Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerDeze pagina beschrijft de Haagse Beek op en rond het Binnenhof en geeft een samenvatting van de geschiedenis van de Beek.

 

-

kopfoto

De Haagse Beek (3)

In deel 3 wordt de geschiedenis van de Haagse Beek op en rond het Binnenhof beschreven. Voor het vorige deel zie deel 2.

De Beek rond het Binnenhof

Over de grachten, sloten en vijvers op en rond het Binnenhof is geen afzonderlijk boek geschreven. Wel is veel informatie te vinden in de artikelen die G.G. Calkoen over het Binnenhof schreef in de Jaarboeken van Die Haghe van 1901, 1902 en 1903.

 

Pas vanaf 1560 zijn er bruikbare kaarten en plattegronden waarop de ligging van grachten is te zien. Van de situatie daarvoor zijn enkele reconstructietekeningen gemaakt. Die zijn gebaseerd op schaarse informatie uit archieven en spreken elkaar soms tegen. Het is niet gemakkelijk om uit een krabbel in een jaarrekening op te maken wat er precies is gebeurd. Kaarten uit de decennia na 1560 laten grote veranderingen zien op het Binnenhof. Het was de tijd van de Opstand, de Tachtigjarige Oorlog, een rumoerige periode uit de Haagse geschiedenis26.

De Beek op het Binnenhof tot 1620

Van de twee gordels van grachten om het kasteel is niet bekend wanneer zij zijn gegraven. Omdat bekend is dat het kasteel pas onder graaf Floris V regelmatig werd bewoond, moesten de grachten in zijn tijd gegraven zijn en gevuld met water. Dat moet voor of rond 1290 zijn geweest.

 

In dezelfde tijd, of veel later, werd de Haagse Beek gegraven en aangesloten op de buitengracht van het kasteel. Een groot deel van deze gracht kreeg (later) ook de naam ‘Beek’. Dat was het gedeelte achter de Hoogstraat en het Achterom, maar ook het verlengde van dit stuk werd soms Beek genoemd, tot zover als de Hofvijver. De Beek liep voor 1460 ook over de Plaats, maar daarna liep hij alleen nog door de buitengracht. Rond 1500 ging het Beekwater op het eind van de Hoogstraat via het lichtblauw gekleurde kanaal naar de binnengracht (6) en dan in de Hofvijver. Rond 1560 bestond dit kanaal niet meer en liep het Beekwater via het Achterom (2) en tussengracht 7a en binnengracht 6 naar de Hofvijver. Rond 1580 is tussengracht 7a vervangen door tussengracht 7b. Het Beekwater kwam bij de Middenpoort (Stadhoudersrpoort) in de Hofvijver.

 

Om het water van de Hofvijver en de grachten te verversen liet men het weglopen naar het Spui. Waarschijnlijk stonden er stuwen in de grachten waarmee men het Beekwater kon tegenhouden en tegelijk het andere water kon laten weglopen. Bij het Spui stond daarvoor een “spui”27.

De grachten rond het Binnenhof tot ca. 1560

Grachten rond het Binnenhof in de tijd van ongeveer 1560-1620. Het grafelijk kasteel bestond uit een voorhof (Nederhof of Buitenhof), aangegeven met (A), een Binnenhof (B) en een daarachter gelegen tuincomplex (C). Enkele stukken straat zijn afgekort: WA = Wijd Achterom, tegenwoordig het eerste stuk van het Spui; Ka = Kapelsbrug, hier stond vroeger een kapel waar het Spui onderdoor liep; op deze kaart staan op de Kapelsbrug vier huizen. De onderstreepte afkortingen zijn poorten: sp = Spuipoort, ke = Keukenpoort, mi = Middenpoort, later Stadhouderspoort, ge = Voorpoort, later Gevangenpoort, ap = Achterste poort, Uterste poort of Houtpoort, ook wel Poort bij de Kooltuin genoemd; Rond het kasteel liep een buitengracht (1,2,3,4 en 5), een binnengracht (6) en diverse andere grachten en sloten (o.a. de verbindingsgrachten 7 en 8). In lichtblauw de noordelijke buitengracht die vermoedelijk liep van de Plaats naar de Houtstraat. Rechts van de Houtstraat bij 'bl' is de gracht of sloot in het huidige Bleijenburg. (De kaart op de ondergrond is uit 1617, Collectie Haags Gemeentearchief).

Veranderingen tijdens de Opstand (1560-1620)

In de periode 1560-1620 veranderde er veel op het Binnenhof. De graaf woonde al lang niet meer in Den Haag. Door allerlei gebeurtenissen was Holland verschillende keren van eigenaar verwisseld. Na het kinderloos overlijden van een graaf werd Holland bijvoorbeeld geërfd door een Duits of Frans familielid dat ook al andere vorstendommetjes bezat. De nieuwe graven woonden niet meer in Den Haag, maar op een belangrijke plaats in hun rijk, bijvoorbeeld in Brussel of Madrid. De laatste graaf van Holland was in Spanje koning Filips II. Filips regeerde in Madrid en liet het bestuur in Holland uitvoeren door stadhouders (plaatsvervangers). Deze hoge edelen woonden op het Binnenhof. Waarschijnlijk vanwege het prestige dat de regering wilde uitstralen, kreeg hun residentie een nieuwe Stadhouderstuin die werd ingericht volgens de nieuwste mode op tuingebied.

 

Filips II bestuurde ons land zo bruut, dat de bevolking in opstand kwam. In de jaren 1570 werd zijn stadhouder verdreven en daarna stond het Binnenhof leeg. Toen de strijd zich ver genoeg van Den Haag had verplaatst, vestigde de nieuwe regering zich op het Binnenhof. Dat fungeerde voortaan niet meer als paleis, maar als regeringscentrum waar werd vergaderd en geadministreerd. De legerleider van ons land, Maurits van Nassau, kreeg ook de hoge functie van stadhouder. Hij werd een belangrijk en machtig man, die dichtbij het regeringscentrum wilde wonen. Hij kreeg woonruimte aan de westkant van het Binnenhof, met uitzicht op het Buitenhof en de Hofvijver. Naast zijn nieuwe paleisje (boven ‘mi’ op de kaart) liet hij op het Buitenhof een nieuwe, en zelfs enigszins vermaarde stadhouderlijke tuin aanleggen. Die kwam overigens pas gereed onder zijn opvolger Frederik Hendrik.

Het waterpeil van de Hofvijver (1620)

De nieuwe stadhouderlijke tuin naar ontwerp van kunstenaar en tuinarchitect Jacob De Gheyn (jr) was fraai, maar het uitzicht naar de andere kant van Maurits’ paleis schoot tekort. Het water in de Hofvijver stond te laag en Maurits vroeg om dit te verhogen. Omdat de Beek niet meer water kon leveren bouwde men in het Willemspark de in deel 1 genoemde windmolen. Die maalde sinds 1620 extra water in de Beek. Voor alle zekerheid plaatste men op het Binnenhof nog een rosmolen (paardenmolen), die bij windstilte water moest overslaan in de Hofvijver. Deze molen kwam in de oude Stadhouderstuin achter het Binnenhof, maar op welke plaats is niet bekend. Hij moet ergens langs de buitengracht (nr. 2 op de tekening) hebben gestaan. De nieuwe windmolen werkte zo goed dat woningen langs de Hofvijver in 1622 last kregen van binnenlopend water. Deze woningen stonden tussen de Plaats en de Hofvijver, met de achterkant tegen de vijver28.

De grachten rond het Binnenhof tot ca. 1635

De grachten op het Binnenhof naar de situatie van na 1620. De Beek kwam achter de Hoogstraat (1) en het Achterom (2) naar de zuidelijke buitengracht rond het Binnenhof (2). De rosmolen die in 1620 werd aangelegd bij de Stadhouderstuin moet ergens hebben gestaan bij 6. Als men de rosmolen gebruikte om water in de Hofvijver te pompen, dan volgde het Beekwater de route helemaal door de buitengracht (2), langs de Stadhouderstuin naar de Hofvijver. Als de windmolen in het Willemspark werd gebruikt, dan ging het water misschien via tussengracht 4 naar binnengracht 3. Het doel van tussengracht 5 is niet bekend. Tekening gebaseerd op kaarten uit 1581-1620.

Opheffing Stadhouderstuin rond 1635

Toen het Binnenhof geen paleis meer was, verloor de oude Stadhouderstuin zijn functie. Een vorst of hoge edelman wil pronken met zijn adellijke woning en tuin en is bereid daar geld voor uit te geven. Een regering van burgers denkt vooral aan de kosten en niet aan het pronken. Daarnaast kostte de oorlog met Filips II veel geld. De regering had al eerder eigendommen moeten verkopen (zie Acte van Redemptie) en nu besloot men dat de tuin zou worden verkocht. Het terrein zou worden opgedeeld in straten en percelen, zodat een nieuwe Haagse stadswijk zou ontstaan. Die kwam er echter niet. De nieuwe stadhouder Frederik Hendrik had in Parijs grote pleinen met monumentale gebouwen gezien en hij vond dat Den Haag wat meer allure moest krijgen. Hij haalde de regering over het zuidelijke deel van de tuinen te gebruiken voor een groot plein, het Plein. In het noordelijke deel kwamen vooral duurdere huizen. De meest luxe huizen van het plan waren het Mauritshuis en het daarop lijkende huis van Huygens.

 

De aanleg van dit plan, met de Korte Vijverberg, Doelenstraat, Lange Houtstraat en het Plein vond plaats rond 1635. Bij het aanleggen van de nieuwe wijk werden de grachten en sloten in en rond de oude tuin gedempt. Nadat in 1633 een tussengracht (5) was gedempt, kon het Beekwater alleen via de buitengracht (2) en de bocht naar links (3) naar de Hofvijver gaan. Het laatste stuk Beek ligt nog steeds tussen het Ministerstorentje en het nieuwe Mauritshuis. De Hofvijver had nu maar één aanvoerkanaal dat waarschijnlijk ook werd gebruikt voor de afvoer naar het Spui. De rosmolen uit 1620 was nu waarschijnlijk ook afgebroken29.

De grachten rond het Binnenhof vanaf 1635

Grachten op het Binnenhof vanaf ca. 1635. De tussengracht bij 5 is vervallen, zodat de Beek alleen via buitengracht 3 en binnengracht (4a of 4b) water naar de Hofvijver kan brengen.

mg = Maurits- of Grenadierspoort sd = Sint Sebastiaansdoelen, tm = tuin van Maurits, ma = Mauritshuis (van een andere Maurits), tma = tuinen van het Mauritshuis, huy = Huis van Huygens, bred = huis van Wolfert van Brederode (Korte Voorhout), no = huis van Willem Adriaan van Nassau Odijk (Plein), ps= Pikeerschuur (Buitenhof). (Tekening op basis van een topografisch verbeterde kaart van 1668 van het Haags Gemeentearchief).

In de negentiende en twintigste eeuw zijn de laatste stukken Beek op en rond het Binnenhof gedempt voor verschillende uitbreidingen van regeringsgebouwen. Onder de grond liggen her en der nog resten van overkluisde stukken Beek.

De Beek en het Spui

Het eindpunt van de Beek, volgens literatuur en archiefbronnen, was het Spui. Het Spui bestond vermoedelijk al in de dertiende eeuw als afwateringskanaal van het Binnenhof. Ook de Bosbeek kwam via het Binnenhof uit bij het Spui. Rond 1350 werd het Spui verbreed, uitgediept en doorgetrokken tot de Vliet. Toen konden schepen vanuit Leiden en Delft makkelijker Den Haag bereiken. Dat was belangrijk in een tijd dat het meeste vervoer over water ging. Het Spui was de eerste haven van Den Haag. Toen Den Haag zich vanaf ongeveer 1580 sterk ging uitbreiden, ontstond rondom het Spui een uitgebreid havengebied met havens als Turfmarkt, Schedeldoekshaven, Bierkade en Amsterdamse Veerkade. In deze tijd ontstond ook een moderne vorm van openbaar vervoer met trekschuiten. Het verlengde van het Spui kreeg de naam Trekvliet.

 

Het water van de Beek liep niet ver van de Spuipoort, onder enkele huizen, naar het Spui. Die huizen stonden op de kop van het Spui, aan de zogenaamde Kapelsbrug. Op deze brug stond vroeger de Mariakapel, waar het Spui onderdoor liep. Tegenwoordig ligt hier de oversteekplaats tussen de Lange Poten en de Spuistraat. De Spuipoort ligt iets naar het noordoosten, op de kaart hierboven aangegeven met 'sp'. De contouren van de poort zijn met messing platen aangebracht in het plaveisel vlak naast het gebouw van de Tweede Kamer. De poort is gesloopt in 1861.

Het Spui

Het Spui, vanaf de Bierkade naar de binnenstad. De eerste brug ligt bij de Houtmarkt/Turfmarkt (ansichtkaart Lud Fischer).

De wateroverlast van 1290

Na bouwkundig onderzoek op het Binnenhof concludeerden onderzoekers dat het terrein van het kasteel vóór 1290 moet zijn opgehoogd. Van gebouwen uit die tijd lagen de begane grondverdiepingen grotendeels onder de grond omdat het terrein er omheen grotendeels was opgehoogd. De reden voor deze ingrijpende operatie moest wateroverlast zijn geweest. Dat betekent dat het Binnenhof in de jaren rond 1290 veel last had van water, en dat er geen reden bestond de Haagse Beek te graven.

 

De wateroverlast op het Binnenhof moet onverwachts zijn begonnen toen de eerste gebouwen al (bijna) klaar waren. Als ze bij het begin van de bouw al last hadden van drassige grond hadden de bouwers de grond immers eerst opgehoogd. De oorzaak van het vele water is niet bekend, maar de Haagse Beek kan het niet zijn geweest. Die liep in een twee meter diepe sleuf langs het Binnenhof en kon bij het begin gemakkelijk worden afgesloten. De overlast moet zijn veroorzaakt door regenval of door een andere beek. De Bosbeek is de enige waterloop die hiervoor in aanmerking komt. Deze beek verzorgde de afwatering van het Benoordenhout en liep door het Haagse Bos naar het Binnenhof. Daar kwam hij bij het Plein uit op de buitengracht en liep daardoor uit in het Spui. De Bosbeek zette in de vijftiende eeuw het lager gelegen Bezuidenhout onder water. In 1442 liet het waterschap dijken langs de Bosbeek aanleggen. De dijken kwamen tot zover als Voorburg, dus ook langs het Spui. Als de Bosbeek zoveel water langs het Binnenhof transporteerde, was hij misschien ook verantwoordelijk voor de wateroverlast van 1290. Ook kan hij de Hofvijver en de grachten van water hebben voorzien, in ieder geval in de vijftiende eeuw en misschien ook eerder.

 

Of deze beek een rol speelde op het Binnenhof is overigens niet bekend. Maar de mogelijkheid dat het Binnenhof voor 1290 met wateroverlast kampte, maakt het iets moeilijker te geloven dat de Haagse Beek rond deze tijd is gegraven. Het Binnenhof had toen blijkbaar al voldoende water voor de grachten30.

Eigendom van de Beek

De Beek was eigendom van de graaf en na zijn afzetting van het gewest Holland. Het eigendomsrecht was niet vastgelegd in een koopakte, maar werd genoemd in rechterlijke uitspraken en bleek uit verordeningen en uit wie opdracht gaf voor het onderhoud. Dat werd uitgevoerd door de staat (Holland), of door de staat en Den Haag samen. Vaak verhaalde men de kosten op de bewoners van huizen aan de Beek. Die waren immers verplicht de Beek schoon te houden. In 1824 liet Den Haag het schoonmaken en repareren uitvoeren zonder de staat, maar liet de eigenaren van aangrenzende percelen betalen. Bij latere schoonmaakacties betaalde de gemeente de kosten zelf. In 1859 concludeerde Den Haag dan ook dat de Haagse Beek eigendom was van de gemeente en niet van het rijk31.

De Beek in de twintigste eeuw

Na de sanering van de Beek in de eerste decennia van de twintigste eeuw, hielden de veranderingen aan de Beek niet op, maar de Beek bleef water uit de duinen naar de Hofvijver brengen. In de Tweede Wereldoorlog legde de Duitse bezetters dwars door Segrboek een verdedigingslinie aan, die de Duitsers moest beschermen tegen een geallieerde inval vanuit Engeland. Het traject van de Beek werd opgenomen in versperringen en in een brede tankgracht die onder water werd gezet.

 

Na de oorlog werd de oude wijk die voor de aanleg van tankgracht was gesloopt niet hersteld. Er kwamen flats en in het midden van het gesloopte gebied kreeg de Beek een nieuwe bedding die voor een deel een vijvervorm kreeg. Er kwam ook een nieuw gemaal, niet op de oude plaats, maar langs het Veversingskanaal, naast de Houtrustbrug. Dit gemaal pompt water uit dat kanaal naar de Beek. De Beek kreeg geen water meer uit de Valkenbosvaart. Het water kan zowel in de richting van de Hofvijver als van Kijkduin worden gepompt.

 

Het is ondertussen al lang niet meer zo dat de Beek van Kijkduin naar de Hofvijver stroomt. Op verschillende plaatsen staan stuwen in de Beek en op verschillende plaatsen kan water de Beek instromen. Ook kan er bij de Scheveningseweg water extra water in de leiding van de Haagse Beek worden aangevoerd. Volgens een rapport van het Hoogheemraadschap van Delfland naar de waterkwaliteit van de Beek en de Hofvijver wordt de Hofvijver sinds 1998 gevoed met gezuiverd water of drinkwater van de Duinwaterleiding uit de Andelse Maas. Water uit de Hofvijver gaat via een stuw en een duiker naar de Prinsessegracht32.

Samenvatting

Over de begintijd van de Beek is niet veel bekend. Er zijn verschillende theorieën bedacht, maar die worden niet altijd goed gesteund door bewijs.

 

Volgens een oorkonde uit 1498 is de Beek gegraven door de voorouders van de graaf, en wel voor "hun plezier". Men denkt dat de Haagse Beek is gegraven om de slotgrachten van het Binnenhof van water te voorzien, maar hij kan ook zijn gegraven om dat voor de Hofvijver te doen. In het eerste geval moet de Beek voor of rond 1290 zijn gegraven. Als het ging om de Hofvijver, hoefde dat pas rond 1352 te zijn gebeurd. De mogelijkheid dat het Binnenhof voor 1290 zoveel last had van water dat het terrein moest worden opgehoogd, doorkruist in ieder geval de eerste theorie. Als er al voldoende water was, hoefde de Beek niet te worden gegraven.

 

De bron van de huidige Beek ligt bij het Schapenatjesduin in de buurt van Kijkduin. Volgens een theorie van Van Breemen lag de bron van de Beek in eerste instantie dichter bij Den Haag. De Beek liep toen van het Alexanderveld (in de Archipelbuurt) naar het Binnenhof. Pas later is de Beek volgens hem doorgetrokken tot Segbroek. De Beek werd waarschijnlijk in de veertiende eeuw als waterkanaal door Segbroek gegraven. De gegraven Beek kan een natuurlijke voorloper hebben gehad. Als deze beek toen ook ontsprong bij het Schapenatjesduin was die niet ouder dan de elfde of twaalfde eeuw. In die tijd ontstonden namelijk pas de duinen bij Kijkduin.

 

De Haagse Beek moest twee keer een flink hoogteverschil overwinnen. Het terrein ging zowel bij Zorgvliet als bij het Noordeinde omhoog. Op deze plaatsen moest men de Beek dieper in het land ingraven om te zorgen voor voldoende verval. Zowel bij Zorgvliet als in de Haagse binnenstad gaf dat problemen. De Beek raakte verstopt en liet minder of geen water door. In 1620 plaatste men een molen in het huidige Willemspark die extra water in de Beek moest pompen. In de negentiende eeuw was dit niet meer voldoende en bouwde men een stoomgemaal bij landgoed Hanenburg. Dit pompte via de Valkenboskade water uit de Loosduinsevaart naar de Beek.

 

Naast de hoeveelheid water gaf ook de kwaliteit van het Beekwater problemen. Net als andere waterlopen werd de Beek misbruikt als riool. Den Haag had voor het eind van de negentiende eeuw geen goed werkend gemeenteriool. Mensen loosden hun toiletafval vaak niet in de beerput die daarvoor was bestemd, maar wierpen het in sloten die dicht bij hun huis lagen. Die sloten waren aangelegd om regenwater af te voeren en kwamen uit in de grachten en in de Hofvijver. Het misbruik veroorzaakte vooral in de zomer grote stank. In de zeventiende eeuw nam men voor het eerst maatregelen om het grachtenwater te verversen, maar het lukte niet de stank van het water definitief op te lossen. Pas in de negentiende eeuw, toen Den Haag dichter bevolkt raakte en de stank erger werd, besloot men tot drastischer maatregelen. Grachten werden gedempt, het Afvoerkanaal naar zee werd aangelegd en op het eind van de eeuw begon men met de aanleg van een uitgebreid rioleringssysteem.

 

De Beek werd in 1861 gedeeltelijk vervangen door een waterleiding. Vanaf de Zeestraat kon het Beekwater niet meer worden vervuild omdat hij ondergronds naar de Hofvijver liep. Als riool bleef de Beek nog bestaan. Pas in het begin van de twintigste eeuw werd hij vervangen door een gemeenteriool. De Beek werd toen volledig schoongemaakt en volgestort met zand.

Conclusie

Over de begintijd van de Haagse Beek is niet veel bekend. Het is zoals Van Doorn en Mennema eerder schreven: er zijn verschillende theorieën over het ontstaan van de Beek, maar niet één vertelt volledig de waarheid. Uitgebreid onderzoek in archieven of in de grond kan misschien aanvullende gegevens opleveren. Hiermee kunnen de gaten in de geschiedenis van de Beek worden opgevuld.

 

 

Verantwoording

Deze geschiedenis van de Haagse Beek is voornamelijk gebaseerd op onderzoek in literatuur en de daarin vermelde archiefbronnen.

Definitieve versie, 12 oktober 2012.

 

Literatuur

• P.J. van Breemen, ‘Grenswateringen in het Noordveen en in het Benoordenhout, het Claas Robbrechtszoonsland en de veenpacht van den Heer van Wassenaar’, Jaarboek Die Haghe, 1939, 208-277.

• P.J. van Breemen, Over des burggraven huur te Scheveningen en het buitengoed Zorgvliet, Jaarboek Die Haghe 1944, p. 34-97.

• P.J. van Breemen, De Heer Leyden en de topografie van Den Haag P.J. van Breemen, De Heer Leyden en de topografie van Den Haag, Jaarboek Die Haghe, 1947, 38-175.

• G.G. Calkoen, 'De wording en ontwikkeling van het "Hof in Die Haghe" gedurende de middeleeuwen', Die Haghe, Bijdragen en Mededeelingen, 's-Gravenhage 1901, pp. 8-68.

• Jhr. Calkoen, Haagse Bos. Bestuurs- en rechtstoestanden in Den Haag, Den Haag 1910.

• A. Carmiggelt, E.J. van Ginkel, De archeologie van Den Haag. Deel 3: de middeleeuwen, Den Haag, 1993.

• Maarten van Doorn, Jaap Mennema, De Haagse Beek, Den Haag 1992.

• Anja Dijkstra, Waterkwaliteit Haagse Beek en Hofvijver (Hoogheemraadschap van Delfland), Delft, 2007.

• H.E. van Gelder, 'Haagse Cohieren', Jaarboek Die Haghe 1913, pp 9-67.

• Mr. J.E.J. Geselschap, Inventaris van het archief van de Ambachtsbewaarder van Segbroek, 1650-1935.

• S. Groenveld, W.E. Penning, C.J.J. Stal, Historische plattegronden van Nederlandse steden, dl. 10, Den Haag, Lisse 2007.

• Mr. J.K. van der Haagen, Het Plein, Huygens en Frederik Hendrik, Die Haghe 1928, 6-ev.

• Anne de Hingh en Evert van Ginkel, De archeologie van Den Haag, Utrecht, 2009.

• C.P. Pous Koolhaas, Middelen tot verbetering van den gezondheidstoestand in steden en meer bijzonder in ’s-Gravenhage, ’s-Gravenhage 1862.

• T. Koopstra, De Vogelwijk - van wildernis en polder tot Woonwijk, in: Jaarboek Vereniging 'Die Haghe', 1968, p.105-152.

• F.J. Moet, Beschouwingen omtrent het verbeteren van de watertoestand van 's-Gravenhage, 's-Gravenhage 1859.

• Jan van den Noort, De hand in eigen boezem: waterkwaliteit in het Hoogheemraadschap van Delfland 1888-2003, Delft, 2003.

• Elisabeth de Nooijer, Ada Wille, De Haagse Beek, blik in verleden, op heden en in toekomst, Wageningen, 1989.

• N.J. Pabon, De Hofboeken van ’s Gravenhage, 1458-1561.

• N.J. Pabon: Die Haghe als ambacht, parochie en waterschap tot het einde der 16e eeuw, in: Die Haghe. Jaarboek 1924, ‘s-Gravenhage 1924, p 71 ev.

• C. Redelykheid, Project om in ’s-Gravenhage de stand der grachten te prevenieeren, ’s-Gravenhage 1773.

• J.G. Smit (eindred) Den Haag. Geschiedenis van de stad, Zwolle, deel I, 2004.

• Kees Stal, 'Een parel aan de kroon van 's-Gravenhage : Zorgvliet, de geschiedenis van landgoed en villawijk' , Den Haag 2002.

• L.F.Teixeira de Mattos, De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland, 10 dln, 1906-1961.

• R. Vijfvinkel, K.P. Companje, W.J. de Geus, M.M. Hegener, ’s-Haags werken en werkers. 350 jaar Gemeentewerken (1636-1986), ’s-Gravenhage 1986.

• z.n., Haagambacht, Mededeelingen van de vereeniging ter beoefening der geschiedenis van ’s-Gravenhage, ’s-Gravenhage, 1861.

Noten

26. G.G. Calkoen schreef die artikelen in de Jaarboeken van de Geschiedkundige Vereniging Die Haghe uit de jaren 1901 tot en met 1903; naast deze artikelen ben ik uitgegaan van reconstructietekeningen van van A. Ter Meer Derval in de kaartencollectie van het Haags Gemeentearchief; verder heb ik uit dezelfde kaartencollectie kaarten vergeleken uit de jaren 1560, 1581, 1593, 1597, 1603, 1620, 1643, 1657, 1662, 1681, 1700, 1767, 1776, 1832, 1833 en 1868.

27. De Beek kwam uit bij de Middenpoort: Calkoen, Wording en ontwikkling van het hof, 46 R 1498 f 141r: Item voor ande Middelpoirte op den voirn. Hove zoe heeft de meester metselaer enen nyenwen dicken langen muyr gemaict, dair die beken effens in den vyver loopt.

28. Hoek 71-74, 98, Koopstra 111, Van der Haagen 8, Oud Archief, bnr 350, inv. nr. 5337, Overeenkomst tot het maken van een windwatermolen ten noorden van 's-Gravenhage tot spuiing van de beek. 10 september 1620.

29. Van der Haagen 8, 14-34.

30. In 1442 werd de Bosbeek genoemd de “beeck, die door dat voors. Bosch loopt”, bron: Rekeningen rentmeester van Noord-Holland 1442-1443, fo 73, geciteerd bij N.J. Pabon, ‘Die Haghe als ambacht, parochie en waterschap tot het einde der 16e eeuw’, in Die Haghe. Jaarboek 1924, p 219. Het ophogen van het Binnenhof wordt genoemd in Beschrijving van de grafelijke zalen op het Binnenhof te ‘s-Gravenhage, in opdracht van den minister van Waterstaat bewerkt door de Commissie van Advies en uitgegeven door de Maatschappij ter Bevordering der Bouwkunst, 1907. Volgens de commissie die de grote restauratie van het Binnenhof in de jaren 1898-1904 begeleidde, was de kelder van het Rolgebouw oorspronkelijk de begane grond. Het was een mooie zaal geweest. Over de Bosbeek zie Calkoen, Haagse Bos, 34.

31. Handelingen Raad 20 mei 1862, Rapport van de op 8 april 1862 ingestelde raadscommissie: een rechtskundige commissie voor onderzoek naar het eigendom van de voormalige Beek in het Noordeinde, 103-104.

31. Van Doorn en Mennema, 39-45, Dijkstra, Waterkwaliteit 13-14.