelen aangevallen, maar de dagen daarna weer niet. Pas op 21 november was het weer goed genoeg en konden de piloten de hele dag aanvallen uitvoeren. Ook op 26 en 30 november werden aanvallen uitgevoerd. De Haagse Luchtbeschermingsdienst registreerde in deze maand al meer schade door Britse luchtacties. Op 2 november raakten op verschillende plaatsen mensen gewond door granaatscherven, mitrailleurkogels en door een voortijdig ontplofte V2 (bij Marlot). Op 7 november werd iemand op straat dodelijk getroffen door een bomscherf. De meeste doden in deze periode vielen overigens door vlak na de lancering ontplofte V2's. In november vloog de Britse luchtmacht (vanaf 21 november geteld) 111 missies boven West-Nederland (en mogelijk boven Den Haag)19.

Slecht weer in december

Terwijl de V2-lanceringen in december onverminderd doorgingen, werden de vliegtuigen van de Britse luchtmacht sterk gehinderd door het slechte weer. De jachtvliegtuigen konden alleen op 4, 18, 24, 28 en 31 december massaal in actie komen. Ook op enkele andere dagen waren aanvallen mogelijk, maar dan op een veel kleinere schaal. Op andere dagen in december was het onmogelijk om V2-doelen in en rond Den Haag aan te vallen. Deze maand vielen de piloten doelen aan in het Haagse Bos, Marlot, het Promenadehotel in Den Haag, de landgoederen Langenhorst (15), Rust en Vreugd (16) in Wassenaar en Overvoorde (17) en Huis te Werve (18) in Rijswijk. Verder vielen ze ook weer het transport aan: treinen, spoorlijnen, schepen en (vracht)auto's.

 

Volgens Simpson hadden de massale luchtaanvallen een positief neveneffect. De massale luchtaanvallen op Duitsers gaven de inwoners van Den Haag hoop. De mensen op de grond leden onder de bezetting, maar als ze al die geallieerde vliegtuigen in de lucht zagen, die de Duitsers zwaar aanvielen, leek de Duitse nederlaang dichterbij. Er vielen bij die aanvallen wel slachtoffers. Op 11 december vielen er bommen op Station Staatsspoor die twee mensen het leven kostten. Op 31 december kwamen zes mensen om het leven door bommen die naast en onder het viaduct over de Leidsestraatweg vielen. Bij bominslagen op de Zwarteweg, bij de Pletterijkade en de Zuidoost Buitensingel (bij 19) verloren dezelfde dag zes mensen het leven en raakten twaalf mensen gewond20.

De luchtaanvallen: januari en februari 1945

In januari kwam de Britse luchtmacht nog vaker in actie, maar ondanks dat vielen er toch meer V2's op Londen. De Duitsers verbeterden hun werkwijze en leken de Britten steeds een stap voor te zijn. In februari vielen jachtvliegtuigen van Fighter Command weer massaler aan dan tevoren. De eerste weken van februari voerde men aanvallen uit op 3, 6, 8, 10 en 14 februari. Op 4 en 9 februari werd een kleiner aantal aanvallen uitgevoerd, maar op de andere dagen werden de aanvallen afgelast vanwege het weer.

 

De Britten hadden al eerder, in het begin van het jaar hun aanvalstactiek gewijzigd. Ze hoopten dat ze de V2-lanceringen beter tegen konden gaan door de fabrieken aan te vallen die de brandstof voor de V2 fabriceerden. De fabricage gebeurde niet ver van de lanceerlocaties, omdat de brandstof snel vervloog. Een van de plaatsen waar volgens Britse inlichtingenofficieren vloeibare zuurstof werd gefabriceerd was de remise van de Westlandse Stoomtram Maatschappij (in Loosduinen, nr. 20). Tegenwoordig betwijfelen sommigen of hier daadwerkelijk brandstof werd geproduceerd, maar bewijs is niet meer te vinden. De Duitsers hielden de locaties natuurlijk geheim en de Britse inlichtingendienst had waarschijnlijk uit luchtfoto's of uit informatie van het verzet de conclusie getrokken dat hier brandstof werd geproduceerd. In deze maanden kreeg de remise de hoogste prioriteit bij de planning van aanvallen. De eerste weken dat de nieuwe tactiek was ingevoerd moesten de aanvallen steeds worden geannuleerd vanwege slecht zicht op de remise. Het probleem bij aanvallen op de remise was dat er vlakbij woonhuizen van Nederlanders lagen. Die wilde men niet raken. Andere doelen in de buurt werden op deze dagen wel aangevallen21.

 

De eerste grote aanval op de WSM-remise was op 3 februari. Die dag vielen grote groepen vliegtuigen zowel 's ochtends als 's middags aan. De piloten raakten hun doel niet, waarschijnlijk omdat ze zoveel moeite deden om de omliggende woonhuizen niet te raken. Ze dachten ook dat ze geen woonhuizen hadden geraakt, maar in werkelijkheid vielen er bommen op enkele woningen. Hierbij vielen zes doden en dertien gewonden. De aanvallen werden op 8, 9 en 14 februari herhaald. Toen vond luchtmaarschalk Hill het genoeg. Hij dacht dat het doel goed genoeg was geraakt. Volgens Simpson was Hill opgelucht dat omliggende woningen niet waren getroffen. De piloten hadden blijkbaar ook niet in de gaten dat woningen rond de remise waren beschadigd, misschien omdat ze zich zo op de remise concentreerden. Er waren bij meerdere aanvallen burgerslachtoffers gevallen. Op 8 februari vielen drie doden en vier gewonden en op 9 februari één dode en elf gewonden. Ook op enkele andere dagen in februari maakten Britse luchtaanvallen slachtoffers (zie de noot)22.

21 februari: zwaardere luchtaanvallen

In februari voerde Fighter Command wederom een nieuwe tactiek in. De massale aanvallen op meerdere doelen brachten het aantal V2-lanceringen niet omlaag. De leiding besloot nu de aanvallen te bundelen en zich te concentreren op de belangrijkste opslaglocatie. Uit luchtfoto's was gebleken dat het Haagse Bos de belangrijkste opslagplaats van V2's was en dit werd het hoofddoel van geconcentreerde aanvallen. De nieuwe tactiek van massale luchtaanvallen op een enkel doel werd voor het eerst uitgevoerd op 21 februari. Op 22, 25, 26, 27, 28 februari werden deze aanvallen op het Haagse Bos herhaald. De aanvallen gingen de hele dag door, want zodra de vliegtuigen in Engeland waren geland, werden ze gereed gemaakt voor een nieuwe tocht naar Den Haag.

 

Als het Haagse Bos door bewolking bedekt was, moesten de piloten een secundair doel aanvallen. Die doelen waren spoorlijnen, spoorkruisingen en wegen in een gebied tot zover als Amersfoort. Ook Duindigt, Rust en Vreugd, Ockenburg en andere V2-doelen golden als secundair doel23.

 

In februari vlogen de vliegtuigen van Fighter Command in totaal 933 missies tegen V2-doelen. Dit was al meer dan het totaal van de maanden daarvoor. Maar ondanks de inzet van zo'n honderd piloten van zes squadrons hadden de aanvallen niet het resultaat dat het aantal V2-inslagen verminderde. In het begin leek de nieuwe tactiek succes te hebben, want op luchtfoto's van 24 februari waren geen raketten meer te zien in het Haagse Bos. De teleurstelling was groot toen de V2-inslagen gewoon doorgingen en de Duitsers het aantal zelfs opvoerden. Op 26 februari vielen er zeventien raketten op Londen. Nog nooit waren in één etmaal zoveel V2's op Londen gevallen. De intensieve aanvallen hadden de Duitsers uit het Haagse Bos verdreven, maar het was blijkbaar makkelijk om naar andere locaties te verhuizen. Op nieuwe luchtfoto's was te zien dat de omgeving van renbaan Duindigt de nieuwe belangrijkste opslaglocatie werd. De renbaan werd het hoofddoel van de volgende week. Het Haagse Bos en Rust en Vreugd bleven de andere belangrijke doelen. In maart zou Fighter Command 1670 missies gaan uitvoeren, maar eind februari zag luchtmaarschalk Hill wel in dat zijn luchtmachtonderdeel niet in staat was de V2-aanvallen te verhinderen. Hij drong daarom aan op het uitvoeren van een luchtaanval met zwaardere bommenwerpers. Die zou moeten worden uitgevoerd door de Second Tactical Airforce24.

Burgerslachtoffers

Hoewel de Britse piloten hun best deden de Nederlandse bevolking op de grond te ontzien, vielen er bij de luchtaanvallen Nederlandse slachtoffers en veroorzaakten de aanvallen materiële schade op de grond. Een vliegtuig verloor soms een benzinetank en soms zwaaide een bom af en kwam terecht op een woonhuis. Ook werden soms mensen op straat geraakt door kogels of bomscherven. Meer luchtaanvallen veroorzaakten meer schade aan doelen, maar ook nevenschade naast de doelen.

Schade aan het Bezuidenhout

Je leest in verhalen van ooggetuigen soms dat het Bezuidenhout in de winter van 1944/45 vrijwel dagelijks last had van luchtaanvallen. Maar de rapporten van de luchtbeschermingsdienst vermelden tot 21 februari slechts zelden een bominslag op het Bezuidenhout. Pas toen Fighter Command in de dagen daarna bijna dagelijks het Haagse Bos aanviel nam het aantal schademeldingen uit het aangrenzende Bezuidenhout sterk toe.

 

Het waren vooral de huizen op de rand van het Haagse Bos die werden getroffen, vooral die op of vlakbij de Bezuidenhoutseweg (20). Eind februari was het daar, zoals iemand vertelde, 'één glasruïne. Er staat geen huis of het is beschadigd'. Mensen waren bang dat hun huis ook getroffen zou worden en veel Bezuidenhouters verlieten 's ochtends hun huis om er pas 's avonds terug te keren. Ook verhuisden veel mensen tijdelijk naar elders. Mensen die door de wijk liepen, bijvoorbeeld op weg naar hun werk, durfden bij mooi (onbewolkt) weer niet door het Bezuidenhout te lopen. Ze maakten liever een omweg. Een bewoner vertelde dat de hele dag het luchtalarm af ging en dan moest je in de kelder wachten tot de vliegtuigen weer weg waren. Af en toe hoorde je in de verte bommen vallen: 'Daar was je bang voor. Er kon een familielid getroffen zijn'25.

 

De inwoners van Den Haag waren ook bang voor de Duitse V2's. Regelmatig ging er iets niet goed bij de lancering en het kon voorkomen dat de V2 niet goed omhoog kwam en vlak na de start terugviel naar de aarde. In Den Haag wist men dat er geen gevaar was zolang je de motor van een V2 bleef horen. Maar als de motor vlak na de lancering haperde, stortte de V2 dichtbij neer. Mensen zagen raketten onbestuurbaar, wild zigzaggend, over de stad scheren. Neerstortende V2's kostten tientallen Hagenaars het leven. De zwaarste inslag vond op 1 januari 1945 plaats in de Indigostraat (21). Daarbij vielen 67 gewonden en 24 doden. De Duitse civiele (niet-militaire) autoriteiten zouden volgens het (illegaal verschijnende) krantje Het Parool tegen de V2-lanceringen bij Den Haag hebben geprotesteerd. Maar de lanceringen gingen gewoon door26.

Zwaarst getroffen wijk

Het Bezuidenhout was al voor het bombardement van 3 maart de zwaarst getroffen wijk van Den Haag. In deze wijk viel ongeveer de helft van het aantal slachtoffers van alle luchtaanvallen, bijna allemaal na 20 februari 194527.

Figher Command op 3 maart 1945

Op 2 maart kreeg het hoofdkwartier van Fighter Command bericht dat de Second Tactical Airforce de volgende dag de zware luchtaanval zou uitvoeren op het Haagse Bos. Dat bericht bereikten de piloten van de eerste golf jachtvliegtuigen pas toen ze al op weg waren naar Den Haag. Boven de Noordzee hoorden de piloten van het 602de squadron dat ze niet het Haagse Bos, maar het Staalduinse Bos (22) moesten aanvallen. Toen zij dit doel om 9.15 uur aanvielen, zagen zij twee groepen middelzware bommenwerpers boven Den Haag.

 

Volgens Simpson zagen de piloten dat de bommenwerpers een fout maakten, maar ze konden de bommenwerpers niet waarschuwen. Hun radio stond afgestemd op (vaste) andere frequenties. Toen piloten van het Poolse 303ste squadron om 9.45 uur het Haagse Bos aanvielen zagen zij brandende gebouwen ten zuidoosten van het Haagse Bos, dus in het Bezuidenhout. Later zagen piloten van het 124ste squadron dat alle huizen daar in brand leken te staan. Piloten van het 453ste squadron meldden bij terugkeer in Engeland schade aan huizen, die moest zijn veroorzaakt door middelzware bommenwerpers ('Mediums hit civvies'). De schade was duidelijk niet veroorzaakt door jachtvliegtuigen. Een piloot van het 602de squadron was aangeslagen dat de inspanningen van zijn squadron om burgers te sparen vergeefs was geweest: 'We were shocked that all the efforts we had made to avoid houses had been to no avail'28.

 

Zie voor vervolg deel 3: Het bombardement.

 

Verantwoording

Deze pagina's geven een korte geschiedenis van het bombardement van 3 maart 1945 van het Bezuidenhout. Het verhaal is gebaseerd op onderzoek in literatuur en enkele archieven. Archieven waren helaas lang niet volledig en gaven evenmin eenduidige informatie. Feiten uit het ene rapport stemden niet altijd overeen met feiten uit een ander rapport. Dit zal te wijten zijn aan de oorlogsomstandigheden en aan de chaos in de tijd van direct na het bombardement. Er was tekort aan personeel en materiaal en er was geen tijd om alles op papier te zetten. In de tekst of noten is zoveel mogelijk vermeld wanneer feiten onbetrouwbaar lijken te zijn. Ook boeken of websites die ik heb gebruikt vermelden niet altijd waar informatie is gevonden. De informatie lijkt betrouwbaar. De hoofdlijnen van het bombardement zijn duidelijk, maar er blijven dus veel lacunes in de informatie.

 

Tekstuele wijzigingen d.d. 10 oktober 2017, met dank aan Aat Visser

Literatuur

• J.F.A. Boer, 'Raketten over Den Haag. Bijdrage tot de geschiedenis van de Duitse V2-aanvallen op Londen, september 1944-maart 1945', Jaarboek Die Haghe 1948, pp 1-34.

• Bill Simpson, Spitfire Dive-bombers Versus the V2. Fighter Command’s Battle with Hitler’s Mobile Missiles, Barnsley 2007.

• J.R. Verbeek, V2-Vergeltung uit Den Haag e.o. Inzet van de V2-raketten en de verschrikkingen voor de stad en haar bewoners, Almere-Den Haag, 2003.

• Gerrit J. Zwanenburg, En nooit was het stil... Kroniek van een luchtoorlog, deel 2, z.pl, z.j.

Websites

flyingbombsandrockets.com resultaten van uitgebreid onderzoek in Londense archieven over de inslagen van V1 en V2 in Zuid-Londen.

Noten

1. Informatie over de V1 en V2 heb ik ontleend aan het boek van Simpson, over de luchtfoto’s aan de BBC-documentaire ‘Operation Crossbow, uitgezonden op BBC 2, 15 mei 2011. Op het eind van de oorlog bezat de Allied Central Interpretation Unit 5 miljoen luchtfoto’s van de hele wereld die nu worden bewaard bij deRoyal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland.

2. Ontleend aan de BBC-documentaire ‘Operation Crossbow, uitgezonden op BBC 2, 15 mei 2011.

3. Ontleend aan de website www.flyingbombsandrockets.com (over inslagen van de V1 en V2 in Zuid-Londen) en aan een online gevonden krantenbericht uit de The Palm Beach Post van 8 september 1945 (link naar dit artikel verwijderd, omdat de pagina niet meer te vinden is).

4. Boer 2-9, Verbeek 47-48, Dungan 116-119.

5. Ik heb geen eigen onderzoek naar de V2 gedaan, maar me verlaten op literatuur en internet. De belangrijkste bronnen zijn het boek van Dungan, het artikel van Boer en de website www.v2rocket.com. Deze bronnen vermelden helaas niet waar de informatie is gevonden. Dungan geeft bijzonder veel informatie, maar niet alles stemt overeen met wat andere bronnen vermelden (bijv. het archief van de Luchtbeschermingsdienst).

6. Boer 12-14, Dungan 176.

7. Boer 7-11,15-17, Simpson 82-83, Dungan 134-142.

8. Verbeek 29, 32, Boer 9-12; Fighter Command heette korte tijd Air Defence of Great Britain; beschrijving van de Londense situatie overgenomen van /www.flyingbombsandrockets.com; Simpson 211, en cijfers van het Ministerie van Binnenlandse Veiligheid gevonden op myweb.tiscali.co.uk .

9. Simpson 62-67.

10. Fighter Command was tijdelijk als Air Defence Great Britain onderdeel geweest van de Allied Expeditionary Air Force, zie ook Simpson 74.

11. Simpson 37-38, 84-116.

12. Simpson 78-81 Dungan 120-123, 134.

13. Simpson 155-157.

14. Simpson 57-61. Op 18 september werden de squadrons 80 en 274 en 3, 56 en 486 aangewezen voor de V2-aanvallen. Het 229ste squadron gebruikte de Spitfire, zie. Simpson 6, 43-47, 52-54, 110-112, 119-121. Tot januari 1945 had squadron 229 het nummer 603; aanvallen vermeld o.a. door Zwanenburg 313-315, 362.

15. Simpson 66-71, Zwanenburg 382-383.

16. Simpson 75, 79-80, 95-96, Zwanenburg 430; bnr 1165, inv. nr. 105.

17. Simpson 80-83.

18. Simpson 84-85, 91.

19. Simpson 79-80, 101, 104. National Archives Londen, AIR 20/795. De gegevens van de Britse luchtmacht die opgenomen zijn bij Simpson komen deze periode goed overeen met gegevens van de Haagse luchtbeschermingsdienst, Archief Luchtbeschermingsdienst bnr. 1165, inv. nr. 109; Zwanenburg 433, 437, 440-441, 454, 458.

20. Simpson sprak met mensen die toen in Den Haag woonden; Simpson 119-121, Simpson 123-124, Simpson 133-134, Archief Luchtbeschermingsdienst, bnr. 1165, inv. nr. 106, 109, Zwanenburg 467, 474-475, 482, 484, 486, 489-490; bommen vielen voor Pletterijkade 32, op ZO Buitensingel 191 en 224, achter percelen Zwarteweg 70 en 19, en op Nieuwe Havenstraat 135. Bij Zwarteweg 4 doden, op straat bij ZO Buitensingel 2; in hele omgeving ruiten vernield en tot in Huygenspark daken beschadigd.

21. Zwanenburg 503, 510, 512-514, 521, 522, 525: op 1, 4, 5, 17 19, 22 januari aanvallen op doelen als Haagse Bos, Promenade Hotel, Huis te Werve, Overvoorde,. Huis te Werve, Rust en Vreugd, Overvoorde, Promenade Hotel, Langenhorst. Op 6, 7 10, 11, 15, 18 en 20 januari werden aanvallen door de weersomstandigheden afgebroken.

22. Simpson 135-136, 147-152, Dungan 143, Archief Luchtbeschermingsdienst, bnr 1165, inv. nr. 107, N.B. De verschillende opgaven van slachtoffers stemmen niet altijd overeen. Dat is niet alleen te verklaren doordat gewonden later overlijden, want het aantal gewonden kan ook flink verschillen.

23. Volgens een rapport van 21 maart 1945 in dossier AIR 20/795 bij het National Archives in Londen. Zwanenburg 536-537, 539, 542-543, 550, 553 , 555, 559, 564, 565, 566, 569-570: Op 3 februari aanvallen op Haagse Bos, Langenhorst en Loosduinen, en Staalduinse Bos, 4 februari aanvallen op Promenade Hotel, maar andere afgebroken, op 6 februari vielen verschillende groepen Spitfires het Haagse Bos aan en dan vooral de Leidse Straatweg, Overvoorde, Promenade Hotel en Huis te Werve, op 8 februari door gaten in de bewolking de vloeibare-zuurstoffabriek in Loosduinen, op 9 februari was er één aanval op de zuurstoffabriek, waarbij een bom viel op de "werkplaats WSM", tevens vielen er onder burgers 4 doden en 15 gewonden in Loosduinen. Op 10 februari verschillende aanvallen, onder andere op het Promenade Hotel en Rust en Vreugd, Die dag viel een bom op de Rijswijkseweg (vóór nr. 65) bij de Goudriaankade (op nr. 9) en daarbij vielen 7 doden en 6 gewonden (volgens een andere opgave 23 gewonden). Op 14 februari meerdere aanvallen op Rust en Vreugd, Promenade Hotel, Rust en Vreugd, Huis te Werve en Overvoorde. Bij Marlot werd een geallieerde piloot gevonden en vielen bij bominslagen 2 doden en 5 gewonden. Bij een aanval op Marlot vielen verschillende bommen in de buurt van de Bezuidenhoutseweg tegenover Hofzichtlaan en vielen er 1 dode en diverse gewonden. Op 20 februari werd het Haagse Bos zes maal aangevallen. Op 21 februari vielen 90 Spitfires doelen in het Haagse Bos aan en zes andere Ockenburg aan. Bij een bominslag op Nieuwe Haven 146 vielen een dode en twee gewonden, de bom sloeg een trechter van ca 6 x 6 x 2 meter en werden 25 woningen grotendeels vernield en in een wijde omgeving woningen beschadigd; elders in de stad vielen bij meerdere bominslagen acht gewonden. Bij een bominslag vóór Lange Voorhout 40 vielen die middag 4 doden en 5 gewonden. Op 22 februari viel een bom op Weissenbruchstraat 356 (twee doden) en vóór perceel 273. In het Bezuidenhout vielen bij meerdere bominslagen 10 doden en raakten 37 mensen gewond: Bezuidenhoutseweg 251 (daar werkzame timmerman gedood) en 253 werden geraakt; bij aanval op Leidsestraatweg werd een passant gedood, bij een bominslag op de hoek van de Bezuidenhoutseweg en de Laan van Nieuw Oost-Indië raken twee mensen zwaargewond; er vallen vier bommen vóór Bezuidenhoutseweg 98 en in het Haagse Bos. Daarbij vielen meerdere doden, bij een bominslag vóór Bezuidenhoutseweg 27 vallen 7 doden op straat en een onbekend aantal gewonden. In totaal vielen120 Spitfires in 17 formaties met 4 tot 12 vliegtuigen per formatie vooral het Haagse Bos aan. Ook Station Staatsspoor werd aangevallen; 21 Spitfires vielen doelen bij Ockenburg aan. Bij een bominslag op de Paulus Potterstraat vielen 2 gewonden, op die dag vielen er in de ochtend zes gewonden bij een bominslag op de Mauritskade. Bij een bominslag op Stuyvesantstraat 169 en 181 vielen twee doden en enkele gewonden. Daarna vielen op 25 februari 81 Spitfires doelen in het Haagse Bos aan en enkele andere Ockenburg. Op 26 februari vielen 115 Spitfires doelen in het Haagse Bos aan. Bij diverse bominslagen op het Bezuidenhout vielen die dag 2 doden en 1 gewonde. Er kwam een bom terecht op een openbare schuilkelder op de Bezuidenhoutseweg tegenover de Joan Maetsuyckerstraat en bommen op de achterzijde van Bezuidenhoutseweg 61 waarbij ook nr. 63 ernstig werd beschadigd. In de ochtend vielen bij een bominslag vóór perceel Spuistraat 11 27 doden en 54 gewonden. De percelen 6, 8 en 12a en 7, 9 en 11 werden beschadigd. Op de Fluwelen Burgwal vielen bij een bominslag 2 doden en 1 gewonde. Bij een bominslag voor Bezuidenhoutseweg 265d en 265e, voor 369 en in Bezuidenhoutseweg 351 (achterzijde) vielen geen slachtoffers. Bij een bominslag op de Binckhorststraat in een steenhouwerij achter nr. 56 en een uitbouw van Ternootstraat 57 vielen twee doden en een aantal gewonden. Tegelijkertijd viel een bom op Daendelstraat 22-24: 2 doden, enkele gewonden. Later in de ochtend viel een bom op Mariastraat 54: 2 doden, 2 gewonden; ongeveer tegelijkertijd viel een bom op gebouw Boslaan 3 en 5, waarbij filmgebouw Profilti beschadigde raakte. In middag viel een bom in de tuin en keuken van Van Linschotenstraat 25, ook perceel 27 raakte zwaar beschadigd. Even later viel een bom op Carpentierstraat 9 en werden ook huizen 7, 9 en 11 beschadigd. Hierbij vielen gewonden. Ook viel een bom op Bezuidenhoutseweg 193, op Joan Maetsuyckerstrat 73 en 75 en op Rijklof van Goenstraat 81. Hierbij vielen geen slachtoffers. Op het eind van de middag sloegen bommen in op Theresiastraat 145-147: 2 doden, enkele gewonden. Daarna een bom op Johannes Camphuysstraat 35 en 37 (geen slachtoffers) en een bom vóór Theresiastraat 176: 1 dode en enkele gewonden. Er viel ook een bom op de rechtbank aan het Korte Voorhout (nr. 11): 2 doden en 10 gewonden. Op 27 februari vonden slechts enkele vliegtuigen hun doel in het Haagse Bos. Op de Boslaan raakte iemand gewond en op de Leidsestraatweg vielen 3 doden en 3 gewonden. In de Swammerdamstraat vielen bij een bominslag 3 doden en 4 gewonden. Op 28 februari vielen vanwege de bevolking slechts de helft van de uitgezonden 123 Spitfires hun doelen in het Haagse Bos, Ockenburg en Rust en Vreugd. Op Binnenhof 21 viel een bom: 2 gewonden. In het Bezuidenhout en het Haagse Bos vielen 3 doden en 5 gewonden. Op de Goudriaankade vielen 2 doden en 33 gewonden, op het Hofwijckplein 1 dode en 14 gewonden. Op 1 maart vielen 78 Spitfires voorraad- en onderhoudsdepots in het Haagse Bos aan en op 2 maart 115 Spitfires hetzelfde doel en het Staalduinse Bos en Rust en Vreugd. Overigens geldt ook bij deze cijfers weer dat verschillende bronnen soms verschillende cijfers geven.

24. National Archives, Londen, AIR 20/279, Simpson 154-159, 165-166, Verbeek 34, Tinschert 48.

25. Boer 20-22, Korthals Altes 282, 286-289, Tinschert 27, 47-48, 57, Van der Boom 233-234, Luchtbeschermingsdienst, bnr.1165, inv. nr.199, Gemeentearchief Den Haag, OV 10 no. 228a, interviews Hans Pars.

26. Boer 19,Dungan 138, Korthals Altes 282, Tinschert 13-22, 35-36. Luchtbeschermingsdienst bnr. 1165, inv. nr. 199.

27. De grootste schade ontstond door luchtaanvallen in de tweede helft van februari, vooral in het Bezuidenhout. Van de ongeveer 120 schaderapporten betroffen er ongeveer tachtig schade door bommen of kogels uit vliegtuigen en ongeveer veertig door neerstortende V2’s. In 64 gevallen was er sprake van doden en gewonden. Bij luchtaanvallen vielen er 166 licht gewonden, 201 zwaar gewonden en 135 doden. Duitse V2’s stortten vaak neer in onbewoond gebied, zodat deze veel minder slachtoffers maakten: 75 licht gewonden, 43 zwaar gewonden en 35 doden. In het Bezuidenhout vielen er slachtoffers bij luchtaanvallen: op 14 september (Bezuidenhoutseweg), 5 oktober (Bezuidenhoutseweg), 6 december (Cornelis Houtmanstraat en omgeving), 28 december (Leidsestraatweg/ Bezuidenhoutseweg), 31 december (Bezuidenhoutseweg bij Daendelstraat en 1e Van den Boschstraat), 1 januari 1945 (Haagse Bos en Bezuidenhout), 4 januari (Agathastraat en omgeving), 6 februari (Mariastraat 40-48), 20 februari (Haagse Bos met schade in het Bezuidenhout), 21 februari (Bezuidenhoutseweg 251, Leidsestraatweg, Bezuidenhoutseweg hoek Laan van Nieuw Oost-Indië, Bezuidenhoutseweg bij nr. 98), 22 februari (Bezuidenhoutseweg, Leidsestraatweg, Bezuidenhoutseweg 27), 25 februari (Bezuidenhoutseweg, Hertenkamp, Bezuidenhoutseweg 61), 27 februari (Boslaan), 26 februari (Leidsestraatweg), 28 februari (Bezuidenhout, Leidsestraatweg, Haagse Bos, Leidsestraatweg), 26 februari (Bezuidenhout diverse inslagen, Bezuidenhoutseweg 265, 351, Binckhorststraat, Daendelstraat 22-24, Mariastraat 51 en Boslaan, Van Linschotenstraat, De Carpentierstraat 9, Joan Maetsuykerstraat/ Van Goenstraat, Theresiastraat 145). Op 4 februari 1945 was er schade aan de Laan van NOI en omgeving door een vliegende bom (Bron: Haags Gemeentearchief, Luchtbeschermingsdienst, bnr. 1165, inv. nr. 107-109): De neergestorte V2’s heb ik niet nauwkeurig geteld omdat deze mogelijk niet allemaal door de Nederlandse autoriteiten zijn geregistreerd: met dat voorbehoud vielen er ongeveer 18 in de kustzone: Scheveningen, Westduinen, Statenkwartier en de Archipel. Ongeveer 7 in Marlot en Haagse Bos, ongeveer 2 in het Benoordenhout, ongeveer 2 in het Bezuidenhout en ongeveer 8 in Loosduinen, Kijkduin en aangrenzende wijken. Daarnaast vielen er ook elders nog V2’s in Den Haag. Overigens geldt ook voor deze cijfers dat ze af kunnen wijken van cijfers uit andere opgaven.

28. 28. Simpson 167-171.