Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDeze pagina geeft informatie over de aanleiding van het bombardement op het Bezuidenhout van 3 maart 1945. .

kopfoto

Bombardement op het Bezuidenhout

Deel 2: de V2's en de Britse tegenmaatregelen (tot 3 maart)

Duitsland in het defensief

Het doel van het bombardement van 3 maart 1945 was de uitschakeling van Duitse V2-raketten die in het Haagse Bos lagen te wachten in afwachting van hun lancering. De Duitsers waren in september 1944 begonnen V2-raketten af te schieten op onder meer Londen. Het was een soort wanhoopsactie die in militair opzicht niet veel zin had, maar die wel veel schade veroorzaakte en veel doden kostte.

 

Aanvankelijk verliep de oorlog voor de Duitsers voorspoedig. De aanvankelijk onstuitbare Duitse opmars werd pas in 1942 definitief tot staan gebracht. In de herfst en winter van 1942 drongen de geallieerden de Duitse op verschillende fronten terug en in juni 1944 landden Britse en Amerikaanse legers op het vasteland van Europa. In de zomer van 1944 rukten de geallieerde legers zo snel door Frankrijk op dat iedereen een spoedig einde van de oorlog verwachtte. De Duitsers waren in het defensief en de Duitse leiders konden alleen maar hopen op hun wonderwapens. De Duitsers waren al lang bezig met de ontwikkeling van raketten en lagen hiermee voor op de geallieerden. De eerste typen raket die zij konden gebruiken waren de V1 en de V2 (waarvan de V1 eigenlijk geen raket was). Die waren in het diepste geheim ontworpen en getest op het eilandje Peenemünde, aan de kust van Noord-Oost Duitsland.

V1 en V2

De V1 was de eenvoudigste van deze twee wapens. Hij werd op een wagen geplaatst en vervolgens met hoge snelheid over rails gelanceerd. De V1 was dus een soort vliegende bom. De V2 was veel geavanceerder. Deze raket ging op eigen kracht de lucht in ging en vloog sneller dan het geluid. De voornaamste doelwitten van deze raketten waren de steden Antwerpen en Londen. Antwerpen was een grote havenstad die de geallieerden gebruikten om hun legers te bevoorraden. Maar de precisie van de raketten was niet erg groot en veel of misschien wel de meeste raketten kwamen niet in het havengebied, maar in woonwijken terecht. De V1 kon vanaf de Franse kust Zuidoost-Engeland en Londen bereiken. Toen de Duitsers uit Noord-Frankrijk verdreven waren konden ze de V1 niet meer gebruiken Maar met de V2 konden ze Londen nog wel bereiken vanuit het Nederlandse kustgebied. Dat lag net op de grens van het vliegbereik van de V2. Voor de inwoners van Londen was de V2 nog veel gevaarlijker dan de V1. De V2 veroorzaakte veel meer schade en vloog zo snel dat hij tijdens de vlucht niet meer kon worden neergeschoten.

V2-raket op een Meilerwagen.

V2-raket op een zgn. Meilerwagen (foto van Wikipedia, afkomstig van het Imperial War Museum)

Luchtfoto's

De Britten wisten dat de Duitsers bezig waren met de ontwikkeling van dit soort wapens, maar ze wisten niet hoever ze daarmee waren. Britse verkenningsvliegtuigen maakten vanaf het begin van de oorlog luchtfoto’s van geheel Duitsland en door Duitsland bezette landen. Analisten bekeken de foto’s op de basis 'RAF Medmenham'. Zij keken of ze bekende objecten op de foto’s zagen, of objecten die onbekend waren. Op de foto’s waren op Peenemünde wel onbekende objecten te zien, maar de analisten konden niet bedenken waar die voor dienden. Pas toen twee Duitse generaals in een Britse gevangenis hun mond voorbijspraken over raketten, kwam de Britse inlichtingendienst op het idee om op alle luchtfoto’s nog eens gericht te zoeken naar sporen van raketten. De foto’s werden bekeken door kijkers waarmee de hoogte van objecten worden berekend. De kijkers kwamen uit Zwitserland en moesten door Duitsland naar Zweden worden vervoerd. Vandaar gingen ze met Britse vliegtuigen naar Engeland. Daar ontdekte men op een foto van Peenemünde een slank object van 14 meter hoogte. De Britten hadden de V2 gevonden en ze probeerden de ontwikkeling te vertragen met een bombardement. Maar de Duitsers verplaatsten de ontwikkeling en productie van de V2 naar ondergrondse fabrieken. Die lagen diep onder de grond en konden vanuit de lucht niet worden beschadigd1.

Het V1-offensief

Maar voordat de V2 in productie kwam begon het V1-bombardement van Londen. Ook van de V1 wisten de Britten niet hoe dit wapen functioneerde. Pas toen men in de kustzone van Noord-Frankrijk tientallen stenen viaducten ontdekte, die schuin omhoog liepen en allemaal naar Londen wezen, begreep men dat dit lanceerinstallaties van een nieuw wapen moesten zijn. Op drie-dimensionale luchtfoto’s ontdekte men zo’n honderd lanceerinstallaties. De geallieerde luchtmacht probeerde deze zoveel mogelijk te bombarderen, maar het lukte de Duitsers vanaf juni 1944 toch grote aantallen V1-raketten af te schieten. Die maakten in Londen grote aantallen slachtoffers2.

 

Na de geallieerde invasie in Normandië begon de opmars van het geallieerde leger op het vasteland van Europa. Noord-Frankrijk bleef niet lang in Duitse handen en eind augustus waren vrijwel alle V1-lanceerinstallaties in handen van de geallieerden. Het aantal V1-inslagen in Londen nam af en op 7 september verklaarde de Britse minister van Binnenlandse Zaken dat de ‘Battle of Britain’ (de luchtslag om Groot-Brittannië) vrijwel voorbij was. Maar de volgende dag kwamen de eerste V2-raket op Londen terecht3.

Voorbereiding van het V2-offensief

De Duitsers hadden het V2-offensief goed voorbereid. Vanaf de kust van Nederland kon de V2 Londen nog net halen en langs de kust was Den Haag de beste plaats om de raketten te lanceren. Hier lagen bossen en parken waar men de grote raketten kon opslaan buiten het zicht van pottekijkers. Ook de door de bewoners ontruimde wijken langs de kust, het vestinggebied was om deze reden een geschikt gebied voor het werken met V2’s. Het Haagse station Staatsspoor was het eindpunt van de spoorlijn uit Duitsland, dus Den Haag lag ook gunstig uit het oogpunt van vervoer. De V2’s werden overigens niet in Den Haag overgeladen op vrachtwagens, maar op het station van Leiden. De Duitsers kozen mogelijk voor Leiden omdat zij de treinen daar vlak bij het ziekenhuis stationeerden. Dan durfde de Britse luchtmacht de treinen niet te beschieten of te bombarderen. Van het station werd de V2 op een vrachtauto naar een tijdelijke opslaglocatie gereden. In en rond Den Haag gebruikten de Duitsers verschillende bossen en parken. Na de montage ging de raket naar een lanceerplaats. De Duitsers gebruikten verschillende locatie in en om Den Haag. Dat hoefde niet steeds dezelfde plek te zijn. De Duitsers gebruikten mobiele lanceerinstallaties. Er was alleen een stuk grond nodig dat hard genoeg was, of een stuk grond dat met beton kon worden verhard. Er lagen veel mogelijke lanceerlocaties in en rond Den Haag.

V2 wordt in startpositie geplaatst.

Een V2 wordt vanaf een Meilerwagen omhoog gebracht op een ijzeren richttafel (Haags Gemeentearchief, foto nr. 1.53288, ca. 1944, fotograaf onbekend)

V2 vanuit Wassenaar

Nadat alles goed was voorbereid, kwam op 7 september de eerste Duitse V2-eenheid in Wassenaar aan. Het was een batterij van bataljon 485. De bewoners van villa’s aan de Koekoekslaan, Lijsterlaan en van nabij gelegen landhuizen aan de Konijnenlaan moesten vertrekken. De ramen en deuren van hun huizen moesten op een kier open blijven staan. Op 8 september arriveerden de raketten met het overige materieel op vrachtauto’s. Om 18.36 uur klonken volgens getuigen “zware dreunen als felle onweerslagen en daar tussendoor een geluid als snel mitrailleurvuur”. Omwonenden zagen twee “monsterachtige sigaren” brandend boven de bomen opstijgen en met razende snelheid richting zee verdwijnen (op de kaart nr 1).

 

Vijf minuten na de lancering sloeg de eerste raket in op Londen (18.41). De andere raket kwam vlak bij Londen neer in een bos bij Epping. Binnen een uur na de lancering was alles ingepakt en waren de twintig Duitse soldaten met hun materieel vertrokken. Het enige dat herinnerde aan de lancering was een brandplek van meer dan zeven meter diameter en brandschade aan de bomen.

 

Het Nederlandse verzet gaf informatie over de lancering door naar Engeland. Britse jachtvliegtuigen vielen op 9 september de lanceerplaatsen al aan. Na deze luchtaanval werd een deel van Wassenaar geëvacueerd. Na volgende luchtaanvallen werd een veel groter gebied tussen de Landscheidingsweg en Kerkdam en Park Marlot geëvacueerd. Op 10 september arriveerde een tweede batterij van bataljon 485 in Wassenaar. De twee batterijen hadden elk drie ‘afvuurtafels’ tot hun beschikking. Op 12 september vuurden ze vijf V2’s af vanuit Marlot (op de kaart nr. 2)4.

Lancering van de V2

Over het Haagse deel van de V2-geschiedenis bestaat literatuur, maar helaas wordt daarin geen bronnen vermeld. Het is dus niet duidelijk waar de informatie vandaan komt5. De auteurs van de geraadpleegde literatuur zijn het erover eens dat de V2’s per trein naar station Leiden werden gebracht. De treinen reden via Utrecht en Den Haag of via Amsterdam en Haarlem. Ze reden ’s nachts omdat het overdag gevaarlijk was. Treinen waren een gemakkelijk doelwit van geallieerde jachtvliegtuigen. Om luchtaanvallen te voorkomen, stelden de Duitsers hun treinen vlakbij het ziekenhuis van Leiden op. Ook andere V2-locaties lagen zo dicht bij een burgerdoel dat Britse piloten dit niet durfden aan te vallen. Vanaf het station van Leiden brachten vrachtauto’s de V2’s naar een tijdelijke opslagplaats in of bij Den Haag. Volgens Boer gebruikten de Duitsers de eerste weken oude munitiebunkers op landgoed Raaphorst (op plattegrond 3). Later gebruikten de Duitsers ook andere opslagplaatsen.

 

Vlak voor de lancering werden de raketten in een montagehal gereed gemaakt voor de lancering. Als het zover was, ging de raket op een zogenaamde ‘Meilerwagen’ naar de plaats van lancering. Daar werd de V2 op een mobiele richttafel geplaatst. Die moest op een harde ondergrond staan, maar volgens Boer was een slappe bodem (door bijvoorbeeld regen) vaak de oorzaak van een fout verlopen lancering. Zo kort mogelijk voor de start werd de raket gevuld met brandstof. De V2 gebruikte alcohol en vloeibare zuurstof. Vloeibare zuurstof werd op een perron aan de Haagse Waldorpstraat overgepompt in een tankauto. Mogelijk gebeurde dit een enkele keer ook op de Schenkweg bij station Staatsspoor (4). De tankauto’s reden zo snel mogelijk naar de wachtende raket. Boer beschrijft ze als “kleine auto’s met de typische verschijnselen van ijsvorming op de tanks”, die maandenlang door de Haagse straten snelden. Na het tanken moest de V2 snel worden gelanceerd, want elke minuut verdampte er twee kilo vloeibare zuurstof. De lancering werd geleid vanuit een zwaar gepantserde vuurleidingswagen.

 

De lanceringen vanuit Wassenaar hielden na 17 september tijdelijk op. Die dag landden Britse troepen bij Arnhem. Omdat de Duitsers bang waren dat hun troepen in West-Nederland ingesloten raakten, trokken zij hun V2-troepen terug naar veiliger gebied. Maar vanuit het oosten en noorden van Nederland konden de V2’s Londen niet meer bereiken. Men schoot de V2’s nu naar een gebied rond Norwich. Pas toen de Duitsers er begin oktober van overtuigd waren dat ze bij Arnhem stand konden houden, keerden hun V2-eenheden weer terug naar Den Haag6.

Nieuwe V2-aanvallen vanuit omgeving Den Haag

Op 3 oktober lanceerde een Duitse V2-eenheid om 23.00 uur de eerste V2 van de volgende fase van het V2-offensief. Vanaf nu zouden de lanceringen vrijwel dagelijks doorgaan tot eind maart. De nieuwe eenheid was een andere batterij van bataljon 485. Deze lanceerde de V2’s niet vanuit Wassenaar, maar vanaf landgoed Ockenburgh. Deze batterij ging ook andere locaties aan de zuidkant van Den Haag gebruiken, zoals landgoed Ockenburch (5), het krankzinnigengesticht Bloemendaal (6) en Madestein (7). Volgens Simpson diende Bloemendaal als opslagplaats en werden de V2’s gelanceerd vanuit het nabijgelegen park of vanaf Ockenburg. De Duitsers wijzigden hun lanceerlocaties en opslagplaatsen regelmatig, omdat ze bang waren voor Britse luchtaanvallen. Het gevolg was dat Britse vliegtuigen vaak locaties aanvielen die al verlaten waren.

 

Op 20 of 21 oktober arriveerde batterij 444 (van bataljon 485) vanuit Friesland in Den Haag. Deze eenheid lanceerde haar V2’s afwisselend vanuit Wassenaar of vanuit het Rijswijkse Bos (op plattegrond 8). Batterie 444 had vijf ‘afvuurtafels’ en kon dus ook meerdere V2’s per dag afschieten.

 

Naast Wassenaar en Rijswijk gebruikten de Duitsers ook de door de bewoners ontruimde wijken langs de kust. De bewoners van deze wijken waren geëvacueerd zodat de Duitsers hier een vestinggebied konden aanleggen, als bescherming tegen een geallieerde invasie uit zee. Dit vestinggebied was verboden gebied, zodat spionnen hier moeilijk naar informatie over V2’s konden zoeken. V2’s en V2-materiaal werden hier per trein worden gebracht over de toenmalige spoorlijn naar Scheveningen. De V2's werden uitgeladen bij de Harstenhoekweg (9) en daarna ergens in Scheveningen opgeslagen. Volgens onderzoeker Duncan zat het hoofdkwartier van de V2-troepen in het Van Stolkpark. De Britten dachtten dat het Promenade Hotel (10) een opslagplaats was. In het vestinggebied lagenveel verschillende lanceerlocaties, onder andere vlakbij het Gemeentemuseum (11).

 

In Wassenaar was landgoed Raaphorst vermoedelijk een opslagplaats die het doelwit was van Britse luchtaanvallen. Ook de omgeving van renbaan Duindigt (12) en het Haagse Bos (13) waren vaak doelwit van Britse jachtvliegtuigen7.

kaart met V2-locaties

Kaart met V2-locaties. 1. eerste V2-lanceringen vanuit Wassenaar, 2. V2-lanceringen vanuit Marlot, 3. V2-opslagplaatsen op landgoed Raaphorst, 4. Station Staatsspoor, 5. Ockenburg, 6. Bloemendaal, 7. Madestein, 8. Rijswijkse Bos, 9. Station Scheveningen bij Harstenhoekweg, 10. Promenade Hotel, 11. Gemeentemuseum, 12. Renbaan Duindigt, 13. Haagse Bos. (originele kaart: National Archives London)

V2-schade in Londen

Hoewel er ook veel V2’s terechtkwamen op Antwerpen, hadden de meeste Haagse V2’s Londen als doel. De inwoners van Londen hadden al geleden onder de Duitse luchtbombardementen in 1940 en onder de V1-aanvallen in 1944. Net toen die voorbij waren en de oorlog bijna voorbij leek te zijn, begonnen de V2-aanvallen. De V2 joeg meer angst aan dan de V1. Omdat hij sneller vloog dan het geluid, hoorde je hem niet aankomen. Elk moment kon een V2-raket in de buurt inslaan. Ook de enorme schade die de V2 aanrichtte sprak tot de verbeelding. Alleen in diepe schuilkelders en in de diepst gelegen metrostations voelden mensen zich veilig. Bij een V2-inslag op een Woolworth-warenhuis vielen er op 25 november 168 doden en tientallen zwaargewonden. De eerste ontploffingen werden door de autoriteiten toegeschreven aan lekkages van gasleidingen.

 

Naar schatting kostten de V2's 2.754 Engelsen het leven en raakten 6.523 Engelsen gewond. De meeste slachtoffers vielen in Londen. In september waren er 36 V2-inslagen, in oktober 95, in november 154, in december 134. Daarna vielen er meer dan tweehonderd V2’s per maand op Londen. In januari, februari en maart 1945 waren dat respectievelijk 222, 229 en 226. De druk op de regering om iets tegen de V2 te doen nam toe8.

Schade door V2 in Londen.

class="bijschrifttekst"Schade in Londen door een V2 in maart 1945. Een man bekijkt een onderdeel van de V2 (Imperial War Museum).

Verkenning en spionage

De Britse legerleiding wist dat er begin september een V2-offensief zou beginnen, maar verder wist men weinig over deze nieuwe raket. De radarstations die de lanceerlocaties van raketten konden opsporen waren (nog) op Frankrijk gericht. Toen de V2’s vanuit Nederland kwamen, konden de Britten niet meteen zien dat ze vanuit Wassenaar kwamen.

 

De Britten zetten daarom vliegtuigen in, die boven de Noordzee het radioverkeer van V2-eenheden afluisterden. Ook vlogen jachtvliegtuigen boven de kust van Nederland om uit te kijken naar lanceringen. Als een lanceerplaats bekend was kon men in de buurt verder zoeken naar opslaglocaties en andere plekken die met de V2 te maken hadden.

 

Veel belangrijke informatie kwam volgens Simpson van het Nederlandse verzet. Volgens hem speelde het verzet zelfs een belangrijke rol bij de bestrijding van de V2. De bekendste verzetsman die informatie over de V2 verzamelde was de Delftse hoogleraar Johannes Uytenbogaart. In zijn huis in Wassenaar zou hij van brokstukken van voortijdig ontplofte V2’s een min of meer complete V2 hebben nagebouwd. Hij had zich verdiept in de ontwikkeling van raketten en wist waar de onderdelen voor dienden. Deze informatie stuurde hij naar Engeland. Het verzet stuurde de Britten informatie die ze niet door luchtverkenning konden krijgen, maar de Duitsers probeerden spionage uit alle macht tegen te gaan. Spioneren was levensgevaarlijk en zeker twaalf mensen van Uytenbogaart's verzetsgroep vonden bij hun spionagewerk de dood. Ook de bekende Haagse radiopionier Hanso Idzerda werd doodgeschoten toen hij zocht naar resten van een neergestorte V29.

 

Door de het bekijken van radarbeelden, door verkenningsvluchten, door informatie van het verzet en door meldingen van piloten, kregen de Britten langzamerhand een beeld van de V2-organisatie. Ze wisten op een gegeven moment waar de V2’s werden gelanceerd, hoe de V2’s naar de lanceerlocatie kwamen, wat de tijdelijke opslagplaatsen waren en waar de Duitse V2-troepen verbleven. Maar het duurde even voordat deze informatie verzameld was en voordat men wist hoe die V2-locaties konden worden aangevallen.

Gelanceerde V2.

class="bijschrifttekst"Het onregelmatige spoor van een V2 (Imperial War Museum).

Britse tegenmaatregelen

De Britten konden niet veel doen tegen de V2. De fabrieken waar de V2’s werden gemaakt lagen zo diep onder de grond dat bombarderen geen effect had. De V1 kon na de lancering nog worden neergeschoten, maar de V2 vloog veel te snel voor de luchtafweer van toen. De Britten konden de aanvallen alleen tegengaan door het transport naar Nederland te verstoren en door de lanceerplaatsen en opslagplaatsen vanuit de lucht aan te vallen. Ook hoopte men dat luchtpatrouilles boven Den Haag de Duitsers zouden afschrikken. Maar ’s avonds en ’s nachts waren de Britse jachtvliegtuigen weer weg en konden de V2’s ongestoord worden gelanceerd. Het bestrijden van de V2 werd een taak van de Britse luchtmacht, maar het was nog niet duidelijk hoe dat effectief kon gebeuren.

Britse luchtmacht

Het luchtruim van Groot-Brittannië werd beschermd door 'Fighter Command'. Dit luchtmachtonderdeel stond onder leiding van Air Marshall (luchtmaarschalk) Roderic Hill en deze officier kreeg de opdracht de V2’s te bestrijden10.

 

Naast Fighter Command waren nog twee luchtmachtonderdelen betrokken bij aanvallen tegen V2-doelen. Dit waren ‘Bomber Command' en de ‘Second Tactical Airforce’ (Tweede Tactische Luchtmacht). Bomber Command moest vooral doelen in Duitsland bombarderen. De Second Tactical Airforce moest de opmars van het grondleger steunen. Fighter Command mocht voor de strijd tegen de V2's hulp vragen aan deze twee luchtmachtonderdelen, maar in de praktijk kwam daar weinig van terecht. Bomber Command en de Second Tactical Airforce hadden hun de handen al vol aan hun hoofdtaak en het zo snel mogelijk verslaan van Duitsland had de hoogste prioriteit. De bestrijding van de V2 kwam dus vooral neer op Fighter Command. Dit luchtmachtonderdeel vloog nog steeds met het befaamde Spitfire-jachtvliegtuig dat bekend werd uit de 'Battle of Britain', de luchtslag om Engeland in de zomer van 1940. De ‘commands’ (Fighter Command) waren verdeeld in ‘groups’, die weer in ‘wings’ en wings bestonden uit enkele ‘squadrons’ (eskaders) van twaalf vliegtuigen.

Problemen bij luchtaanvallen

De bestrijding van de V2 vanuit de lucht was niet eenvoudig. Gebouwen, opslagplaatsen en lanceerlocaties waren geheim, gecamoufleerd of goed verstopt en bevonden zich nogal eens dicht bij Nederlandse woonhuizen.

 

De Britse luchtmacht probeerde in de eerste plaats het transport van V2’s te stoppen. Britse vliegtuigen vielen spoorlijnen en spoorbruggen en treinen met V2’s aan. Maar de spoorlijnen waren snel gerepareerd en de treinen reden vaak ’s nachts. En overdag parkeerden de Duitsers de treinen bij voorkeur in de buurt van woonhuizen of bijvoorbeeld het ziekenhuis van Leiden.

 

Ook vielen vliegtuigen opslagplaatsen en montagehallen van de V2's aan. De raketten lagen opgeslagen in parken en bossen, voor zover dat kon verscholen onder de bladeren van de bomen. Vanuit de lucht waren de raketten moeilijk te vinden. De Britten kregen de belangrijkste informatie vermoedelijk van het Nederlandse verzet. Pas toen de bomen in de winter hun bladeren verloren waren de raketten makkelijker op te sporen. Later gingen Britse vliegtuigen gebouwen aanvallen waar brandstoffen voor de V2 werden gemaakt. De WSM-remise in Loosduinen was een van die gebouwen, maar of hier echt brandstof werd gefabriceerd is niet bekend11.

 

Er werden steeds meer V2-doelen geïdentificeerd, maar niet alle doelen waren gemakkelijk aan te vallen. Veel doelen bevonden zich in de buurt van woonhuizen en de Britten wilden burgerslachtoffers voorkomen. In zijn boek ‘Spitfire Dive-Bombers’, beschrijft Bill Simpson hoe moeilijk het was dit te doen. Het westen van ons land was toen al zo dicht bevolkt, dat de geallieerden hier geen zware bommenwerpers inzetten. Zware bommenwerpers vlogen hoger en hun bommen vielen verspreid over een groter gebied. Kleinere jachtvliegtuigen konden hun doel in een duikvlucht nauwkeuriger raken, zodat er minder kans was op schade aan de omgeving. De afspraak was dat V2-doelen ten westen van Amersfoort alleen door jachtvliegtuigen van Fighter Command zouden worden aangevallen.

 

Voor de aanvallen op V2-doelen zette Fighter Command vliegtuigen in van het type Spitfire. Volgens Simpson was dit een uitermate geschikt vliegtuig voor precisieaanvallen vanuit duikvlucht. De piloten doken van grote hoogte (9.000 voet= 2743 meter) op het doel, lieten de bommen vallen en trokken op het laatste moment weer op. Maar tot in november vloog men met een type Spitfire dat geen bommen kon vervoeren. De interne brandstoftank was te klein om vanuit Engeland naar Den Haag en terug te vliegen, zodat de vliegtuigen een externe brandstoftank moesten meenemen. Deze vliegtuigen konden V2-doelen alleen aanvallen met het boordgeschut. Als ze bommen meenamen vlogen ze zonder extra brandstoftank en moesten ze eerst bijtanken in België. Daar waren de vliegvelden overvol met vliegtuigen die het grondleger moesten helpen. In november kregen de meeste squadrons Spitfires van een nieuwer type (type XVI) dat wel met bommen naar Den Haag kon vliegen12.

Slecht weer

Een laatste hinderpaal bij de luchtaanvallen was het weer. De Duitsers begonnen hun V2-offensief in de herfst en gingen daarmee door in de winter. Dit waren juist de seizoenen met slecht weer. De Engelse hulpvliegvelden konden niet veel regen niet verwerken en stonden vaak blank. En als de vliegtuigen wel konden opstijgen bleek Den Haag vaak geheel of gedeeltelijk onder de wolken te liggen. Er werden veel aanvallen gepland, maar een groot deel werd door de weersomstandigheden geannuleerd of afgebroken.

 

Bij goed vliegweer vlogen twee vliegtuigen vooruit om het doel te verkennen. Als er geen zware bewolking was, gaven ze dat per radio door. De vliegtuigen op de basis werden dan bewapend en stegen op. Als de vliegtuigen (van het nieuwere type) bommen mee namen, werd bij onbewolkt weer één zware bom (van 500 pound = 226 kilo) geladen. Bij matige bewolking werden er twee lichte bommen (van 250 pound = 113 kilo) geladen plus een extra brandstoftank. De vliegtuigen hadden dan voldoende brandstof om boven Den Haag te cirkelen tot er een gat was in de bewolking.

 

Voor vertrek kregen de piloten informatie over het doel. Elk doel had een identificatienummer dat de juiste ligging aangaf op een kaart. De piloten bekeken luchtfoto’s en stratenkaarten en ze kregen een overlevingspakket met onder andere Nederlands geld. Onderweg konden de piloten niet met elkaar praten. Hun radio had vier kanalen en daarmee hadden ze contact met de thuisbasis in Engeland, met een vliegveld in (bevrijd) België en met de commandant van de vliegtuigen. Het vierde kanaal was voor noodoproepen13.

Luchtfoto Oosterbeek

class="bijschrifttekst"Luchtfoto gemaakt door een verkenningsvliegtuig van de 106de Group van de gebouwen van de filmstudios bij Oosterbeek na een aanval door Spitfires (Imperial War Museum).

De luchtaanvallen: september

De Britse luchtaanvallen kwamen pas geleidelijk op gang. Dat kwam vermoedelijk omdat er in het begin nog niet veel V2's op Londen vielen. Bovendien had de Britse luchtmacht meer belangrijke taken uit te voeren. Daarnaast waren in het begin nog niet alle V2-doelen bekend. Na de Britse luchtlandingen bij Arnhem hielden de V2-aanvallen zelfs tijdelijk op. De Duitsers trokken hun V2-troepen toen tijdelijk terug uit de Randstad. Ze bleven vanaf nieuwe locaties V2’s afschieten, maar daarmee konden ze Londen niet meer bereiken.

 

De Britse luchtmacht kwam na de eerste V2-lanceringen wel meteen in actie. De eerste V2-doelen waren snel gelocaliseerd, waarschijnlijk vooral door het Nederlandse verzet. Op 13, 14 en 17 september vielen Britse bommenwerpers de landgoederen Raaphorst en Eikenhorst (14) in Wassenaar aan. Op 15, 16 en 19 september vlogen jachtvliegtuigen V2-patrouilles in de buurt van Den Haag. Op 23 september vielen jachtbommenwerpers een “race-circuit” aan (waarschijnlijk Duindigt) en op 25 september een voorraaddepot bij Den Haag.

 

Als eerste werd het 229ste squadron ingezet bij de V2-bestrijding. Daarna kregen drie andere squadrons jachtvliegtuigen de bestrijding van V2's toegewezen, maar die werden daar na een week al van ontheven. Luchtsteun aan het grondleger had een hogere prioriteit. Drie andere squadrons namen hun V2-taak over, maar ook deze moesten vaak ander werk doen, zoals het escorteren van bommenwerpers. Deze drie squadrons (nrs. 303, 354 en 602) werden eind september gestationeerd aan de oostkust van Engeland (Norfolk). Opvallend genoeg was alleen het 602de squadron Brits. De bemanning van het 303de squadron was Pools en dat van het 453ste squadron was Australisch. Een squadron kon op volle sterkte twaalf vliegtuigen inzetten. De aanvallen tegen V2-doelen bij Den Haag werden meestal uitgevoerd in groepen van vier vliegtuigen. De drie squadrons kregen in februari versterking van het 451ste (Australische) squadron en het Engelse 124ste squadron.

 

Ook op de grond in Den Haag merkte men in september weinig van acties tegen de V2. Twee keer kwam er een brandstoftank op de grond en drie maal sloegen ergens mitrailleurkogels in. Hierbij raakten twee mensen gewond.

 

De in de paragrafen hieronder vermelde gegevens geven maar een globaal beeld van de Britse luchtaanvallen voorafgaand aan het bombardement van 3 maart. De verschillende bronnen geven niet altijd dezelfde informatie. Dat komt mogelijk omdat vliegtuigen niet altijd Den Haag als primair doel hadden. Piloten vielen vaak heel verschillende doelen aan en die hadden niet allemaal direct iets met de V2-aanvallen te maken. Op 25 september waren dat bijvoorbeeld een stafauto, een vrachtwagen en twee schepen14.

Spitfires van het 603de squadron

Spitfires van het 603de squadron worden geladen met bommen voor een aanval op een V2-doel in de buurt van Den Haag (Imperial War Museum).

Luchtaanvallen in oktober

Ook in oktober registreerde de Haagse Luchtbeschermingsdienst niet veel luchtaanvallen. De vier squadrons van Fighter Command vlogen vooral patrouillles langs de Nederlandse kust. De piloten moesten uitkijken naar V2's. Als ze een raket omhoog zagen komen, moesten ze proberen de lanceerplaats te lokaliseren. Op 3 oktober zagen piloten van het 303de squadron een V2, die werd afgeschoten vanaf de zuidwestkant van Den Haag. Deze patrouilles werden eind oktober beëindigd15.

 

Vanaf 15 oktober lag de verantwoordelijkheid voor de bestrijding van de V2 volledig bij Fighter Command. Dit was volgens Simpson een verbetering, want Fighter Command voerde een betere tactiek in. Piloten moesten een ‘gewapende verkenning’ (“armed recce”) uitvoeren. Dat hield in dat ze een doel moesten aanvallen ook als ze geen Duitse troepen of V2's konden zien. Als het doel door bewolking niet te vinden was, mochten ze een ander (voorgeschreven) V2-doel aanvallen. Meestal werden de doelen beschoten met de boordmitrailleurs. Pas na half november konden de piloten van een nieuwer type Spitfires bommen meenemen.

 

De eerste ‘armed recces’ op V2-doelen werden op 22 oktober gevlogen door squadrons 303 en 453. De jachtvliegtuigen vielen vaak doelen buiten Den Haag aan. Dit waren treinen, binnenschepen en autoverkeer. Maar veel aanvallen op Den Haag waren er niet. Op 18 oktober viel op het Petuniaplein een dode bij een aanval op Ockenburg en Stichting Bloemendaal16.

Luchtaanvallen in november

In november kwamen de luchtacties meer op gang, vermoedelijk omdat Fighter Command de belangrijkste V2-locaties nu kende: station Leiden, de landgoederen Bloemendaal en Ockenburg in Loosduinen, het Promenade Hotel in het vestinggebied, het Haagse Bos, Duindigt en enkele landgoederen in Wassenaar. Er waren veel meer locaties, want de Duitsers verplaatsten zich steeds om luchtaanvallen voor te zijn. Volgens Simpson wemelde het in en rond Den Haag van V2-doelen17.

 

Er kwam steeds meer druk op Fighter Command om wat tegen de V2-aanvallen te doen. Er vielen in Londen dagelijks steeds meer doden. Luchtmaarschalk Hill vroeg toestemming om doelen aan te vallen die meer risico's opleverden voor Nederlandse burgers. Hij kreeg die toestemming, maar Fighter Command ging nog steeds voorzichtig te werk. Men stelde een lijst op van doelen die minstens 250 yard (228 meter) van burgergebouwen verwijderd lagen. Deze lijst werd elke week aangepast met nieuwe informatie over V2-locaties18.

 

In de loop van november gingen enkele squadrons vliegen met een nieuwer type Spitfire, het model XVI. Met dit type jachtvliegtuig konden de piloten wel bommen meenemen en zonder tussenlanding terugvliegen naar Engeland. Ze konden V2-doelen zwaarder beschadigen. De Britse regering had op 10 november voor het eerst toegegeven dat Londen werd aangevallen met V2-raketten. Dat was geheim gehouden om paniek te voorkomen. Maar nu het bekend was, moest de luchtmacht successen zien te behalen in de strijd tegen de V2.

 

In november voerden Britse jachtvliegtuigen meer aanvallen uit, maar niet zoveel als de bedoeling was. De oorzaak was het slechter wordende weer. Wind, regen of sneeuw maakten opstijgen onmogelijk, of het vliegen moeilijk. En als men naar Den Haag vloog kon ook daar zware bewolking hangen, zodat men het doel niet kon zien. Veel aanvallen werden op het laatste moment geannuleerd. Op 2, 5, 7 en 8 november werden V2-doelen aangevallen, maar de dagen daarna weer niet. Pas op 21 november konden de piloten bij goed weer de hele dag aanvallen uitvoeren. Ook op 26 en 30 november werden aanvallen uitgevoerd. De Haagse Luchtbeschermingsdienst registreerde al meer schade door Britse luchtacties. Op 2 november raakten op verschillende plaatsen mensen gewond door granaatscherven, mitrailleurkogels en door een voortijdig ontplofte V2 (bij Marlot). Op 7 november werd iemand op straat dodelijk getroffen door een bomscherf. De meeste doden in deze periode vielen overigens door in of rond Den Haag ontploffende V2’s. In november vloog de Britse luchtmacht (vanaf 21 november geteld) 111 missies boven West-Nederland (en mogelijk boven Den Haag)19.

Slecht weer in december

Terwijl de V2-lanceringen in december onverminderd doorgingen, werd de Britse luchtmacht sterk gehinderd door slecht weer. Jachtvliegtuigen kwamen alleen op 4, 18, 24, 28 en 31 december massaal in actie. Op een paar andere dagen waren er aanvallen op veel kleinere schaal. De rest van de maand waren aanvallen onmogelijk. De vliegtuigen vielen doelen aan in het Haagse Bos, Marlot en het Promenadehotel in Den Haag, de landgoederen Langenhorst (15), Rust en Vreugd (16) in Wassenaar en Overvoorde (17) en Huis te Werve (18) in Rijswijk. Verder vielen de vliegtuigen ook weer het transport aan: treinen, spoorlijnen, schepen en (vracht)auto's.

 

Volgens Simpson gaven de massale luchtaanvallen de inwoners van Den Haag hoop. De stad was nog steeds bezet, maar met al die geallieerde vliegtuigen in de lucht leek de bevrijding dichtbij. Er vielen wel slachtoffers. Op 11 december vielen bommen op Station Staatsspoor die twee mensen het leven kostten. Op 31 december kwamen zes mensen om het leven door bommen naast en onder het viaduct over de Leidsestraatweg. Bij bominslagen op de Zwarteweg, bij de Pletterijkade en de Zuidoost Buitensingel (bij 19) verloren dezelfde dag zes mensen het leven en raakten twaalf mensen gewond20.

De luchtaanvallen: januari en februari 1945

In januari kwam de Britse luchtmacht vaker in actie, maar toch vielen er meer V2’s op Londen. De Duitsers verbeterden hun werkwijze en leken de Britten steeds voor te blijven. In februari vielen jachtvliegtuigen van Fighter Command massaler aan dan tevoren. De eerste weken van februari waren er aanvallen op 3, 6, 8, 10, 14, februari. Op 4 en 9 februari werd een kleiner aantal aanvallen uitgevoerd en op de andere dagen werden aanvallen afgelast vanwege het weer.

 

De Britten hadden ondertussen hun tactiek grwijzigd. Ze hoopten de V2-lanceringen beter tegen te kunnen gaan door fabrieken van brandstof voor de V2 aan te vallen. Een van de plaatsen waar volgens hun inlichtingen vloeibare zuurstof werd gefabriceerd was de remise van de Westlandse Stoomtram Maatschappij in Loosduinen (20). Dit was vermoedelijk niet zo, maar de remise kreeg de hoogste prioriteit bij de planning van aanvallen. De eerste weken van de nieuwe tactiek werden de aanvallen steeds geannuleerd vanwege het slechte zicht. Vermoedelijk hing er alleen lokaal een wolkendek, want andere doelen werden op 1, 4, 5, 17 19 en 22 januari wel aangevallen. De piloten wilden bij deze aanval zeer goed zicht op het doel, omdat dichtbij de remise woonhuizen lagen, die ze beslist niet wilden raken21.

 

De eerste grote aanval op de WSM-remise was op 3 februari. Die dag vielen grote groepen vliegtuigen zowel ’s ochtends als ’s middags aan. De piloten raakten hun doel niet, waarschijnlijk omdat ze zoveel moeite deden omliggende woonhuizen te ontzien. Dat ze toch enkele woningen vernielden wisten ze niet. Er vielen ook zes doden en dertien gewonden bij deze aanvallen. De aanval werd op 8, 9 en 14 februari herhaald en toen vond luchtmaarschalk Hill het genoeg. Hij was volgens Simpson opgelucht dat omliggende woningen niet waren geraakt en vond dat het doel afdoende was geraakt. Maar ook bij deze aanvallen waren burgerslachtoffers gevallen. Op 8 februari vielen er drie doden en vier gewonden en op 9 februari één dode en elf gewonden. Ook op enkele andere dagen maakten Britse luchtaanvallen in februari slachtoffers (zie de noot)22.

21 februari: zwaardere luchtaanvallen

In februari voerde Fighter Command weer een nieuwe tactiek in. De leiding besloot de aanvallen tijdelijk te concentreren op één doel. Het Haagse Bos leek de belangrijkste opslagplaats van V2's en dit werd het hoofddoel van de geconcentreerde aanvallen. De eerste aanval volgens de nieuwe werkwijze was op 21 februari. Op 22, 25, 26, 27, 28 februari werd het Haagse Bos opnieuw zwaar aangevallen. De aanvallen gingen de hele dag door. Zodra de vliegtuigen terug waren in Engeland werden ze gereed gemaakt voor een nieuwe actie boven Den Haag.

 

Als het Haagse Bos door bewolking niet aan te vallen was, vielen de piloten secundaire doelen aan. Dat waren spoorlijnen, spoorkruisingen en wegen tot zover als Amersfoort. Ook Duindigt, Rust en Vreugd, Ockenburg golden met en andere V2-doelen als secundair doel23.

 

In februari vloog Fighter Command 933 missies tegen V2-doelen en dat waren er meer dan in alle maanden daarvoor tezamen. Maar de inzet van zo'n honderd piloten in zes squadrons was niet genoeg. Eerst leek de nieuwe tactiek succes te hebben. Op luchtfoto’s van 24 februari waren geen raketten meer te zien in het bos, maar toch vielen er op 26 februari zeventien raketten op Londen. Nog nooit waren in één etmaal zoveel V2's op Londen gevallen. De intensieve aanvallen hadden er blijkbaar alleen voor gezorgd dat de Duitsers het Haagse Bos niet meer gebruikten en dat ze andere locaties waren gaan gebruiken. Ze gebruikten nu vooral de omgeving van renbaan Duindigt. Dit werd het hoofddoel van de volgende week. Het Haagse Bos en Rust en Vreugd bleven de andere belangrijke doelen. In maart zou Fighter Command 1670 missies uitvoeren, maar eind februari zag luchtmaarschalk Hill al in dat zijn luchtmachtonderdeel niet bij machte was de V2-aanvallen te verhinderen. Hij drong aan op een luchtaanval met zwaardere bommenwerpers. Daarvoor was de Second Tactical Airforce nodig24.

Burgerslachtoffers

Hoewel de Britse piloten hun best deden Nederlanders te ontzien, vielen er slachtoffers en richtten de aanvallen schade aan. Vliegtuigen verloren een benzinetank of er vielen bommen op woonhuizen. Ook werden mensen op straat geraakt door kogels of bomscherven. Meer luchtaanvallen betekende meer slachtoffers en meer schade.

Schade aan het Bezuidenhout

Je leest soms dat het Bezuidenhout vrijwel dagelijks last had van luchtaanvallen, maar dat gold volgens rapporten van de luchtbeschermingsdienst pas vanaf 21 februari. Voor deze datum viel er op het Bezuidenhout zelden een bom. Daarna viel Fighter Command bijna dagelijks het aangrenzende Haagse Bos aan.

 

De schade ontstond vooral aan huizen op de rand van het Haagse Bos, dus op of vlakbij de Bezuidenhoutseweg (20). Eind februari was het daar, zoals iemand vertelde, “één glasruïne. Er staat geen huis of het is beschadigd”. Mensen waren bang dat hun huis ook getroffen zou worden en veel mensen vertrokken ‘s ochtends van huis om er pas ’s avonds terug te keren. Ook verhuisden veel mensen tijdelijk naar elders. Bij goed weer durfden mensen niet door de wijk te lopen. Ze maakten liever een omweg om de wijk. Een bewoner vertelde dat er de hele dag luchtalarm was en dat je dan in de kelder moest wachten tot de vliegtuigen weer weg waren. Af en toe hoorde je in de verte bommen vallen: “Daar was je bang voor. Er kon een familielid getroffen zijn”25.

 

De inwoners van Den Haag waren ook bang voor de Duitse V2’s. Regelmatig mislukte een lancering en stortte de raket ergens neer. Als de motor vlak na de lancering niet haperde was het veilig. Als het geraas eerder ophield, stortte de V2 dichtbij neer. Mensen zagen raketten onbestuurbaar, wild zigzaggend, over de stad scheren. V2’s kostten tientallen Hagenaars het leven. De zwaarste inslag vond op 1 januari 1945 plaats in de Indigostraat (21). Daarbij vielen 67 gewonden en 24 doden. De Duitse civiele (niet-militaire) autoriteiten zouden volgens het (illegaal verschijnende) krantje Het Parool tegen de V2-lanceringen bij Den Haag hebben geprotesteerd. Maar de lanceringen gingen gewoon door26.

Zwaarst getroffen wijk

Het Bezuidenhout was al voor het bombardement van 3 maart de zwaarst getroffen wijk van Den Haag. Hier viel ongeveer de helft van het aantal slachtoffers van alle luchtaanvallen. Maar zij vielen bijna allemaal na 20 februari27.

Figher Command op 3 maart 1945

Op 2 maart kreeg het hoofdkwartier van Fighter Command bericht dat de Second Tactical Airforce de volgende dag het Haagse Bos zou aanvallen. Desondanks stegen op 3 maart toch jachtvliegtuigen op om aanvallen te doen op Den Haag. Het weer aan de Engelse oostkust was redelijk goed. Onderweg hoorde de eerste groep jachtvliegtuigen (van het 602de squadron) dat ze niet het Haagse Bos, maar het Staalduinse Bos (22) moesten aanvallen. Toen zij dit doel om 9.15 uur aanvielen, zagen zij twee groepen middelzware bommenwerpers boven Den Haag.

 

Volgens Simpson zagen de piloten dat de bommenwerpers een fout maakten, maar ze konden de bommenwerpers niet waarschuwen. Hun radio stond afgestemd op (vaste) andere frequenties. Toen piloten van het Poolse 303ste squadron om 9.45 uur het Haagse Bos aanvielen zagen zij brandende gebouwen ten zuidoosten van het Haagse Bos, dus in het Bezuidenhout. Later zagen piloten van het 124ste squadron dat alle huizen daar in brand leken te staan. Piloten van het 453ste squadron meldden bij terugkeer in Engeland schade aan huizen, die moest zijn veroorzaakt door middelzware bommenwerpers (“Mediums hit civvies”). De schade was duidelijk niet veroorzaakt door jachtvliegtuigen. Een piloot van het 602de squadron was aangeslagen dat de inspanningen van zijn squadron om burgers te sparen vergeefs was geweest: ”We were shocked that all the efforts we had made to avoid houses had been to no avail”28

 

Zie voor vervolg deel 3: Het bombardement.

 

Verantwoording

Deze pagina’s geven een korte geschiedenis van het bombardement van 3 maart 1945 van het Bezuidenhout. Het verhaal is gebaseerd op onderzoek in literatuur en enkele archieven. Archieven waren helaas lang niet volledig en gaven evenmin eenduidige informatie. Feiten uit het ene rapport stemden niet altijd overeen met feiten uit een ander rapport. Dit zal te wijten zijn aan de oorlogsomstandigheden en aan de chaos van het onverwachte bombardement. Er was tekort aan personeel en materiaal en er was geen tijd om alles op papier te zetten. In de tekst of noten is zoveel mogelijk vermeld wanneer feiten onbetrouwbaar lijken. Ook boeken of websites die ik heb gebruikt vermelden niet altijd waar informatie is gevonden. De informatie lijkt betrouwbaar. De hoofdlijnen van het bombardement zijn duidelijk, maar er blijven dus veel lacunes in de informatie

 

Tekstuele wijzigingen d.d. 5 september 2016

Literatuur

• J.F.A. Boer, 'Raketten over Den Haag. Bijdrage tot de geschiedenis van de Duitse V2-aanvallen op Londen, september 1944-maart 1945', Jaarboek Die Haghe 1948, pp 1-34.

• Bill Simpson, Spitfire Dive-bombers Versus the V2. Fighter Command’s Battle with Hitler’s Mobile Missiles, Barnsley 2007.

• J.R. Verbeek, V2-Vergeltung uit Den Haag e.o. Inzet van de V2-raketten en de verschrikkingen voor de stad en haar bewoners, Almere-Den Haag, 2003.

• Gerrit J. Zwanenburg, En nooit was het stil... Kroniek van een luchtoorlog, deel 2, z.pl, z.j.

Websites

flyingbombsandrockets.com resultaten van uitgebreid onderzoek in Londense archieven over de inslagen van V1 en V2 in Zuid-Londen.

Noten

1. Informatie over de V1 en V2 heb ik ontleend aan het boek van Simpson, over de luchtfoto’s aan de BBC-documentaire ‘Operation Crossbow, uitgezonden op BBC 2, 15 mei 2011. Op het eind van de oorlog bezat de Allied Central Interpretation Unit 5 miljoen luchtfoto’s van de hele wereld die nu worden bewaard bij deRoyal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland.

2. Ontleend aan de BBC-documentaire ‘Operation Crossbow, uitgezonden op BBC 2, 15 mei 2011.

3. Ontleend aan de website www.flyingbombsandrockets.com (over inslagen van de V1 en V2 in Zuid-Londen) en aan een online gevonden krantenbericht uit de The Palm Beach Post van 8 september 1945 (link verwijdert, omdat de pagina niet meer bestond).

4. Boer 2-9, Verbeek 47-48, Dungan 116-119.

5. Ik heb geen eigen onderzoek naar de V2 gedaan, maar me verlaten op literatuur en internet. De belangrijkste bronnen zijn het boek van Dungan, het artikel van Boer en de website www.v2rocket.com. Deze bronnen vermelden helaas niet waar de informatie is gevonden. Dungan geeft bijzonder veel informatie, maar niet alles stemt overeen met wat andere bronnen vermelden (bijv. het archief van de Luchtbeschermingsdienst).

6. Boer 12-14, Dungan 176.

7. Boer 7-11,15-17, Simpson 82-83, Dungan 134-142.

8. Verbeek 29, 32, Boer 9-12; Fighter Command heette korte tijd Air Defence of Great Britain; beschrijving van de Londense situatie overgenomen van /www.flyingbombsandrockets.com; Simpson 211, en cijfers van het Ministerie van Binnenlandse Veiligheid gevonden op myweb.tiscali.co.uk .

9. Simpson 62-67.

10. Fighter Command was tijdelijk als Air Defence Great Britain onderdeel geweest van de Allied Expeditionary Air Force, zie ook Simpson 74.

11. Simpson 37-38, 84-116.

12. Simpson 78-81 Dungan 120-123, 134.

13. Simpson 155-157.

14. Simpson 57-61. Op 18 september werden de squadrons 80 en 274 en 3, 56 en 486 aangewezen voor de V2-aanvallen. Het 229ste squadron gebruikte de Spitfire, zie. Simpson 6, 43-47, 52-54, 110-112, 119-121. Tot januari 1945 had squadron 229 het nummer 603; aanvallen vermeld o.a. door Zwanenburg 313-315, 362.

15. Simpson 66-71, Zwanenburg 382-383.

16. Simpson 75, 79-80, 95-96, Zwanenburg 430; bnr 1165, inv. nr. 105.

17. Simpson 80-83.

18. Simpson 84-85, 91.

19. Simpson 79-80, 101, 104. National Archives Londen, AIR 20/795. De gegevens van de Britse luchtmacht die opgenomen zijn bij Simpson komen deze periode goed overeen met gegevens van de Haagse luchtbeschermingsdienst, Archief Luchtbeschermingsdienst bnr. 1165, inv. nr. 109; Zwanenburg 433, 437, 440-441, 454, 458.

20. Simpson sprak met mensen die toen in Den Haag woonden; Simpson 119-121, Simpson 123-124, Simpson 133-134, Archief Luchtbeschermingsdienst, bnr. 1165, inv. nr. 106, 109, Zwanenburg 467, 474-475, 482, 484, 486, 489-490; bommen vielen voor Pletterijkade 32, op ZO Buitensingel 191 en 224, achter percelen Zwarteweg 70 en 19, en op Nieuwe Havenstraat 135. Bij Zwarteweg 4 doden, op straat bij ZO Buitensingel 2; in hele omgeving ruiten vernield en tot in Huygenspark daken beschadigd.

21. Zwanenburg 503, 510, 512-514, 521, 522, 525: op 1, 4, 5, 17 19, 22 januari aanvallen op doelen als Haagse Bos, Promenade Hotel, Huis te Werve, Overvoorde,. Huis te Werve, Rust en Vreugd, Overvoorde, Promenade Hotel, Langenhorst. Op 6, 7 10, 11, 15, 18 en 20 januari werden aanvallen door de weersomstandigheden afgebroken.

22. Simpson 135-136, 147-152, Dungan 143, Archief Luchtbeschermingsdienst, bnr 1165, inv. nr. 107, N.B. De verschillende opgaven van slachtoffers stemmen niet altijd overeen. Dat is niet alleen te verklaren doordat gewonden later overlijden, want het aantal gewonden kan ook flink verschillen.

23. Volgens een rapport van 21 maart 1945 in dossier AIR 20/795 bij het National Archives in Londen. Zwanenburg 536-537, 539, 542-543, 550, 553 , 555, 559, 564, 565, 566, 569-570: Op 3 februari aanvallen op Haagse Bos, Langenhorst en Loosduinen, en Staalduinse Bos, 4 februari aanvallen op Promenade Hotel, maar andere afgebroken, op 6 februari vielen verschillende groepen Spitfires het Haagse Bos aan en dan vooral de Leidse Straatweg, Overvoorde, Promenade Hotel en Huis te Werve, op 8 februari door gaten in de bewolking de vloeibare-zuurstoffabriek in Loosduinen, op 9 februari was er één aanval op de zuurstoffabriek, waarbij een bom viel op de "werkplaats WSM", tevens vielen er onder burgers 4 doden en 15 gewonden in Loosduinen. Op 10 februari verschillende aanvallen, onder andere op het Promenade Hotel en Rust en Vreugd, Die dag viel een bom op de Rijswijkseweg (vóór nr. 65) bij de Goudriaankade (op nr. 9) en daarbij vielen 7 doden en 6 gewonden (volgens een andere opgave 23 gewonden). Op 14 februari meerdere aanvallen op Rust en Vreugd, Promenade Hotel, Rust en Vreugd, Huis te Werve en Overvoorde. Bij Marlot werd een geallieerde piloot gevonden en vielen bij bominslagen 2 doden en 5 gewonden. Bij een aanval op Marlot vielen verschillende bomen in de buurt van de Bezuidenhoutseweg tegenover Hofzichtlaan en vielen er 1 dode en diverse gewonden. Op 20 februari werd het Haagse Bos zes maal aangevallen. Op 21 februari vielen 90 Spitfires doelen in het Haagse Bos aan en zes andere Ockenburg aan. Bij een bominslag op Nieuwe Haven 146 vielen een dode en twee gewonden, de bom sloeg een trechter van ca 6 x 6 x 2 meter en werden 25 woningen grotendeels vernield en in een wijde omgeving woningen beschadigd; elders in de stad vallen bij meerdere bominslagen acht gewonden. Bij een bominslag vóór Lange Voorhout 40 vallen die middag 4 doden en 5 gewonden. Op 22 februari viel een bom op Weissenbruchstraat 356 (twee doden) en vóór perceel 273. In het Bezuidenhout vielen bij meerdere bominslagen 10 doden en raakten 37 mensen gewond: Bezuidenhoutseweg 251 (daar werkzame timmerman gedood) en 253 werden geraakt; bij aanval op Leidsestraatweg werd een passant gedood, bij een bominslag op de hoek van de Bezuidenhoutseweg en de Laan van Nieuw Oost-Indië raken twee mensen zwaargewond; er vallen vier bommen vóór Bezuidenhoutseweg 98 en in het Haagse Bos. Daarbij vielen meerdere doden, bij een bominslag vóór Bezuidenhoutseweg 27 vallen 7 doden op straat en een onbekend aantal gewonden. In totaal vielen120 Spitfires in 17 formaties met 4 tot 12 vliegtuigen per formatie vooral het Haagse Bos aan. Ook Station Staatsspoor werd aangevallen; 21 Spitfires vielen doelen bij Ockenburg aan. Bij een bominslag op de Paulus Potterstraat vielen 2 gewonden, op die dag vielen er in de ochtend zes gewonden bij een bominslag op de Mauritskade. Bij een bominslag op Stuyvesantstraat 169 en 181 vielen twee doden en enkele gewonden. Daarna vielen op 25 februari 81 Spitfires doelen in het Haagse Bos aan en enkele andere Ockenburg. Op 26 februari vielen 115 Spitfires doelen in het Haagse Bos aan. Bij diverse bominslagen op het Bezuidenhout vielen die dag 2 doden en 1 gewonde. Er kwam een bom terecht op een openbare schuilkelder op de Bezuidenhoutseweg tegenover de Joan Maetsuyckerstraat en bommen op de achterzijde van Bezuidenhoutseweg 61 waarbij ook nr. 63 ernstig werd beschadigd. In de ochtend vielen bij een bominslag vóór perceel Spuistraat 11 27 doden en 54 gewonden. De percelen 6, 8 en 12a en 7, 9 en 11 werden beschadigd. Op de Fluwelen Burgwal vallen bij een bominslag 2 doden en 1 gewonde. Bij een bominslag voor Bezuidenhoutseweg 265d en 265e, voor 369 en in Bezuidenhoutseweg 351 (achterzijde) vielen geen slachtoffers. Bij een bominslag op de Binckhorststraat in een steenhouwerij achter nr. 56 en een uitbouw van Ternootstraat 57 vielen twee doden en een aantal gewonden. Tegelijkertijd viel een bom op Daendelstraat 22-24: 2 doden, enkele gewonden. Later in de ochtend viel een bom op Mariastraat 54: 2 doden, 2 gewonden; ongeveer tegelijkertijd viel een bom op gebouw Boslaan 3 en 5, waarbij filmgebouw Profilti beschadigde raakte. In middag viel een bom in de tuin en keuken van Van Linschotenstraat 25, ook perceel 27 raakte zwaar beschadigd. Even later viel een bom op Carpentierstraat 9 en werden ook huizen 7, 9 en 11 beschadigd. Hierbij vielen gewonden. Ook viel een bom op Bezuidenhoutseweg 193, op Joan Maetsuyckerstrat 73 en 75 en op Rijklof van Goenstraat 81. Hierbij vielen geen slachtoffers. Op het eind van de middag sloegen bommen in op Theresiastraat 145-147: 2 doden, enkele gewonden. Daarna een bom op Johannes Camphuysstraat 35 en 37 (geen slachtoffers) en een bom vóór Theresiastraat 176: 1 dode en enkele gewonden. Er viel ook een bom op de rechtbank aan het Korte Voorhout (nr. 11): 2 doden en 10 gewonden. Op 27 februari vonden slechts enkele vliegtuigen hun doel in het Haagse Bos. Op de Boslaan raakte iemand gewond en op de Leidsestraatweg vielen 3 doden en 3 gewonden. In de Swammerdamstraat vielen bij een bominslag 3 doden en 4 gewonden. Op 28 februari vielen vanwege de bevolking slechts de helft van de uitgezonden 123 Spitfires hun doelen in het Haagse Bos, Ockenburg en Rust en Vreugd. Op Binnenhof 21 viel een bom: 2 gewonden. In het Bezuidenhout en het Haagse Bos vielen 3 doden en 5 gewonden. Op de Goudriaankade vielen 2 doden en 33 gewonden, op het Hofwijckplein 1 dode en 14 gewonden. Op 1 maart vielen 78 Spitfires voorraad- en onderhoudsdepots in het Haagse Bos aan en op 2 maart 115 Spitfires hetzelfde doel en het Staalduinse Bos en Rust en Vreugd. Overigens geldt ook bij deze cijfers weer dat verschillende bronnen soms verschillende cijfers geven.

24. National Archives, Londen, AIR 20/279, Simpson 154-159, 165-166, Verbeek 34, Tinschert 48.

25. Boer 20-22, Korthals Altes 282, 286-289, Tinschert 27, 47-48, 57, Van der Boom 233-234, Luchtbeschermingsdienst, bnr.1165, inv. nr.199, Gemeentearchief Den Haag, OV 10 no. 228a, interviews Hans Pars.

26. Boer 19,Dungan 138, Korthals Altes 282, Tinschert 13-22, 35-36. Luchtbeschermingsdienst bnr. 1165, inv. nr. 199.

27. De grootste schade ontstond door luchtaanvallen in de tweede helft van februari, vooral in het Bezuidenhout. Van de ongeveer 120 schaderapporten betroffen er ongeveer tachtig schade door bommen of kogels uit vliegtuigen en ongeveer veertig door neerstortende V2’s. In 64 gevallen was er sprake van doden en gewonden. Bij luchtaanvallen vielen er 166 licht gewonden, 201 zwaar gewonden en 135 doden. Duitse V2’s stortten vaak neer in onbewoond gebied, zodat deze veel minder slachtoffers maakten: 75 licht gewonden, 43 zwaar gewonden en 35 doden.In het Bezuidenhout vielen er slachtoffers bij luchtaanvallen: op 14 september (Bezuidenhoutseweg), 5 oktober (Bezuidenhoutseweg), 6 december (Cornelis Houtmanstraat en omgeving), 28 december (Leidsestraatweg/ Bezuidenhoutseweg), 31 december (Bezuidenhoutseweg bij Daendelstraat en 1e Van den Boschstraat), 1 januari 1945 (Haagse Bos en Bezuidenhout, 4 januari (Agathastraat en omgeving), , 6 februari (Mariastraat 40-48), 20 februari (Haagse Bos met schade in het Bezuidenhout), 21 februari (Bezuidenhoutseweg 251, Leidsestraatweg, Bezuidenhoutseweg hoek Laan van Nieuw Oost-Indië, Bezuidenhoutseweg bij nr. 98), 22 februari (Bezuidenhoutseweg, Leidsestraatweg, Bezuidenhoutseweg 27), 25 februari (Bezuidenhoutseweg, Hertenkamp, Bezuidenhoutseweg 61), 27 februari (Boslaan), 26 februari (Leidsestraatweg), 28 februari (Bezuidenhout, Leidsestraatweg, Haagse Bos, Leidsestraatweg), 26 februari (Bezuidenhout diverse inslagen, Bezuidenhoutseweg 265, 351, Binckhorststraat, Daendelstraat 22-24, Mariastraat 51 en Boslaan, Van Linschotenstraat, De Carpentierstraat 9, Joan Maetsuykerstraat/ Van Goenstraat, Theresiastraat 145). Op 4 februari 1945 was er schade aan de Laan van NOI en omgeving door een vliegende bom (Bron: Haags Gemeentearchief, Luchtbeschermingsdienst, bnr. 1165, inv. nr. 107-109): De neergestorte V2’s heb ik niet nauwkeurig geteld omdat deze mogelijk niet allemaal door de Nederlandse autoriteiten zijn geregistreerd: met dat voorbehoud vielen er ongeveer 18 in de kustzone: Scheveningen, Westduinen, Statenkwartier en de Archipel. Ongeveer 7 in Marlot en Haagse Bos, ongeveer 2 in het Benoordenhout, ongeveer 2 in het Bezuidenhout en ongeveer 8 in Loosduinen, Kijkduin en aangrenzende wijken. Daarnaast vielen er ook elders nog V2’s in Den Haag. Overigens geldt ook voor deze cijfers dat ze af kunnen wijken van cijfers uit andere opgaven.

28. 28. Simpson 167-171.