Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDeze pagina geeft informatie over de aanleiding van het bombardement op het Bezuidenhout van 3 maart 1945. .

kopfoto

Bombardement op het Bezuidenhout

Deel 3: het bombardement van 3 maart 1945

Het bombardement

Dit is deel 3 van de geschiedenis van het bombardement op het Bezuidenhout op 3 maart 1945. Voor deel 1 en 2 zie de pagina's deel1 en deel 2.

Voorgeschiedenis

In deel 2 is beschreven hoe de Duitsers vanuit Den Haag en omgeving V2-raketten op Londen afschoten en hoe de Britse luchtmacht hier tevergeefs jachtbommenwerpers tegen inzette. Ondanks soms intensievere luchtaanvallen sloegen er steeds meer V2’s op Londen in.

 

De Britse luchtmacht zette (kleine) jachtvliegtuigen in om zo weinig mogelijk slachtoffers te maken onder Nederlandse burgers. Jachtvliegtuigen konden bommen nauwkeuriger afwerpen dan hoge vliegende zware bommenwerpers. Jachtvliegtuigen hoorden tot 'Fighter Command'. Dat was het luchtmachtonderdeel dat Groot-Brittannië moest beschermen tegen Duitse bommenwerpers. De commandant van Fighter Command, luchtmaarschalk Roderic Hill, zag dat zijn jachtvliegtuigen de V2-aanvallen niet konden verminderen. Hij stelde daarom voor om zwaardere bommenwerpers in te zetten. De enige geschikte bommenwerpers waren middelzware bommenwerpers van de Second Tactical Airforce (Tweede Tactische Luchtmacht). Hill maakte afspraken over samenwerking met dit luchtmachtonderdeel. In ruil voor deze hulp zou Fighter Command de Second Tactical Airforce gaan helpen bij het aanvallen van andere doelen.

Inzet van de Second Tactical Airforce

Fighter Command was begin 1945 door de regering (eigenlijk door het "Defence Committee") gevraagd om de V2-doelen zwaarder aan te vallen. En in februari vroeg men de Second Tactical Airforce in te zetten tegen de V2. De hoogste legerleiding moest daar toestemming voor geven, want de hoofdtaak van de Second Tactical Airforce was de steun aan grondtroepen. Het winnen van de oorlog op de grond had de hoogste prioriteit. De bestrijding van het V2-gevaar kwam op de tweede plaats. De Second Tactical Airforce mocht pas V2-doelen aanvallen als er een opening was in het bombardementsschema, dus als het grondleger geen bombardementswensen had.

 

Vertegenwoodigers van de twee luchtmachteenheden bespraken op 23 februari hoe ze zouden samenwerken. Dat gebeurde op het hoofdkwartier van de Tactische Luchtmacht in Brussel. Men sprak over mogelijke doelen en over welk type bommenwerper het meest geschikt was. De Second Tactical Airforce vloog met verschillende typen bommenwerpers. Men dacht onder andere aan de snelle Mosquito-bommenwerper, waarmee men tamelijk nauwkeurig kon bombarderen. Maar dit vliegtuig was kwetsbaar voor luchtafweergeschut en dat stond er veel in en rond Den Haag. De Mosquito viel af en men koos voor grotere en langzamere bommenwerpers zoals de B-25 Mitchell en de A-20 Boston. Het nadeel van deze bommenwerpers was dat ze minder nauwkeurig bombardeerden. Ze waren zwaarder, vlogen langzamer en ze vlogen daarom veel hoger om de kans op neerschieten te verminderen. Vanaf grote hoogte verspreidden bommen zich over een groter gebied. Naast de keus van de bommenwerpers werden nog enkele afspraken gemaakt, die door een vertegenwoordiger van Fighter Command op papier werden gezet. Op 2 maart werden de afspraken door iemand van de Tactical Airforce bevestigd1. De belangrijkste waren:

 

1. De Second Tactical Airforce zou haar ‘Second Group’ (Tweede Groep) beschikbaar stellen. Dit onderdeel van de tactische luchtmacht vloog met de B-25 en de A-20-bommenwerpers. Aanvallen op doelen van de landmacht hadden prioriteit boven de V2-doelen.

 

2. Het hoofdkwartier van Fighter Command zou elke week een lijst van doelen ('Target List") opsturen naar de Tactical Airforce in Brussel. Dat koos uit die lijst een doel dat geschikt was voor middelzware bommenwerpers. Op 17 en 21 februari had men al lijsten van Fighter Command ontvangen. Op 1 maart ontving men de derde lijst.

 

3. Fighter Command zou alle relevante details en foto’s van doelen naar Brussel sturen.

 

4. De Second Tactical Airforce zou voorrang krijgen boven Fighter Command als beide luchtmachtonderdelen op dezelfde dag hetzelfde doel aan wilde vallen2.

 

Op dezelfde vergadering lieten vertegenwoordigers van Fighter Command een luchtfoto zien waarop de V2-doelen in en rond Den Haag en het door burgers bewoonde gebied duidelijk waren aangegeven. De officieren van Fighter Command benadrukten later, dat ze "tot in het detail” hadden uitgelegd waar burgers woonden. Ook hadden ze er nog eens op gewezen dat middelzware bommenwerpers een groter gevaar voor burgers opleverden dan jachtvliegtuigen. Men was het er over eens dat het enige geschikte doel voor middelzware bommenwerpers het Haagse Bos was. Richtpunten moesten op zijn minst 500 yards (457 meter) van Nederlandse eigendommen liggen: “This consideration, it was concluded by the Meeting, practically ruled out any Target but the HAAGSCHE BOS for medium attack at that time”. Men ging er vanuit dat bommen van dit type bommenwerper niet verder dan 457 meter van het doel zouden vallen. Om zeker te zijn dat er geen bommen op het Bezuidenhout zouden vallen moesten doelen op 457 meter afstand van deze wijk liggen. Dat betekende dat alleen de noordkant van het Haagse Bos veilig kon worden gebombardeerd. De Nederlandse regering werd niet op de hoogte gebracht van het plan om middelzware bommenwerpers te gebruiken. Dat had men volgens gemaakte afspraken wel moeten doen3.

 

Simpson vindt het verwonderlijk dat de Second Tactical Airforce veel zeggenschap kreeg over dit bombardement. Het was immers Fighter Command dat verantwoordelijk bleef voor de strijd tegen de V24.

Opdracht

Vrijdag ontving ontving het hoofdkwartier van Second Group in Brussel aan het begin van de avond (18.50 uur) de opdracht om doelen in het Haagse Bos te bombarderen.

 

De vliegtuigen van Second Group waren gestationeerd op vliegbases in Noord-Frankrijk en België. Daardoor hoefden de bommenwerpers niet zo lang te vliegen naar het front. Op elke basis lag één ‘wing’ (eskader) dat bestond uit enkele squadrons. De 137ste wing was gestationeerd bij Vitry-en-Artois. De 139ste Wing op het militaire vliegveld Melsbroek bij Brussel. De bommenwerpers waren van het type Mitchell en van het type Boston. Deze zogenaamde 'middelzware' bommenwerpers hadden twee motoren en gewoonlijk vier bemanningsleden. Mitchell-bommenwerpers werden ook gebruikt door de Nederlandse luchtmacht. Het Nederlandse 320ste squadron hoorde tot de 139ste wing op Melsbroek en vloog met de Mitchell. Dit squadron zou meedoen met de aanval.

 

De bommenwerpers zouden door jachtvliegtuigen van een andere ‘wing’ van Second Group worden beschermd tegen eventuele Duitse jachtvliegtuigen. Om 19.15 uur werd de opdracht doorgezonden naar de vliegvelden waar de wings waren gestationeerd.

 

Om een groot deel van het bos te treffen waren er twee richtpunten aangewezen die lagen op de Leidsestraatweg. De punten lagen ten westen en ten oosten van de Laan van Nieuw Oost-Indië. De vliegtuigen zouden over de Noordzee aan komen vliegen en dan afbuigen naar land om een zo kort mogelijk stuk over land (Den Haag) te vliegen. Ze moesten zoveel mogelijk in de lengterichting van het Haagse Bos vliegen. De bommen zouden dan niet op het Benoordenhout of Bezuidenhout terechtkomen, maar verspreid over een groot deel van het Haagse Bos. Eén groep bommenwerpers zou de bommen afwerpen op het westelijke richtpunt en een andere groep op het oostelijke richtpunt.

Luchtfoto’s van 25 februari

De aanval ging door, hoewel er op het laatste moment bij Fighter Command nog bericht binnenkwam dat de meest recente luchtfoto geen V2’s lieten zien in het Haagse Bos. Maar voor Fighter Command bleef het Haagse Bos het belangrijkste V2-doel. Men wilde het ook voor de toekom onbruikbaar maken. Het is niet bekend of er op 3 maart misschien weer wel V2’s in het Haagse Bos lagen. De Britse luchtmacht vloog niet elke dag met verkenningsvliegtuigen boven Den Haag en in de maand maart konden er zelfs geen luchtfoto’s worden door langdurige bewolking.

Luchtfoto RAF Bezuidenhout.

Luchtfoto Britse luchtmacht met ingetekend de goede richtpunten in het Haagse Bos en het foute richtpunt in het Bezuidenhout. In de bovenrand en de linkerrand van de foto's staan de coördinaten. Een inlichtingenofficier verwisselde de coördinaten van de richtpunten. In rood heb ik in de marge van de foto de juiste coördinaten aangegeven en in blauw de foute coördinaten. Het linker kruis was het westelijke richtpunt, het rechter kruis het oostelijke richtpunt. Het kruis onderin is het foute richtpunt(Originele foto National Archives, uit dossier AIR20/795)

Aanvalsplan

Het bombardement zou door meerdere groepen bommenwerpers worden uitgevoerd. De vliegtuigen zouden van west naar oost over Den Haag vliegen op een hoogte van 10.000 tot 14.000 voet (3048 tot 4267 meter). Ze zouden bommen van 500 Engelse pond laten vallen op twee richtpunten. Spitfires van de 83ste Group zouden de bommenwerpers escorteren.

 

Voor de bemanningsleden van de bommenwerpers zou het een alledaagse aanval worden. Elke dag bombardeerden ze een ander doel en regelmatig kwamen ze zowel ’s ochtends als ’s middags in actie. Vliegtuigen van het 98ste, 180ste en het 320ste squadron hadden op 1 maart Kevelaer gebombardeerd. Op 2 maart vielen dezelfde squadrons Geldern aan7.

 

De bommenwerpers zouden vliegen in de gebruikelijke ‘box’-formatie van zes vliegtuigen. Deze formatie gaf de beste bescherming tegen Duitse jachtvliegtuigen. Om 9.00 uur zouden 30 Mitchells van de 139ste wing het westelijke richtpunt (A) bombarderen. De andere groepen bommenwerpers zouden het oostelijke richtpunt (B) bombarderen. Een eerste groep van zes Mitchells en zes Bostons van de 137ste Wing zou dat om 9.05 uur doen. Vijf minuten daarna zou een tweede groep van zes Mitchells en zes Bostons het oostelijk richtpunt aanvallen. Vijf minuten later zouden zes Mitchells van de 139ste wing volgen. De groepen zouden dezelfde route vliegen. In totaal zette men 61 middelzware bommenwerpers in. Men mocht ook bombarderen als het doel onder de bewolking was verscholen. Dat zou dan gebeuren met het systeem Gee-H8.

Bombarderen bij slecht zicht

Bij goed weer zag de bommenrichter het doel door een bommenrichtkijker. Bij slecht weer met bewolking kon dit niet, maar er kon dan toch worden gebombardeerd. Enkele bommenwerpers waren namelijk uitgerust met een apparaat dat Gee-H (of G-H) werd genoemd. De radio van dat toestel zond een signaal uit dat door twee bakens in Engeland of in bevrijd gebied werd teruggezonden. De snelheid waarmee het signaal werd weerkaatst gaf aan hoe ver het vliegtuig van het baken vloog. De Gee-H-computer gaf vervolgens op een beeldbuisje aan of het vliegtuig op koers vloog of daarvan afweek. Het systeem gaf ook aan op welk moment de bommen moesten worden afgeworpen.

 

De Gee-H-computer moest gevoed zijn met de juiste gegevens. Voor het bepalen van het juiste afwerppunt waren de windrichting en de windsnelheid belangrijk. De wind dreef de bommen na het afwerpen immers uit de koers. Het Gee-H-toestel werd bediend door een speciaal opgeleide Gee-H-operator. De Britse luchtmacht was tevreden over de nauwkeurigheid van het systeem, maar uit onderzoek bleek later dat die nauwkeurigheid tegenviel. Met de visuele bommenrichtkijker wierp men bommen nauwkeuriger af. De ene bommenrichtkijker werkte overigens beter dan de andere9.

 

In januari 1945 kwam een verbeterde versie van Gee-H in gebruik. Omdat het goed afwerpen van bommen mede afhankelijk was van de windrichting en windsterkte stuurde men altijd een bommenwerper vooruit. Die vloog in de buurt van het doel een driehoekskoers. Op elk been van de driehoek keek men hoever de wind het vliegtuig uit zijn koers duwde. Na afloop berekende men de wind en die gegevens stuurde men een kwartier voor de aanval naar de bommenwerpers. Op 3 maart vloog er geen vliegtuig vooruit. Rond Den Haag stond zoveel luchtafweergeschut dat men dat niet wilde alarmeren door een enkele bommenwerper vooruit te laten vliegen. Op 3 maart mat deze bommenwerper de wind in de buurt van Tilburg. Men besefte blijkbaar niet dat de wind aan de kust veel sterker kon zijn.

 

De bommenwerpers moesten deze gegevens tijdig ontvangen, want ze werden hierna ingevoerd in de bommenrichtapparatuur. Van een groep van zes of meer vliegtuigen gaf de bommenrichter of Gee-H-operator van het voorste vliegtuig instructies voor het afwerpen van de hele groep10.

Mitchell-bommenwerpers van het 98ste squadron.

Mitchell-bommenwerpers van het 98ste squadron, niet boven Den Haag.(Bron: Imperial War Museum)

Twijfels

Second Group bombardeerde niet dagelijks een stad in bevriend gebied en commandant Basil Embry had twijfels over de opdracht om zonodig “blind” te bombarderen. Hij vond dat de twee richtpunten voor een aanval met Gee-H te dicht bij het Bezuidenhout lagen. Hij belde met de ‘operations officer’ van de Tactical Airforce in Brussel en legde de vraag voor of een aanval met Gee-H verstandig was: "I personally queried the advisability of Radar bombing”. Hij zou de aanval niet uitvoeren, tenzij werd bevestigd dat huizen binnen 500 yard (457 meter) van de rand van het doelgebied niet waren bewoond. Hij bedoelde een afstand van 1000 yard (914 meter) van de richtpunten, want de gebruikelijke diameter van het doelgebied was 500 yard. Hij vroeg ook of het Luchtvaartministerie toestemming had gegeven voor de aanval: “Asked Duty G/C HQFC if he could see: 1. if general clearance received to attack by A.M.; 2. if houses within 500 yds of general area occupied by Dutch” [A.M. was Air Ministry. De veiligheidszone van 1.000 yard die Embry aanhield liep tot halverwege het Bezuidenhout11.

500 en 1000 yard vanaf de richtpunten

Haagse Bos met de twee richtpunten (rood) en het "normale" doelgebied van 500 yard om het richtpunt (rode cirkel) en de extra zone van 500 yard om dat doelgebied (blauwe cirkel), waarvan commandant Embry wilde dat die onbewoond zou zijn voordat hij toestemming gaf het bombardement uit te voeren.

Tactical Airforce vraagt het aan Fighter Command

De ‘operations officer’ van de Tactical Airforce wist het antwoord niet en belde naar het hoofdkwartier van Fighter Command in Londen. Daar kwam immers alle informatie over de doelen vandaan.

Op het hoofdkwartier van Fighter Command

De dienstdoende officier (‘Duty Group Captain’) van Fighter Command beloofde terug te bellen, zodra hij het antwoord had. Hij raadpleegde een inlichtingenofficier die zei dat er binnen 500 yard (457 meter) van het richtpunt geen Nederlanders woonden. Maar of er middelzware bommenwerpers ingezet mochten worden wist hij niet (“On receipt of the message Duty Group Captain spoke to the Deputy Intelligence Officer, Fighter Command, who stated that the target was clear of Dutch within 500 yards of the target pinpoint but he did not know whether it was cleared for medium bombers. He advised asking Air Ministry, D. of Ops (A.D)". Embry's misschien wat ongelukkig geformuleerde vraag of er mensen woonden in een gebied van 500 yard om het doelgebied was dus nu al verkeerd geïnterpreteerd als de vraag of er mensen woonden binnen 500 yard van het richtpunt.

 

De dienstdoende officier legde deze vraag om 22.30 uur voor aan zijn collega van het Ministerie van Luchtvaart (Air Ministry). Die zou het uitzoeken. Vreemd genoeg was de vraag nu weer wel correct geformuleerd: woonden er mensen binnen 500 yard van het doelgebied: “He knew it was 500 yds, and was … safe for fighter bombers, but 2 TAF wished to put medium bombers on the target.”

Op het Air Ministry

Maar de ontvangende officier (‘Duty Wing Commander’) op het Air Ministry noteerde de vraag weer verkeerd. In zijn logboek tekende hij aan dat Fighter Command door de Second Tacital Airforce was gevraagd of het doel in het Haagse Bos tot op 500 yard van het richtpunt vrij was van Nederlanders. En of dit doel aangevallen mocht worden met middelzware bommenwerpers: “Operations Officer of 2nd TAF Main rang up and asked whether the "CROSSBOW" target at HAAGSCHE-BOSCHE was cleared of Dutch within an area of 500 yards the of target pinpoint. Also, was the target cleared for medium bombers to attack? Information required as they wished to attack the following morning. Replied did not know but would try to get the information asked for.”

 

De Duty Wing Commander kon geen contact krijgen met een officier van de afdeling inlichtingen (“Directorate of Intelligence”). Twee andere officieren gaven een vaag antwoord: over deze kwestie was niets bekend, maar de vliegtuigen van de Tactical Airforce moesten zich aan dezelfde regels houden als Fighter Command: “no particular ‘clearance’ was known but 2nd TAF must be guided by the same rules as apply to Fighter Command in this respect”. Dit antwoord was onjuist, omdat voor zwaardere bommenwerpers juist wel andere regels golden: zij konden niet zo nauwkeurig bombarderen als de jachtvliegtuigen van Fighter Command. De afstand die Fighter Command tot woonhuizen aanhield, gold dus niet voor de bommenwerpers van de Tactische Luchtmacht.

Van Air Ministry naar Fighter Command

De dienstdoende officier van het Air Ministry gaf de boodschap “in deze trant” door aan Fighter Command (“Informed Duty Group Captain Fighter Command on these lines”). Volgens een ander rapport werd het iets anders geformuleerd. Hij zou hebben gezegd dat het “in orde” was dat middelzware bommenwerpers het doel aanvielen en dat het gebied dat door de Second Tactical Airforce was aangegeven vrij was van Nederlanders (“said that the Branch he had consulted were of the opinion that it should be all right for medium bombers as the area around the target was clear of Dutch civilians to the distance specified by 2nd TAF”). Of daarmee het gebied van 500 yard van het richtpunt of van 500 yard van het doelgebied wordt bedoeld, is niet duidelijk.

Van Fighter Command naar Tactical Airforce

Dit antwoord kwam om 23.10 uur binnen op het hoofdkwartier van de Tactical Airforce: het Air Ministry had “algemene toestemming” gegeven voor een aanval op het Haagse doel. Huizen binnen 500 yard van het doelgebied waren ontruimd door bewoners: “General clearance has been given by A.M. for this target to be attacked. Houses within 500 yds of the whole target area have been cleared of inhabitants”. Bij het terugbellen van het antwoord werden richtpunt en doelgebied dus opnieuw verwisseld. 500 yard om het richtpunt werd veranderd in 500 yard om het doelgebied12.

Van Tactical Airforce naar Second Group

Het antwoord ging vervolgens in nog ruimere bewoordingen naar het hoofdkwartier van Second Group: het doelgebied Den Haag was vrij van Nederlanders: "Hague target area is clear of Dutch people". Commandant Embry kreeg precies het antwoord op zijn oorspronkelijke vraag en kon niet weten dat het antwoord was verdraaid en dat alleen 500 yard om het richtpunt werkelijk vrij was van Nederlanders. Hij was gerustgesteld en liet de aanval voorbereiden. Overigens woonden er ook in dit gebied nog Nederlanders, want ook het Benoordenhout viel binnen dit gebied en deze wijk was niet helemaal ontruimd van Nederlanders. In het vestinggebied woonden Nederlanders die toestemming hadden gekregen om in hun huis te mogen blijven wonen13

Mitchell-bommenwerpers op Melsbroek.

Mitchell-bommenwerpers van het 180ste squadron op vliegbasis Melsbroek (Bron: Imperial War Museum)

De richtpunten

De opdracht voor de aanval kwam in de nacht van vrijdag 2 op zaterdag 3 maart binnen op de vliegbases Melsbroek en Vitry-en-Artois. Daar bereidden inlichtingenofficieren de aanval voor. Ze verzamelden de gegevens die de bemanningen van de bommenwerpers nodig hadden. Ze tekenden de doelen op kaartjes en luchtfoto’s in. Die werden als richtpunten ingetekend en stonden in de aanvalsorder als een reeks cijfers en letters. Het oostelijk richtpunt was "Illustration XI/G/500/13 H.042 V.064". XI/G/500 was het kenmerk van het doel, 13 was de juiste luchtfoto en H 042 en V 064 waren de coördinaten van het richtpunt op die foto. De opdracht werd waarschijnlijk telefonisch doorgegeven. De inlichtingenofficieren (“duty officers”) hadden de luchtfoto’s al in hun bezit. Ze moesten de juiste luchtfoto opzoeken en daarop het richtpunt intekenen. De coördinaten stonden in de rand van de luchtfoto’s als zwart-witte balkjes (zie foto). H 042 betekende het 42ste balkje links en V 064 het 64ste balkje boven5.

 

Vliegtuigen van de 139ste wing zouden het westelijke richtpunt aanvallen (A op de foto). Vliegtuigen van de 137ste wing en enkele vliegtuigen van de 139ste wing zouden het oostelijke richtpunt aanvallen (B op de foto). De inlichtingenofficier (“duty intelligence officier”) van de 137ste wing was afwezig en werd vervangen door een andere officier. Die tekende het richtpunt van zijn wing verkeerd in. Hij verwisselde de horizontale en verticale coördinaten zodat hij het doel niet intekende in het Haagse Bos, maar in het Bezuidenhout. Het richtpunt stond precies op de rechter huizenrij van het Louise de Colignyplein aan de Amalia van Solmsstraat. Het plein is helemaal verwoest en na de oorlog niet meer herbouwd. De Amalia van Solmsstraat ligt nog op ongeveer dezelfde plek6.

Briefing

De vliegtuigbemanningen werden die nacht ongebruikelijk vroeg gewekt. De 139ste wing was op de Belgische luchtmachtbasis Melsbroek (Brussel) gestationeerd. De 137ste wing op het Noord-Franse Vitry-en-Artois. De bemanningsleden kregen informatie over de komende opdracht. Dat was informatie over het doel, de route, details over de radio, bakens, het weer en de aanwezigheid van Duits luchtafweergeschut. Ook konden ze luchtfoto’s bekijken.

 

Verschillende Nederlandse bemanningsleden van deze squadrons waren bang dat de aanval Nederlandse burgers zou treffen. Er deed zelfs een geheel Nederlandse squadron (het 320ste) mee met de aanval. Dit squadron vloog met de 139ste wing vanaf Melsbroek. De commandant en enkele bemanningsleden vroegen ontheffing van deze opdracht. Zij kregen toestemming om niet te vliegen. De in het Bezuidenhout opgegroeide Nederlandse piloot Sjerp vloog bij het Britse 226ste squadron vanuit Vitry-en-Artois. Hij vloog wel omdat hem werd verteld dat de wijk was ontruimd14.

Op weg naar Den Haag

Na de ‘briefing’ werden de bemanningen naar hun vliegtuigen gereden die gereed werden gemaakt voor vertrek.Tussen half acht en acht uur stegen de twee wings op. Ze vlogen naar een ontmoetingspunt boven de Noordzee, ergens bij Walcheren. Vandaar vlogen de vliegtuigen in vier groepen over het water naar het noorden. Ze vlogen een zigzagkoers om hun doel niet te verraden. In de buurt van Den Haag draaiden de vliegtuigen naar de kust en vlogen in vrijwel oostelijke richting verder. Op een tijdens het bombardement gemaakt filmpje kun je zien dat de Nederlandse vliegtuigen een stuk over het Westland vlogen. Het verhaal dat de bommenwerpers over de uitgebrande pier vlogen is waarschijnlijk onjuist.

De wind

De meeste actuele informatie over de wind kwam deze keer dus niet van een bommenwerper die vooruit vloog, maar van een bommenwerper in de buurt van Tilburg. Toen de bemanningen om kwart voor negen de windgegevens uit Tilburg binnenkregen, wisten ze meteen dat die niet klopten. Aan de kust heerste windkracht negen en zij kregen vermoedelijk een windsterkte van vijf Beaufort binnen. Er was geen tijd om nog een nauwkeurige meting te doen, maar men besloot de wind te schatten. Op het allerlaatste moment voerde men de geschatte gegevens in op de bommenrichtapparatuur. De Nederlandse piloot Sjerp vertelde later dat hij toen slechts hoopte dat hij de bommen goed op het richtpunt zou krijgen.

 

Maar deze keer vloog dit vliegtuig niet vooruit naar Den Haag, maar mat het de wind bij Tilburg. Men wilde het Duitse luchtafweergeschut bij Den Haag niet te vroeg alarmeren. Het is verbazingwekkend dat men het risico nam dat de wind landinwaarts anders zou zijn dan aan de kust. Toen de bemanningen om kwart voor negen de windgegevens uit Tilburg binnenkregen, wisten ze meteen dat die niet klopten. Aan de kust heerste windkracht negen en zij kregen vermoedelijk een windkracht van vijf Beaufort binnen. Er was geen tijd om alsnog een nauwkeurige meting te doen. Men besloot de wind te schatten en op het allerlaatste moment voerde men geschatte gegevens in de bommenrichtapparatuur in. De Nederlandse piloot Sjerp vertelde later dat hij slechts hoopte dat hij de bommen goed op het richtpunt zou krijgen.

Het bombardement van 3 maart

Uit verschillende gegevens is in hoofdlijnen bekend hoe de aanval is uitgevoerd. De gegevens over het bombardement komen uit een onderzoeksrapport van de Britse luchtmacht, dat na het bombardement is opgesteld en uit verslagen die de verschillende luchtmachteenheden routinematig opstelden. Hieronder vermeld ik de gegevens per eskader (‘wing’).

Aanval van de 139ste Wing

De 139ste Wing bereikte als eerste Den Haag. De bommenwerpers vlogen op een hoogte van drie à vier kilometer (12.000-14.000 voet) vrijwel in oostelijke richting. Volgens een bron vlogen ze over de afgebrande pier, de betonnen versterkingen aan de kust en het ontruimde kustgebied. Volgens een film die tijdens het bombardement is gemaakt, vlogen ze over het Westland naar Den Haag. Dat is ook de meest logische aanvliegroute naar het Haagse Bos. Elf bommenwerpers van het (Nederlandse) 320ste squadron vlogen voorop.

 

Den Haag was op dat moment bedekt onder een vrij dicht wolkendek (8/10 bewolking) en de Nederlandse bommenwerpers konden het Haagse Bos niet zien. De wingcommandant gaf opdracht om de bommen met Gee-H af te werpen. De windsterkte en windrichting waren geschat en de gegevens waren ingevoerd in de elektronische richtapparatuur. Volgens een later gepubliceerd rapport was de windrichting 350 graden en de windsnelheid 50 mijl per uur. Even voor negen uur vielen de bommen van het 320ste squadron naar beneden. Ze waren gericht op het westelijk richtpunt (A). Het verslag van het 320ste squadron meldde dat men bombardeerde “on instruments” en dat niet was te zien waar de bommen vielen: “no results observed”. Later verklaarde een piloot dat hij de bommen zag neerkomen in het Bezuidenhout. Vermoedelijk vielen de bommen niet verder dan de Bezuidenhoutseweg. Daar kwamen ook bommen van andere squadrons neer15.

 

Vlak na het 320ste squadron wierpen tien van de dertien vliegtuigen van het 98ste squadron hun bommen op het westelijke richtpunt. Ze deden dit in drie groepen (‘boxen’). Volgens het rapport kwamen de bommen zeer verspreid terecht. Een aantal viel op het Korte Voorhout, maar de meeste bommen vielen ver van het doel, tot zover als de Bezuidenhoutseweg. Volgens gegevens van het squadron zelf kwamen de bommen ongeveer 500 yard (457 meter) achter het doel neer en ontploften er een paar op het richpunt16.

Schematische tekening van het bombardement op het Bezuidenhout.

Schematische tekening van het verloop van het bombardement, zoals uitgevoerd door de 139ste Wing. Cirkels in rood zijn plekken van (bekende) bominslagen. Vanwege de onzekerheid over de details zijn alleen de vliegrichting (de koers) van de verschillende formaties weergegeven. Waar ze precies vlogen is niet bekend.

Na de eerste twee squadrons arriveerde de eerste ‘box’ van zes vliegtuigen van het 180ste squadron boven Den Haag. Vijf vliegtuigen wierpen hun bommen af. Wanneer zij dit deden is niet bekend, want zes vliegtuigen van dit squadron kwamen een half uur later op hun basis terug dan de andere. Mogelijk konden ze het doel niet vinden en maakten ze een draai voor een tweede poging. Toen zij bombardeerden was de bewolking zo afgenomen dat ze Gee-H niet hoefden te gebruiken. Ze bombardeerden ‘op zicht’, maar ook de bommen van deze box kwamen zeer verspreid neer. De bemanningsleden zagen hun bommen zeer verspreid neerkomen: in de stad ten westen van het doel, op het doel en zo'n 500 yard na het doel. De bommen vielen dus blijkbaar op het Korte Voorhout, het Haagse Bos en op de Bezuidenhoutseweg. Deze inslagen staan niet aangegeven op een later gemaakte de kaart, maar vermoedelijk vielen ze niet ver van de wel daarop ingetekende inslagen van het 98ste squadron.

 

De tweede box van dit squadron moest het oostelijk richtpunt aanvallen. Rond 9.16 uur vielen de bommen ongeveer 500 yard ten zuidoosten daarvan, net over de rand van het Bezuidenhout. De bommen vielen vermoedelijk ter hoogte van de Spaarwaterlaan en de De Moucheronstraat, precies ten zuiden van het doel. Alleen deze vijf vliegtuigen van het 180ste squadron vielen het oostelijk richtpunt aan17.

Form 540 van het 180ste squadron

Detail van het Form 540 van het 180ste squadron met informatie over de aanval van 3 maart (National Archives Londen, foto van microfilm)

Aanval van de 137ste Wing

Even na negen uur arriveerden de eerste bommenwerpers van de 137ste wing boven hun doel. Zij moesten het oostelijke richtpunt (B) bombarderen, dat door een officier op hun vliegveld was ingetekend in het Bezuidenhout. De vliegtuigen richten hun bommen nu op de oostelijke huizenrij van het Charlotte Bourbonplein. Dat was midden in het Bezuidenhout (F op de luchtfoto). De bemanningsleden wisten dat ze een woonwijk bombardeerden, maar ze hadden gehoord dat de bewoners waren geëvacueerd.

 

Het Britse 226ste squadron vloog net als de andere squadrons met B-25 Mitchellbommenwerpers. Het (Franse) 342ste squadron vloog met de verouderde Boston-bommenwerper. In de neus van deze vliegtuigen was geen ruimte voor Gee-H-apparatuur. Zij konden alleen ‘op zicht‘ bombarderen, dus als het doel zichtbaar was. Om ook bij bewolkt weer te kunnen bombarderen vlogen ze achter het 226ste squadron aan. Van dit squadron waren enkele vliegtuigen met Gee-H uitgerust. Het voorste toestel gaf aan wanneer de hele groep de bommen kon laten vallen. De bommenwerpers vlogen in twee groepen van twaalf. Zes Britse Mitchells voorop en zes Franse Bostons daarachter.

 

De eerste box van het 226ste squadron kon het doel (F) niet identificeren en zette een draai in voor een tweede poging. De Bostons van het Franse 342ste squadrons volgden. Terwijl deze groep haar draai maakte, arriveerde de tweede formatie van het 226ste/ 342ste squadron boven het doel. Deze vliegtuigen zagen het richtpunt (F) wel liggen en zij bombardeerden het doel om 9.08 uur. Zij bombardeerden ‘op zicht’, dus zonder Gee-H.

Tekening van bombardement op het Bezuidenhout.

Schematische tekening van het verloop van het bombardement, zoals uitgevoerd door de 137ste Wing. Cirkels in rood zijn plekken van (bekende) bominslagen. Vanwege de onzekerheid over de details zijn alleen de vliegrichting (de koers)van de verschillende formaties weergegeven. Waar ze precies vlogen is niet bekend.

Terwijl de bommen van de tweede groep vielen, was de eerste groep bezig met haar draai. De Franse bommenwerpers braken die draai (naar rechts) af en gingen over in een draai naar links. De Britse vliegtuigen vlogen over Rijswijk of Voorburg (25 graden) naar Den Haag. De Franse bommenwerpers vlogen even later over Wassenaar (235 graden) naar Den Haag.

 

De bommen van de verlate Britse vliegtuigen kwamen neer op de Louise de Colignystraat, op de aangrenzende Anna van Buerenstraat en de Tweede Adelheidstraat. Veel bommen vielen vrij nauwkeurig op het (foute) richtpunt, maar veel andere vielen ver ten zuiden (zuidoosten) daarvan.

 

De bommen van de verlate Franse toestellen vielen in en buiten het Bezuidenhout. Welke groep verantwoordelijk was voor welke bominslagen is niet bekend. Bommen van de Bostons vielen op de Juliana van Stolberglaan, vlakbij de Laan van Nieuw Oost-Indië en op meerdere plaatsen buiten de wijk. Er kwamen ook bommen op de Hofpleinlijn, de spoorlijn naar Rotterdam. Die inslagen waren te wijten aan een defect aan de richtapparatuur.

De eerste groep Britse bommenwerpers kwam dus wat later boven de wijk. Ze vlogen vrijwel tegen de wind in en door de verkeerd geschatte wind kwamen hun bommen niet op het foute richtpunt op het Louise de Colignyplein. De bommen dreven af naar de zuidkant van de wijk en kwamen op en rond de Schenkkade neer. Van de de Franse bommenwerpers die achter hen aanvlogen is niet bekend waar de bommen vielen. De Franse toestellen vlogen over Wassenaar naar Den Haag en voerden waarschijnlijk de laatste aanval van dit bombardement uit.

Twee aanvalsgolven

Het bombardement werd door meerdere groepen bommenwerpers uitgevoerd, maar op de grond dachten veel mensen dat er twee groepen bommenwerpers waren geweest. De eerste groep bestond uit de vliegtuigen van de 139ste wing die rond 9.00 uur hun bommen lieten vallen op het Korte Voorhout, Haagse Bos, de Bezuidenhoutseweg en de straten daarachter. Na deze aanvalsgolf zal het even stil zijn geweest.

 

Tussen ongeveer 9.08 en ongeveer 9.20 uur (of iets later), lieten bommenwerpers van de 137ste wing hun bommen vallen. Dat was de tweede aanvalsgolf. Maar ook deze golf bestond uit in ieder geval drie afzonderlijke groepen, die tussen ongeveer 9.08 en 9:20 uur hun bommen lieten vallen. Deze aanvallen raakten het hart van het Bezuidenhout.

Mitchell-bommenwerpers van het 98ste squadron.

Mitchell-bommenwerpers van het 226ste squadron, niet boven Den Haag(Bron: Imperial War Museum).

Vlak na half tien landden de eerste vliegtuigen op vliegbasis Melsbroek. Met verschillende tussenpozen landden de andere bommenwerpers, de laatste om 11.04 uur. De bemanningen wisten niet dat ze een bewoonde woonwijk hadden gebombardeerd en dat er honderden doden waren gevallen. De bommenwerpers werden gereed gemaakt voor een nieuwe aanval. Die midag zou men een brug bombarderen bij de Duitse stad Wesel18.

Eerste meldingen over de schade aan het Bezuidenhout

Jachtvliegtuigen van Fighter Command hadden maandenlang V2-doelen in en rond Den Haag aangevallen en de piloten kenden Den Haag goed. Op 3 maart zouden jachtvliegtuigen van het 602de squadron het Haagse Bos aanvallen, maar ze kregen opdracht uit te wijken naar het Staalduinse Bos. Terwijl ze dit V2-doel aanvielen, zagen ze in de verte de bommenwerpers op weg naar Den Haag. Volgens onderzoeker Simpson zagen de piloten dat de bommenwerpers fouten maakten, maar ze konden de bemanningen niet waarschuwen. De radio van de bommenwerpers stond afgestemd op andere (vaste) frequenties.

 

Nadat de bommenwerpers van de Second Tactical Airforce hun aanval hadden uitgevoerd, mochten jachtvliegtuigen van Fighter Command verder gaan met hun aanvallen op V2-doelen in Den Haag. Ze vielen deze dag vermoedelijk vooral Duindigt aan. Vanuit hun Spitfires zagen de piloten de schade in het Bezuidenhout en ze wisten dat die moest zijn aangericht door middelzware bommenwerpers. Piloten van het 453ste squadron meldden bij terugkeer op hun basis: “Mediums hit civvies”. Een kwartier na het bombardement, om ongeveer 9.45 uur, zagen piloten van het Poolse 303ste squadron brandende gebouwen in het Bezuidenhout. Na hen zagen piloten van het 124ste squadron dat alle huizen ten zuidoosten van het bos in brand leken te staan. Ook andere jachtvliegtuigpiloten zagen de schade en waren geschokt door de schade. Ze hadden de afgelopen maanden zoveel moeite gedaan om burgerdoelen te sparen en in één klap was hun moeite teniet gedaan. Een piloot van het 602de squadron: ”We were shocked that all the efforts we had made to avoid houses had been to no avail”19.

 

De meldingen van de piloten drongen niet door tot de luchtmachtleiding. Ook bij de Second Tactical Airforce had men niets in de gaten. De bommenwerpers voerden die middag een tweede bombardement uit, op een doel in Duitsland. Het korte dagelijkse verslag van de Second Tactical Airforce meldde alleen dat er een groot vuur was gezien ten zuiden van het Haagse Bos: “A large possibly petrol fire was started with columns of smoke and flame just South of the target”. Volgens een verslag van de Second Group waren de meeste bommen in het doelgebied gevallen. Voor zover men iets vernam over schade in de wijk, liet dat geen alarmbellen rinkelen. De wijk was immers geëvacueerd20.

In Londen is nog niets bekend

Ondanks de meldingen van de jachtvliegtuigpiloten duurde het nog dagen voordat in Londen doordrong dat het bombardement op een enorme ramp was uitgelopen. De eerste luchtfoto’s van het Haagse Bos en omgeving werden pas op 12 maart gemaakt. Op de dagen daarvoor verhinderde bewolking waarschijnlijk het maken van luchtfoto’s. Om dezelfde reden konden alleen op 5, 9 en 10 maart hun luchtaanvallen op Haagse V2-doelen uitvoeren. Ook toen moesten de piloten de enorme schade in het Bezuidenhout hebben gezien. Het is niet helemaal te verklaren dat het nieuws over de ramp pas veel later doordrong tot de Britse luchtmachtleiding21.

De Nederlandse regering

De Nederlandse regering in ballingschap in Londen kreeg pas op 6 of 7 maart (vermoedelijk per radio) het nieuws dat Den Haag zwaar was getroffen door een bombardement. Op 10 maart vertelde een KLM-functionaris dit nieuws aan Nederlandse autoriteiten in Brussel. De anoniem gebleven man was op 5 maart vanuit Den Haag vertrokken en had na enige omzwervingen bevrijd gebied bereikt.

 

De berichten waren buitengewoon alarmerend en op 7 maart vroeg marine-attaché C. Moolenburgh namens de Nederlandse regering het Britse Air Ministry om opheldering. Moolenbergh schreef begrip te hebben voor de Britse acties tegen de V2, maar hij wees erop dat ze het leven en bezittingen van de Nederlandse bevolking in gevaar brachten. Moolenbergh verzocht alle aanvallen tegen bewoonde delen van Den Haag te staken. Moolenburgh schreef dat hij verbaasd was dat hij niet van tevoren op de hoogte was gesteld van de aanval. Dat was immers afgesproken.

 

Ambassadeur Michiels van Verduynen protesteerde op 7 maart bij de Britse minister van buitenlandse zaken, Anthony Eden. De volgende ochtend overhandigde hij het protest ook aan de minister voor luchtvaart, Sinclair. Die vroeg de betrokken luchtmachtbevelhebbers om een reactie22.

 

Op 14 maart publiceerde het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een rapport over het bombardement. Dat was opgesteld aan de hand van de gegevens die de KLM-functionaris had gegeven. Het rapport was in het Engels en gaf informatie over de V2-lanceringen en de schade die het bombardement had veroorzaakt. Het rapport van 14 maart gaf vermoedelijk de eerste gedetailleerde informatie over de schade, die in Londen bekend werd. Fragmenten uit het rapport: “… These bombers flew at a high altitude. There was a stiff N.W. breeze on ground level. The bombers dropped both incendiary bombs and H.E. bombs which fell in the part of the town adjoining the residential area known as Bezuidenhout. Large portions of that part of the town became totally uninhabitable. There lived in that part of town, roughly speaking, 100,000 people who had to be evacuated the same day, their houses (in so far as they still existed) having become uninhabitable by the effect of flying glass, fallen ceilings and other forms of damage. The greater part of these people were sent to the adjoining township of Voorburg. Broadly speaking the following streets were destroyed or heavily damaged […]. The number of wounded was very considerable. Alle hospitals were full to overflowing. The number of dead is in the nature of 800.

[….]

Damage is ernormous. It is necessary in order to assess its effect to recall that the Germans had previously destroyed a large part of the Hague in order to make a Defence Zone where extensive residential quarters had been standing. The temper of the civilian population has become violently anti-Ally as a result of this bombardment. Before the bombardment the population was already very irritable because of the extreme scarcity of foodstuffs. Now, they have found themselves in a catastrophic condition, hence the reproaches against the Allies”. De tekst overdreef over de aantallan geevacueerden en doden en de Britten namen het rapport daarom niet serieus23.

De Britse reactie

De minister van luchtvaart Archibald Sinclair hadden ondertussen een reactie gekregen van de plaatsvervangend commandant van de Britse luchtmacht (Chief of the Air Staff) Norman Bottomley. Die had zijn informatie gekregen van de commandant van de Second Tactical Airforce (Air Officer Commanding-in-Chief) Arthur Coningham.

 

Volgens Coningham was het Haagse Bos groot genoeg om te bombarderen met middelzware bommenwerpers. Dat kon ook met Gee-H. Voor alle zekerheid was men voorzichtig geweest: de vliegers hadden opdracht gekregen om ‘op zicht’ te bombarderen en dit te controleren met Gee-H ("but to make certain that there was no error in identification of target, visual bombing checked by G-H bombing was ordered"). Dit was niet waar, want de bemanningsleden mochten ook alleen met Gee-H bombarderen. Volgens Coningham waren de bemanningsleden goed geïnstrueerd. De vermoedelijke oorzaak dat alle bommen ten zuiden van het doel waren gevallen was een slechte inschatting van de wind: "There is no question that the crews were not properly briefed […] it would appear that a bad assessment of the wind may have been made and resulted in all bombs falling on the southern side of the target area"24.

 

Bottomley schreef op 10 maart aan minister Sinclair dat het Haagse Bos onder normale omstandigheden zonder overmatig grote gevaren voor de burgerbevolking gebombardeerd kon worden. Dat het toch verkeerd afliep kwam volgens hem door vier fouten:

1. fouten bij het afwerpen van de bommen (“a misappreciation of the results of bombing errors from an attack of this nature”)

2. fouten in de voorbereiding (“a faulty briefing”)

3. grove fouten door slecht zicht, vijanderlijke acties of door een andere oorzaak (“gross error in bombing due to bad visibility, enemy actions or some other cause”)

4. een serie bommen was (door technische oorzaak) te laat gevallen, waardoor een relatief klein aantal toch een groot aantal slachtoffers veroorzaakt had (“a hang-up in salvo of bombs which […] relatively few in number may have [...] heavy casualties”)25.

 

Bottomley kreeg (op 16 maart) antwoord van de opperbevelhebber van de Britse luchtmacht, Charles Portal. Portal vond dat het bombardement onwaarschijnlijk slecht was uitgevoerd als de voorbereidingen inderdaad zo goed waren geweest. Hij wilde een beter onderzoek en hij wilde weten wanneer Coningham’s bommenwerpers in staat zouden zijn zo’n bombardement zonder zulke fouten uit te voeren26.

Winston Churchill

Vervolgens kwam het bombardement ook de Britse premier Winston Churchill ter ore. Die reageerde furieus in een persoonlijke brief van 18 maart. Hij wilde uitleg over het “uitzonderlijk slecht” uitgevoerde bombardement (“the extaordinarily bad aiming which has led to the slaughter of Dutchmen”. Ook wilde hij weten of het aanvallen van spoorlijnen niet effectiever was geweest dan het bombarderen “van deze ongelukkige stad” ("all that has been done is to scatter bombs about this unfortunate city without the slightest effect on their rocket sites but much on innocent human lives and the sentiments of friendly people")27.

Meer fouten worden bekend

Ondertussen was bekend geworden dat er meer was gebeurd dan een verkeerde inschatting van de wind. Op 18 maart stuurde de commandant van Second Group (Basil Embry) het resultaat van zijn onderzoek naar Coningham. Embry wees op twee fouten die waren gemaakt. Er was ten onrechte gemeld dat het Bezuidenhout onbewoond was en daarnaast had een inlichtingenofficier van de 137ste Wing de coördinaten van zijn richtpunt verwisseld ("a grave error had been made by the Duty Intelligence Officer in 137 Wing"). Tegen deze officier zouden maatregelen worden genomen28.

Brief van Basil Embry aan zijn commandant Coningham.

Brief van Basil Embry aan zijn commandant Coningham (National Archives Londen)

Coningham zond Embry’s verslag de volgende dag (19 maart) aan opperbevelhebber Portal door. Hij zou het incident verder laten uitzoeken: “I received the attached letter, which for the first time shows that there was a mistake that afffected the briefing. My report that all the briefing was correct must in the light of this new information be amended”29.

 

Geheime dossiers

De Britten wisten nu welke fouten er waren gemaakt, maar zij hielden de onderzoeksdossiers geheim. De officiële lezing bleef dat er een verkeerde inschatting was gemaakt van de wind. Het rapport waar alle fouten in werden genoemd, werd pas in 1972 openbaar en bleef daarna nog jaren onopgemerkt in een Britse archief liggen.

 

Veel mensen in Nederland geloofden niet in de officiële oorzaak van de fout met de wind. Het is ook moelijk voor te stellen dat bommen zover van het Haagse Bos afdreven datd ze op de Schenkkade neerkwamen. Daarom bedachten mensen eigen theorieën. Ze bedachten dat de Britten het Bezuidenhout bewust hadden gebombardeerd, bijvoorbeeld om het communistische verzet te raken. Of ze wilden een Duitse radiozender uitschakelen die een rol zouden hebben gespeeld bij het Englandspiel (een mislukte spionageoperatie). Dit waren vergezochte theorieën waarvoor geen snipper bewijs te vinden valt30.

De ware toedracht wordt bekend

De ware toedracht werd pas in 1984 bekend door het onderzoek van A. Korthals Altes. Voor zijn boek Luchtgevaar, over luchtacties boven Nederland, had Korthals Altes de inmiddels niet meer geheime dossiers bestudeerd. Zijn boek beschreef voor het eerst de gemaakte fouten. En vlak na de verschijning van zijn boek gaf de Britse inlichtingenofficier C.B. Reynolds hem nieuwe informatie. Reynolds had op de basis Medmenham gewerkt bij het analyseren van luchtfoto’s. Dagen vóór het bombardement was hem opgevallen dat het Haagse Bos niet meer werd gebruikt voor de opslag van V2’s. Reynolds wist dat er een zwaar bombardement werd voorbereid en hij probeerde dit te verhinderen. Hij stuurde een telegram aan Fighter Command, maar daar vond men dat het bombardement toch door moest gaan. De Duitsers zouden het Haagse Bos anders later weer kunnen gaan gebruiken31.

Schuld

Uit de door Korthals Altes bestudeerde dossiers bleek dat de inlichtingenofficier van de 137ste wing voor zijn fout voor de krijgsraad kwam. Die gaf hem een berisping. Van deze zijn officier alleen zijn inititalen LCR bekend32. Maar de officier was niet verantwoordelijk voor alle schade in het Bezuidenhout. Hij was alleen verantwoordelijk voor de schade van de 137ste wing en niet verantwoordelijk voor de verkeerde inschatting van de wind. Hij was evenmin verantwoordelijk voor het bericht dat het Bezuidenhout niet bewoond werd door burgers. De verkeerde inschatting van de wind blijkt bovendien een grotere schade te hebben aangericht dan vaak wordt aangenomen.

 

Op onderstaande kaart staat aangegeven waar de bommen vielen en waar slachtoffers werden gevonden33. Van veel bominslagen is bekend welk squadron ze veroorzaakte. Het is duidelijk dat bommen van de 139ste wing vrij ver ten zuiden van het doel vielen. Ze vielen tot ver ten zuiden van de Bezuidenhoutseweg. De slachtoffers die deze bommen maakten, waren te wijten aan de fout met de wind. Bommen van de 137ste wing vielen in een gebied rond het foute richtpunt aan het Louise de Colignyplein. De slachtoffers die door deze bommen vielen, waren te wijten aan de fout met de coördinaten.

 

De 139ste wing veroorzaakte in ieder geval de schade boven de bovenste groene lijn op de kaart en vermoedelijk ook de schade boven de onderste groene lijn. De 137ste wing veroorzaakte schade in het gebied onder de onderste groene lijn.

 

In het gebied ten noorden van de bovenste groene lijn viel 37 procent van de slachtoffers. Deze slachtoffers waren dus niet te wijten aan de fouten van de berechte inlichtingenofficier, maar aan onnauwkeurig afwerpen van bommen op de juiste richtpunten. Die onnauwkeurigheid kwam ongetwijfeld door verkeerde gegevens over de wind, maar het is de vraag of dit een vaker voorkomende nauwkeurigheid was of een ongebruikelijke onnauwkeurigheid. Commandant Basil Embry van Second Group wilde waarschijnlijk niet voor niets dat de afstand tussen richtpunt en woonhuizen 1.000 voet zou zijn. Andere officieren leken 500 voet al voldoende te vinden, maar bij het bombardement van 3 maart had Embry gelijk. Geen bom is toen verder dan 1.000 voet van het richtpunt gevallen. De schade die de 39ste Wing veroorzaakte was te wijten aan de communicatiefouten die in de avond van 2 maart tussen Fighter Command en de Tactical Airforce optraden. In die communicatie werd de afstand van 1.000 voet per ongeluk verkleind tot 500 voet en werd ook per ongeluk het Bezuidenhout een door bewoners verlaten wijk.

 

Op de vergadering van Second Tactical Airforce en Fighter Command op 23 februari sprak men over een afstand van 500 voet, maar het is niet duidelijk wie deze afstand aanhield. De afstand hing natuurlijk ook af af van de hoogte waarop de bommenwerpers vlogen. Des te lager bommen werden afgeworpen des te nauwkeuriger ze op het doel vielen. In het geval van 3 maart bleek Embry’s marge van 1.000 voet de juiste te zijn.

Kaart bominslagen

Overzicht van de bominslagen, de schade en de slachtoffers. In rode cirkels de bominslagen die aan een bepaald squadron zijn toegewezen. De rode blokjes zijn bominslagen die op de grond werden geregistreerd. Een aantal daarvan valt niet toe te schrijven aan een squadron. Het groene kruis onder het midden geeft het foute richtpunt aan. De bovenste groene lijn geeft aan tot waar de bommen van de 139ste Wing vielen. De schade onder de onderste groene lijn is toe te schrijven aan de fout met de coördinaten. Daar vielen bommen van de 137ste Wing. De schade in het gebied tussen de groene lijnen is waarschijnlijk toe te schrijven aan de fout met de wind. De schade van de bominslagen bij de Schenkkade is gedeeltelijk ook toe te schrijven aan een verkeerde inschatting van de wind. Op de kaart zelf geven rood en blauw de verbrande en verwoeste huizen aan en groen de licht beschadigde huizen.

De Britse officieren dachten verschillend over de geschiktheid van het Haagse Bos als doel van middelzware bommenwerpers, maar Nederlandse bemanningsleden dachten hier ook verschillend over. Eén van hen vond het een “prachtig” doel, ver van de huizen af, “bepaald niet te klein” en heel anders dan bijvoorbeeld een brug. Maar een Nederlandse piloot vond de wind een van de grootste problemen bij het bombarderen. Hij had met Gee-H een aantal “voortreffelijke” resultaten gehad, maar hij had ook meegemaakt dat bommen op een halve mijl afstand van het doel neerkwamen. Het Haagse Bos was volgens hem te klein. Je had het alleen kunnen bombarderen als het Benoordenhout en Bezuidenhout onbewoond waren geweest34.

 

De historicus Stephen L. McFarland beschrijft hoe moeilijk het is om nauwkeurig te bombarderen. Als bijvoorbeeld een Amerikaanse B-17 bommenwerper met een snelheid van 160 mph vanaf 23.000 voet een bom afwerpt, gebeurt dat op een afstand van 8.875 voet van het doel (over de grond gerekend). De bom zweeft in 38 seconden naar het doel. Als de snelheid van het vliegtuig twee mijl per uur afwijkt of de hoogte 25 voet, dan valt de bom 115 voet van het richtpunt. Uit onderzoek van na de oorlog bleek dat de 31.8 percent van de bommen Amerikaanse luchtmacht in Europa binnen 1.000 voet van het doel vielen vanaf een gemiddelde hoogte van 21.000 voet. Bij de Amerikaanse luchtmacht in Azië viel 31 percent van de bommen binnen 1.000 voet, maar die waren afgeworpen vanaf een gemiddeld lagere hoogte, namelijk 16.500 voet35.

 

Het kon ook nauwkeuriger. Uit Britse statistieken bleek dat bepaalde typen bommenwerpers veel nauwkeuriger bombardeerden. Zo hadden vliegtuigen van het type Mosquito gemiddeld slechts 3,8 ton bommen nodig om een V1-lanceerplatform in Noord-Frankrijk te vernietigen. Bommenwerpers van het type B-25 Mitchell moesten 224,5 ton bommen afwerpen voor hetzelfde resultaat36.

 

Voor een overzicht van bominslagen zie bijlage 4.

 

Zie voor vervolg deel 4: op de grond.

 

Verantwoording

Deze pagina geeft een verkorte geschiedenis van het bombardement van 3 maart 1945 aan de hand van literatuur en archieven. Voorlopige versie d.d. 30 december 2011.

Literatuur

• A. Korthals Altes, Luchtgevaar. Luchtaanvallen op Nederland 1940-1945, Amsterdam, 1984.

• Bill Simpson, Spitfire Dive-bombers Versus the V2. Fighter Command’s Battle with Hitler’s Mobile Missiles, Barnsley 2007.

• Carlo Tinschert, Boodschap aan de bevolking van Den Haag. Oorzaken, gevolgen en nasleep van het mislukte bombardement op het Bezuidenhout, 3 maart 1945, Den Haag 2005.

• Gerrit J. Zwanenburg, En nooit was het stil... Kroniek van een luchtoorlog, deel 2, z.pl, z.j.

Noten

1. Brief van 25 februari 1945 van HQ Fighter Command aan HQ Second Tactical Airforce, door Sgd C.H. Ambler AVM namens de commandant van Fighter Command. (22 februari wordt ook genoemd als datum van deze vergadering)

2. Uit brief van Air Vice-Marshall Ambler d.d. 25 februari 1945 in: National Archives, Londen, AIR 20/794.

3. National Archives, Londen, AIR 20/794, Simpson 152-154, 159.

4. Simpson 165.

6. National Archives Londen, AIR 20/795, zie ook Korhals Altes 289, Tinschert 50-51.

6. Korthals Altes 289-290.

7. Operations Record Book 'Form 540', National Archives Londen, AIR 27/784.

8. Tinschert 51-52, Geldof 444.

9. John Gooch, Airpower: theory and practice haalt op pagina 173 cijfers aan uit een rapport van Odishaw uit 1946. Met visueel richten bestond 30% kans dat een afgeworpen bom binnen 1000 feet (304 meter) van een doel afviel en 64% kans dat een bom binnen een halve mijl (800 meter) van het doel viel. Met Gee-H was er 5% kans dat een bom binnen 304 meter van het doel afviel en 26% dat dit binnen 800 meter was.

10. Geldhof 395-438.

11. Extract uit het logboek van de Tweede Tactical Airforce:

FROM 2 GROUP:

TEXT: what about the targets? I explained had asked SHAEF about Hague Crossbow who told me A.M. sanction required - explained was trying to find about possibility of neabry houses being occupied buy Dutch.

ACTION: Consulted S/L Nicholls. Asked Duty G/C HQFC if he could see: 1) if general clearance received to attack by A.M. [Air Ministry] 2) if houses within 500 yds of general area occupied by Dutch.

12. Extract uit het logboek van de Tweede Tactical Airforce:

2310

FROM Duty G/C HQFC

TEXT: Re above - General clearance has been given by A.M. for this target to be attacked. Houses within 500 yds of the whole target area have been cleared of inhabitants.

ACTION: Passed to 2 Group who are laying on.

13. National Archives Londen, AIR 20/795, Operational Order AO.717 – 3 March 1945, AIR 2/8863, dossier A.E.A.F. Special Operations; Korthals Altes 289-290, Simpson 178.

14. Korthals Altes 290.

15. Zie www.bezuidenhout.nl; National Archives Londen, AIR 27/1714.

16. o.a. dossier ‘Air Attack on the Hague – Summary of Information’, National Archives, Londen, dossier AIR20/7095, zie ook Korhals Altes 292-292; Operations Record Book 'Form 540' van het 98ste squadron, National Archives AIR 27/784 en AIR 27/1714.

17. AIR 20/795, dossier Air Attack on the Hague – Summary of Information, met bijlagen, Operations Record Book 'Form 540' van het 180ste squadron, National Archives AIR 27/1132; zie ook kaart uit AIR 20/795.

18. AIR 20/795, dossier Air Attack on the Hague – Summary of Information, met bijlagen, zie ook kaart uit AIR 20/795, Tinschert 198-200.

19. Simpson 161-171.

20. Simpson 174.

21. Zwanenburg 573-578.

22. National Archives, Londen, AIR 2/8863, Tinsert 76.

23. Delen van de tekst aangegeven met […] zijn niet overgenomen; bron: National Archives, Londen, AIR 2/8863.

24. National Archives, Londen, AIR 2/8863.

25. […] is tekst weggevallen op de kopie van de tekst, bron: National Archives, Londen, AIR 2/8863.

26. National Archives, Londen, brief in dossier AIR 2/8863.

27. National Archives, Londen, brief in dossier AIR 2/8863.

28. National Archives, Londen, brief in dossier AIR 2/8863.

29. National Archives, Londen, brief in dossier AIR 2/8863.

30. Tinschert 142.

31. De dossiers werden in 1972 openbaar, maar tot de publicatie van Korthals Altes lijkt niet eerder onderzoek naar het bombardement te zijn gepubliceerd; bronnen: boek Korthals Altes: zie literatuurlijst; verhaal van de Britse officier Reynolds: Vrij Nederland 2 maart 1975, p. 7.

32. Tinschert 131, 141.

33. Het werkelijke aantal slachtoffers was groter, maar een vollediger lijst van slachtoffers met adressen waar ze gevonden werden was niet te vinden.

34. Doll, 83, 90.

35. John T. Correll, 'Daylight Precision Bombing', in airforce-magazine.com, October 2008, gevonden op 12-09-2011 op Airforce-magazine.com.

36. Geldhof 329-330, het geruchtmakende rapport was het 'Bennett-rapport', gevonden op 12-12-2011 op De Havilland Mosquito, Part 2.