Geschiedenis van Den Haag
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDeze pagina geeft de inleiding op het bombardement op het Bezuidenhout van 3 maart 1945. Hoe was het leven in het door de Duitsers bezette Den Haag, hoe zag de wijk er uit en waarom vond het bombardement plaats.

kopfoto

Bombardement op het Bezuidenhout: 1

Deel 1: Den Haag en het Bezuidenhout in de oorlog

Het Bezuidenhout

Het Bezuidenhout was in 1945 een nog relatief jonge wijk. De wijk was aangelegd vanaf ongeveer 1860, maar de laatste delen van de wijk stamden nog van vlak voor de oorlog (zie Bezuidenhout). De naam Bezuidenhout kreeg de wijk pas officieel in 1953 toen een nieuwe Haagse wijkindeling werd ingevoerd. Daarvoor noemde men de wijk meestal Bezuidenhoutkwartier. De aanduiding ‘Bezuidenhout’ gebruikte men vroeger verwarrend genoeg ook voor de Bezuidenhoutseweg. Pas in de negentiende eeuw ging men de weg steeds vaker ‘Bezuidenhoutseweg’ noemen, maar het is pas vanaf 1945 dat de weg in in particuliere brieven en in officiële documenten alleen nog wordt aangeduid als Bezuidenhoutseweg.

 

Voordat de aanleg van de woonwijk Bezuidenhout begon, stonden aan de Bezuidenhoutseweg al enkele grote huizen, zoals ‘Boschlust’ en enkele boerderijen en een enkele herberg. De eerste huizen van het Bezuidenhout als echte woonwijk werden echter vlak na het midden van de negentiende eeuw gebouwd. Die huizen kwamen eerst aan de Bezuidenhoutseweg, maar later ook elders in het gebied tussen de Bezuidenhoutseweg en de Schenk. In dat gebied lagen toen weilanden.

 

De wijk werd niet als een geheel ontworpen, maar in achtereenvolgende kleine stukken. In de negentiende eeuw volgde het ene stratenplan op het andere en geen van deze plannen sloten goed op elkaar aan. Pas op het einde van de negentiende eeuw dienden grotere bouwmaatschappijen projecten in met een groter aantal straten. Het wijkdeel tussen het Centraal Station (toen Station Rijnspoor of Staatsspoor genoemd) en de Laan van Nieuw Oost-Indië werden bijna geheel aangelegd voor de Eerste Wereldoorlog. Van dit deel van de wijk is het stratenplan na de Tweede Wereldoorlog flink gewijzigd. Onder andere de grote monumentale pleinen zijn verdwenen.

 

De Schenkkade en de omgeving van het Van Imhoffplein en de meeste straten ten oosten van de Laan van Nieuw Oost-Indië zijn pas later gebouwd1.

 

Het Bezuidenhout werd vooral bekend door de grote huizen, maar deze huizen werden vooral in de begintijd van de wijk gebouwd aan de Bezuidenhoutseweg. In de zijstraten die hierna werden aangelegd, woonden al iets minder rijke rijken naast mensen uit wat toen de ‘gegoede middenstand’ werd genoemd. In verschillende gradaties van rijkdom woonden hier, aan de Bezuidenhoutseweg en de aangrenzende straten, de adel, de hogere ambtenaren, artsen, leraren, ministers en leden van de Eerste en Tweede Kamer. Veel van deze mensen kwamen volgens auteur Janson in de financiële problemen door opeenvolgende economische crises tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. De mensen die getroffen waren moesten kamers verhuren of hun huis verkopen. Het was de tijd dat mensen dienstbodes haalden uit de goedkope-lonenlanden van die tijd, Duitsland en Oostenrijk. Veel van die grote huizen waren te groot en te duur om te verkopen en stonden leeg toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Door hun omvang waren ze geschikt voor kantoren, maar dat het Bezuidenhout een wijk met veel kantoren werd, gebeurde waarschijnlijk pas na de Tweede Wereldoorlog 2.

 

Voor de oorlog werd het aangename woonklimaat van het Bezuidenhout waarschijnlijk eerder aangetast door het toenemende verkeer. Het stratenplan van het Bezuidenhout was ongelukkig ontworpen (zie hierover meer op de pagina Bezuidenhout en vooral het emplacement van station Staatsspoor blokkeerde de route tussen Bezuidenhout en de rest van Den Haag. De verbinding tussen beide stadsdelen bestond alleen uit de Bezuidenhoutseweg en een spoorwegovergang op de plek van het latere Schenkviaduct. De spoorwegovergang was vaak gesloten voor het rangeren van treinen, zodat het (auto)verkeer lang moest wachten. De oplossing was de aanleg van het Schenkviaduct, maar dat kwam pas tijdens de Tweede Wereldoorlog klaar.

boomrijke Laan van Nieuw Oost Indië

Een nog boomrijke Laan van Nieuw Oost Indië, tussen Juliana van Stolberglaan en Willem van Outhoornstraat (Haags Gemeentearchief, foto nr. 0.42185, 1931, fotograaf onbekend)

Nog meer verkeersdruk op de wijk kwam door de snelle toename van het interlokale autoverkeer. Toen de nieuwe weg uit Utrecht gereed kwam, kwam deze uit op de Laan van Nieuw Oost-Indië. Deze boomrijke laan was niet aangelegd om zoveel autoverkeer te verwerken en de enige oplossing was het verwijderen van het groene middenplantsoen. Vervolgens vormde de Bezuidenhoutseweg een flessenhals voor het verkeer. Ook het verkeer uit Leiden en Amsterdam kwam over deze weg Den Haag binnen. Een andere probleemstraat was de 1e Van den Boschstraat. Die was oorspronkelijk niet aangelegd als verkeersweg, maar toen de wijk verder werd uitgebreid werd dit de belangrijkste toegangsweg tot de woonwijk. Omdat deze weg te smal was voor veel verkeer werd het groene middenplantsoen verwijderd en de weg verbreed3.

 

Voor het bombardement van 3 maart 1945 zag de wijk er heel anders uit dan tegenwoordig. De wijk had een heel ander stratenpatroon en de bebouwing was kleinschalig.

 

 

De oorlogstijd in Den Haag en het Bezuidenhout

Op 3 maart 1945, de dag van het bombardement van het Bezuidenhout, had Den Haag bijna vijf jaar bezetting achter de rug. In 1940 vestigde het Duitse bestuur over Nederland zich na de overgave van het Nederlandse leger in Den Haag. Nergens viel de Duitse aanwezigheid zo op als in Den Haag. Duitse militairen en ambtenaren werkten op het Binnenhof, Lange Voorhout of Plein en bezochten daar in de buurt de cafés of restaurants.

 

De eerste periode van de bezetting probeerden de Duitsers de Nederlanders nog voor zich te winnen door niet meteen onaangename nationaal-socialistische maatregelen in te voeren. Dat begon in 1941. Organisaties en instellingen die niet pro-Duits waren werden verboden. Kunstenaars, schrijvers, leden van de pers, muzikanten en dergelijke moesten zich aansluiten bij de door de Duitsers ingestelde Kultuurkamer. Kranten mochten niet alles meer schrijven en werden gecontroleerd. Ze stonden onder censuur. Een krant als de katholieke Residentiebode werd zelfs openlijk nationaal-socialistisch4.

Ontregelde samenleving

In het begin van de bezetting hadden de meeste mensen nog weinig mensen last van Duitse maatregelen, maar dat veranderde snel. Britse bommenwerpers vlogen ’s nachts over Nederland naar Duitsland en om te voorkomen dat ze konden zien over welke steden ze vlogen, moesten ’s nachts de lichten uit. Straatverlichting ging uit, van auto’s moesten de koplampen grotendeels worden afgeplakt en mensen moesten ’s avonds en ’s nachts hun ramen blinderen. De Duitse oorlogsindustrie had veel grondstoffen nodig en dat betekende dat ook in Nederland schaarste aan veel goederen ontstond. Er was op een gegeven moment zo weinig brandstof dat er vrijwel geen auto’s meer reden. Ook fietsen reden bijna niet meer omdat er geen nieuwe banden en onderdelen meer te koop waren, of omdat fietsen in beslag waren genomen om te worden afgevoerd naar Duitsland. Trams en bussen trof hetzelfde lot, zodat het openbaar vervoer steeds minder reed. Dagelijkse gebruiksvoorwerpen als schoenen, lucifers, toiletpapier en zeep waren op een gegeven moment nog nauwelijks te koop. Winkels moesten sluiten en schaarser wordende producten waren alleen verkrijgbaar “op de bon”. Via een stelsel van bonnen werden producten eerlijk onder de bevolking verdeeld. Dat leidde tot “zwarthandel”: voor veel geld kon je schaarse producten kopen buiten de officiële kanalen om.

 

Voor zover dat kon werden producten vervangen door namaakproducten die slechter waren of waar nauwelijks smaak aan was. Dat waren ‘surrogaat’-producten. Ook werd er op grote schaal met eten geknoeid. Dat betekende niet dat mensen meteen honger leden, want volgens officiële normen kregen mensen nog lange tijd voldoende calorieën. Het betekende wel dat eten smakeloos was. Alleen voor de allerarmsten had de schaarste een lichtpuntje, want dankzij de distributie werd het eten eerlijk per persoon verdeeld en dat betekende dat zij meer te eten hadden dan voor de oorlog5.

Groentetuin op het Thompsonplein te Den Haag.

Wegens het voedseltekort werd overal in Den Haag groen geteeld, hier op het Thompsonlplein (Haags Gemeentearchief, foto nr. 1.10384, 20-6-1942, fotograaf: Stijnman)

Hardere maatregelen

Het werd allemaal nog erger. Doordat steeds meer Duitse mannen werden opgeroepen voor het leger, konden de fabrieken niet voldoende (wapens) produceren. Daarom werden in heel bezet Europa (niet-Duitse) mannen opgepakt voor werk in Duitsland, ook in Nederland. Er waren Nederlanders die zich vrijwillig meldden, bijvoorbeeld omdat ze werkloos waren, maar veel Nederlandse mannen doken onder. De Duitsers voerden daarom razzia’s uit om mannen op te sporen. Daarbij werden systematisch straten en huizen doorzocht op zoek naar onderduikers. In totaal werden zo’n 600.000 tot 700.000 mannen als dwangarbeider weggevoerd naar Duitsland. De familie in Nederland bleef in in onzekerheid achter, want doordat geallieerde vliegtuigen dagelijks fabrieken en steden bombardeerden was Duitsland geen veilig land voor dwangarbeiders. Nog erger dan het lot van Haagse dwangarbeiders was het lot van Haagse joden. Die werden eveneens weggevoerd, maar hen wachtte een erger lot.

Anti-joodse teksten op synagoge in de Nieuw Molstraat in Den Haag.

Veel Hagenaars werden weggevoerd naar Duitsland, maar het ergste lot trof de Haagse joden. Een voorbode daarvan was het bekladden van deze synagoge in de Nieuwe Molstraat (Haags Gemeentearchief, foto nr. 0.25861, ca. 1943, fotograaf onbekend)

Atlantikwall

Ondertussen verliep de oorlog voor Duitsland niet goed. Vanaf 1942 bereidden de Duitsers zich zelfs voor op een invasie vanuit Engeland. Ze begonnen met de aanleg van een verdedigingslinie langs de kust, de Atlantikwall. Hoewel Den Haag vrij ver van Engeland lag, kwam ook hier aan de kust een deel van de Atlantikwall te liggen. Overal legden (Nederlandse) aannemers in Duitse dienst, betonnen bunkers en versperringen aan. Op meer afstand van de kust, tussen de Vogelwijk en de Bomen- en Bloemenbuurt kwam een zogenaamde tankgracht, die geallieerde tanks moest tegenhouden. Ook werden bomen gekapt of huizen gesloopt omdat de Duitsers een vrij schootsveld wilden hebben. De tankgracht liep van Kijkduin naar Zorgvliet en vandaar door de Scheveningse Bosjes naar het Kanaal (langs de Koningskade). Het Kanaal langs de Koningskade diende tot aan het Malieveld als tankgracht. Vandaar groef men de gracht verder, door het Malieveld en het Haagse Bos, tot vlakbij net boven het Huis ten Bosch. De gracht werd vervolgd door een tankmuur die tot aan de duinen liep. Langs het hele traject werden huizen ontruimd of gesloopt. De sloop sloeg een flink gat in Den Haag.

Kaart van de tankgracht.

In zwart de loop van de tankgracht die dwars door Den Haag liep, met in blauw het gebied dat daar omheen gesloopt werd.

Evacuatie kustgebied

Hagenaars die in het kustgebied woonden moesten hun huizen verlaten en verhuizen naar een ander huis in Den Haag of soms ver buiten Den Haag. Het ging om tienduizenden inwoners en volgens het eerste plan zou de grens van het evacuatiegebied lopen langs de Mient, Weimarstraat, Prins Hendrikstraat, Laan van Meerdervoort en dan rechtdoor tot Wassenaar. Gelukkig werd het evacuatiegebied verkleind, op verzoek van de gemeente. De grens liep toen langs de Laan van Meerdervoort, Reinkenstraat, Jacob Catslaan en de noordrand van de Archipelbuurt tot aan de Waalsdorperweg.

Graven tankgracht Haagse Bos

Graven tankgracht door Haagse Bos (Haags Gemeentearchief, foto nr. 0.25861, ca. 1943, fotograaf onbekend)

Ook met deze grens ging het bij de evacuatie nog om een kwart van de Haagse bevolking. De ontruiming van de huizen begon in de herfst van 1942 en ging door tot het voorjaar van 1944. In die tijd moesten 135.000 Hagenaars hun huis gedwongen verlaten. In de zomer van 1944 kwam een op de drie Nederlandse geëvacueerden uit Den Haag. Mensen die noodzakelijkerwijs in Den Haag moesten blijven, mochten in Den Haag blijven wonen op een ander adres. Maar Hagenaars zonder werk moesten Den Haag verlaten en kregen elders een woning aangewezen. Zo’n 45.000 niet-werkende Hagenaars verhuisden naar het oosten van het land.

 

Ook kantoren en bedrijven moesten het kustgebied verlaten. Een flink aantal verhuisde naar een van de grote huizen van het Bezuidenhout. Het Gemeentemuseum bracht bijvoorbeeld catalogi, archief en foto’s onder in een pand aan de Bezuidenhoutseweg. Die gingen bij het bombardement verloren6.

Dichtbevolkt Bezuidenhout

Voor de oorlog zal het aantal inwoners van de wijk door de opeenvolgende economische crises zijn afgenomen. Volgens veel mensen nam het aantal inwoners in de oorlog weer toe, maar exacte aantallen zijn niet bekend. Volgens de overlevering kwamen veel mensen in de wijk wonen die na het bombardement op Rotterdam hun huis waren kwijtgeraakt. Tijdens de oorlog kwamen daar veel Hagenaars bij. Dat waren mensen uit het vestinggebied of mensen die hun huis waren kwijtgeraakt door andere oorlogsschade, zoals een afgeworpen brandstoftank uit een overvliegend vliegtuig. Veel gezinnen gingen in het Bezuidenhout bij of met andere gezinnen wonen op een etage van een van de grote huizen. Met deze inwoners en de vele instellingen en bedrijven uit het evacuatiegebied raakte het Bezuidenhout dicht bevolkt.

Hongerwinter

Op 17 september 1944 landde een geallieerd luchtlandingsleger bij Arnhem en rukten andere geallieerde legers vanuit het zuiden door Nederland op. Na afloop van de gevechten was een deel van Zuid- en Oost-Nederland bevrijd, maar het Westen van ons land nog niet. Als vergelding voor de (illegale) Nederlandse hulp aan de geallieerde opmars zetten de Duitsers de voedselaanvoer naar het westen van Nederland tijdelijk stil. Toen de aanvoer van voedsel na zes weken werd hervat was het te laat om de achterstand in de voedselvoorziening in te lopen. De transportmogelijkheden waren al erg beperkt en dat betekende dat er in de winter van 1944-1945 voor het eerst echt te weinig te eten was. In oktober 1944 was het aantal calorieën dat mensen dagelijks aten (1300 calorieën) al laag, maar in december kregen mensen nog maar 550 calorieën per dag. Het zou nog verder dalen. In januari kregen mensen nog maar 460 en in februari nog maar 340 calorieën per dag. Dat was slechts een zevende van wat iemand normaal nodig had. Drie volkoren boterhammen met elk een plak ham leveren ongeveer 300 calorieën op.

 

Het probleem werd verergerd doordat in september 1944 de gaslevering werd beperkt en op 12 oktober in Den Haag helemaal werd gestopt. Er was vrijwel geen brandstof meer. Mensen gingen noodkacheltjes gebruiken die werkten op hout. Dat haalde men uit de bossen, plantsoenen, tussen de tramrails en uit verlaten huizen. Huisvuil werd niet meer opgehaald omdat de gemeentereiniging niet voldoende mensen en materieel had. Afval werd door mensen in de plantsoenen en in parken gegooid.

 

Zoektocht naar eten in de Hongerwinter

Twee broodmagere vrouwen met een wagentje tijdens een zoektocht naar eten (Haags Gemeentearchief, foto nr. 1.10634, ca. 1945, fotograaf onbekend)

Ook andere gemeentelijke diensten functioneerden niet goed. Het jongere personeel was weggevoerd naar Duitsland of zat ondergedoken. Een groot deel van het wagenpark stond stil door gebrek aan onderhoud en benzine of omdat de auto’s waren afgevoerd naar Duitsland. Door gebrek aan brandstof legde men in april 1945 de gemalen stil en werden de riolen geleegd in de grachten. Onder viaducten stond stinkend water. In de periode tussen januari 1945 en september 1945 kwamen ruim 2100 Hagenaars om van de honger7.

 

Hulpverleningsdiensten in de oorlog

Tijdens de bezetting was het voor overheidsdiensten als de politie, brandweer, ambulancedienst en ziekenhuizen steeds moeilijker om hun taak goed te uitvoeren. Door schaarste aan grondstoffen liep het onderhoud van materieel achter en doordat jonge mannen verplicht in Duitsland moesten werken, was er een tekort aan werkende mannen onder 40 jaar. Naarmate de oorlog vorderde hadden instellingen met meer problemen te kampen. In de winter van 1944 en 1945 kwam daar honger en een slechte fysieke conditie bij, van het meestal wat ouder personeel.

De Haagse politie

Zo kampte de Haagse politie in 1945 met een groot personeelstekort. Sinds 1 maart 1943 was de Haagse gemeentepolitie onderdeel geworden van de Staatspolitie. Het Haagse korps bestond uit enkele afdelingen. Er was een hoofdbureau aan de Laan Copes van Cattenburch en er waren negen sectiebureaus in de wijken. Bij elk sectiebureau werkte ongeveer honderd man geüniformeerde politie. Dit onderdeel werd Ordepolitie genoemd. Aan het hoofd van een sectiebureau stond een hoofdinspecteur. Sectie V (vijf) was de wijk Bezuidenhout. Het sectiebureau van deze wijk zat in een hoekpand tussen de Albertinestraat en de Louise Henriettestraat op adres Louise Henriettestraat 2a. In het pand ernaast zat een brandweerpost op huisnummer 2. Het bureau had een nominale sterkte van een inspecteur, zes brigadiers, vijf hoofdagenten en 73 agenten.

 

De Haagse politie had in de oorlog veel meer taken gekregen en die moest men met steeds minder personeel uitvoeren. Haagse agenten moesten bijvoorbeeld gebouwen van Duitse instellingen gaan bewaken. Toen men begon met evacuatie van bewoners uit het kustgebied, moest de politie de verlaten huizen bewaken. In de loop van de oorlog had de politie steeds meer werk aan diefstal, al dan niet veroorzaakt door schaarste aan levensmiddelen, kleding en fietsen. Op het einde van de oorlog was er een enorme stijging van de misdaad. Criminelen maakten gebruik van de schaarste en stalen distributiebonnen, brood en hout. Gewapende bendes roofden met grof geweld enorme bedragen. Tenslotte werd de geüniformeerde politie ook ingezet bij de deportatie van joden en bij de bestrijding van het verzet.

 

Men probeerde de politie te versterken met nieuwe agenten en met vrijwillige hulppolitie, maar toch liep het aantal politiemensen terug. Dat kwam onder andere omdat ook politiemannen te werk werden gesteld in Duitsland. Veel andere agenten probeerden dit te voorkomen door zich schuil te houden op een onderduikadres. Net als bij de brandweer bleven vooral de ouderen (veertig jaar en ouder) over. Vooral de geüniformeerde politie (Ordepolitie) leed onder personeelsgebrek. Meer dan een vijfde van het personeel was vertrokken8.

De Haagse Luchtbeschermingsdienst

De ‘Gemeentelijke Luchtbeschermingsdienst’ was in 1938 ingesteld om in geval van oorlog burgers, gebouwen en kunst te beschermen tegen luchtaanvallen en om burgers hulp te bieden bij luchtaanvallen. De dienst had eigen personeel, maar schakelde vooral ook andere gemeentelijke diensten in of werkte daarmee samen. Dat waren de politie, de brandweer, de GG & GD en de Dienst Gemeentewerken. De Hoofdcommissaris van politie was tegelijk ook Hoofd van de Luchtbeschermingsdienst. Het hoofdkantoor van de Luchtbeschermingsdienst zat daarom in het Hoofdbureau van politie aan de Laan Copes van Cattenburch 19.

 

De Luchtbeschermingsdienst groeide in de oorlog uit tot een organisatie met zo’n duizend man personeel. Het personeel bestond vooral uit arbeidscontractanten die werkten in uitrukposten en vakposten. In 1945 lag de dagelijkse leiding van de dienst bij de chef van de Luchtbeschermingsdienst, hoofdinspecteur H.L. Preller.

 

De dienst bestond uit onderdelen die ongelukkigerwijze ook “dienst” werden genoemd. Zo waren er de Ordedienst, de (hulp)brandweer, de Geneeskundige dienst, de Opruimings- en Herstellingsdienst en de Kunstbescherming. De Ordedienst werkte met 537 arbeidscontractanten voor het toezicht op de schuilkelders, de verduisteringsmaatregelen. Deze dienst had ook beveiligingstaken en assisteerde de politie. De hulpbrandweer was per wijk georganiseerd en werkte met 255 arbeidscontractanten. Het materieel werd door de beroepsbrandweer onderhouden. De Opruimings- en Herstellingsdienst had 130 man eigen personeel en de Geneeskundige Dienst had 129 man in dienst. Bij de Kunstbeschermingsdienst werkte 84 man. De organisatie van de Luchtbeschermingsdienst werd een paar keer gewijzigd en hoe die op 3 maart 1945 was is niet helemaal zeker. Ook is niet bekend hoeveel mensen er toen werkten9.

 

De Luchtbeschermingsdienst had Den Haag verdeeld in veertien sectoren of vakken, die weer waren onderverdeeld in wijken en de wijken weer in blokken. De hoofden van de sectiebureaus van de politie waren tevens sectorhoofden van de Luchtbeschermingsdienst. Sector V of Vak V (Romeinse vijf) van de Luchtbeschermingsdienst was het ‘Bezuidenhoutkwartier’. Dat was toen de officiële naam van het Bezuidenhout. Het sectorbureau in de Louise Henriëttestraat was tegelijk ook het politiebureau. Het sectorhoofd was J.A. Charon. Charon was de enige nationaal-socialistische hoofd-inspecteur van de Haagse politie. In december 1944 bestond vak V (Bezuidenhout) uit de wijken I tot en met IX (Marlot), maar mogelijk waren er meer. Elke wijk had een ‘leider’ met enkele helpers. Wijkposten waren onder andere gevestigd in de Rooms-katholieke kerk aan de Bezuidenhoutseweg 157, de Rooms-katholieke kerk aan de Schenkkade 118 en de kelder van Parkflat Marlot aan de Offenberglaan 1. De wijken waren verdeeld in blokken. Wijk V van het Bezuidenhout was verdeeld in de blokken 493 tot en met 495, wijk VI in blokken 502-503 en 508-509. De blokken hadden blokhoofden en blokploegleden. Die vormden de zogenaamde Zelfbescherming, maar hoorden wel tot de Luchtbeschermingsdienst.

Brandweeroefening van de luchtbeschermingsdienst

Brandweeroefening van de luchtbeschermingsdienst, hier in de Maaswijkstraat (Haags Gemeentearchief, foto nr. 1.09261, ca. 1939, fotograaf onbekend)

Taken luchtbeschermingsdienst

Bij een bominslag moesten het wijkhoofd en de blokhoofden worden gealarmeerd. Die gingen met hun personeel en vrijwilligers een eventuele brand blussen, slachtoffers helpen, het meubilair in veiligheid brengen en gesprongen ruiten van ramen dichtspijkeren. Vooral het dichtspijkeren gebeurde veel, want bij bominslagen sprongen ruiten meestal tot ver in de omtrek. Uit beschadigde huizen werd veel gestolen. Dat bleef gebeuren, ondanks dat personeel van de Luchtbeschermingsdienst de omgeving van zo’n pand afzette. Om te helpen bij de beveiliging werd een speciaal politiedetachement ingezet, het “Recherche-detachement bij Bominslag”. Agenten van dit detachement moesten goederen verzamelen die na een bominslag op straat werden gevonden, verlaten percelen bewaken en ze moesten assistentie verlenen bij de identificatie van slachtoffers (deze taak werd uitgevoerd door de recherche). Toen er op een gegeven moment geen hout of karton meer was om ramen dicht te spijkeren, gebruikte men het hout van in de omgeving aanwezige tuinschuttingen, die ter plekke werden gesloopt.

 

Het werk van de Luchtbeschermingsdienst was belangrijk, maar ook deze dienst leed onder problemen van de bezetting. Radio-installaties van de dienst werden in beslag genomen en later ook fietsen, motorfietsen en de auto’s voor gewondenvervoer. In 1945 was vervoer van doden en gewonden nauwelijks mogelijk. In een ongedateerd rapport wordt opgemerkt dat de acht vrachtauto’s van gemeentewerken (van het merk Faun) nauwelijks bruikbaar waren. Het kon een half uur tot driekwartier duren voordat de motor gestart was en door het benzinetekort konden ze niet proefdraaien. Als ze eenmaal reden strandden ze vaak onderweg. Ook personeel van de Luchtbeschermingsdienst moest gedwongen werken in Duitsland. Van het aanwezige personeel waren velen ondervoed en verzwakt. Door materiaalgebrek werkten veel telefoonverbindingen niet. In noodgevallen waren mensen vaak niet bereikbaar10.

Autospuit brandweer 1937

Autospuit Haagse brandweer (Haags Gemeentearchief, foto nr. 1.50435, ca. 1937, fotograaf onbekend)

De Haagse brandweer

In 1944 werd de Haagse brandweer onderdeel van de staatspolitie. De Haagse staatsbrandweer beschikte toen over acht wachtgebouwen en tien zogenaamde ‘hulpwachten’ voor de hulpbrandweer. Maar net als de politie en de Luchtbeschermingsdienst had de brandweer te lijden onder de bezetting. De brandweer had nog maar een derde van de vooroorlogse sterkte aan personeel. Wie niet naar Duitsland was afgevoerd voor de Arbeidsinzet was ondergedoken. Het overgebleven personeel hoorde tot de groep ouderen (ouder dan veertig jaar) die niet waren opgeroepen voor werk in Duitsland. De hoofdwacht aan de Duinstraat en de hulpwacht aan het Seinpostduin waren gesloten en de wachtposten aan de Archimedesstraat en de Theresiastraat (Louise Henriëttestraat 2) werden bemand door de hulpbrandweer. Van de hulpbrandweer waren de posten aan de Tomatenstraat, Boylestraat, Kapelplein en Joan Maetsuykerstraat gesloten. Op 3 maart 1945 werd overigens toch materiaal van de posten aan de Duinstraat en Boylestraat gebruikt.

 

Ook van de brandweer was veel materieel naar Duitsland weggevoerd. De brandweer beschikte in 1945 over “automobielspuiten” met blusmiddelen en gereedschappen. De wijkbrandweer of hulpbrandweer beschikte over motorspuitjes op een wagentje met twee wielen. Die werden lopend naar de plaats van de brand gebracht. De motorspuit werd daar van de wagen getild. Nadat de waterpomp op een brandkraan in de straat was aangesloten dreef een benzinemotor de waterpomp aan. Maar van het materieel van de hulpbrandweer waren vier autospuiten, één slangenwagen, twee commandoauto’s, twee motorrijwielen en twaalf trekkers naar Duitsland weggevoerd. Veel ander materiaal was in opdracht van brandweercommandant De Roos bij particulieren verstopt.

 

Ook de brandweer had het in de oorlog drukker gekregen. Neergestorte vliegtuigen, V2-raketten en neervallende bommen veroorzaakten veel branden11.

Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst

Waarschijnlijk had geen hulpverleningsdienst zo onder de oorlog te lijden als de Haagse Gemeentelijke Geneeskundige & Gezondheidsdienst, de GG & GD. Het was voor de dienst steeds moeilijker om artsen, chauffeurs en verpleegkundig personeel te vinden. Ook ziekenhuizen hadden zo weinig personeel dat zij in 1943 geen tuberculosepatiënten meer accepteerden. Door de schaarste aan benzine moesten ambulances op gas gaan rijden. Maar ambulances met een gastank op een aanhangwagen reden minder goed en konden niet ver rijden. De Duitsers vonden ze niet geschikt om af te voeren naar Duitsland. De ambulances kampten ook met een gebrek aan onderdelen. Van de tien Haagse GG&GD-ambulances waren er vaak acht defect12.

 

 

Zie voor vervolg deel 2: De V2 en de Britse tegenmaatregelen

 

Verantwoording

Tekstfouten verbeterd d.d. 10 oktober 2017, met dank aan Aat Visser.

Literatuur

Literatuur

• Els van den Bent, Gepokt en Gemazeld. 75 jaar Haagse GG & GD 1912-1987, Den Haag 1987

• Bart van der Boom, Den Haag in de Tweede Wereldoorlog, Den Haag 1995.

• C. Broeshart, H. de Haas, Die brand moet uit. 100 jaar beroepsbrandweer in ’s-Gravenhage, Rijswijk 1989

• J.A. van der Hoeve, P.C. Lankamp, H.P.R. Rosenberg, E.C. Vailliant, D. Valentijn, Monumenteninventarisatieproject Den Haag 1850-1940, Den Haag 1993.

• E.M.CH.M. Janson, Toen Den Haag nog ’t Haegje was. Het Bezuidenhout, Den Haag 1973.

Noten

1. Van der Hoeve 107-108.

2. Janson 18-19.

3. Janson 19-21.

4. Van der Boom 13-16.

5. Van der Boom 112-118.

6. Van der Boom 20-29.

7. Van der Boom 220-233.

8. Van der Boom 71-98, archief Gemeentepolitie, inleiding, inv. nr. 6198.

9. Deels uit archief Gemeentepolitie, inv. nr. 6198, de personeelsaantallen zijn natuurlijk een momentopname op een onbekende datum.

10. Haags Gemeentearchief, Archief Luchtbeschermingsdienst, bnr. 1165, o.a. inv. nr. 57 en 113.

11. Archief Brandweer, bnr 665 inv. nrs. 92, 148, 248, 506, 552 en 556, Broeshart en de Haas, 63-72.

12. Van den Bent, 64-69.