Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerDeze pagina beschrijft de Haagse Beek in de binnenstad en de vervuiling van de Beek

 

-

kopfoto

De Haagse Beek (2)

Dit is deel 2. Zie ook deel 1.

Vervuild water

Na 1620 bleef de waterstand van de Hofvijver dankzij de Beekmolen op peil, maar een ander probleem kon de molen niet verhelpen. Het aantal inwoners van Den Haag groeide en er woonden steeds meer mensen op hetzelfde gebied. Meer mensen produceerden meer afval en de afvoer daarvan liet te wensen over. Er waren nog geen toiletten met waterspoeling en er was nog geen goed werkend gemeenteriool. Mensen deden hun behoeften op secreten. Dat waren primitieve toiletten die officieel moesten worden geleegd in een beerput, maar vaak werden geleegd in de dichtstbijzijnde sloot.

 

Er lagen veel sloten en geulen in de stad voor de afvoer van regenwater. Die waren niet gemaakt voor menselijke uitwerpselen en urine en ze waren er ook niet voor geschikt. Toch maakten steeds meer mensen het zich makkelijk en leegden ze hun secreet in een sloot. Daar kwam nog allerlei huishoudelijk of industrieel afval bij en dat liep allemaal langzaam naar de dichtstbijzijnde gracht. Hoewel het verboden was de geulen en sloten hiervoor te gebruiken, nam de vervuiling van de grachten en de Hofvijver alleen maar toe. Het gebruik van de dichtstbijzijnde sloot of geul was de makkelijkste manier om afval te lozen en men nam een stinkende stad daarbij blijkbaar voor lief. Vooral in de zomer produceerde het water van de grachten een onbeschrijflijke stank.

 

Ook de Beek werd gebruikt als stadsriool. De vervuiling begon bij de Zeestraat en in de volgende straten kwam er afval bij. Het ging om uitwerpselen, huishoudelijk afval en op een aantal plaatsen in de binnenstad ook om industrieel afval van onder andere "kleeder-blekeryen, vleeschhouwers” en “pensverkoopers".

Een beek

Het probleem werd steeds erger. In de Middeleeuwen kon er nog worden gevist in de grachten en in de Hofvijver. In 1773 kon dat alleen nog maar in de singelgrachten, de Bierkade, en in de Beek bij de Scheveningseweg. De andere wateren waren vervuild en veroorzaakten een “onaangename, en afschuwelijke stanck” (P. Wiltschut in 1751) of een "ondraaglyke en overlastige stank" (C. Redelykheid in 1773). In 1807 stroomde er volgens waterstaatsambtenaar J. Blanken bij de Scheveningseweg nog zuiver duinwater in de Beek, maar bij het Spui stonk het Beekwater en was het "onzuiver". Vrijwel alle panden aan de oostkant van de Zeestraat, het Noordeinde, de Hoogstraat, het Achterom en panden aan het Buitenhof, de Plaats en de Kneuterdijk loosden hun afvalwater en secreten op de Haagse Beek. Via de “ondragelijk” stinkende Hofvijver kwam het Beekwater in het Spui. Blanken zal zich mild hebben uitgedrukt12.

Doorstroming met vers water

Onaangenaam ruikend grachtenwater was in de zeventiende eeuw al een probleem. In 1666 schreef Jacob van der Does dat de aanleg van de Nieuwe Haven zo goed had geholpen dat men “bij zomertijd nooit stinkend water” meer had. De Nieuwe Haven was dus gegraven voor de doorstroming van het Haagse grachtenwater, maar het hielp maar tijdelijk en waarschijnlijk slechts lokaal. Steeds meer grachten en open stukken water raakten vervuild. In de achttiende eeuw verspreidde de Hofvijver een “verschrikkelijke stank” omdat er verschillende riolen uitkwamen op de vijver. Volgens P. Wiltschut (in 1751) liep er zelfs geen stromend water meer in. De Beek liep blijkbaar niet voldoende door. Wiltschut stelde een waterleiding voor tussen het Smidswater en de Hofvijver. Een paardenmolen moest het water een stuk omhoog pompen. Het plan van Wiltschut werd niet uitgevoerd. Andere plannen evemnin.

 

Den Haag was niet de enige stad waar grachten werden misbruikt als riool, maar in andere steden kon men de grachten schoonspoelen met vers water. Delft liet aan de ene kant schoon water van de Schie naar binnen en liet het vuile water er aan de andere kant weer uit. In Den Haag bracht de Beek het stadswater nauwelijks in beweging. Men kon wel water binnenlaten uit de Vliet, maar aan de andere kant van Den Haag was geen kanaal dat vervuild water kon afvoeren. Aan de noordwestkant lagen de duinen en wat het moeilijk een afvoerkanaal te graven. Nicolaas Cruquius stelde in 1774 precies zo’n kanaal voor. In zijn plan liep het kanaal vanaf het Noordeinde naar de Noordzee. Dit plan werd niet uitgevoerd, waarschijnlijk vanwege de kosten. Ook plannen van onder andere Wiltschut en Revelykheid werden niet uitgevoerd13.

 

Ondertussen werden de vervuiling en de stank steeds erger. In 1859 beschreef F.J. Moet de Haagse grachten als onoverdekte "secreetputten wier aanzien en reuk ons met afschuw vervullen". Uit de "ruime gistkuipen" kwamen voortdurend luchtbellen, die een giftige lucht verspreidden. Zelfs naast "fraaie huizen” stegen “aanhoudend modderkolken op” die “wat zij opwerpen” ver om zich heen verspreidden. De Hofvijver was de “groote vergaarbak der menschelijke uitwerpselen van een groot deel der stad"14.

De Beek als riool

De Beek was een belangrijke bron van vervuiling. Het lange waterkanaal liep door de binnenstad tussen en onder huizen en werd gebruikt werd om onvoorstelbare hoeveelheden afval in te gooien. Volgens een gemeenterapport van 1859 ging het om rioolvuil, keukenafval, as, mest en stro van de vele kleine stallen in het Achterom. De Beek werd regelmatig met vers water gespuid, maar veel vuil bleef liggen. Toen de gemeente in 1859 een stuk van het Spui wilde dempen bleek pas hoe vuil de Beek was. Volgens het plan zou de Beek in het gedempte Spui worden vervangen door een ondergronds riool, maar men verwachtte dat een stadsriool "van gewone afmetingen" het vuil van de Beek niet kon verwerken. Voordat men kon dempen, moest de vervuiling van de Beek worden aangepakt. Een schonere Beek zou meer problemen oplossen. De Beek was op sommige plaatsen nog open en had geen waterdichte wanden. De Beek veroorzaakte naast stank ook sterk vervuilde grond die het water van de drinkwaterputten aantastte. Tenslotte zou een schonere Beek ook leiden tot een schonere Hofvijver.

 

Toen men de Beek in het kader van een vierjarenplan (1859) aanpakte, koos men alleen voor een schonere Hofvijver. Het leek de gemeente onmogelijk illegaal gebruik van de Beek te voorkomen. Daarom besloot men de Beek te vervangen door een ondergrondse waterleiding naar de Hofvijver. Deze leiding "van ijzeren of aarden buizen" kon niet door afval vervuild worden. De leiding moest beginnen voor het punt waar de vervuiling begon. Dat was halverwege de Zeestraat15.

Overkluizing van de Beek in de Zeestraat

In 1861, een jaar later dan gepland, legde men een 185 meter lange “spoelleiding” (waterleiding om te spoelen) aan. De Beek ging halverwege de Zeestraat over in de waterleiding onder het Noordeinde en de Plaats. Op het plan de Beek hierna af te sluiten, kwam men terug. Er waren teveel huizen die zonder Beekriool geen afvoer zouden hebben. Maar zonder watertoevoer gaf de Beek meer stankoverlast en men besloot de Beek op enkele plaatsen te dempen of schoon te maken, te verbeteren of te overkluizen. In 1862 begon men bij het meest vervuilde stuk, achteraan bij het Achterom. Daarna werkte men terug naar het minst vervuilde deel bij de Zeestraat. Daar werd in 1871 een open stuk Beek overkluisd, vanaf ongeveer het huidige huisnummer 65. Enkele huizen in het Willemspark bleven de Beek als riool gebruiken. Dit afval werd van het Beekwater gescheiden door een ijzeren rooster. Het water liep relatief schoon in de ijzeren buis onder het Noordeinde. In 1871 werd veertig meter Beek langs de Scheveningseweg en de Javastraat overkluisd. De laatste stukken bij de Zeestraat werden overdekt in 1908 en 1930. In 1915 en 1916 waren de eerder overkluisde delen in de Zeestraat schoongemaakt en vervangen door een buis16.

De Beek door het Noordeinde

De Beek door het Noordeinde

De Beek in het Noordeinde

Na de Zeestraat liep de Haagse Beek via een duiker onder de Noord Buitensingel (Hogewal-Mauritskade). In het Noordeinde moest de Beek een nieuwe ‘hobbel' nemen, want het terrein ging hier omhoog. Bij de Plaats en de Hoogstraat kon het hoogteverschil twee meter zijn. Het zal niet gemakkelijk zijn geweest de Beek op een goede manier uit te graven. De bedding moest bij de Hofvijver lager liggen dan bij de Zeestraat. Het verval kon ook niet te groot zijn, omdat de Beek niet onder de waterspiegel van de Hofvijver kon uitkomen. In de negentiende eeuw constateerde men dat het verval van de Beek niet groot was geweest. Dat verklaart de vele problemen met de doorstroming van de Beek.

 

Verschillende mensen vroegen zich af hoe men erin slaagde het Beekwater helemaal van Kijkduin naar de Hofvijver te laten stromen. Op het lange traject ging het terrein tweemaal omhoog. P.J. van Breemen vermoedde dat de Beek in de begintijd niet uit Segbroek kwam, maar een bron had dichter bij de stad. De Beek begon volgens hem op een waterrijke plek bij het vroegere Burgemeester de Monchyplein, het Alexanderveld (vroeger Schuddegeest). Hier had men in de zeventiende eeuw veel last van water en in de negentiende eeuw stond het veld vrijwel het gehele jaar onder water. In de jaren twintig van de vorige eeuw was het in de winter één grote ijsvlakte. Van Breemen onderbouwt zijn stelling goed en zijn theorie verklaart waarom de Beek lange tijd een omweg maakte door het Willemspark. Volgens Van Breemen is de Beek pas doorgetrokken naar Segbroek toen de Hofvijver werd aangelegd. Volgens hem is de Beek in twee fasen gegraven. Het eerste stuk rond 1290, het tweede stuk rond 135217.

Het Noordeinde

Het Noordeinde

(ansichtkaart Lud Fischer)

Het is niet bekend wanneer de Beek in het Noordeinde is gegraven. Als de Beek is gegraven voor de grachten om het Binnenhof, dan zal hij rond 1290 door het Noordeinde zijn gegraven. Als de Beek pas nodig was voor de Hofvijver dan is hij hier rond 1352 gegraven. Het Noordeinde was het eerst stuk van het zandpad naar Scheveningen en het lag er misschien al voor het ontstaan van Den Haag. De Beek is naast dit zandpad gegraven, vermoedelijk tussen (enkele) bestaande gebouwen. De grens van de (nog niet dichte) bebouwing lag in 1300 iets verder dan de huidige Oranjestraat. De huizen stonden vaak niet direct aan de straatkant, maar op grote percelen een eindje van de straat. Toen Den Haag voller werd, splitste men grote percelen en bouwde men huizen wel met de voorkant aan de straat. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de Groenmarkt en de Kneuterdijk. Op oude kaarten kun je zien dat de huizen daar ook opschoven naar de straat. Omdat men dan over de Beek heen bouwde, bleef er nog genoeg ruimte voor de rijweg. Het Noordeinde was overigens een brede straat. Op zijn smalst was hij negen tot tien meter breed en daar lag de Beek al onder de huizen. Een straat als de Hoogstraat is zeven tot acht meter breed en andere Middeleeuwse straten waren smaller. De Venestraat en het brede deel van het Achterom waren ongeveer vijf meter breed en de Spuistraat ongeveer zes meter.

 

Op de oudst bekende kaart (uit 1560) ligt de Beek aan de oostzijde van het Noordeinde. Aan de westkant lag de rijweg. Ergens voor het jaar 1464 zou de Beek hier zijn verlegd. Waar hij daarvoor lag is niet bekend. In 1560 liep de Beek voor de meeste huizen langs, maar op latere kaarten zie je dat steeds meer huizen naar voren worden geplaatst. Nieuwe huizen werden tegen de Beek gebouwd of er overheen. De kaart van 1560 laat deze details niet zien.

 

Een kaart uit 1581 laat wel details zien. De huizen tussen de Hogewal en de Heulstraat lagen toen niet direct aan de Beek, maar aan een pad tussen de Beek en de huizen. Tussen de Heulstraat en de Hartogstraat lagen de huizen wel aan de Beek. Hier lagen meerdere toegangsdammen voor de huizen, met een duiker (buis) waar het Beekwater doorheen liep. Tussen de Hartogstraat en de Plaats is in 1581 geen Beek ingetekend. Deze huizen staan iets naar achteren en staan vermoedelijk over de Beek.

 

Op een kaart van 1617 is de situatie aanmerkelijk veranderd. De Noord Buitensingel (Noordwal en Mauritskade) is gegraven en van deze singel tot de Heulstraat staan enkele huizen meer naar voren dan andere. Dit zijn vermoedelijk nieuwe huizen waarvan de voorgevel over de Beek is gebouwd, tegen de straatkant. Voor huizen die meer naar achteren staan zie je de Beek nog liggen. Halverwege het Noordeinde, ongeveer bij de Oranjestraat, verschijnt je de Beek weer bovengronds. Vanaf de Heulstraat liep hij tot bijna aan de Plaats vlak langs de huizen. Na de Plaats is de Beek niet meer te zien. Omdat het een vogelvluchtkaart is, kan de Beek verstopt zijn achter de huizen, of hij kan ondergronds hebben gelegen.

Noordeinde in 1617

Het Noordeinde op een kaart uit 1617 (Kaart van A. Hierat en A. Hogendorp, Haags Gemeentearchief, kaart gr. 245)

Op een kaart uit ongeveer 1681 ligt de Beek van Noord Buitensingel (Noordwal, Mauritskade) tot halverwege het Noordeinde ondergronds. Van daar ligt hij weer bovengronds. De situatie verschilt niet veel met 1617. Bij verschillende huizen lagen bruggen en dammen in of over de Beek. Een van de huizen met zo’n uitgang was het grote huis Kneuterdijk 20. Dit grote huis stallen en een achteruitgang bij het Noordeinde. Van de Heulstraat tot de Plaats is de Beek niet te zien en ligt de Beek vermoedelijk onder de huizen.

 

Op een kaart uit 1776 is de route van de Beek gemakkelijk te volgen. De Beek staat ingetekend met streepjes en zo is de gehele route te volgen. In de Zeestraat liep hij onder huizen en in het Noordeinde deed hij dat tot bij paleis Noordeinde. Bij het paleis verscheen de Beek weer bovengronds en liep hij vóór de huizen. Bij de Heulstraat maakte de Beek een knik en ging hij weer onder de huizen door. Bij de Hoogstraat lag hij achter de huizen.

 

Uit de periode tussen 1776 en 1868 bestaan geen kaarten die de Beek zo duidelijk laten zien. Uit schriftelijke bronnen is bekend dat de Beek door zijstegen van het Noordeinde liep. Hij moet daar dus ook onder huizen zijn gelopen. In de zijstegen was de Beek afgedekt met een luik of was hij dicht gemetseld. Soms lag de Beek hier open en konden mensen hun afval hier ingooien18.

Een duiker in een beek

Een duiker in een beek.

Demping van de Beek in het Noordeinde

Doordat zoveel huizen over de Beek waren gebouwd, was de Beek moeilijk schoon te houden. Als de overheid de Beek liet schoonmaken, dan moesten het rioolvuil de huizen worden afgevoerd. Dat gaf veel stank en in 1802 werkten bewoners van het Noordeinde niet allemaal mee aan een gemeentelijke schoonmaakactie.

 

In 1859 werd de Beek volgens het zogenaamde 'Dempingsplan' vervangen door een waterleiding. In het oorspronkelijke plan zou de Beek worden afgesloten en niet meer worden gebruikt als riool. Maar verschillende leden van de gemeenteraad waren bang dat de Beek dan illegaal zou worden gebruikt omdat er geen alternatief riool was. Den Haag had evenals andere steden geen echt rioleringssysteem. Zo'n netwerk van rioolbuizen was duur en de meeste mensen zagen er het nut niet van in. Als er problemen waren legde men een riool aan dat de problemen van de ene straat naar de andere verplaatste. Een alomvattend stelsel voor de afvoer van rioolvuil kreeg Den Haag pas na de aanleg van het Afvoerkanaal (verversingskanaal naar zee) en de aanleg van een integraal rioolsysteem. De aanleg daarvan begon pas in 1898.

 

In 1861 verving men de Beek met een waterleiding. Dit werk viel tegen omdat de sleuven zo diep moesten worden gegraven. Toen de waterleiding klaar was, liep er geen water meer door de Beek. Die vervuilde zienderogen en vooral bij enkele open stukken klaagde men in 1862 over ondragelijke stank. Twee grote open stukken lagen tegenover paleis Noordeinde.

 

In 1860 had men al een oplossing voor de rioolfunctie van de Beek bedacht. Het was het gemakkelijkst om de Beek te blijven gebruiken, maar dan moest hij beter geschikt worden gemaakt. De Commissie van Fabricage (gemeentewerken) stelde voor de stroomrichting te veranderen. Het rioolvuil liep dan van de kant van de Hoogstraat naar de Hoge Wal en belandde daar in de gracht. Volgens een deskundige kon de stroomrichting gemakkelijk worden omgekeerd. Op de meeste plekken had de Beek al een helling van de Heulstraat naar de Hoge Wal. Op een paar plaatsen moest de Beek worden “verlegd” om voldoende verval te krijgen. Met “verlegd” bedoelde men waarschijnlijk dat de bedding moest worden uitgediept of opgehoogd. Het plan was nog niet uitgevoerd, maar de klachten over stank noopten de gemeente tot het maken van kosten.

Een open stuk van de Beek in het Noordeinde

Een open stuk van de Beek (rechts) in het Noordeinde

De gemeente-architect (directeur gemeentewerken) wilde begin 1862 zo snel mogelijk beginnen met het schoonmaken, het afsluiten van de laatste open stukken Beek en het geschikt maken van de bedding aan de andere stroomrichting. Om de vernieuwde Beek schoon te houden, kreeg hij aan de bovenkant, bij de Heulstraat, een aansluiting op de waterleiding. Hij kon dan regelmatig worden doorgespoeld.

 

In het voorjaar van 1862 begon de aannemer met deze grote klus. Het leegscheppen en het andere graafwerk moest met de hand worden gedaan. Terwijl de arbeiders de bedding schoon schepten klaagde een van de bewoners bij de gemeente. Hij had een paar jaar geleden een huis gekocht boven een waterleiding en straks had hij een huis boven een riool. Ook andere mensen vreesden voor rioollucht in huis. De burgemeester deelde hun zorgen niet, want hij had zelf kunnen constateren dat het dak van de Beek degelijk was gemaakt. Dat zou geen stank doorlaten. Als mensen illegaal een gat in het dak hadden gemaakt, dan was stankoverlast geen zaak van de gemeente. De vrees dat de gemeente de helling van de Beek verkeerd had gemeten, was volgens de burgemeester niet gegrond. De gemeente had een deskundig geraadpleegd. Die had zijn werk goed gedaan, want na 1862 waren er lange tijd geen klachten over de Beek.

 

Die kwamen pas weer na een halve eeuw en sloegen toen niet op het Noordeinde. Nadat de gemeente al eerder klachten over stank had ontvangen stuitte men bij de sloop van een huis in het Achterom op een oude beding van de Beek die zo erg vervuild was, dat men besloot het hele ondergrondse traject van de Beek alsnog of opnieuw te saneren. Wederom viel men de bewoners van het Noordeinde lastig, maar de meesten werkten nu graag mee. In de jaren 1912-1913 werd de Beek tussen de Hartogstraat en de Plaats “opgeruimd” (zie kaart). De Beek tussen de Hartogstraat en de Noordwal werd gesaneerd in de jaren 1915-191719.

 

Het is door gebrek aan informatie niet bekend wanneer de Beek door het Noordeinde is gegraven. Dat kan tegen 1290 zijn geweest of rond 1352. Volgens Van Breemen werd rond 1290 eerst een korte Beek aangelegd van het Alexanderveld tot het Binnenhof. Deze Beek zou dan later zijn verlengd naar Segbroek. Maar als het Binnenhof voor 1290 is opgehoogd wegens wateroverlast, zal de Beek niet rond 1290 zijn aangelegd. Als het Binnenhof toen voldoende water kreeg, is de Beek door het Noordeinde pas later gegraven om het Binnenhof van water te voorzien.

Kaart van sanering van de Beek

Kaart van de sanering van de Beek (Gemeentearchief Den Haag, Archief Bouwpolitie, bnr. 666, inv. nr. 1359)

De Haagse Beek na het Noordeinde

Na het Noordeinde liep de Beek in de buitenste slotgracht van het grafelijk kasteel. Deze gracht werd ook "Beek" genoemd. De buitengracht lag om het hele complex van Buitenhof, Binnenhof en grafelijke tuinen. Vanaf het Noordeinde liep hij achter de Hoogstraat, het Achterom en vervolgens rechtdoor tot de tuinen achter het Binnenhof. Daar liep de gracht om de grafelijke tuinen (het Plein) en vermoedelijk langs het huidige Tournooiveld terug naar de Plaats. Daar sloot hij weer aan op de Beek bij het Noordeinde. De Beek splitste zich na het Noordeinde dus in twee takken. Naar links ging de Beek als buitengracht over de Plaats. Rechtdoor ging de Beek als buitengracht achter de Hoogstraat langs 20.

De grachten en de Beek rond het Binnenhof

De grachten en de Beek rond het Binnenhof ingetekend op een kaart van Streetmap.org uit 2012

De Beek op de Plaats

Op de Plaats wordt de Beek voor het eerst genoemd in de jaren 1460-1462. In de rekeningen van de rentmeester over die jaren wordt namelijk gesproken over het graven een greppel of buis, tot aan “de oude beeck”. Ergens voor 1460 moet hier een beek hebben gelegen die is vervangen door een “nieuwe” beek, waarschijnlijk de Beek achter de Hoogstraat en het Achterom. Er is geen oudere vermelding van de Beek op de Plaats. Onderzoeker G.G. Calkoen dacht dat de Beek in 1280 al over de Plaats liep, maar dat zijn bewijs vermeldt geen Beek. In 1280 verpachtte de graaf een woning op de Plaats aan een van zijn ridders. Om de woning lagen een sloot, een “wateringe” en het land van een andere pachter. Volgens Calkoen moest de "wateringe" de Beek zijn achter de Hoogstraat en zou de sloot de Beek op de Plaats zijn. Dat zouden ze kunnen zijn, maar het is waarschijnlijker dat de Beek er toen nog niet was. De watering en de sloot kunnen ook gewone sloten zijn geweest, die dienden voor de afwatering van het land21.

 

De eerste waterloop die op de Plaats wordt komt voor in een rekening uit de jaren 1352-1354. Toen werd een gracht (“graft”) gegraven op de plaats waar je de Beek zou verwachten. Deze gracht werd in de jaren 1391-1392 verder uitgediept.

 

Volgens enkele schrijvers werd de Gevangenpoort rond 1370 uitgebreid over een stuk van de Beek. Onder de Gevangenpoort lag namelijk een riool dat Slokop werd genoemd. Het riool was zo groot dat gevangenen hem gebruikten om uit de Gevangenpoort te ontsnappen. De naam Slokop werd vroeger gebruikt voor een open afwateringsgeul.

 

De situatie van de waterlopen op het Buitenhof en de aangrenzende Plaats is verder niet erg duidelijk. Zo bestond er rond 1445 een spui, waardoor men water uit de Hofvijver liet weglopen over de Plaats. Vandaar liep het water blijkbaar door de Beek naar het Spui. Over de Plaats loosde men ook afval van een slachterij die hoorde bij de 'Boeverie'. Dit was een boerderij op de rand van het Buitenhof en de Plaats. Het bloed liep vermoedelijk ook door de Beek naar het Spui.

 

Alles bij elkaar is het onmogelijk een definitieve geschiedenis van de Beek op de Plaats te geven. Volgens theorie één voorzag de Beek tegen 1290 de grachten van het Binnenhof al van water, maar daarvoor hoefde hij niet over de Plaats te lopen. Het Beekwater kon ook door buitengracht achter de Hoogstraat en het Achterom naar de Hofvijver lopen. De gracht die in 1352-1354 is aangelegd, zal waarschijnlijk wel een tak van de Beek zijn geweest. Voor het jaar 1460 was deze Beek weer opgeheven. In 1861 kwam het Beekwater weer terug op de Plaats, maar dan als waterleiding onder de grond22.

De Beek als juridische grens

De Beek fungeerde niet alleen als waterleiding naar Den Haag, maar hij was ook een juridische grens. De Beek verdeelde Den Haag in twee delen die ieder een eigen bestuur hadden. Het gebied ten oosten van de Beek (rond Binnenhof en Lange Voorhout) werd bestuurd door de graaf of een van zijn ambtenaren en later door de regering van het gewest Holland. Het gebied ten westen van de Beek (rond Groenmarkt) werd bestuurd door het dorpsbestuur. Dat zetelde eerst in het dorpshuis en later in het stadhuis aan de Groenmarkt.

 

Het hofgebied en het dorpsgebied hadden een eigen politiekorps en rechtbank. De afbakening van de bevoegdheden was niet altijd duidelijk en er waren herhaaldelijk geschillen. Wie een misdrijf beging op bijvoorbeeld het Buitenhof werd vervolgd door de procureur-generaal van Holland en berecht door het Hof van Holland. Wie zich misdroeg aan de andere kant van de Beek werd opgepakt door de baljuw van Den Haag of door diens agenten. Vervolgens werd hij berecht door de rechtbank op de Groenmarkt. De ruzies tussen de procureur-generaal en de baljuw konden hoog oplopen, vooral omdat er geld werd verdiend met het innen van boetes. Zeker één keer raakten de agenten van de twee politiekorpsen met elkaar slaags en kon de misdadiger ontsnappen. Het gedeelde bestuur van Den Haag is overigens nog ingewikkelder dan hier is uitgelegd. Meer hierover vindt u bij Bestuur23.

De Plaats

De Plaats op een ingekleurde ansichtkaart van rond 1900. Onder de Plaats liep het water van de Beek door een waterleiding naar de Hofvijver.

(ansichtkaart Lud Fischer)

De Beek achter de Hoogstraat en het Achterom

Na het Noordeinde liep de hoofdtak van de Beek als buitengracht achter de Hoogstraat en het Achterom. Na het Noordeinde liep hij in een vrijwel rechte lijn naar het zuiden tot de bocht in het Achterom. Op deze plek waar tegenwoordig de Kettingstraat ligt, maakte de Beek een bocht naar links. Van daar liep de Beek in een tamelijk rechte lijn naar de Lange Houtstraat, waar vroeger de grafelijke tuinen eindigden.

 

Het Achterom liep van de Groenmarkt tot vlak bij het Spui. Daar kon het water via een kanaaltje rechtsaf het Spui inlopen. Het Spui was sinds mensenheugenis het afvoerkanaal van het Binnenhof. Tussen de Beek en het Spui stond een "spui", een houten stuw die water kon doorlaten. Na het Achterom liep de Beek als buitengracht verder door tot de tuinen (het Plein). Hier lagen enkele zijgrachten naar de binnengracht. De geschiedenis van de grachten, vijvers en sloten op het Binnenhof is vrij ingewikkeld. Pas op kaarten uit de zestiende eeuw zie je hoe de verschillende kanaaltjes, grachten of sloten hier lagen.

Hoogstraat

Na de lange route door Segbroek, Zorgvliet, de Zeestraat en het Noordeinde, kwam de Beek bij de Hoogstraat. Hier lag het hoogste punt van het terrein en moest de Beek het diepst worden ingegraven. De Hoogstraat is een van de oudste straten van Den Haag. Hij bestond in de Middeleeuwen al als “die Hoge strate op ten Geest”, de hoge straat op de zandrug. De straat verbond toen twee belangrijke uitvalswegen. De weg uit ’s-Gravezande kwam via het Westeinde uit op de Groenmarkt. De weg uit Leiden kwam via het Haagse Bos en Korte Voorhout uit op de Plaats. De Hoogstraat vormde een vreemde knik tussen deze wegen. Waarschijnlijk liep de weg vroeger rechtdoor, maar werd hij door de aanleg van het kasteel verlegd om het Buitenhof. 's-Gravenzande en Leiden waren belangrijke plaatsen in deze tijd. Hier woonden familieleden van de graaf.

 

Het grafelijk kasteel, de Hoogstraat en de buitengracht zijn ongeveer tegelijkertijd ontstaan. Aan de Hoogstraat bouwde men huizen met het achtererf tegen de buitengracht, die later de naam Beek kreeg. Op een gegeven moment ging men uitbouwen aanleggen over de Beek. De redenen daarvoor zijn alleen bekend van andere straten. Daar bouwde men vaak een secreet (toilet) over de Beek. Omdat de Beek eigendom was van de graaf, had je toestemming nodig van de Grafelijke Rekenkamer, de instelling die zijn eigendommen beheerde. Een aantal mensen vroeg toestemming, maar de meeste mensen deden dat niet. Zij bouwden illegaal over of in de Beek.

 

Het grafelijk kasteel, de Hoogstraat en dit stuk van de Beek zijn ongeveer tegelijkertijd ontstaan. Het kasteel met het Buitenhof kwam er het eerst, daarna de Beek en de weg om het kasteel (de Hoogstraat). Aan de Hoogstraat bouwde men huizen met het achtererf tegen de Beek (de buitengracht). De eerste huizen pasten nog op de gehuurde of gekochte percelen, maar later bouwde men ook over de Beek. Waarom dit gebeurde is alleen bekend van andere straten. Daar bouwde men uitbouwen over de Beek of het secreet (toilet). Omdat de Beek eigendom was van de graaf, had je toestemming nodig van de instelling die diens eigendommen beheerde. Een aantal mensen vroeg toestemming aan de Grafelijke Rekenkamer, maar de meeste mensen deden dat niet. Zij bouwden illegaal over of in de Beek.

De Hoogstraat

Uitzicht van de Groenmarkt op de Hoogstraat

(ansichtkaart Lud Fischer)

De Beek moest schoon water leveren aan het Binnenhof, maar hij werd vaak geblokkeerd en raakte vervuild. De doorstroming werd belemmerd door palen, schotten of bomen, of door opeengehoopt afval. Het waren illegale bouwsels en af en toe trad de Grafelijke Rekenkamer daar tegen op. Ook het Haagse dorpsbestuur (de "Magistraat") vermaande de bewoners van het dorpsdeel van Den Haag zich aan de regels te houden. De Magistraat verplichtte mensen herhaaldelijk om de Beek bij hun perceel op diepte te houden en schoon te maken. Ook werden er boetes ingesteld tegen het in de Beek gooien van vuilnis of as. Veel indruk maakten de overheidsmaatregelen niet, want het was niet ongewoon om afval te gooien in Haagse grachten en sloten. Ook op het Spui lagen hopen afval voor de huizen die op een goed gekozen moment stiekem in het water werden geschoven. De overheid kon hier weinig aan doen.

 

De Hoogstraat en het Achterom werden het vaakst genoemd als plaatsen waar de Beek werd vervuild. Bij de Hoogstraat was het waarschijnlijk niet erger dan bij het Noordeinde, maar er kwam weer wat bij. Misschien speelde ook mee dat de Beek hier het hoogste punt moest passeren en moeilijk kon worden schoongemaakt. In 1859 had de Beek hier “alle verversching en doorspoeling" verloren. Hij liep hier onder alle (achttien) huizen en bij slechts twee huizen kon je de Beek bereiken voor inspectie of voor werkzaamheden.

 

Bij de opstelling van het vierjarenplan van 1859 besloot men de Beek als riool hier voorlopig te handhaven. De Hoogstraat lag relatief hoog ten opzichte van de huizen. Het was moeilijk een huisriool aan te sluiten op een gemeenteriool in de straat. Er kwam in 1860 wel een riool voor het regenwater toen de straat trottoirs kreeg. Het eerste stuk tussen de Annastraat en de Papestraat werd in 1864 doorgetrokken tot de Gravenstraat. Deze nieuwe straat was in 1860 of 1861 ontstaan na de sloop van enkele huizen aan het Buitenhof en de Groenmarkt. In 1864 werd het laatste stuk open Beek achter de Hoogstraat schoongemaakt en overkluisd. Volgens de gemeente was daarmee “eene onaangename en zeer schadelijke verzameling van vuile stoffen ... opgeruimd en het inwerpen van vuil voor het vervolg belet.” Dit was te optimistisch.

 

In 1907 kwamen er opnieuw klachten over stank in verschillende huizen. De stank werd toegeschreven aan de Beek, maar de klachten konden op dat moment niet worden opgelost. Men constateerde dat er geen goed gemeenteriool in de straat lag en liet het daarbij. Pas toen men op andere plaatsen zag hoe vervuild de Beekbeding was, besloot men de Beek achter de Hoogstraat te saneren. In 1914 werd hij schoongemaakt en werden de huizen aangesloten op een nieuw riool24.

De veranderde situatie door aanleg Gravenstraat en Kettingstraat.

De nieuwe straten in het centrum van Den Haag zijn ingetekend op een kaart uit 1833. Deze kaart is iets bewerkt omdat hij niet erg nauwkeurig was. G is de Gortstraat (uit 1861), K is de Kettingstraat (rond 1866). In grijs ongeveer de Passage. Ho is de Hofweg, Ma is de Grote Marktstraat, Ka is de Kalvermarkt.

Het Achterom

Het Achterom is een smalle steeg in de binnenstad, maar vroeger gold de steeg als een gewone straat. Middeleeuwse straten waren niet zo breed omdat binnen stadsmuren weinig ruimte was voor brede boulevards en monumentale pleinen. Hoewel Den Haag niet ingesloten werd door stadsmuren en men meer ruimte had, had men ook hier vaak smalle straten. De Venestraat was hij de hoofdweg naar de dichtstbijzijnde grote stad (Delft), maar is slechts vijf meter breed. Het Achterom is ongeveer vier-en-een-half tot vijf meter breed. Alleen het stuk naast de Kettingstraat is met zo’n drie-en-een-halve meter nog smaller.

 

Met de Hoogstraat lag het Achterom min of meer om het Buitenhof gedrapeerd. Vanuit het kasteel gezien lag hij achter het Buitenhof, en dat verklaart misschien de oude naam Achterstraat. In een oude akte heet hij 'Achterstraat waardoor men naar het Spui gaat', of in oude taal: "Agterstraat, daer men ter spoeije waerts gaet". Het Achterom was een van de oudste straten van Den Haag en was voor dorpelingen de snelste route tussen de Groenmarkt en het Spui. De Groenmarkt was het centrum van het dorp. Het Spui was de haven van Den Haag.

 

Het Achterom stamt uit de tweede helft van de dertiende eeuw. De huizen aan de oostkant van het Achterom hadden de achtertuin tegen de Beek. Net als bij de Hoogstraat ging men hier boven de Beek bouwen. Wanneer dit voor het eerst begon is niet bekend. De eerste voorbeelden vond ik pas in de zeventiende eeuw. Pasteibakker Hans Elants, wonend in het Grote Achterom, vroeg op 4 april 1612 toestemming om een uitbouw te mogen maken boven de Beek. Hij wilde voor zijn groeiende gezin ("accresserende familie") enkele slaapplaatsen bijbouwen. Vaak plaatste men buitenshuis een privaat (toilet) boven de Beek. De stank die dit veroorzaakte was een andere reden om over de Beek te bouwen. Bewoners van het Achterom kregen op 26 oktober 1610 toestemming over de Beek te bouwen, om de stankoverlast te verminderen. Wat ze bouwden is niet bekend.

Het Achterom

Het Achterom bij de Passage.

Tegen aantasting van de Beek werd regelmatig gewaarschuwd. In 1348 verbood graaf Willem van Beieren de bewoners van het Achterom om planken te leggen over de Beek. Anderhalve eeuw later, in 1498, stapten bewoners van het Binnenhof naar de grafelijke rechtbank om de vervuiling te verbieden. De Hofvijver raakte vervuild door de secreten (toiletten) over de Beek en door afval. De rechtbank gaf opdracht alle obstakels te verwijderen en de Beek schoon te maken.

 

Een halve eeuw later, in 1556, publiceerde graaf Philips een vergelijkbaar verbod. Vanaf nu mocht je de Beek bij het Achterom niet blokkeren met bomen, uitbouwen en secreten en je mocht er geen leer ("koehuyden") of kleren in wassen of er vuilnis of as in werpen. Dit verbod werd regelmatig in ongeveer dezelfde woorden herhaald door Philips’ opvolgers. In 1587 door stadhouder Maurits en in 1634 door stadhouder Frederik Hendrik. En hun opvolgers deden dat weer in 1674, 1683, 1723, 1725, 1763, 1779 en in 1797.

 

Het Achterom werd het vaakst genoemd als plaats van vervuiling. Die werd vaak veroorzaakt door bedrijfjes. Zo werden er "koehuyden" gewassen en er werd dierenmest en stro in gegooid. Ook slagers wierpen hun afval in de Beek. In 1656 kregen de hoofdmannen van het Achterom opdracht de spekkopers te bekeuren. Hoofdmannen van buurten moesten allerlei overheidstaken uitvoeren. Een buurt had ongeveer de grootte van een straat en het Achterom was zelfs verdeeld in twee buurten.

 

Het toezicht van de hoofdmannen, de vonnissen van de rechtbank en de voorschriften van de graaf hielpen niet veel en de Beek raakte steeds meer vervuild. Bij het Achterom was de Beek heel moeilijk schoon te maken. In de negentiende eeuw liep hij hier onder negenenveertig huizen of binnenplaatsen van huizen. Hij was hier slechts op enkele plaatsen te bereiken. In 1859 lag er 340 meter Beek achter het Achterom, waarvan slechts 44 meter boven de grond. Het voorstel uit 1859 om de Beek hier te dempen werd niet uitgevoerd. De gemeente legde in het voorjaar van 1862 wel een ijzeren riool in het midden van de straat, maar de bewoners hoefden dit niet te gebruiken. De Beek werd toen ook schoongemaakt en op enkele plaatsen kwam een beerput voor het lozen van secreetafval. Hierna hoopte de gemeente dat de toestand “die men van nabij moest kennen om daarvan het walgelijke en ongezonde te bevroeden”, voorbij zijn. Dat was niet zo.

 

In het begin van de twintigste eeuw kreeg de gemeente opnieuw klachten over stank van de Beek. Die kon men niet oplossen, waarschijnlijk omdat het gemeentebestuur geen grote uitgaven wilde doen. Maar in 1911 ontdekte men bij de sloop van het pand Achterom 20 een "afzichtelijke vuilverzameling" in de oude Beek. Men kon de oude Beek niet schoonspoelen, zodat buiten gebruikstelling de enige oplossing was. De vijftig jaar oude rioolbuis functioneerde niet goed en werd vervangen door een modern riool. Die werd in 1912 in het Kort Achterom en de Kettingstraat gelegd, waarna de huizen er verplicht op werden aangesloten. In 1913 werd het riool verlengd door de Passage, het Lange Achterom en het Wijd-Achterom en daarna door de Praktizijnshoek (nu Buitenhof en Hofweg), Hofsingel en Hofstraat en werd de Beek in gedeelten gesaneerd25.

 

 

Vervolg: Haagse Beek, deel 3

 

 

Verantwoording

Definitieve versie, 12 oktober 2012.

Deze geschiedenis van de Haagse Beek is voornamelijk gebaseerd op onderzoek in literatuur en de daarin vermelde archiefbronnen. Ik heb vanwege de tijd die dit zou kosten niet geprobeerd lacunes te vullen of te zoeken naar het antwoord op de vele vragen.

Literatuur

• P.J. van Breemen, ‘Grenswateringen in het Noordveen en in het Benoordenhout, het Claas Robbrechtszoonsland en de veenpacht van den Heer van Wassenaar’, Jaarboek Die Haghe, 1939, 208-277.

• P.J. van Breemen, Over des burggraven huur te Scheveningen en het buitengoed Zorgvliet, Jaarboek Die Haghe 1944, p. 34-97.

• P.J. van Breemen, De Heer Leyden en de topografie van Den Haag P.J. van Breemen, De Heer Leyden en de topografie van Den Haag, Jaarboek Die Haghe, 1947, 38-175.

• G.G. Calkoen, 'De wording en ontwikkeling van het "Hof in Die Haghe" gedurende de middeleeuwen', Die Haghe, Bijdragen en Mededeelingen, 's-Gravenhage 1901, pp. 8-68.

• Maarten van Doorn, Jaap Mennema, De Haagse Beek, Den Haag 1992.

• A. Carmiggelt, E.J. van Ginkel, De archeologie van Den Haag. Deel 3: de middeleeuwen, Den Haag, 1993.

• H.E. van Gelder, 'Haagse Cohieren', Jaarboek Die Haghe 1913, pp 9-67.

• Mr. J.E.J. Geselschap, Inventaris van het archief van de Ambachtsbewaarder van Segbroek, 1650-1935.

• S. Groenveld, W.E. Penning, C.J.J. Stal, Historische plattegronden van Nederlandse steden, dl. 10, Den Haag, Lisse 2007.

• Mr. J.K. van der Haagen, Het Plein, Huygens en Frederik Hendrik, Die Haghe 1928, 6-ev.

• Anne de Hingh en Evert van Ginkel, De archeologie van Den Haag, Utrecht, 2009.

• C.P. Pous Koolhaas, Middelen tot verbetering van den gezondheidstoestand in steden en meer bijzonder in ’s-Gravenhage, ’s-Gravenhage 1862.

• T. Koopstra, De Vogelwijk - van wildernis en polder tot Woonwijk, in: Jaarboek Vereniging 'Die Haghe', 1968, p.105-152.

• F.J. Moet, Beschouwingen omtrent het verbeteren van de watertoestand van 's-Gravenhage, 's-Gravenhage 1859.

• Jan van den Noort, De hand in eigen boezem: waterkwaliteit in het Hoogheemraadschap van Delfland 1888-2003, Delft, 2003.

• Elisabeth de Nooijer, Ada Wille, De Haagse Beek, blik in verleden, op heden en in toekomst, Wageningen, 1989.

• N.J. Pabon, De Hofboeken van ’s Gravenhage, 1458-1561.

• N.J. Pabon: Die Haghe als ambacht, parochie en waterschap tot het einde der 16e eeuw, in: Die Haghe. Jaarboek 1924, ‘s-Gravenhage 1924, p 71 ev.

• C. Redelykheid, Project om in ’s-Gravenhage de stand der grachten te prevenieeren, ’s-Gravenhage 1773.

• J.G. Smit (eindred) Den Haag. Geschiedenis van de stad, Zwolle, deel I, 2004.

• Kees Stal, 'Een parel aan de kroon van 's-Gravenhage : Zorgvliet, de geschiedenis van landgoed en villawijk' , Den Haag 2002.

• L.F.Teixeira de Mattos, De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland, 10 dln, 1906-1961.

• R. Vijfvinkel, K.P. Companje, W.J. de Geus, M.M. Hegener, ’s-Haags werken en werkers. 350 jaar Gemeentewerken (1636-1986), ’s-Gravenhage 1986.

• z.n., Haagambacht, Mededeelingen van de vereeniging ter beoefening der geschiedenis van ’s-Gravenhage, ’s-Gravenhage, 1861.

 

Noten

12. Redelykheid 3-4, 8, Wiltschut 1-3 + Vijfvinkel 157-158.

13. Vijfvinkel 55-59, 153-154, Wiltschut 9, de Beek als bron van bluswater wordt genoemd in een verzoek van het Haagse dorpsbestuur om samen met het landsbestuur de het “klein rivierken, dat door 't Noordeinde, de Hoogstraat en het Achteromme loopt, genaamd 'die beeck'” te laten uitdiepen en schoonmaken, om het dorp te voorzien van bluswater in geval van brand, bron Oud archief Den Haag, bnr 350, inv.nr. 180 fol. 13.

14. Vijfvinkel 164 ev , Moet 3-6.

15. Handelingen Gemeenteraad 9 augustus 1859, p. 147-148,

16. Jaarboek Die Haghe 1944, p. 192-193; Verslag van Bouw- en Woningtoezicht uit 1916, 18; volgens Pabon in Jaarboek Die Haghe 1924, p. 87, stond hier in 1343 al een (water)molen; Verslag Bouw- en Woningtoezicht 1916, 18; Handelingen gemeenteraad 9 augustus 1859, p. 147-148, 19 juni 1860, 98; Gemeenteverslag gemeente 1861, p. 55-56, 1871, p. 26, 30 en 1872, p. 21-22. Gemeenteverslag 1908, 34, 107, Jaarverslag van de gemeentelijke dienst voor Bouw- en Woningtoezicht 1916, Gemeenteverslag 1930, Vijfvinkel 154-158, Pous Koolhaas 64, 67, 69-70.

17. P.J. van Breemen, De Heer Leyden en de topografie van Den Haag, Jaarboek Die Haghe 1947, p. 79, 161-162; op grondsoortenkaarten valt niet te zien dat hier kleiachtige grond zou zijn. Over molens in Holland zie: A. Bicker Caarten, Middeleeuwse watermolens in Hollands polderland, Wormerveer, 1990. p. 25.

18. Pous Koolhaas 59-60, De Riemer I, p. 109, Vijfvinkel 158; Kaarten Gemeentearchief; Bebouwing van het Noordeinde: J.G. Smit, Geschiedenis van Den Haag I, p. 48, Kaart 1560, maker Jacob van Deventer, signatuurnummer gr. 0235, Kaart 1581, maker Guicciardini, signatuurnummer kl. 0390, Kaart 1617, makers A. Hierat en A. Hogenberg, signatuurnummer gr. 0245, Kaart 1681, maker C. Elandts, signatuurnummer gr. 0267, Kaart 1776, maker Abraham Isaac Polak, signatuurnummer gr. 0293.

19. Handelingen 4 maart 1862, p. 46; Gemeenteverslag 1862, 35,.55. Rapport van de gemeente-architect van 12 februari 1862; Verslag Bouw- en Woningtoezicht 1916, Handelingen 1916, bijlage 199; Pous Koolhaas 60, 69-70, Groenveld, Stal 30, 136, Vijfvinkel 164, Dempingsplan: Handelingen 15 november 1859,. p. 220-221, Plan Beek tot riool om te vormen, 1860: “levert de minste moeijelijkheden op, want wanneer men den bodem schoonmaakt en zoodanig verlegt, dat het afschot naar den Hoogen Wal verzekerd worde, behoeft men slechts den syphon aan de Scheveningsche brug weg te nemen, de nog opene gedeelten te overkluizen en in plaats van de tegenwoordig aanwezige luiken, kolken en putten te maken, om een goed riool te verkrijgen, dat zijne uitwatering in den Hoogen Wal heeft, en waarop de thans bestaande water- en secreetlozingen door de belanghebbenden kunnen behouden blijven ….”, bron: Handelingen 19 juni 1860. p 98, Aanleggen waterleiding: Jaarverslag Gemeente 1861, p. 56, Omvormen Beek tot riool: Handelingen gemeenteraad 18 maart 1862, 3 juni 1862, Blootleggen oude bedding Beek door afbraak huis in Achterom in januari 1911: Verslag Bouw- en Woningtoezicht 1916, p. 18-19.

20. Pous Koolhaas 61.

21. De Beek rond 1461: Rekeningen rentmeester 1460-1462 f. 55v: “… ende dat met een goot gemaict tot buyten an die oude beeck toe”. De pachtakte uit 1280 staat in een oorkonde van 1328, gedrukt in De Riemer I, 736. Om precies aan te geven waar deze verpachtte woning stond werd vermeld wat de omliggende percelen waren. Kadaster, met perceelsnummers bestonden toen nog niet. Bij deze hofstede waren de ‘begrenzingen’ een sloot (aan de zuidkant), een “wateringhe” (waterloop, aan de westkant), de weg naar het Bos en het land van “Wittekyn”. Dat de sloot en watering in 1280 geen Beek zijn genoemd versterkt het idee dat zij toen nog geen Beek waren. De Haagse Beek is voor zover bekend altijd ‘Beek’ genoemd. Aan de andere kant kan de naam ‘Beek’ ook pas zijn gegeven toen het kanaaltje al langer bestond; bron: Calkoen, Wording en ontwikkeling, Die Haghe 1901, p. 25: Floris V verhuurde in 1280 aan zijn knape Pauwels Plawer een hofsteden in die Haghe, bi der poirte van den Hove, legghende binnen desen marcken: die sloet, bi der poirten, die zuytzide, die wateringhe in ’t west, ende Wittekynslant, die noirtzijde; ende den ghemene wech ten Boschewaert, die oistzide, enz.

22. Over Slokop: Van Doorn en Mennema 53-55. De gracht van 1352-1354 bron: Calkoen, Wording en ontwikkeling, Die Haghe 1901, p. 45: "om te delve die grafte bi de boeverie". De gracht van 1391-1392 bron: Calkoen, Wording en ontwikkeling, Die Haghe 1901, p. 46. De rekening van de rentmeester 1445-1446: spui achter het slachthuis, "daer dat water over uten vyver loopt", bron: Calkoen, Wording en ontwikkeling, Die Haghe 1901, p. 45-47; Van Doorn en Mennema 55.

23. Over het ingewikkelde bestuur zie de pagina Bestuur (maar die is op dit moment nog niet klaar); zie verder het artikel van J.B.J.N. Ridder de van der Schueren, ‘De jurisdictie-geschillen tusschen het Hof van Holland en den Magistraat van Den Haag’, in het Jaarboek Die Haghe 1902 en de volgende delen in volgende jaren.

24. Jaarboek Die Haghe 1910, p. 334, Archief Bouw- en woningtoezicht, bnr 666, inv. nr. 1358-1359, Bemoeienis Grafelijke Rekenkamer en Magistraat met de Beek, afvalprobleem: Jaarboek Die Haghe 1936, p. 179-181, 184-186.”. Riolering en demping Beek: Pous Koolhaas 70., Handelingen gemeenteraad 19 juni 1860, p. 98, Gemeenteverslag 1860 p. 55, Gemeenteverslag 1864, p. 59, Verslag Bouw- en Woningtoezicht 1916 18-19.

25. Pous Koolhaas 61, 69-71, Vijfvinkel 56, 61-62; Jaarboek Die Haghe 1936, p 179-180, Handelingen Gemeenteraad 1859, p. 148-149; voor de keuren en verordeningen zie 'Keuren en ordonnantiën van 's-Gravenhage', Gemeenteverslag 1862, 35, 55-56, Gemeenteverslag 1913, bijlage 30 (Woningwet), p. 12, Archief Bouw- en Woningtoezicht, bnr 666, inv. nr. 1358-1359.