Geschiedenis van Den Haag: de onderwerpen
kopfoto ooievaar

ooievaarkleinerDe moord op de gebroeders De Witt is een van de schokkendste gebeurtenissen uit onze geschiedenis. Ging het om een complot van Oranjegezinde heethoofden of was het een uitbarsting van volkswoedde?

Zie ook:

 

 

Over de Inleiding op de Moord

Over de Plaats

Over Johan de Witt

Over Johan de Witt-huis.

kopfoto

Moord op de gebroeders de Witt: deel 2. De moord

(Deze pagina is deel 2 van het verhaal over de moord. Deel 1 staat op deze pagina.)

Opstokerij

Terwijl Cornelis de Witt op zaterdag 20 augustus 1672 nog in de Gevangenpoort wachtte op de uitspraak van de rechters (zie inleiding), werden volgens ooggetuige Copmoyer in een nabijgelegen herberg al plannen beraamd tegen de gebroeders De Witt1. Copmoyer was een van de weinig ooggetuigen van de gebeurtenissen die hier iets van heeft opgeschreven. Hij was advocaat en woonde centraal op het Buitenhof, vrij centraal gelegen om alle gebeurtenissen te volgen. Volgens hem waren de heren Odijk, Zuilestein en Tromp om vijf uur ’s ochtends al samengekomen in de herberg van De Beuckelaer op de Plaats2. Willem Adriaan van Nassau Odijk (graaf van Nassau, heer van Odijk) en Willem van Nassau Zuilestein waren vertrouwelingen van Willem III. Tromp was de conflictrijke admiraal Cornelis Tromp. Die zat vol wrok tegen Johan de Witt, omdat hij ontslagen was uit zijn functie. Maar dat was niet terecht, want De Witt had hem juist vaak in bescherming genomen. Hij had hem zelfs langer als admiraal gehandhaafd dan verstandig was. Deze drie heethoofden hadden het dienstmeisje van de cipier van de Gevangenpoort (Bossy) bij zich geroepen. Ze gaven haar de opdracht om Johan de Witt thuis (op de Kneuterdijk) te gaan vertellen dat zijn broer hem wilde spreken3. ‘s Middags waren deze heren volgens een andere bron nog steeds in herberg De Beuckelaer aan het stoken. Admiraal Tromp is die dag ook op andere plekken in Den Haag gesignaleerd. Hij lijkt een van de aanstichters van de moord te zijn geweest.

 

Maar naast deze drie heren waren nog meer mensen van plan om de gebroeders De Witt te vermoorden. Enkele bekende predikanten zorgden er voor dat opruiende pamfletten werden rondgedeeld en aangeplakt. De pamfletten waren in grote haast gedrukt, want de zetters kwamen letters tekort en moesten soms hoofdletters gebruiken:

 

CorneLis De wIt, RVaert Van Putten,

VerraDer Van ’t Lant en ’s PrInCen VIant.

Gaat naar ’t geVangenhUIs, niet Verre Van ‘t

Groene sootIe, aLwaer hI haast Loon naer

SIIne werCken sal ontfangen. In ’t Iaer,

Als Ian Barton en Pieter GrotIUs het SIIn ontsnapt.

 

en een ander, nog sprekender gedicht:

Lucifer roept uit de Hel,

Wanneer de Wit daar komen zel.

De Burgers riepen uit den Haag,

Wagt hem t’avond in uw maag.

 

Dichter Joachim Oudaen, een andere ooggetuige die een verslag bijhield, zag bij de Nieuwe Kerk weer een ander pamflet hangen waarin werd geschreven dat Cornelis zijn hoofd zou verliezen. De felle pamfletten waren geschreven door geletterde mensen. Van predikanten tot notarissen of advocaten wilden burgers wraak nemen op de regenten. Op de Plaats was herberg de Zwaan een van hun verzamelplaatsen. Deze sombere kasteelachtige herberg lag aan de noordkant van de Plaats (ongeveer bij nrs. 14-16).

 

Het was die ochtend van 20 augustus om half tien nog rustig voor de Gevangenpoort. Er stonden slechts twee gewapende schutters op wacht.

Overzicht pleinen rond Gevangenpoort

Overzicht van Den Haag rond de Gevangenpoort. De afbeelding is van een eeuw vroeger, maar geeft toch de situatie van 1672 goed weer. Onder een deel van de Korte Vijverberg waar schutters marcheren. Op de doelen is een schutter aan het oefenen is. Het plein linksboven is het Buitenhof, waar de cavalerie een wachtpost had. Het plein iets rechts daarvan is de Plaats. Het hoge gebouw rechtsachter op dit plein zal herberg De Zwaan zijn. Tussen deze beide pleinen lagen enkele huizen aan de Hofvijver. Daarachter lag een smalle weg en de Gevangenpoort.

Johan de Witt naar de Gevangenpoort

De dienstbode van cipier Bossy ging dus naar het huis van Johan de Witt. Johan de Witt had toen van een knecht al gehoord dat zijn broer was veroordeeld. Een vriend van de familie De Witt vond het verdacht dat Cornelis de Witt de dienstbode van de cipier zou hebben gevraagd om een boodschap over te brengen. Je zou verwachten dat een ambtenaar van het gerechtshof de boodschap moest overbrengen, maar niet een dienstbode. Ook Johans dochter Anna smeekte hem thuis te blijven. Maar Johan was niet snel bang en hij vertrok meteen naar de Gevangenpoort. Zijn beide klerken Wolfert Bacherus en Reinier van Ouwenaller en zijn bediende Jan van der Wissel gingen mee. De koets kreeg opdracht zo snel mogelijk te volgen. Hij was van plan Cornelis naar het huis van oom De Veer in Loosduinen te brengen. Johan had zoveel haast dat hij vergat om afscheid te nemen van zijn vader.

 

Bij de Gevangenpoort was het op dat moment niet druk. Twee stuurse schutters lieten hen ongehinderd doorlopen. De broers begroetten elkaar kalm, maar volgens sommige bronnen was Cornelis verbaasd over Johans komst. Ze spraken kort over het vonnis. Johan de Witt zei het “wonderlijck” te vinden dat het vonnis geen redenen vermeldde. Ze besloten in beroep te gaan.

Tichelaer vrijgelaten

Vlak nadat Johan de Witt om ongeveer half tien bij de Gevangenpoort was gearriveerd werd Willem Tichelaer daaruit vrijgelaten. De cipier had de vrijlating ontraden, want hij was bang dat Tichelaer buiten de gevangenis oproer zou kraaien. Volgens de meeste bronnen werd Tichelaer buiten opgevangen door bekende prinsgezinden. Zij stelden hem aan de aanwezigen voor als de man die de prins had gered. Vermoedelijk kwamen er steeds meer mensen toelopen en werd Tichelaer het middelpunt van een steeds grotere menigte. 'Zotte wijven' kusten zijn handen, aldus een dagboekschrijver. Op straat gaf Tichelaer zijn eigen lezing van het vonnis. Hij was vrijgesproken, dus vonden de rechters dus dat hij Cornelis terecht had beschuldigd. Cornelis de Witt was volgens deze zienswijze dus schuldig aan het beramen van moord op Willem III en had daar dan een erg lage straf voor gekregen. Dat was klassenjustitie. Terwijl Tichelaer naar het Binnenhof liep, ging het verhaal van mond tot mond.

 

Achteraan op het Binnenhof bij de Kasteleinie kwam het tot een oploop. De Kasteleinie was de luxe gevangenis en tevens hotel voor hoge gasten. Tichelaer ging daar naar binnen en hield vanuit een van de ramen zijn nu bekende verhaal: Cornelis de Witt was schuldig voor zijn moordplan en de rechters waren schuldig aan de lage straf4. De menigte trok op een gegeven moment naar de Gevangenpoort. De bronnen zeggen er niets over, maar de menigte zal zijn aangevoerd, vermoedelijk door mensen die later in het verhaal weer terugkomen. Tichelaer komt hierna vreemd genoeg niet meer voor in het verhaal. Hij bleef vermoedelijk achter in de Kasteleinie. Er wordt gesuggereerd dat Tichelaer zelf geschrokken was van wat hij had gedaan5. Twee dagen later vertrok hij naar Piershil.

De Gevangenpoort vanaf de Plaats

De Gevangenpoort vanaf de Plaats. Op de eerste verdieping bij het langwerpige boograam naast het torentje was de kamer van Cornelis de Witt.

Poging te vertrekken

Terwijl Tichelaer op weg was naar het Binnenhof, stuurde Johan de Witt een van zijn klerken naar de rechtbank om het vonnis te halen. Klerk Bacherus liep dus naar de Kasteleinie, want het Hof van Holland, de rechtbank, zat in het gebouw daar tegenover. Op het gerucht dat een klerk van De Witt dreigde te ontsnappen zette een groep mensen de achtervolging in. Maar omdat ze niet wisten hoe Bacherus er uitzag, liepen ze deze voorbij. Die was zo wijs om niet hard weg te lopen. Hij kwam echter niet meer terug. Volgens een bron zou hij geprobeerd hebben terug te keren, maar kwam hij niet meer door de menigte heen.

 

Ongeveer rond elf uur had Johan de boete betaald en waren de broers klaar om te vertrekken. Het was duidelijk dat Bacherus niet terug kwam en daarom besloot Johan zelf poolshoogte te gaan nemen. Buiten gekomen, werd hij echter niet doorgelaten. Er werd een musket op hem gericht en er werd (volgens sommige verhalen) zelfs geschoten. Zijn klerk Van Ouwenaller trok hem weer naar binnen. Volgens de cipier was er geen achteruitgang en ze konden niet weg. De Gevangenpoort werd bewaakt door boze burgers en omliggende huizen werden doorzocht. Op daken van omliggende huizen waren mannen geklommen.

De Haagse schutterij

Toen dichter Oudaen om elf uur de stad weer in ging was het druk geworden. De overheid probeerde nog niet de rust te herstellen. Den Haag had net als elke stad een eigen schutterij die voor orde en rust moest zorgen. Maar schutterijen waren niet altijd betrouwbaar en als het echt uit de hand liep dan zette het landsbestuur het leger in. Dat deed men zo doortastend, dat in ons land oproer nooit zo uit de hand liep als in omliggende landen6.

 

De Haagse schutterij was met zes vendels een kloek korps. Elk vendel telde een paar honderd schutters. Er waren het Witte, Blauwe, Oranje-Blanje-Bleu, Groene en het Colombijne Vendel. Elk vendel stond onder een kapitein en daaronder fungeerde een vaandrig. Een vendel was verdeeld in zes rotten die werden geleid door een luitenant. In 1672 was een deel van de Haagse schutterij buiten de stad gelegerd in de Hollandse waterlinie. Hun plaatsen waren aangevuld met mensen die eerder niet waren toegelaten tot de schutterij, de “onvermogende, onbekwame, losse en oproerige gasten”. Schutters die niet zelf een wapen konden betalen kregen wapens van de magistraat7. De schutters oefenden in de Sint Sebastiaansdoelen op de Korte Vijverberg.

De Gevangenpoort tussen Buitenhof en Plaats

De Gevangenpoort was een nauwe doorgang tussen Buitenhof en Plaats. De huizen tussen de Gevangenpoort en de Hofvijver zijn later gesloopt.

De regering besluit de orde te herstellen

De overheid had nog niets van zich laten horen en daarvan had Den Haag er zelfs twee. Niet alleen het dorpsbestuur van Den Haag had een overheidstaak in Den Haag, maar het bestuur van het gewest Holland had die ook. Op het Haagse stadhuis aan de Groenmarkt kampte het dorpsbestuur met een gezagsprobleem. Opstandige delen van de schutterij wilden niet meer gehoorzamen, maar traden op eigen houtje op. Het bestuur van het gewest Holland was gevestigd op het Binnenhof, achter de Ridderzaal. Het dagelijks bestuur over Holland werd uitgevoerd door de Gecommitteerde Raden. Die waren net bezig met hun ochtendvergadering in een gebouw vlak bij de Kasteleinie waar Tichelaer rond die tijd zijn verhaal hield. De Raden besloten het leger in te zetten. Eén van de drie nog in Den Haag gebleven compagnieën ruiters moesten zich naar het Buitenhof begeven. Drie leden van de Raad (Philips Jacob van Boetselaer, (heer van Asperen), Adriaan Bogaard en Gillis Valckenier) brachten vervolgens verslag uit bij de regering, de Staten van Holland. De Staten van Holland vergaderden verderop op het Binnenhof. Op hun agenda stond toevallig net de keuze van een nieuwe raadpensionaris, de opvolger van Johan de Witt. Ze waren nog steeds bezig met dit eerste agendapunt toen rond elf uur de drie Gecommitteerde Raden kwamen vertellen over de “foules ende samenrottinge”, de oploop en onrust, die nog steeds toenamen. De Staten van Holland droegen de Gecommitteerde Raden op om alles te doen om de rust te herstellen. De cavalerie moest de menigte uit elkaar drijven en desnoods gericht schieten. Kordaat optreden was in die tijd gebruikelijk. De Gecommitteerde Raden moesten bovendien de Magistraat van Den Haag opdragen de betrouwbare delen (de “vertrouste schutterij”) van de schutterij op te roepen. Dat de schutterij op dat moment zelf al opkwam en dat dit vooral de onbetrouwbare schutters waren, was op het Binnenhof dus nog niet bekend.

 

Omdat het gerucht ging dat boeren uit het Westland en Delft naar Den Haag optrokken voor een plundertocht (er waren door de oorlog voedseltekorten) besloot de regering ook om de valbruggen op te halen en de schuiten te leggen aan de binnenkant van de grachten die Den Haag beschermden.

 

Tenslotte verzocht de regering extra hulp van het leger. Men vroeg stadhouder Willem III met spoed naar Den Haag te komen en ook enige compagnieën militairen te paard en te voet te sturen. Willem III antwoordde dezelfde dag dat hij dit niet deed. Waarom hij dit weigerde is een van de raadsels die deze dag omgeven. Het kan niet aan de Franse dreiging gelegen hebben, want die waren begonnen hun troepen terug te trekken. De vergadering van de Staten van Holland dacht dat alles goed geregeld was en ging rond half twaalf uiteen. De heren wisten nog niet van Willems weigering om troepen te sturen.

Den Haag rond de Gevangenpoort op 20 augustus 1672

Den Haag rond de Gevangenpoort op 20 augustus 1672. In lichtrood de situatie van 2009. In zwart en blauw de straten en grachten van 1672. 1 = Kasteleinie, 2 = het Rolgebouw van het Hof van Holland, 3 = de Gevangenpoort, de strafgevangenis, 4 = het huis van Johan de Witt, Kneuterdijk 6, 5 = de vergaderplaats van de Gecommitteerde Raden, 6 = die van de Staten van Holland, 7 = de herberg de Zwaan op de Plaats, 8 = het huis van Nassau Odijk op het Plein, 9 = het Stadhuis waar de Haagse magistraat vergaderde, 10 = de plaats waar mensen werden terechtgesteld, het 'Groene Zoodje', 11 = het logement van de stad Dordrecht, 12 = het huis van advocaat Copmoyer op het Buitenhof, bij de Kaatsbaan. Het vraagteken is de onbekende plaats van het huis of de herberg De Beukelaer op de Plaats. In rood de plaats van de vendels van de Haagse schutterij: Ro = het Oranje Blanje Bleuvendel, Or en Wi het Oranje vendel en het Witte vendel. Gr en Co zijn het Groene vendel en het Colombijne vendel. Bl is de plaats van het Blauwe vendel. Cav is een compagnie ruiters.

Schutter Hendrik Verhoeff

Terwijl de regering kordaat had gehandeld, was de Haagse magistraat, het dorpsbestuur, onmachtig iets te doen. De Haagse schutters waren zich uit eigen beweging al gaan melden bij hun vendels, maar een meerderheid van de schutters had eigen plannen. Een deel van hen wilde de gebroeders De Witt heelhuids overdragen aan Willem III en die zou zich over het vonnis moeten buigen. Maar een spraakzame minderheid onder de schutters wilde het recht in eigen hand nemen. Een van hun leiders was Hendrik Verhoeff, een “langh en swart kaerel”, zilversmid, wonend op het einde van de Vlamingstraat bij de Grote Markt. Verhoeff was onderofficier (vaandrig) van het Blauwe Vendel, het meest prinsgezinde vendel van de schutterij. Kapitein de Swart had die dag niets meer te vertellen over zijn vendel. Dat had gedreigd hem af te zetten en te vervangen door Verhoeff.

 

Verhoeff zou later verklaren dat hij die ochtend had gebeden om te mogen helpen de gebroeders De Witt te doden: “de Witten helpen om hals brengen ofte self sterven”. Nadat zijn vendel op de Hofsingel was geposteerd was Verhoeff door de opperbevelhebber van de schutterij, kolonel Maes, uitgenodigd voor een gesprek in het huis van een zekere Beuckelaer. Maes was niet alleen opperbevelhebber van de schutterij, maar ook lid van de Haagse magistraat (dorpsbestuur). Ook schepen van Banchem, een andere dorpsbestuurder, was aanwezig. De Beuckelaer bij hier genoemd werd, was vermoedelijk Heyman Beuckelaer, die op dat moment commies was bij het Hof van Holland. Hij woonde aan de Torenstraat, ongeveer ter hoogte van de Nobelstraat.

 

Maes probeerde Verhoeff met hulp van glazen drank te kalmeren. Hij stelde Verhoeff een beloning in het vooruitzicht als hij zijn plan de gebroeders De Witt te vermoorden zou laten varen. Verhoeff werd boos en dreigde dat Maes niet veel beter was dan “de schelmen” (de gebruikelijke term op dat moment voor de gebroeders De Witt). Schepen van Banchem hield zich afzijdig en Beuckelaer zou ook niets hebben gezegd. Beide heren zouden door Willem III spoedig worden beloond met hogere bestuursfuncties. Het gesprek liep op niets uit, want Verhoeff liep boos weg en liet zijn vendel optrekken naar de Gevangenpoort8.

Op het stadhuis

Pas nu liet het Haagse dorpsbestuur wat van zich horen, maar heldhaftig was het optreden niet. Verhoeff werd door burgemeester Groenevelt uitgenodigd op het stadhuis te komen. Onderweg werd hem door vele schutters sterkte toegewenst. De schutters van de wacht op het stadhuis waren ook op zijn hand. Bij zijn binnenkomst stonden de burgemeesters, schepenen en vroedschappen voor hem op. Er volgde een kort, maar heftig gesprek. Burgemeester Groenevelt stelde voor dat de gebroeders De Witt door de schutters zouden worden bewaakt, totdat de Prins van Oranje (stadhouder Willem III) in Den Haag was gearriveerd. Die moest beslissen wat er moest gebeuren. Verhoeff was dat niet van plan. Hij beloofde de broers uit de Gevangenpoort te halen en ze “om hals” te brengen. Hij zou het desnoods alleen doen. Hij had maar een half uur nodig om hun harten te brengen: “al sou ick het alleen doen, en hebt alhier met den anderen maar ene half uur patiëntie; ick sal u heden beide de harten in handen leveren.” Het gesprek werd verhit en schutters van de wacht kwamen binnen om Verhoeff te beschermen. Zij bedreigden de magistraat en het gesprek was voorbij. Verhoeff ging terug naar zijn vendel9.

 

Verhoeff werd die dag de bekendste schutter, maar er waren meer schutters die zich luidkeels opriepen de gebroeders De Witt te doden. De schutters Cornelis d’Assigny en Adriaan van Valen worden in bronnen vaak genoemd. De eerste was pokmeester, zoon van een dokter en apotheker. Van Valen was ook pokmeester en schutter van het Oranje-Blanje-Bleu Vendel. Voor deze en andere bekende schutters geldt dat ze uit de geschoolde burgerij kwamen en uit verschillende vendels.

Plaats met het Groene Zoodje

De Plaats met het Groene Zoodje iets links van het midden. Rechts de Gevangenpoort.

Rond de Gevangenpoort

Ondertussen was niet alleen het Blauwe Vendel opgedrongen naar de Gevangenpoort, want heel veel mensen waren toegestroomd naar de Gevangenpoort. Steeds meer mensen kwamen aanlopen. Zelfs koetsen met nieuwsgierige rijken en ouden van dagen die door “glaasjes” moesten kijken. Met afschuw zagen buitenlanders dat hier zelfs vrouwen met stokken en stenen aan kwamen lopen.

 

Voor de Gevangenpoort stond het Oranje-Blanje-Bleu Vendel. Dit vendel had die dag de wacht en was als eerste opgekomen. De meeste schutters van dit vendel zullen prinsgezind zijn geweest, maar zij maakten geen aanstalten de gebroeders De Witt te doden. De kapitein van dit vendel had zelf de Gecommitteerde Raden gevraagd om militairen te sturen. Vlak naast hen, op de Plaats, stonden het Oranje Vendel en het Witte Vendel. Aan de andere kant van het Oranje-Blanje-Bleu Vendel, op de Vijverberg, stonden het Groene Vendel en het Colombijne Vendel opgesteld. De schutters drongen op wraak beluste mensen nog terug.

 

Het huis van Johan de Witt lag op nog geen honderd meter van de Gevangenpoort. Zijn familie moet veel gezien en zeker alles gehoord hebben. Johanna de Witt, de zus van Johan en Cornelis, zorgde er voor dat hun vader en hun kinderen door een achteruitgang op het Noordeinde in veiligheid werden gebracht. Zelf bleef ze thuis en wachtte af.

De ruiterij arriveert

Ergens na het begin van de middag zullen de compagnieën ruiters zijn gearriveerd in opdracht van de Gecommitteerde Raden. De ruiters stonden onder leiding van graaf Claude de Tilly. Twee compagnieën moest hij naar de Plaats sturen. De andere compagnie had wachtdienst en moest zich bij de al aanwezige ruiters op het Buitenhof voegen. Daar hadden de ruiters een soort wachtpost, de Wacht. Eén compagnie bleef op de Kneuterdijk in de grote mensenmenigte steken, waarschijnlijk vóór het huis van Johan de Witt. De andere compagnie, oner De Tilly, bereikte de overvolle Plaats. Daar waarschuwde De Tilly de schuttersofficieren dat als zij begonnen met schieten het zou uitdraaien op een bloedbad. Dit dreigement maakte indruk. De Tilly leek de toestand onder controle te hebben, maar de sfeer bleef gespannen. Iedereen stond op de Plaats zo dicht opeen dat de paarden nauwelijks konden bewegen.

De schutterij verdeeld

Het leger hield de schutters dus in bedwang. Wel gingen groepen schutters de Gevangenpoort in om te controleren of de broers niet al gevlucht waren. Volgens historicus Wagenaar gingen eerst vaandrig Gerard Ameling en schutter Van Os van het Oranje-Blanje-Bleu Vendel naar binnen. Zij praatten met de gebroeders De Witt en raakten zelfs overtuigd van de onschuld van Cornelis de Witt. De vaandrig wilde daarom met zijn kapitein gaan overleggen hoe de broers het beste bevrijd konden worden. Hij werd later door andere schutters niet meer binnengelaten.

 

Hierna kwamen tien andere schutters kijken en wat later nog eens twintig of dertig lieden. De laatst schutters kwamen uit “het slechtste grauw”. Ook zij raakten onder de indruk van de broers. Maar buiten bleef het onrustig. Sommige burgers gingen omliggende huizen doorzoeken. Een metselaar, Klaptas genaamd, klom op het dak van de Gevangenpoort om te kunnen schieten als de broers wilden ontsnappen.

 

De groep schutters die Johan en Cornelis in leven wilden houden tot de Prins van Oranje was gearriveerd was in de meerderheid, maar de amokmakers werden onrustiger10. Volgens ooggetuigen waren veel mensen dronken. Cipier Bossy klaagde later dat twee van zijn vaten bier en een grote hoeveelheid wijn was opgedronken. Alcohol gaf moed en burgers ageerden steeds openlijker tegen de ruiters van de cavalerie.

De Haagse magistraat laat het afweten

Om ongeveer half vier in de middag, kwam vanuit Delft het bericht dat duizenden boeren op weg waren om Den Haag te plunderen. Dat bericht was vals, maar er ontstond paniek. Huizen en winkels werden gesloten. De burgerij eiste dat de regering de ruiters naar de bruggen zou sturen om die te bewaken. De regering werd op dat moment waargenomen door twee leden van de Gecommitteerde Raden. Die gebruikten op dat moment het middagmaal bij commies De Wilde op de Prinsengracht. De twee raden, de heer van Asperen en Adriaan Boschveld wimpelden de verzoeken van achtereenvolgens twee onderofficieren en daarna twee kapiteins van de schutterij af. De kapiteins beloofden dat ze de broers De Witt konden beschermen. In werkelijkheid waren ze fel prinsgezind en hitsten ze hun schutters juist op. Een van de twee, kapitein van Leeuwen, was een van de schutters die zouden worden beloond met een lidmaatschap van de vroedschap (gemeenteraad) van Den Haag.

Het oude stadhuis van Den Haag

In het stadhuis liet de magistraat het afweten.

De geruchten over de boeren bleven zo lang aanhouden dat nu ook twee leden van de Haagse magistraat aandrongen op bescherming van de bruggen. Het waren Johan Maes, bevelhebber van de schutterij, en pensionaris Jakob van der Hoeve. Zij waren waarschijnlijk oprecht bezorgd en hadden geen kwade plannen met de gevangen gebroeders De Witt. Zij vertelden de Gecommitteerde Raden dat zij de situatie onder controle hadden en “dat er geen gevaar van binnen dreigde”. De werkelijkheid was anders. Historicus Japikse had geen goed woord voor de twee dorpsbestuurders over. Voor hem was de Haagse magistraat “slap, zwak en toonde ze een gebrek aan durf “11. Maar een aantal bestuurders van Den Haag spande met de schutters samen om de gebroeders De Witt te vermoorden. De rechtschapen leden van de Haagse magistraat werden door collega’s als Van Banchem zo gehinderd, dat ze waarschijnlijk geen kans kregen om effectief op te treden. Het was natuurlijk wel vreemd dat zij deden alsof ze de zaak onder controle hadden. Waren ze al een beetje bang voor hun toekomst of maakten ze een inschattingsfout?

 

Onder deze druk gaven de twee Gecommitteerde Raden toe. Vooral de gecommitteerde Van Asperen toonde zich volgens Japikse op dat moment Oranjegezind. Samen met gecommitteerde Bosveld gaf hij Graaf de Tilly opdracht om de twee compagnieën die bij de Plaats stonden in vier delen te splitsen. Ze moesten de vier toegangen tot Den Haag gaan bewaken: de Wagenbrug, het Westeinde, de Scheveningse brug en de twee bosbruggen. De compagnie op het Buitenhof bleef daar opgesteld.

 

De Tilly weigerde een mondeling bevel te gehoorzamen omdat hij de situatie op de Plaats te gevaarlijk achtte. Hij eiste een schriftelijk bevel. Dat werd opgesteld door commies De Wilde en getekend door de heren van Asperen en Bosveld. Volgens andere bronnen kwam het schriftelijke bevel van de Staten van Holland en was het opgesteld door de secretaris van de Staten, Simon van Beaumont, een neef van Johan de Witt. Tilly gehoorzaamde en vertrok ergens tussen drie en vier uur. Volgens hem waren de gebroeders De Witt nu “doode lieden”.

 

Vanaf dat moment namen fanatieke schutters onder leiding van Verhoeff het initiatief. Leden van het prinsgezinde Blauwe Vendel mengden zich tussen de schutters van het Oranje-Blanje-Bleu Vendel. De ruiters op het Buitenhof waren te ver weg om iets te doen. Bovendien kon een honderdtal ruiters niet veel doen tegen een grote overmacht van deels dronken schutters. De Staten van Holland kregen rond zeven uur bericht dat het bij de Gevangenpoort uit de hand was gelopen.

De schutterij heeft vrij spel

Op het eind van de middag was het op de Plaats uit de hand gaan lopen. Enkele leden van de Haagse magistraat, het dorpsbestuur, waren naar de Plaats gegaan om de menigte op te hitsen. Die Haagse dorpsbestuurders zouden schepen Van Banchem en de thesaurier van Den Haag zijn geweest. Dat was vermoedelijk de door Willem III met de functie van thesaurier beloond zijnde Jacob van der Does, de dichter (zie biografie). Volgens Copmoyer riepen de heren Nassau-Odijk, Nassau-Zuilestein en Tromp om half drie vijftien schutters van het Blauwe Vendel naar de herberg van De Beuckelaer. De schutters kregen daar voldoende te drinken en werden daarna opgeroepen de gebroeders De Witt te doden. Opnieuw ging het gerucht dat plunderaars Den Haag zouden naderen. Schutters als zilversmid Verhoef, wapensnijder d’Assigny, pokmeester Adriaan van Vaalen, beeldsnijder Kaspar de Mars, wijnkoper van Dorsten en enkele andere besloten dat het nu tijd was de gebroeders De Witt te doden. Ze waren nu vrijwel voor de Gevangenpoort en wisten niet wat er zou gebeuren als boeren Den Haag zouden binnenvallen. Deze schutters begonnen rond half vijf de voordeur van de Gevangenpoort te beschieten. Maar die deur ging niet open, zelfs niet toen hij op een zeef leek. Bij de smid van Willem III, op het Lange Voorhout, werden enkele mokers, hamers en breekijzers gehaald. De deur werd open gebeukt en Verhoef en enkele anderen stoven de trappen op. Leden van een anders schutterscompagnie, vermoedelijk het Oranje-Blanje-Bleu Vendel, probeerden de inval nog te beletten. Zij stopten hier mee toen zij slaags raakten met schutters van een andere compagnie.

De moord

De broers wachtten hen ‘kalm’ op. Cornelis werd bedreigd en Johan werd geslagen met een geweerkolf. De officieren en schutters die de broeders hadden bewaakt, wilden voor de broers opkomen, maar kregen te verstaan dat zij boeven waren die zich hadden laten omkopen.

 

Het eerst werd Cornelis onder gevloek en getier de trappen afgesleurd. Johan werd er door Verhoeff achteraan geduwd. De schutters waren van plan om de broers op de gerechtsplaats, het Groene Zoodje, dood te schieten, maar zo ver kwam het niet. Cornelis bezweek al eerder onder de slagen van geweerkolven. Johan werd door notaris Van Soenen met een piek in zijn gezicht gestoken. Daarna schoot luitenant ter zee Jan van Vaalen hem met een pistool in de nek. Het mishandelen en schieten door op hol geslagen schutters ging nog even door. Een menigte van ongeveer duizend mensen, onder wie ook predikanten, moedigde hen aan. Een Oranjegezind pamfletschrijver was verbaasd over de orde die er verder werd gehandhaafd. Liep de volkswoede georganiseerd uit de hand totdat de broers waren gedood?

Johan de Witt. Hij wijst naar de plek waar hij vermoord is.

Johan de Witt op de Plaats. Hij wijst waarschijnlijk niet naar de plaats waar hij vermoord is.

Verdere gruwelijkheden

Vervolgens werden de lijken naar het schavot gesleept en aan de voeten opgehangen. Toen de schutters wegtrokken rende ander volk naar de lijken om die te verminken. Lichaamsdelen werden afgesneden en later verkocht. Ook notabelen als luitenant-admiraal Tromp kwamen kijken. Tromp stond geruime tijd toe te kijken terwijl een razende menigte de lijken mishandelde. Hendrik Verhoeff sneed de twee harten uit de lichamen en nam ze mee12. Toen de avond viel trok de menigte weg.

 

Omstreeks zeven uur ‘s avonds kwamen de Staten van Holland weer op het Binnenhof bijeen, maar slechts enkele leden waren aanwezig. De Gecommitteerde Raden rapporteerden wat ze gedaan hadden, maar dekten zichzelf in: de Haagse magistraat had beloofd dat de situatie onder controle was. Er werd niets gedaan om de rust te herstellen. Wel werd een wacht geplaatst in of in de buurt van de Kneuterdijk en een paar ruiters bij de lijken.

Begrafenis

Pas rond middernacht was het zo rustig dat de familie van de broers zich buitenshuis waagden. Onder leiding van neef Antonie de Veer brachten enkele vrienden en dienaren de lijken van de Plaats naar het huis aan de Kneuterdijk. Later die nacht (of in de ochtend) werden ze in alle stilte begraven in de Nieuwe Kerk13. Een paar dagen later drong een menigte de kerk binnen en sloeg de opgehangen wapenborden van de gebroeders De Witt kort en klein.

 

 

Deel 3: De politieke nasleep

Geen sprake van berouw

De actie tegen de gebroeders De Witt was uitgelopen op een gruwelijke slachtpartij waarvan je verwachtte dat mensen de volgende ochtend met een kater wakker werden. Maar dat was niet zo. Van berouw was in Den Haag geen sprake. Van daders tot omstanders, van laag tot hoog was men eigenlijk wel tevreden. Dominee Simonides was tijdens de moord al enthousiast en later in de Nieuwe Kerk hij wijdde hij er nog een enthousiaste preek aan. De moord was volgens hem “een straffe gods”.

 

Cornelis’ vrouw Maria van Berkel was die ochtend per koets naar Den Haag vertrokken, maar werd gewaarschuwd om terug te keren. Ze verbleef de nacht in Delft en ging de volgende dag per trekschuit naar Rotterdam. Aan boord vertelde iemand de reizigers dat hij een vinger van Cornelis bij zich had. Toen de man haar die liet zien, zei zij dat de ring gisteren nog aan de hand van haar man had gezeten. De man zou volgens het verhaal van schrik flauw zijn gevallen14.

Betrokkenheid Cornelis Tromp

Dat admiraal Cornelis Tromp nauw betrokken blijkt te zijn geweest bij de moord, wordt duidelijk uit de biografie van Ronald Prud’homme van Reine. Volgens Van Reine toonde Tromp ook later geen spijt. Op 29 december 1672 vroeg hij in een brief aan Johan Maurits Hendrik Verhoeff, de “parson die de harten van de ruwaert van Putten en raetpensionaris De Widt heeft gebergt” aan werk te helpen 15.

Betrokkenheid Willem III

Over de betrokkenheid van Willem III is veel gespeculeerd, maar wat veel bewijs is er niet bekend. Hoewel hij vele jaren later egen een Engelse bisschop zou hebben gezegd dat de dood van Johan de Witt hem geraakt had, blijkt dat niet uit zijn gedrag rond en na de moord. Sommige historici denken dat hij de moord niet durfde te voorkomen uit angst voor het boze volk. Dat durfde hij niet tegen zich in het harnas te jagen, want hij wilde stadhouder blijven. Maar hij stond op erg goede voet met mensen die direct bij de moord betrokken waren. Je kunt dus aannemen dat hij op de hoogte was van wat zij deden en dat hij hun handelen niet afkeurde. Integendeel, iemand als Cornelis Tromp ontving hij al twee dagen na de moord in audiëntie.

Stadhouder Willem III

Willem III (in het Museum van het Protestantisme in Genève)

Beloningen, geen straffen

Ook andere autoriteiten lijken geen poging te hebben gedaan hun justitiële werk te doen. De moordenaars van de gebroeders De Witt zijn niet opgespoord, vervolgd en bestraft. Het tegendeel gebeurde. Enkele van de hoger geplaatste schutters en leden van de magistraat kregen snel hierna een functie in het bestuur van Den Haag. Er werden geen straffen uitgedeeld, maar beloningen gegeven.

Politieke invloed van de schutterij

In andere steden kon de schutterij een rol spelen in de lokale politiek. De stadsregeringen werden in theorie gekozen door de burgers, maar in de praktijk maakten enkele machtige families de dienst uit. In Den Haag zat het bestuur van het dorp (officieel was Den Haag geen stad) heel anders. Hier speelde de schutterij bijvoorbeeld geen rol in de politiek. Alleen nu leek het de Haagse schutters na hun succesvolle moordpartij op de gebroeders De Witt toch te lukken om invloed te krijgen op het Haagse lokale bestuur.

 

De schutters leken doordat ze bij de moord niet waren gehinderd, het idee te hebben gekregen dat ze macht hadden verworven. Het ging niet zo vlot als in andere steden waar schutters direct wijzigingen in de stadsbesturen hadden afgedwongen, maar op 2 september ontvingen de burgemeesters van Den Haag een delegatie van de schutters. De schutters wilden nieuwe stadsbestuurders voordragen en eisten bovendien de benoeming van een andere baljuw. De schutters werden door het Haagse dorpsbestuur aan het lijntje gehouden. De burgemeesters zeiden dat de benoeming van de baljuw een staatszaak was, dus die eis konden ze niet honoreren. Over de voordracht van de nieuwe stadsbestuurders moesten ze eerst voorleggen met de vroedschap. Dat was in die tijd min of meer de gemeenteraad. De volgende dag besloot het bestuur de schutters hun zin te geven. Een voordracht stelde niet zo veel voor, want het was uiteindelijk toch de stadhouder die de stadsbesturen koos. De schutters dachten daar anders over. Zij verspreidden het nieuws dat zij het stadsbestuur hadden afgezet. Dat idee leefde ook bij de andere Hagenaars, maar dat hadden ze verkeerd gedacht.

 

Op of rond 3 september ontving stadhouder Willem III de deputatie van burgemeesters en schutters uit Den Haag. Hij koos vervolgens het nieuwe dorpsbestuur, de magistraat. In andere plaatsen had Willem III slechts weinig wijzigingen in de besturen aangebracht, maar in Den Haag verving hij tamelijk veel bestuurders. De wensen van de schutters leken op het eerste gezicht royaal te worden gehonoreerd. Hij benoemde zelfs meer schutters in de vroedschap dan zij gevraagd hadden. Maar in de praktijk viel dat tegen. Er kwamen wel veel schutters in de vroedschap, maar zij werden niet benoemd als burgemeester of schepen. En anders dan in de steden van Holland, had de vroedschap weinig macht. In Den Haag lag de macht bij de baljuw, en daarna bij de burgemeesters en de schepenen. De vroedschap werd zelden gevraagd om mee te vergaderen.

 

In theorie leek de democratie een stap vooruit te hebben gemaakt, maar in de praktijk was dat dus niet zo. De burgemeesters en de schepenen vormden het eigenlijke stadsbestuur, dus daar veranderde niet veel in. Zij zorgden er voor dat de vroedschap vanaf 1672 geen rol meer speelde in het bestuur van Den Haag. De vroedschap had tot dan toe een rol gehad in de benoeming van burgemeesters en schepenen, maar dar was nu voorbij. Vroeger werden er nog wel eens ledenn van de vroedschap tot burgemeester of schepen gekozen. Dat gebeurde nu niet meer. De vroedschap werd enkele malen per jaar opgeroepen om met burgemeesters en schepenen formele beslissingen te nemen. Van eigen zelfstandige vergaderingen was geen sprake meer. Deze herverdeling van de macht leidde niet eens tot conflicten. Pas een eeuw later, in 1767, was er voor het eerst openlijk onenigheid tussen de regenten en de vroedschap. De stadhouder stelde toen de vroedschap in het ongelijk 16.

Standbeeld Johan de Witt

Na de gebeurtenissen in 1672 duurde het lang voordat Johan de Witt de waardering kreeg, die hij verdiende. Voor zijn verdiensten kreeg hij op 12 juni 1918 het standbeeld dat nu op de Plaats staat. Op de ansichtkaart kijkt een grote menigte toe hoe de koningin het standbeeld onthult. Dit werd gemaakt door de Groninger Frederik Engel Jeltsema. Op het standbeeld staat de tekst: Leider en dienaar der Republiek, vormer harer machtigste vloten, verdediger der vrije zee, verzorger van ’s lands gelden, wiskundige, een volmaakt Hollander..

 

Volgens een verhaal zou hij met zijn vinger wijzen naar de plaats waar hij is vermoord, maar waarschijnlijk is dat niet zo. De moord had waarschijnlijk verder weg hebben plaatsgevonden en het handgebaar lijkt te subtiel om iets met de moord van doen te hebben. Daarnaast laat het beeld een waardige Johan de Witt zien, en niet een verontwaardigde staatsman die boos wijst naar de plek waar hij vermoord is.

Onthulling standbeeld Johan de Witt op de Plaats

Onthulling standbeeld Johan de Witt op de Plaats

(prentbriefkaart Lud Fischer)

Verantwoording

Eerste versie, 21 juni 2009.

De onderstaande geraadpleegde bronnen geven veel informatie, maar spreken elkaar regelmatig tegen in de chronologie van de gebeurtenissen. Waar dit belangrijk leek zijn tegenstellingen vermeld, maar waar dit niet zo belangrijk leek voor het begrip van de gebeurtenissen heb ik niet vermeld dat ik een andere bron een gebeurtenis op een ander uur of een andere dag plaatst.

Literatuur

• Ruud Beeldsnijder, ‘De tong van Johan de Witt. Een politieke afrekening’, in: Onvoltooid verleden, juli/augustus 2000, pp 23-24.

• Herman Blom, e.a., Joachim Oudaan. Haagsche Broeder-moord of Dolle Blydschap, Utrecht 1982.

• M. Carasso-Kok, J. Levy-van Halm(red), Schutters in Holland. Kracht en zenuwen van de stad, Haarlem, 1988.

• Rudolf Dekker, Holland in beroering. Oproeren in de 17de en 18e eeuw, Baarn 1982.

• H.E. van Gelder, 'Johan de Witt als Hagenaar', in: Jaarboek Die Haghe 1919, pp. 78 e.v.

• H.E. van Gelder, 'Schutterij en Magistraat in 1672', in: Jaarboek Die Haghe 1937.

• N. Japikse, Johan de Witt, Amsterdam 1917.

• Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt, Amsterdam/Antwerpen 2005.

• Luc Panhuysen en Jori Zijlmans,  ‘Een beladen proces, Cornelis de Witt in de Gevangenpoort’ in: Spiegel Historiael, jrg. 38, juli/augustus 2003, p. 310–315.

• Ronald Prud’homme van Reine, Schittering en schandaal. Biografie van Maerten en Cornelis Tromp, Amsterdam/Antwerpen 2001.

• Michel Reinders, Gedrukte Chaos. Populisme en moord in het Rampjaar 1672, Amsterdam 2010.

• Herbert H. Rowen, John de Witt, Grand Pensionary of Holland, 1625-1672, New Jersey 1978

• J. Wagenaar, Vaderlandsche Historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland, van de vroegste tyden af. XIV, Amsterdam 1770

• L. Wichers, 'Bijzonderheden betreffende den moord der gebroeders De Witt’, Jaarboek Die Haghe 1894, 96-112

 

Noten

1. Dagboek van Copmoyer, 20 augustus 1672, bij Blom 129.

2. Over een herberg De Beuckelaer heb ik niets kunnen vinden. Wel speelt later een zekere Heyman de Beuckelaer een rol. Dat was een prinsgezinden actievoerder die later in het Haagse dorpsbestuur, de magistraat werd opgenomen. Deze man woonde echter niet op de Plaats, maar in de Torenstraat. Het moet hier dus om twee verschillende personen gaan, maar omdat ze allebei een rol speelden aan de prinsgezinde kant zou het toch om dezelfde persoon kunnen gaan. Odijk, Zuilestein en Tromp kwamen dan niet bijeen in een herberg op de Plaats, maar in het huis van Beuckelaer in de Torenstraat.

3. Dit feitenrelaas komt grotendeels uit Japikse, 342 ev, Rowen, Grand Pensionary 864 ev, Wagenaar 153 ev. Van sommige gebeurtenissen zijn bronnen het niet eens over het tijdstip, maar over de hoofdlijnen is men het wel eens.

4. Cornelis was “slegts om de leus gepynigd”, men had hem “’t hoofd voor de voeten” horen te leggen, maar men had men alleen zijn functies afgenomen “omdat de Regters wel zo schuldig waren als hy”.

5. Japikse 344-345.

6. Dekker 108.

7. Dekker 105

8. Wichers, 103-104.

9. Wichers, 102-106.

10. Japikse 349.

11. Japikse 351.

12. Prud’homme, 306.

13. Rowen 248-264.

14. Wichters 97-99

15. Prud’homme 307.

16. H.E. van Gelder, Schutterij en Magistraat in 1672, in Jaarboek Die Haghe, 58-80.