Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDe geschiedenis van het Bezuidenhout, deel 1: deel 1, de voorgeschiedenis van de wijk tot ongeveer 1850.

 

Zie ook:

Bezuidenhout, deel 2 (aanleg)

Bombardement Bezuidenhout

Bezuidenhout, wederopbouw

kopfoto

Geschiedenis van het Bezuidenhout, deel 1

Van weinig Haagse wijken is het oorspronkelijke karakter zo gewijzigd als het Bezuidenhout. De wijk was oorspronkelijk een woonwijk, maar er vestigden zich relatief veel kantoren in de wijk. De wijk gold als deftig, maar in de verschillende buurten van de wijk woonden verschillende inkomensgroepen. De wijk werd gebouwd tussen 1860 tot ongeveer 1930.

 

De naam Bezuidenhout heeft de wijk te danken aan het Haagse Bos. Hout betekent ‘bos’ en bezuiden het hout betekent dus ‘het gebied ten zuiden van het Haagse Bos. Het Bezuidenhout hoorde in de middeleeuwen tot een veel groter gebied dat van de Trekvliet tot Wassenaar liep en van het Haagse Bos tot aan Voorburg1.

 

Het zuidelijk deel van het Haagse Bos was drassige veengrond die oorspronkelijk één geheel zal hebben gevormd met het Bezuidenhout. Pas toen de graven van Holland in Den Haag kwamen wonen en het Haagse Bos probeerden om te vormen tot rustig jachtgebied, werd het bos afgesloten van het Bezuidenhoutse veengebied. Om te voorkomen dat de burgerij hun bos vandaliseerde lieten de graven het Haagse Bos afsluiten met een aarden wal, een hek en met sloten. Langs het bos liep dan nog het zandpad dat later zou uitgroeien tot de Bezuidenhoutseweg.

 

Het Bezuidenhout kreeg deze naam pas officieel in 1953. Tot die tijd had de wijk geen naam of werd er gesproken van Bezuidenhoutkwartier. De naam ‘Bezuidenhout’ werd meestal alleen gebruikt voor de Bezuidenhoutseweg. De naam Bezuidenhoutseweg komt pas na de Tweede Wereldoorlog voor in officiële gemeentelijke stukken.

Bezuidenhoutseweg in 18de eeuw richting Wassenaar

Bezuidenhoutseweg in 18de eeuw richting Wassenaar. (Haags Gemeentearchief, La Fargue, prent kl. A 57)

Veen en turf

Het veengebied van het Bezuidenhout hoorde in de middeleeuwen tot een veel groter gebied. Het lag tussen de zandruggen van het Haagse Bos en Voorburg, en tussen de oude “landscheiding” van de waterschappen Rijnland en Delfland en de in 1344-1345 gegraven Trekvliet2. Daarnaast gaf de graaf in dit uitgestrekte gebied percelen ‘in leen’ (zie heerlijkheid) aan lokale heren die hier een versterkt huis, boerderij of kasteel lieten bouwen. Een bekend voorbeeld is kasteel de Binckhorst. Een versterkt huis (boerderij) met toren en omliggende gracht was De Loo bij Voorburg (in de huidige gemeente Voorburg, niet ver ten westen van station Voorburg-‘t Loo). Het gebied werd Heerenveen genoemd. Terwijl de graaf andere veengebieden verpachtte aan ondernemers, liet de graaf de veengrond in het Bezuidenhout afsteken voor zijn eigen turfbehoefte3. Verder verhuurde hij stukken grond in het Bezuidenhout aan boeren die het gebruikten als weiland.

 

Turf was een belangrijke brandstof geworden in de tijd dat er in Holland te weinig bossen waren om hout uit te halen als brandstof. Het meeste bos was gekapt omdat Holland relatief (voor die tijd) dichtbevolkt was. Hout voor bouw van huizen en kastelen moest uit het buitenland worden ingevoerd en voor brandstof ging men over op turf. Dat was eigenlijk een betere brandstof dan hout, was gemakkelijker te transporteren en lag rondom Den Haag voor het opgraven4.

 

Turf werd gewonnen door het ‘afsteken’ (afgraven) van lagen veen. Dit gebeurde van eind maart tot en met mei. Daarna moest de turf drogen in de naar men hoopte droge zomer. Gedroogde turf werd verkocht als brandstof. Een natte zomer leverde te weinig turf op, maar in een te warme zomer kon de turf verstuiven en was dan onbruikbaar als brandstof5.

 

Er werd dus turf gedolven uit het ‘Heerenveen’, maar een belangrijke bron van turf werd het Bezuidenhout niet. De meeste ‘Haagse’ turf werd namelijk gedolven in het ’s-Gravenveen of Nieuwveen, een gehucht bij Nootdorp. Het is niet bekend hoeveel veen er als turf uit het Bezuidenhout is weggegraven. Hoewel de veenlaag in de wijk gemiddeld tussen de halve meter en anderhalve meter dik is, zullen er plekken zijn waar het veen volledig is weggegraven en vervangen door zand. In het midden van de vijftiende eeuw lagen er volgens een grafelijke akte in het Heerenveen veel putten en gaten. Op het einde van de vijftiende eeuw verkocht graaf Philips van Bourgondië in het Bezuidenhout “vergraven venen”, dus afgegraven veengrond. De putten en gaten zijn later dichtgegooid met zand, of zoals dat bij Het Loo in Voorburg gebeurde, met vuile grond en baksteenpuin.

 

De turf die voor de graaf werd vermoedelijk door pachters in het Bezuidenhout afgestoken. Het vervoer van de turf naar het Binnenhof moest worden uitgevoerd door inwoners van Den Haag. Op 10 september 1400 werden zij namelijk verplicht om de graaf (en zijn gezin) te voorzien van allerlei soorten levensmiddelen, zoals koren, wijn en bier en zaken als hooi en turf. Met ‘voorzien’ werd in dit geval alleen het vervoer bedoeld. Het dorpsbestuur van Den Haag charterde dan waarschijnlijk iemand die over een paard en wagen beschikte, die de turf van de turfvelden in het Bezuidenhout kwam halen en daarna naar de turfschuur op het Binnenhof reed. Wijn werd door schepen op het Spui afgeleverd en dan moest het dorpsbestuur die laten afleveren op het pleintje bij de keukens aan de zuidkant van het Binnenhof. Deze verplichting werd op 6 november 1407 nog eens herhaald6.

De Schenk (1403)

Het gebied van het huidige Bezuidenhout was toen slechts klein stuk van een veel groter veengebied tussen Den Haag en Voorburg, waar ook de wijken Mariahoeve, Rivierenbuurt, de Binckhorst en delen van Voorburg toe behoorden. Het was er waarschijnlijk altijd drassig en daarom groef men in of rond 1403 een afwateringssloot. Deze sloot kreeg de naam ‘Scheysloot’ (van scheiding) omdat hij tegelijkertijd de grens tussen Den Haag en Voorburg markeerde. Dit werd later verbasterd tot Schenk, Schenkwatering of Schenkwetering7.

Bezuidenhoutse polder voor 1461

Polders, molens, wegen en dijken tot 1461.

Een dijk (1442)

In een deel van het gebied was de afwatering nu blijkbaar zo goed, dat het land er kon worden gebruikt. De graven van Holland vonden in ieder geval pachters voor percelen grond8. Maar een ander deel van het gebied bleef drassig. De boosdoener was de Bossloot die aan de zuidkant van het Haagse Bos liep en herhaaldelijk overstroomde. In 1442 besloot het hoogheemraadschap Delfland een dijk aan te leggen die overstromingen moest tegengaan. Die dijk werd langs het Spui en de Trekvliet aangelegd, tussen Den Haag en Voorburg. Op twee plaatsen werd langs de Trekvliet een houten sluis geplaatst, die de afvoer van het water uit het Bezuidenhout moesten regelen. Waarom deze dijk overstromingen van de Bossloot kon verhinderen is niet helemaal duidelijk. De Bossloot liep immers van het Haagse Bos tot de grachten om het Binnenhof. Je zou verwachten dat een overstromende Bossloot eerst het Bezuidenhout onder water zou zetten, dan het Binnenhof en dan pas het Spui van teveel water zou voorzien. Tussen het Binnenhof en het Spui lag een sluisje dat voorkwam dat de Hofvijver en de grachten om het Binnenhof daarin leeg zouden stromen. Vermoedelijk kwam er dus ook een dijk aan de zuidkant van het Haagse Bos. 9.

De ‘Oude Veenmolen’ (1446)

Maar vier jaar later was drassigheid nog steeds een probleem. Het “Heerenveen” was toen flink afgegraven (“seer verdolven”) en het was uiterst moeilijk om er nog turf uit te graven. Juist door het afgraven van veen lag de grond lager en liep daarom weer onder water. De vooruitgang van de techniek bood nu betere kansen, want enkele jaren hiervoor had men in Holland de watermolen uitgevonden. Men had altijd molens gebruikt die door mens of paard waren aangedreven, maar windkracht gaf veel meer vermogen. Men bouwde dus een watermolen aan de Trekvliet. Nu het omdijkte gebied een molen had, was er sprake van een polder. Deze polder kreeg de veel voorkomende naam Veenpolder10.

 

De Binkhorstmolen (1461)

Al na korte tijd bleek deze ene watermolen niet genoeg te zijn en werd in 1461 bij kasteel De Binckhorst een tweede molen gebouwd. Het gebied tussen beide molens was in 1459 al gescheiden door een tussendijk, de Bovenkade. De Veenpolder was nu in twee polderdelen gesplitst, die vermoedelijk een semi-officiële status hadden. Aan de Haagse kant lag nu de (gehalveerde) Veenpolder. Aan de Voorburgse kant de nieuwe Binkhorstpolder, zonder ‘c’ geschreven11.

Nieuwe Binkhorstmolen (1621)

In 1620 kreeg de Binkhorstpolder van het hoogheemraadschap Delfland toestemming een nieuwe molen te mogen bouwen. De oude molen was bouwvallig en niet goed in staat het land droog te houden. De nieuwe Binkhorstmolen, later De Vlieger genoemd, werd daarom niet aan de Trekvliet worden gebouwd, maar landinwaarts, in het midden van de polder. Van deze molen liep een nieuw gegraven molensloot naar de Broeksloot. De molen werd in 1621 in gebruik genomen12. De Binkhorstpolder had nu dus twee molens in gebruik.

Nieuwe ‘Oude Veenmolen’ (1627)

Ook de gebruikers van de Haagse Veenpolder wilden een modernere molen. Het heftig verzet van een van de grootgrondbezitters was vergeefs en op 31 december 1626 viel het besluit een nieuwe molen te bouwen. Deze nieuwe “Oude Veenmolen” zal in 1627 gereed zijn gekomen, op of nabij de locatie van de oude molen13.

Bezuidenhoutse polder na 1461

Polders, molens, wegen en dijken vanaf 1461.

Nieuwe Veenmolen of Bosmolen (1654)

De nieuwe Oude Veenmolen bracht niet de droge grond die men gehoopt had. Pachters in de Veenpolder bleven klagen dat het land de gehele winter onder water stond, soms van september tot eind juni: “gemeenlijck jaers den geheelen wintertijt ende verscheyden jaren wel van omtrent halff september, jae somwijlen tot St. Jan…(24 juni) “zoodanich onder water leggen dat men d’selve landen niet behoorlijck en can gebruycken of beneficieren”. In 1654 gaf Delfland toestemming een tweede molen te bouwen. Net als bij de Binkhorstpolder kwam de nieuwe molen meer in het midden van de Veenpolder te staan aan de Schenk. Van de molen liep een molensloot van ongeveer een kilometer lengte naar de Bezuidenhoutseweg, of eigenlijk de daarnaast liggende Bezuidenhoutsevaart. In 1687 kreeg het terrein van Huis ten Bosch ook verbinding met de Nieuwe Veenmolen. De twee Veenmolens (de Nieuwe en de Nieuwe Oude) moesten ieder hun deel van de Veenpolder droog houden. De Nieuwe Veen- of Bosmolen bestaat nog steeds14.

Veenpolder onder Haag-Ambacht (1854)

Uit de regelmatige conflicten tussen de besturen van de Veenpolder en Binkhorstpolder blijkt dat de grenzen van de Haagse en Voorburgse delen van de Veenpolder nooit goed waren vastgelegd. Een deel van de Haagse bebouwde kom had steeds onder het waterstaatsgezag van de Veenpolder gestaan. Dat was het gebied dat lag tussen Spui, Houtmarkt, Fluwelen Burgwal, Herengracht en de Zuid-Oost-Singelgracht. In 1854 ging dit gebied over naar de gemeente Den Haag en in dat jaar stelde de provincie nieuwe (maar nog niet eerder officieel vastgestelde) grenzen vast van de ‘Veenpolder onder Haag-Ambacht’.

Bezuidenhoutschen Veenpolder (1856)

Toen de polders in 1856 nieuwe reglementen kregen, werd tegelijkertijd de naam van de ‘Veenpolder onder Haag-Ambacht’ gewijzigd in ‘Bezuidenhoutschen Veenpolder’. Een jaar later werden de twee polderdelen weer samengevoegd tot ‘Veenpolder’. Het noordelijk deel en het zuidelijk deel leverden ieder enkele bestuursleden van de polder. De Binckhorstpolder werd in deze tijd ook wel Binnenpolder of ‘Binnen- of Binkhorstpolder’ genoemd. In 1872 besloten de beide polders één stoomgemaal te bouwen dat uit zou slaan op de Broeksloot.

Veen- en Binkhorstpolder (1879)

De Oude Veenmolen kon nu worden gesloopt, maar de twee andere windmolens bleven staan. In 1879 werden de Veenpolder en de Binnen- of Binckhorstpolder ook in bestuurlijke zin samengevoegd tot Veen- en Binkhorstpolder15.

Wegen

Omdat het poldergebied door dijken, sloten en molens steeds beter droog gehouden werd kon men de grond steeds beter gebruiken. Gedetailleerd onderzoek naar het gebruik is te tijdrovend, maar oude kaarten kunnen daar een globale indruk van geven. Maar terwijl er van de bebouwde kom van Den Haag veel oude kaarten gemaakt zijn, is dat niet het geval van de onbebouwde gebieden net buiten Den Haag. Een kaart uit 1611 geeft heel weinig details, maar een kaart uit 1750 van cartograaf Cruquius geeft wel een aantal details. Je kunt er de wegen op zien die er volgens Van der Hoeve sinds mensenheugenis moeten zijn geweest. Dat zijn achtereenvolgens de Binckhorstlaan, de De Wervelaan, de Loolaan en de Zijtwinde. De Binkhorstlaan (op de kaart A, zonder ‘c’ geschreven, vroeger Denneweg geheten) lag niet precies op de plek van de huidige Binckhorstlaan. Bij de aanleg van industriewijk De Binckhorst verloor de weg haar bochten en kreeg een iets andere ligging en tussen 1750 en de twintigste eeuw zullen er ook tussentijdse wijzigingen zijn geweest. De laan was volgens Teixeira de Mattos in 1908 nog een particuliere weg16.

Wegen in de Bezuidenhoutse polder

Wegen in de Bezuidenhoutse polder.

Tracéwijzigingen waren er ook voor de Schenkweg, bij B. In de negentiende eeuw schoof de weg op voor Station Staatsspoor en toen die station in de jaren 1970 werd uitgebreid verdween de Schenkweg onder onder de perrons elf en twaalf van het nieuwe Centraal Station.

 

De Wervelaan was vermoedelijk de belangrijkste weg om van Den Haag naar Voorburg te gaan, maar bij het tolhuis (bij C) moest je dan wel betalen. De Loolaan (D) was een particuliere weg die alleen voor bewoners en ander bestemmingsverkeer toegankelijk was. De zuidkant werd meestal Zuidlaan of Voorlaan genoemd, de noordkant de Noordlaan of Achterlaan. Op de grens met Wassenaar lag tenslotte de zeer kronkelige Zijtwinde (E), de latere Landscheidingsweg17.

 

Op de kaart van 1750 staat het Geldeloze Pad (langs de Trekvliet) niet aangegeven. De naam geeft al aan dat langs die pad geen tol werd geheven en dat het een welkome gratis route naar Voorburg was. Alleen werd het pad niet, of niet goed onderhouden. In ieder geval in de negentiende eeuw werd geklaagd over de slechte begaanbaarheid van het pad, vooral in de winter. De gegevens over de wegen zijn overigens slechts toevallige gegevens over deze wegen, want veel is er over deze wegen en paden niet bekend.

Bezuidenhoutseweg

De Bezuidenhoutseweg zal de bekendste weg van het Bezuidenhout zijn geweest. De weg was eeuwenlang niet meer dan een zandweg die uiteindelijk in verschillende etappes werd bestraat. In de twintigste eeuw was het een belangrijke verkeersweg, maar of de weg in de eeuwen daarvoor zo belangrijk was is niet helemaal duidelijk. Vóór de komst van de spoorwegen en de auto reisde men in het waterrijke Holland het liefst over water. Alleen wie veel haast had, of naar tussengelegen dorpen moest, reisde te paard of trotseerde met een koets de hobbelige zandwegen. Verder reisde iedereen per (zeil)schip of vanaf de zeventiende eeuw met de niet van de wind afhankelijk en volgens vaste dienstregeling varende trekschuit.

 

De wegen tussen Den Haag en Leiden zullen niet druk zijn geweest met interlokaal verkeer. In de negentiende eeuw gebruikte men de Leidsestraatweg door het Haagse Bos en zal men de Bezuidenhoutseweg weinig gebruikt hebben. In de eeuwen hiervoor zal de Bezuidenhoutseweg belangrijker zijn geweest. In de Middeleeuwen was het Haagse Bos het privébos van de graaf of stadhouder en was het bos hermetisch afgesloten om vandalisme of stroop door burgers te voorkomen. In hoeverre de weg door het Haagse Bos toen werd gebruikt is niet bekend. Wagenvoerders konden de sleutel halen en terugbrengen om de poorten aan de Haagse en Wassenaarse kant te passeren. Uit de vele herhaling van het verbod om het bos te betreden blijkt dat mensen wel in het bos kwamen en mogelijk ook de weg gebruikten. Het laatst bekende verbod dateert van 1613, dus ergens na dat jaar zal het verbod zijn opgeheven.

 

De gebruikelijke route naar Wassenaar blijkt niet duidelijk uit literatuur en oude kaarten geven dit ook niet duidelijk aan. De oudst bekende kaart van wegen rondom Den Haag stamt uit 1560, is vermoedelijk gemaakt voor militaire doeleinden en geeft de Bezuidenhoutseweg duidelijk aan. De weg door het Haagse Bos is slechts vaag aangegeven en lijkt niet een gebruikelijke route te zijn. De Benoordenhoutseweg lijkt op deze kaart ook een belangrijke weg te zijn. Op kaarten uit 1613, 1650 en 1651 lijkt de Bezuidenhoutseweg ook een belangrijke weg te zijn. Dat het Haagse Bos rond 1650 niet meer verboden gebied zal zijn geweest lijkt de Bezuidenhoutseweg niet minder belangrijk te hebben gemaakt18. Het eerste deel van de weg werd dus gebruikt door landverkeer naar Voorburg. Dat nam de Bezuidenhoutseweg en de De Wervelaan (later Laan van Nieuw Oost-Indië) naar Voorburg.

Bezuidenhoutseweg kijkend naar Wassenaar

Bezuidenhoutseweg kijkend naar Wassenaar. De sloot links is de Bossloot (Gemeentearchief Den Haag, prentenverzameling kl. A 57, maker La Fargue)

De Bezuidenhoutseweg verhard met steen

In Holland, het rijkste gewest van Nederland, waren vrijwel geen wegen buiten de bebouwde kom verhard met steen. Het waren allemaal zandwegen of paden en van de wegen die voorzien waren van steen lagen de meeste bij Den Haag. Dat waren de wegen naar Delft, Scheveningen en Honselersdijk. De Bezuidenhoutseweg werd pas later, in gedeelten, verhard met steen. Eerst werd de Bezuidenhoutseweg alleen maar opgeknapt. Want toen Frederik Hendrik en Amalia van Solms in 1645 begonnen met de aanleg van de Oranjezaal (het latere Huis ten Bosch), besloot het Haagse dorpsbestuur het de prinses een plezier te doen en stelde voor de Bezuidenhoutseweg op te knappen. Dat ging heel officieel. Eerst polste de deftige Haagse baljuw de prinses over het plan “den wech bezuijden het Bosch, doorgaens tot aen haer hoocheyts nieuwe speelhuys ende lusthooff” op te hogen en met bomen te beplanten. Volgens de baljuw was “het de prinses “ten hoochsten aengenaam was” en trok het bestuur van Den Haag daar geld voor uit. De weg werd toen vermoedelijk nog niet bestraat.

 

In 1680 werd een deel van de “besuijdenhoutsche wegh” geplaveid met “goeye stenen” en twee roeden breed (7,5 meter). Deze verbetering was een verzoek van de omwonenden, die ieder naar rato van de breedte van hun huizen, samen tweederde betaalden. Het dorp Den Haag betaalde een derde daarvan19.

 

In 1700 werd de bestrating doorgetrokken tot aan de Laan van Nieuw Oost-Indië en werden “hier en daar […] nieuwe boomen” geplant. Het hoogheemraadschap Delfland moest officieel toestemming geven dat de weg hier een tijd voor werd afgesloten. Buiten Den Haag waren in Holland toen alleen de wegen tussen Hoorn en Enkhuizen en Rotterdam en Gouda bestraat.

 

In 1748 werd Willem IV stadhouder van Holland en Huis ten Bosch was bij gebrek aan andere geschikte paleizen zijn belangrijkste Haagse paleis. Daarom trok Den Haag in dat jaar weer de beurs om de verharding van de Bezuidenhoutseweg door te trekken naar het paleis. Het betaalde 6460 gulden aan stratenmakers, een timmerman (voor de houten delen van de bestrating), een metselaar en voor de stenen. Willem IV kon zijn paleis vanuit Den Haag zonder moddervoeten bereiken.

 

In 1780 kreeg Johan Blotelingh, eigenaar van Zuiderbosch, het in 1780 kreeg voor elkaar dat de Bezuidenhoutseweg werd bestraat “tot aan het eind van het Bos” 20.

Huizen

Aan de Bezuidenhoutseweg stonden boerderijen en ook enkele herbergen en huizen die vaak oorspronkelijk boerderij zullen zijn geweest. De huizen werden niet door de armste mensen bewoond, maar van slechts een enkel huis is iets over de geschiedenis bekend.

Huis ter Noot

Na Huis ten Bosch was het Huis ter Noot het meest opvallende gebouw aan de Bezuidenhoutseweg. Volgens oude verhalen was dit huis in de Middeleeuwen als kasteel gebouwd en dankte het zijn naam aan de moedige daad van een zekere ridder Geldolph de Kortenaer. De ridder had gravin Ada uit een belegerde woning gered en mocht zijn kasteel Huis ter Noot noemen. Er zijn nog twee van dit soort fraaie verhalen over het middeleeuwse huis, maar in werkelijkheid was het geen middeleeuws huis. Het werd pas in 1595 gebouwd in opdracht van Karel ter Noot. Van der Noot op dat moment kapitein van de lijfwacht van prins Maurits. Hij zou later gouverneur (commandant) van achtereenvolgens Oostende en Sluis worden. Daar had ons land (het was de Tachtigjarige Oorlog) garnizoenen liggen.

Huis Ternoot aan de Bezuidenhoutseweg

Huis Ter Noot in 1828 Ter Noot (Gemeentearchief Den Haag)

Karel ter Noot had een ouderwetse geest of hij ging om een andere reden niet met zijn tijd mee, want hij liet zijn nieuwe huis een kasteelachtig uiterlijk geven. Veel huizen in Den Haag zagen er nog kasteelachtig uit, maar die raakten langzamerhand juist uit de gratie. Ze werden afgebroken en vervangen door een kleinere en moderner ingerichte woning. Een middeleeuwse woning stond niet als huis aan de straat, want aan de straat stond een muur met een poort. Door de poort kwam je op een binnenhof en daar lag de woning dan aan, samen met enkele bijgebouwen. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt kocht zo’n ouderwets wooncomplex, liet het slopen en vervangen door een moderner ogend huis waarvan de voorgevel deels nog aan de Kneuterdijk staat. Het huis van Johan de Witt aan de Kneuterdijk 6 had ook zo’n middeleeuwse voorganger.

 

Karel ter Noot’s huis werd ook wel ‘hofstede’ genoemd, een aristocratisch lijkend wooncomplex en misschien ook zijn bedoeling. Het was een tamelijk opvallend gebouwencomplex voor deze omgeving. Aan de Bezuidenhoutseweg stond dus een muur met daarvoor een sloot. Over een brug en door een poort betrad je de ‘hofstede’. Naast het woonhuis met drie trapgevels, stonden er enkele dienstgebouwen en een toren aan de binnenhof. Het complex lag op een eiland dat was omgeven door een muur en een of twee sloten. Door een tweede poort kwam je in een boomgaard.

Namen van gebouwen langs westelijk deel Bezuidenhoutseweg

Namen van gebouwen langs het westelijk deel van de Bezuidenhoutseweg.

Na Karel van der Noot wisselde het huis verschillende keren van eigenaar en die lieten er ook het nodige aan veranderen. In de negentiende eeuw bleek het huis te duur in onderhoud. De laatste eigenaar van Ter Noot ging er vermoedelijk niet wonen en liet het in 1863-1864 slopen. Het lag ongeveer op de plaats waar nu (2010) het Ministerie van Landbouw staat. Later stond een andere villa Ter Noot in de buurt, maar deze werd verwoest bij het bombardement van 3 maart 194521.

Boschlust

Villa Boschlust was een ander bekend huis, maar dan uit de negentiende eeuw. De stichter en eerste bewoner van dit huis was de vroegere gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië Johannes van den Bosch. Toen Van den Bosch minister van Koloniën werd liet hij villa Boschlust bouwen. Van den Bosch werd echter vooral bekend door zijn oplossing voor de grote groep armlastige werklozen in ons land. Hij stichtte namelijk de Veenkoloniën waar mensen werk konden krijgen om zelf hun geld te verdienen. Villa Boschlust werd later bewoond door Prins Alexander, een zoon van koning Willem II en Anna Paulowna. De prins woonde er nauwelijks drie jaar. Hij overleed in 1848 op Madeira. De laatste eigenaars waren Cornelis Suermondt en zijn erfgenamen. De erfgenamen-Suermondt lieten het huis afbreken om gebruikten de grond voor de aanleg van een woonwijkje.

Zandvliet

Het huis Zandvliet maakte vooral naam door de kruidentuin. Zandvliet werd in 1752 gekocht door Martinus Schwencke, de broer van de bekende professor Thomas Schwencke (1707-1785). Broer Thomas liet achter het huis een Hortus Medicus aanleggen, een tuin voor medicinale kruiden. Sinds 1750 gaf Schwencke hier les aan apothekers en apothekersleerlingen. Het huis werd in 1875 door een latere eigenaar vervangen door een nieuw huis Zandvliet. Dit werd in 1964 afgebroken en vervangen door een nieuw schoolgebouw “Zandvliet”22.

Kleine Loo

De geschiedenis van de Kleine Loo is pas bekend vanaf het moment dat stadhouder Willem IV het in 1748-1749 koopt samen met Kleine Loo en Grote Loo. De herkomst van de naam van de huizen is niet bekend. In de Middeleeuwen was de betekenis van ‘loo’ bos, of open plek of weide, in of bij een bos. Later werd ‘loo’ alleen gebruikt als plaatsnaam.

 

De Kleine Loo lag op enige afstand van de Bezuidenhoutseweg, maar de Grote Loo lag aan de andere kant van de Schenk bij Voorburg. Willem’s echtgenote Anna van Hannover liet in de Kleine Loo een kleine dierentuin aanleggen die volgens de literatuur een bijdrage moest zijn aan de scholing van haar zoontje Willem V. De dieren kwamen van Het Loo bij Apeldoorn. Aernout Vosmaer, directeur van de dierentuin, beschreef in het boek Regnum animale de exotische dieren die op Kleine Loo verbleven. Op de Grote Loo kwam een fazantenkwekerij. Toen Koningin Sophia in de negentiende eeuw alleen op Huis ten Bosch woonde, liet zij gasten op de Kleine Loo wonende. Onder andere werkte de bekende Amerikaanse historicus Motley hier aan zijn grote geschiedenis van Nederland23.

Namen van gebouwen langs oostelijk deel Bezuidenhoutseweg

Namen van gebouwen langs het oostelijke deel van de Bezuidenhoutseweg.

Carolinenburg

Kenners van het Oranjehuis vermoeden misschien dat dit huis is vernoemd naar prinses Carolina en dat kan best waar zijn. Het huis was op het einde van de achttiende eeuw eigendom van de joodse familie Teixeira en deze mensen waren bekende van de Oranjes. Prinses Carolina was de muzikale zus van stadhouder Willem V. Een van haar wapenfeiten was de uitnodiging aan de jonge Wolfgang Mozart aan Den Haag. Over de geschiedenis van het huis is verder weinig bekend. Er woonden ongetwijfeld allerlei aanzienlijke of in ieder geval rijke mensen in het huis. In de jaren 1860-1870 woonde bijvoorbeeld Quirinus Wennekers er. Wennekers was bouwondernemer, later rentenier en een van de bestuursleden van het Koninklijk Zoölogisch-Botanisch Genootschap. Dit genootschap exploiteerde de Haagse Dierentuin aan de andere kant van het Malieveld. Later werd Carolinenburg gesloopt voor de bouw van nieuwe herenhuizen. In 1971 werd op deze plek het nieuwe gebouw van de Sociaal Economische Raad gebouwd24.

Huis ten Bosch

De geschiedenis van het Huis ten Bosch, het bekendste huis van de Bezuidenhoutseweg, is zo uitgebreid, dat die een aparte pagina wordt beschreven. De bewoners van huizen op de Bezuidenhoutseweg zullen regelmatig leden van het Oranjehuis en hoog geplaatste gasten over de weg hebben zien rijden. Bij bijzondere gelegenheden, zoals een bezoek van vorstelijke personen, werd de weg versierd met feestverlichting.

Herbergen

Aan de weg lagen vanouds verschillende herbergen, maar over de geschiedenis van deze herbergen is vaak niet meer bekend dan de naam en soms de ligging. Er stonden ook veel koffiehuizen en herbergen langs de Leidsestraatweg, op het Malieveld bij het begin van het Haagse Bos.

 

Verantwoording

Dit is slechts een summiere geschiedenis van het Bezuidenhout. Veel feiten worden beschreven zoals ze zijn gevonden, met de beperkingen die dit geeft. Ik heb dan geen nader onderzoek gedaan. Als bijvoorbeeld vijf wegen worden beschreven die op een kaart van 1750 vermeld staan, betekent dit dat die wegen er in 1750 zijn geweest, maar niet dat die er honderd jaar eerder of later zullen zijn geweest of toen wel of niet op dezelfde locatie lagen. Hetzelfde geldt voor de geschiedenis van huizen, sloten, en dergelijke.

Literatuur

• A. Bicker Caarten, Middeleeuwse watermolens in Hollands polderland, 1407/’08 - rondom 1500, Wormerveer, 1990.

• P.J. van Breemen, ‘Grenswateringen in het Noordveen en in het Benoordenhout, het Claas Robbrechtszoons land en den veenpacht van de heer van Wassenaar’, in Jaarboek Die Haghe 1939 208 e.v.

• Charles Cornelisse,Energiemarkten en energiehandel in Holland in de late middeleeuwen, Hilversum 2008.

• Van Diepen, De Heer Leyden en de Topografie van Den Haag,in Die Haghe 1947.

• Dr. W.J. Diepeveen, De vervening in Delfland en Schieland tot het einde der zestiende eeuw, Leiden, 1950.

• Fockema Andreae, S.J., ‘Ruzie in de Veenpolder’, in: Jaarboek Die Haghe 1948/1949, p 35-46.

• Victor Freijser (red), Het veranderend stadsbeeld van Den Haag. Plannen en processen in de Haagse stedebouw, 1890-1990, Zwolle 1991.

• J.A. van der Hoeve, P.C. Lankamp, H.P.R. Rosenberg, E.C. Vailliant, D. Valentijn, Monumenteninventarisatieproject Den Haag 1850-1940, Den Haag 1993.

• E.M.CH.M. Janson, Toen Den Haag nog ’t Haegje was. Het Bezuidenhout, Den Haag 1973.

• Kees van der Leer en Cees van der Velde, ‘De Grote Loo, Kleine Loo en naburige naamgenoten’, in Jaarboek Die Haghe 2003, pp. 42-119.

• N.J. Pabon, ‘Bijdragen over het godsdienstig, zedelijk en maatschappelijk leven in Den Haag tot het einde der 16de eeuw’, in Jaarboek Die Haghe 1936, 36-e.v.

• N.J. Pabon: ‘Die Haghe als ambacht, parochie en waterschap tot het einde der 16e eeuw, in: ‘Die Haghe. Jaarboek 1924, ‘s-Gravenhage 1924, p 71 e.v.

• L. van der Valk en A.P. Pruissers, ‘Vervenen en afzanden in en rond ’s-Gravenhage’, in: Westerheem 1988, pp 313-322.

• L.F. Teixeira de Mattos, De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland, deel II, ’s-Gravenhage 1908.

• Sv.E. Veldhuijzen, Huis ter Noot, in Jaarboek Die Haghe 1997, pp. 49-71.

• Dr. D.A. Wittop Koning, ’s-Gravenhage en de Pharmacie, Jaarboek Die Haghe 1967, p. 49-56.

Noten

1. Officieel ligt het Bezuidenhout zuid-zuid-oost van het Haagse Bos, maar al in de Middeleeuwen bedacht men dat Bezuidzuidoostenhout niet zo goed klinkt als Bezuidenhout en daar is het vanaf dat moment bij gebleven. Dezelfde vereenvoudiging heeft men toegepast bij het Benoordenhout en bij straatnamen als het Noordeinde en het Westeinde en om dezelfde reden neem ik dit gebruik over op deze website.

2. Fockema Andreae, 35, 36. De landscheiding bestond al vóór 1246.

3. Pabon, ‘Die Haghe als ambacht’, 82-84.

4. Cornelisse 24, Bicker Caarten 113, Van der Leer en van der Velde 48-49.

5. Cornelisse 27-31.

6. Pabon, ‘Die Haghe als ambacht’, 75, 85-87, Van der Valk en Pruissers, 315.

7. Pabon, ‘Die Haghe als ambacht’, 75.

8. Jacoba van Beieren bijvoorbeeld aan Gerrit Potter, zoon van een bekende vertrouweling van onder andere Albrecht van Beieren. De grond die Potter toen kreeg hoorde vermoedelijk tot de hofstede De Kleine Loo aan de Bezuidenhoutseweg, zie Van der Leer en van der Velde 54.

9. De tekst luidt: “ene kade te slaen besuijden dat Bosch van der Haghe tot Voirburch toe met twee nyewe houte sluse, so dat die beeck, die door dat voors. Bosch loopt op noch doer dat land niet lopen en mach, binnen welke kade ende sluijsen mijn genadige heere leggende heeft sijn veene, daer men jarilix sijn turf utdelt ense sijn gemeten XXX XL morgen dair dit jair gegadert is dese voirs. oncost mede te betalen te weten van elke morgen X gr. Ende beloop LX libra”, zie: Rentmeestersrekening van Noordholland 1442-1442 fo. 73, geciteerd in: Pabon, Die Haghe als ambacht, 218.

10. Bicker Caarten 44, Pabon 218-220.

11. Jaarboek Die Haghe 1939, p. 115, verwijst naar: archief Hoogheemraadschap Delfland, index op de Registers van Delfland 1440/1588, 11 aug 1459.

12. Lagas, 15-17, Teixeira de Mattos 177.

13. Lagas, 15-17.

14. Lagas 18-21, Teixeira de Mattos 177, Bicker Caarten 113.

15. Teixeira de Mattos 170-178, Bicker Caarten 113-114; Samenvoeging Bezuidenhoutschen Veenpolder en Veenpolder tot Veenpolder was bij Statenbesluit van 10 november 1857.

16. Van der Hoeve 107, Teixeira de Mattos 172.

17. Morren, Straatnamen in Jaarboek Die Haghe 1911, zie ook Jaarboek 1910, Van Diepen, ‘De Heer Leyden en de Topografie van Den Haag’, Die Haghe 1947, p. 65-67, Van der Leer en van der Velde 63, Van der Hoeve 107.

18. Haags Gemeentearchief, plattegronden gr. 0235, gr. 1681, z.gr. 1928, z.gr. 1925.

19. Register Gemeentelijke Eigendommen, afdeling IX nr. 31, hierin brief 8 maart 1646 en Oud Archief Den Haag, bnr 350, inv. nr. 5181.

20. Vijfvinkel Haags werken 37-53, HGA, Oud Archief, bnr 350, inv. nr. 5182-5183, Register Gemeentelijke Eigendommen, afdeling IX nr. 31, J. Kuyper in het Jaarboek Die Haghe 1897, p. 289.

21. Veldhuijzen 51-52, 69.

22. Zie verder bij Janson 34 en Wittop Koning 54.

23. Woordenboek der Nederlandsche Taal, 2007, artikel uit 1920, Jaarboek Die Haghe 2003, p. 42-119. Het Kleine Loo was in de tussentijd blijkbaar niet steeds eigendom van de Oranjes gebleven, want het was onder andere gebruikt als horecagelegenheid.

24. Janson 34-36, Jaarboek Die Haghe 1904, p. 108.