Geschiedenis van Den Haag
kopfoto

ooievaarkleinerHet huis Kneuterdijk 6 staat bekend als het Johan de Witthuis.

Zie ook:

 

 

Over Kneuterdijk.

Over Johan de Witt.

Over Moord op de gebroeders De Witt.

Over Cornelis Musch.

Over Kneuterdijk 22.

Over Koninklijke stad Den Haag.

kopfoto

Johan de Witthuis, Kneuterdijk 6

Hoewel de naam 'Johan de Witthuis' anders doet vermoeden was Johan de Witt niet de opdrachtgever voor de bouw van dit huis. Hij kwam hier pas wonen toen het net gebouwd was. Het was Mattheus Hoeufft die het had laten bouwen. Het huis werd in 1652 opgeleverd.

Kneuterdijk 6

Het Johan de Witthuis op de Kneuterdijk.

Stadskastelen

De Kneuterdijk is heel wat ouder dan het huis dat nu staat op Kneuterdijk 6. In de middeleeuwen stond hier een geheel ander huis. De Kneuterdijk was in de middeleeuwen het stadsdeel waar de hoge edelen woonden in hun grote stadskastelen. Dat waren geen echte kastelen, maar grote wooncomplexen die in bouwstijl en formaat enigszins op een kasteel leken. Ze hadden meestal een hoofdgebouw en enkele bijgebouwen. De stadskastelen lagen niet direct aan de straat, maar achter een muur met een poort. Daarachter lag een grote binnenplaats. Stadskastelen waren niet bedoeld om belegeringen te doorstaan. De bouwwijze moest alleen aangeven dat hier een ridder woonde, maar iemand van stand.

Frank van Borselen

Het huis dat hier in de middeleeuwen stond was bekend als het Huis van Oostervant, naar de eerst bekende eigenaar. ‘Oostervant’ was de hooggeplaatste edelman Frank van Borselen, heer van Oostervant. Edelen werden meestal genoemd naar het adellijk stuk grond (met huis) dat ze bezaten en niet bij hun familienaam (als zij die hadden). En in dat geval kwam er geen voorvoegsel “van” voor hun naam. Frank van Borselen werd dus gewoonlijk kortweg ‘Oostervant’ genoemd. Evenzo werd prins Willem van Oranje vaak kortweg ‘Oranje’ genoemd en Johan van Oldenbarnevelt kortweg ‘Oldenbarnevelt’1. Borselen was stadhouder van Holland en Zeeland.

 

Van Borselen had meerdere huizen, zowel in als buiten Den Haag. Hij had een huis in de Spuistraat dat later mogelijk werd bewoond door Johan van Oldenbarnevelt. Op de Kneuterdijk had hij zelfs twee huizen. Het kleinere stond op de hoek van de Plaats en het grotere huis stond op de hoek van het Stinksteegje (nu Hartogstraat). Dat laatste huis was een echt stadskasteel en was zelfs een van de grootste van de Kneuterdijk. Het complex staat afgebeeld op enkele vogelvluchtkaarten die een dikke eeuw later zijn gemaakt. Op die kaarten zie je een uitgebreid complex dat een hoofdgebouw had op de plaats van het huidige Kneuterdijk 8. De bijgebouwen stonden op de plaats van het huidige Johan de Witt-huis, Kneuterdijk 6 (zie tekening).

 

Uit rekeningen blijkt dat het hoofdgebouw een zaal had en twee verdiepingen met allerlei vertrekken. Aan de kant van de Kneuterdijk lag een binnenplaats. In de bijgebouwen lagen de keuken, het lardier (bewaarplaats van vlees) en andere vertrekken. Boven de keuken lag de slaapkamer van de hofmeester die het complex beheerde. Het hele erf is omgeven door een muur met kantelen, zodat het de uitstraling had van het kasteel van een ridder zoals heer Frank van Borselen was. De tuin achter het complex was lang en liep helemaal door tot aan de Beek langs het Noordeinde. Daar lagen ook de stallen die een uitgang hadden op het Noordeinde, met een brug over de Beek. Er was een stal voor Van Borselen en zijn belangrijkste dienaren en een stal voor de paarden van zijn boogschutters. Frank van Borselen was zoals dat voor een edelman hoorde, dol op de jacht. Hij had in zijn stadskasteel drie hondenhuizen en een valkhuis. De tuin had niet alleen verschillende priëlen (bloemtuinen), maar ook een kruidhof en een wijngaard2.

reconstructie van middeleeuws situatie van Kneuterdijk 6

De middeleeuwse Kneuterdijk op een reconstructietekening geeft het huizenblok tussen de Heulstraat en de Hartogstraat. De tekening geeft in lichtrood de huidige situatie. In zwart de gebouwen die op een geschilderde vogelvluchtkaart van 1570 te zien zijn. De verhoudingen van alles wat op de kaart uit 1570 getekend is kloppen niet, dus blijft er nog veel te raden over.

Floris van Egmond

Nadat Borselen op 18 november 1470 kinderloos was overleden, zal het huis door een familielid zijn geërfd. Via deze kwam het in bezit van een ander familielid. Deze Floris van Egmond was ook stadhouder van Holland. Sinds 1508 was hij substituut-stadhouder van zijn oom Jan van Egmont. Oom Jan was al wat ouder en droeg veel taken over aan zijn neef. In 1511 ontving Floris officieel zijn aanstelling als ‘lieutenant et coadjutor du gouverneur’ van Holland, nog steeds dus als substituut van de gouverneur (oudere naam voor ’stadhouder’). Floris was een belangrijk dienaar van de graven uit het Habsburgse huis (huis = familie). Hij was onder andere actief in de oorlog in Gelderland en werd in 1522 benoemd tot legeraanvoerder van het graafschap Holland. De Egmonds waren actief lid van de Kabeljauwse partij en in Den Haag hadden zij een uitgebreid netwerk van aanhangers opgebouwd. Een stadhouder liep niet helemaal aan de leiband van zijn heer, maar probeerde ook aan zijn eigen belangen te denken. En regelmatig in de eerste plaats aan zijn eigen belangen. Mogelijk was dit de reden dat Floris niet verder kwam dan substituut-stadhouder. In zijn plaats werd iemand anders tot stadhouder benoemd, zelfs iemand uit een andere familie, graaf Hendrik van Nassau3.

 

Toen het zover was had Egmond zijn huis op de Kneuterdijk al verkocht, want hij was gaan wonen op het Binnenhof. De nieuwe eigenaar was raadsheer van het Hof van Holland, mr. Abel van der Coulster, Het Hof van Holland was de hoogste rechtbank van Holland. Van der Coulster woonde vanaf 1520 een jaar of vijfentwintig in het huis op de Kneuterdijk. Vermoedelijk werd het na zijn overlijden geërfd door zijn schoonzoon Anthony van Cats. Deze verkocht het vervolgens rond 1550 verkocht aan hertog Erik van Brunswijk4.

Erik van Brunswijk

Erik, hertog van Brunswijk, heette eigenlijk Erich Herzog zu Braunschweig-Lüneburg. Hij was ook heer van het vorstendom Calenberg. Hoewel zijn moeder in Calenberg het protestantisme invoerde, koos hij in de godsdienstoorlogen die in zijn tijd woedden, de katholieke kant. Hij was militair. In die tijd hadden landen nog geen eigen legers, maar namen zij militairen in dienst die bevelhebber van hun eigen troepen waren. Een koning huurde dus een legeraanvoerder compleet met een leger. Erik van Brunswijk was een van de bekendere veldheren die tijd in deze tijd in de Nederlanden vochten. De meeste collega’s van Brunswijk verhuurden zich steeds aan de zelfde partij, maar Brunswijk had ook collega’s die overliepen naar de tegenpartij als die meer geld bood. Brunswijk bleef trouw aan zijn principes en bleef zijn katholieke vorsten Karel V en Filips II trouw. Hij vocht voor hen in Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en de Nederlanden. Hij werd betaald met enkele heerlijkheden, waaronder het Nederlandse Woerden. In 1573 kreeg hij een buitengewoon hoge onderscheiding. Hij werd door Filips II in de Orde van het Gulden Vlies opgenomen. In vooral oudere biografieën wordt hij ongunstig omschreven als krijgslustig en gevaarlijk, maar het is niet duidelijk of hij zich inderdaad heeft misdragen. Hij was in ieder geval een enthousiast militair die de onverstandige politiek van zijn heren stipt bleef uitvoeren. Hoewel hij voor zijn werk vaak buiten Den Haag was, verbleef hij regelmatig in zijn huis op de Kneuterdijk. Het Stinksteegje werd zelfs naar hem vernoemd als Hertog van Brunswijksteechie, of Hertogstraat of Hartogstraat. Maar zijn partij was niet succesvol tegen de protestantse opstandelingen. De protestanten verdreven de katholieken uit Holland en de nieuwe regering nam bezittingen van katholieken in beslag. Zo kwam zijn huis aan de Kneuterdijk in handen van de Staten van Holland. Hij kwam niet meer terug, maar overleed in 1584 ver van zijn huis, in Italië5.

Kneuterdijk 6 in 1570

Een getekende versie van de vogelvluchtkaart uit 1570. Het Huis van Borselen heeft nummer 46.

Maria van Oranje

Twee erfgenamen eisten zijn eigendommen op. Er volgde een proces van meer dan een halve eeuw dat pas in 1650 werd opgelost. Een van de erfgenamen droeg zijn aanspraken over aan graaf Philips van Hohenlohe. Hohenlohe was legeraanvoerder van de Verenigde Nederlanden. Hij was getrouwd met Maria van Oranje en dus schoonzoon van Willem van Oranje. Als ze niet op hun kasteel in Buren verbleven dan woonden ze in het huis aan de Kneuterdijk. Maar ook de Staten van Holland gebruikten het huis als logement voor hoge gasten. Na het overlijden van Hohenlohe in 1606 bleef Maria er eerst nog wonen. Vanwege de rechtzaken verkocht ze haar aandeel in het huis in 1607 aan Erik Dimmer.

Erik Dimmer

Erik of Erick Dimmer was Maria’s rechtskundig adviseur geweest en was tevens raadsheer van haar halfbroer prins Maurits. De andere helft van het huis huurde hij van een jongere graaf van Hohenlohe, Philip Ernst. Dimmer bleef hier vermoedelijk wonen totdat hij in 1630 overleed. Over hem is in literatuur niets te vinden6.

Cornelis Musch

Na zijn overlijden verkochten zijn erfgenamen de helft van het huis aan Cornelis Musch de beruchte griffier van de Staten-Generaal. Musch betaalde er 15.000 gulden voor. Het andere deel huurde hij, totdat hij het in 1649 voor 10.000 gulden kon kopen. Toen Cornelis Musch in 1636 zijn intrek in het huis nam, was hij 44 jaar. Hij was getrouwd met de levenslustige Elizabeth, dochter van de moralistischer Jacob Cats.

 

Musch was in ongeveer 1593 in Rotterdam geboren als zoon van een rijke haringreder. Zijn vader was enkele malen burgemeester, een functie die we tegenwoordig wethouder zouden noemen. Cornelis begon zijn loopbaan als advocaat bij het Hof van Holland. Hij deed daar praktische ervaring op in de rechtspraktijk. Daarna was hij geruime tijd stadspensionarisvan Rotterdam. In strijd tussen Oldenbarnevelt en Maurits koos hij de kant van stadhouder Maurits. Musch bleef Oranjegezind en omdat de Oranjes in die tijd de machtigste personen waren, was dat niet slecht voor zijn carrière. De Friese stadhouder Willem Frederik schrijft in zijn dagboek dat Musch zijn carrière op gang hielp door relaties aan te knopen met dochters van invloedrijke regenten7.

 

In 1628 werd Musch benoemd tot griffier van de Staten-Generaal. Het kostte hem het nodige aan geschenken, maar hij zou dat royaal terughalen. Musch was als geen andere op de hoogte van lopende kwesties en hij maakte handig gebruik van de politieke tegenstellingen tussen de verschillende gewesten. Het lukte hem om de bestuurders in de Staten-Generaal te beïnvloeden. Hij was slechte secretaris van de vergaderingen van het landsbestuur, maar hij gedroeg zich niet als een ambtenaar. Hij stond er om bekend zijn vergaderende bazen in de rede te vallen, ze niet aan het woord te laten, of ze in de wandelgangen te bepraten of te intimideren. En als ze dan toch iets besloten dat hem niet beviel dan wijzigde hij dat achteraf in het resolutieboek (waarin de besluiten werden opgeschreven). Al in 1631 klaagden leden van de Staten-Generaal dat hun griffier “te boecke laet teyckenen anders als de resolutie is gevallen.” Het was niet fraai voor iemand die pas drie jaar griffier was, maar het zou nog erger worden.

Hartogstraat

Hartogstraat. Links de tuin van het Johan de Witthuis.

Als griffier had hij geen groot inkomen, maar hij vulde dit aan tot recordhoogte. Bijverdienen was gebruikelijk, maar Cornelis Musch maakte het erg bont. Bij hem was op een gegeven moment alles te koop, van een baantje voor een familielid tot zelfs geheime staatsdocumenten voor een buitenlandse gezant. Een dankbare Franse koning verhief hem in 1636 in de adel en ook de Zweedse koningin Christina schonk hem enkele voorrechten. Zijn voorbeeld werd door de klerken op de griffie gevolgd. Cornelis Musch kon jarenlang ongestoord zijn gang gaan. Hij werd beschermd door stadhouder Frederik Hendrik en door een groep machtige regenten. Vlak nadat Jacob Cats in 1636 raadpensionaris van Holland was geworden, trouwde Musch met zijn dochter Elisabeth. Elisabeth bleek in niets de moralistische gedichtjes van haar vader Cats te volgen. Zowel Musch als zijn vrouw kwamen in opspraak door hun voor die tijd te gemakkelijke omgang met het andere geslacht.

 

Maar de groep mensen die hem steunden werd ouder en kleiner. Toen de nieuwe stadhouder Willem II in 1650 overleed, had hij geen beschermheer meer. Kort daarop, op 15 december 1650, overleed Cornelis Musch. Het gerucht ging dat hij, geplaagd door ‘gewetensangst’, zelfmoord had gepleegd. Alsof er niets gebeurd was, kreeg hij de begrafenis die bij zijn status paste. De leden van de Staten-Generaal liepen op 23 december met lange rouwmantels in de stoet mee naar de Grote Kerk8.

 

Na zijn dood trok Elisabeth in bij haar vroegere geliefde Diederik Pauw op de Korte Vijverberg. Zij trouwden in stilte op 28 januari 1652. Het huis aan de Kneuterdijk 6-8 werd enkele maanden later, op 17 mei 1652 verkocht aan Mattheus Hoeufft.

Mattheus Hoeufft

Hoeufft kon het huis gemakkelijk betalen, want op een ranglijst van rijkste mannen uit de Gouden Eeuw staat hij op de elfde plaats. De schatrijke Hoeufft kwam uit Dordrecht en stamde uit een bijzonder rijke familie van kooplieden en bankiers. Van een oom die in Parijs ook diensten aan de Franse koning Lodewijk XIII verleende, erfde hij een groot kapitaal. Bovendien kwam zijn vrouw uit een vermogende Amsterdamse familie. Zoals veel mensen uit de ‘Top Honderd’ van rijkste mensen uit de Gouden Eeuw, belegde hij een deel van zijn geld in land en kocht hij ook enkele heerlijkheden. Zo kon hij zich heer van het Zeeuwse Buttinge noemen. Hij had een vermogen van naar schatting één miljoen gulden. Hij ging niet alleen om met bankiers en kooplieden, maar kwam ook in contact met bestuurders. Zijn broer Diederik trouwde met Maria de Witt, een zus van raadpensionaris Johan de Witt. Hoewel Hoeufft geld leende aan prins Willem III, was hij een aanhanger van de Staatsgezinde partij9.

Bouw van het Johan de Witthuis

Het grote middeleeuwse complex was waarschijnlijk te ouderwets naar zijn smaak. Op 13 juni 1652 vroeg hij een bouwvergunning aan voor een nieuw huis. De bouw van het Johan de Witthuis zal in 1652 zijn begonnen en tijdens de bouw woonde Hoeufft in het oude hoofdgebouw. Drie jaar later was het klaar. Het huis kreeg in de Hartogstraat een hoge tuinmuur die tot aan het Noordeinde liep, met een zij-ingang. Aan de kant van het Noordeinde werd een koetshuis met paardenstal gebouwd en een brug over de Haagse Beek. Als de molens meehielpen stroomde door dit kanaaltje het water omhoog naar de Hofvijver. De architect van het huis was onbekend, maar kunsthistorici denken aan Pieter Post of aan Justus Vingboons. Het huis was nog niet helemaal gereed toen onverwacht zijn jonge vrouw Maria Sweerts overleed. Daarom ontbreken nu de familiewapens van Hoeufft en Sweerts in de bekroning van de voorgevel. In 1655 ging Hoeufft in zijn nieuwe huis wonen en verhuurde hij het oude huis aan de Deense gezant Charirius.

 

Het huis is regelmatig verbouwd. Van het oorspronkelijke ontwerp zijn geen tekeningen bewaard gebleven. De ingrijpendste verbouwing was die van de hugenoot Girardot de Chancourt.

Kneuterdijk in 1690

De Kneuterdijk in 1690. Bij de koets het Johan de Witthuis, niet helemaal zoals het er in werkelijkheid uitzag. (Haags Gemeentearchief)

Toen Hoeufft in 1669 overleed werd zijn nalatenschap werd beheerd door drie familieleden, onder ander door broer Diederick. Die was getrouwd met Maria, de zus van Johan de Witt, de raadpensionaris van Holland. Die verhuurde het huis verhuurd aan Johan de Witt. De Witt woonde na het overlijden van zijn vrouw (1668) alleen in een groot huis aan de Hofsingel. De Witt zocht naar twee huizen naast elkaar. Zijn Amsterdamse zwager Gerard Bicker, heer van Swieten, was benoemd tot lid van de Rekenkamer van Holland en moest in Den Haag komen wonen. Als de Bickers naast hem zouden wonen, dan konden zij zorgen voor de kinderen van Johan de Witt.

Johan de Witt als bewoner

Het oudere pand werd op dat moment gehuurd door het Haagse Besogne van de Verenigde Oostindische Compagnie. Dit onderdeel van de VOC wilde wel verhuizen naar een ander pand en zo had Johan de Witt zijn twee huizen gevonden. Johan de Witt ging wonen in het ‘Johan de Witthuis’, het huis dat er nog staat op Kneuterdijk 6. Het gezin Bicker trok in het huis daarnaast, het vroegere en reeds afgebroken Kneuterdijk 8. De beide gezinnen woonden hier van najaar 1669 tot mei 1672. Toen verhuisde de familie Bicker naar de Houtstraat en kwamen Johans oudere zuster Johanna en haar man op Kneuterdijk 8 wonen. Haar man was Jacob van Beveren, heer van Zwijndrecht, net lid geworden van de Gecommitteerde Raden.

 

Het oudere pand werd op dat moment gehuurd door het Haagse Besogne van de Verenigde Oostindische Compagnie. Dit onderdeel van de VOC wilde wel verhuizen naar een ander pand en zo had Johan de Witt zijn twee huizen gevonden. Johan de Witt ging wonen in het ‘Johan de Witthuis’, het huis dat er nog staat op Kneuterdijk 6. Het gezin Bicker trok in het huis daarnaast, het vroegere en reeds afgebroken Kneuterdijk 8. De beide gezinnen woonden hier van najaar 1669 tot mei 1672. Toen verhuisde de familie Bicker naar de Houtstraat en kwamen Johans oudere zuster Johanna en haar man op Kneuterdijk 8 wonen. Haar man was Jacob van Beveren, heer van Zwijndrecht, net lid geworden van de Gecommitteerde Raden.

Johan de Witt vermoord

Uiteindelijk moesten de regenten toegeven aan de druk van de groepen boze burgers. Overal werden regentenregeringen op lokaal niveau vervangen door anderen, vaak uiteindelijk ook weer regenten. Johan de Witt en zijn broer Cornelis werden het mikpunt van een felle lastercampagne, die werd gevolgd door aanslagen op hun leven. Op 23 juli 1672 werd Cornelis door een barbier beschuldigd van het beramen van een moordaanslag op prins Willem III. De beschuldiging was naar alle waarschijnlijkheid vals, maar de rechters bij het proces kwamen toch met een straf. Zij gaven hem niet de doodstraf, zoals je zou verwachten bij zo’n aanklacht van hoogverraad, maar ze spraken hem ook niet vrij. Hij was niet schuldig, maar werd bestraft. Hij werd verbannen uit Holland.

 

Na de uitspraak van dit vonnis zocht Johan de Witt zijn broer op in de gevangenis. Hij kwam de gevangenis, de Gevangenpoort, wel in, maar daarna door de toeloop van boze burgers niet meer uit. Haagse schutters die de orde moesten handhaven hielpen mee aan de verstoring daarvan. Ook de regering deed weinig om te helpen. Enkele overheidsfunctionarissen stookten de menigte zelfs op om de gebroeders De Witt te vermoorden. Er werd drank geschonken en de toestand werd grimmig. Op het eind van de middag, 20 augustus, werd de gevangenis door boze schutters bestormd. De broers werden uit de gevangenis gehaald en buiten op straat op vermoord. Hun lijken werden opgehangen en door het ‘grauw’ verminkt.

Kneuterdijk in 1690

De Plaats in 2009 met het standbeeld van Johan de Witt.

De kinderen Hoeufft

Na deze dramatische gebeurtenissen keerde de familie De Witt niet meer terug naar Kneuterdijk 6. Twee van de eigenaars, de twee oudste zoons van Hoeufft, gingen er wonen. Van de tweeling Johan Diederik en Mattheus jr. Hoeufft ging Mattheus in het oude middeleeuwse huis wonen (Kneuterdijk 8) enJohan Diederik in het huis van De Witt. De nakomelingen van Mattheus bleven daar tot 1766 wonen. Het huis werd verder uitgebreid en gemoderniseerd. In 1925 werd Kneuterdijk 8 gesloopt omdat het plaats moest maken voor een bankgebouw. Het huis Kneuterdijk 6 bleef na het overlijden van Johan Diederik leeg staan. De kinderen woonden elders en zij verhuurden het huis aan onder andere Jacob Godefroy van den Boetzelaer. Deze Amsterdammer was in Den Haag komen wonen omdat hij op 15 maart 1720 was benoemd tot baljuw van Den Haag. In 1725 werd hij lid van het college van Gecommitteerde Raden. Het jaar daarop verhuisde hij naar de Prinsegracht en werd het huis door de kinderen Hoeufft verkocht aan een Franse hugenoot10.

André Girardot de Chancourt

Deze Franse hugenoot was André Girardot de Chancourt. Girardot kwam net als de familie Hoeufft uit Parijs. Net als andere hugenoten vertrok hij wegens de geloofsvervolging uit Frankrijk. Hij koos voor Den Haag waar hij in 1715 arriveerde. In 1725 had hij dankzij een erfenis genoeg geld om zijn eerste huis in Den Haag te kopen, Kneuterdijk 6. Hij liet het huis meteen aanpassen aan de nieuwe smaak, dat wil zeggen de nieuwe stijlen die langzamerhand uit Frankrijk werden overgenomen. Hij liet een nieuw bordes maken met een bijpassend balkon boven de ingang. Achter het huis liet hij een nieuwe vleugel bouwen. Hij liet het aan de achterzijde met twee vleugels uitbreiden over alle verdiepingen. De Riemer beschrijft rond 1730 dat het huis verbouwd wordt. Op de bel-etage voegt de ene vleugel aan de zaal een langgerekte salon toe. En er zijn meer wijzigingen. Na zijn overlijden deden zijn kinderen het huis in 1736 van de hand12.

Kneuterdijk rond 1900

De Kneuterdijk rond 1900. Opvallend zijn de luifels boven de ingangen van de huizen. Tweede huis van links is het Johan de Witthuis, daarnaast het huis waarmee het vroeger een deel uitmaakte, Kneuterdijk 8. (prentbriefkaart Lud Fischer)

Volgende bewoners

Het huis had vanaf dat moment veel verschillende bewoners. Een van de bekendere was de Engelse ambassadeur Sir Joseph York, die er in 1763 kwam wonen. Door vererving kwam het in 1811 in bezit van Hendrik Collot d’Escury, later lid van de Tweede Kamer. In zijn huis woonde prins Willem in november 1813 enkele dagen voordat hij in het paleis aan het Lange Voorhout ging wonen. De familie Collot d’Escury bleef het pand verhuren. Rond 1840 was dat aan de gezant van Pruisen en rond 1850 de Britse gezant Abercrombie. In 1858 werd Kneuterdijk 6 eigendom van baron F.H.R.R. baron Fagel. Baron Fagel verkocht het huis in april 1874 aan de koning die er zijn jongste zoon liet wonen. Prins Alexander woonde er de laatst tien jaar van zijn leven en trok zich steeds meer in dit huis terug. Hij liet soms de luiken sluiten en de wacht voor het paleisje inrukken om zo de schijn te wekken afwezig te zijn. Na zijn dood op 21 juni 1884 trok een sensatiebeluste menigte in het paleis voorbij aan het lijk van de ‘zonderlinge’ prins. De begrafenis vond pas vier weken later plaats omdat zijn vader hiervoor een kuur in Duitsland niet wilde onderbreken.

 

Kort daarop verkocht koning Willem III het pand weer. Het werd meer en meer verwaarloosd, ook tijdens de bewoningdoor Russische en daarna Amerikaanse gezanten. De Russische ambassadeur. had de merkwaardige hobby om beren in zijn tuin te houden. De Amerikaanse ambassadeur volgde hem op. In de afbraakwoede van na WO I, toen onder meer het aangrenzende Kneuterdijk 8 werd gesloopt, was ook het einde van het Johan de Witthuis dreigend nabij. In juli 1920 stond het te koop en dreigde het te worden gesloopt. Gelukkig werd het gered doordat een voorname kunsthandel, Dorus Hermsen, het in 1923 voor acht jaar betrok. Tot in 1935 woonde er de weduwe Hermsen. Eind jaren 1930 werd het pand restaurant, ‘Warong Batavi’, later ‘Brastagi’. Op de eerste etage zat een nogal rechtse, anti-socialistische partij, het Verbond voor Nationaal Herstel. In 1938 werd het gekocht door Levensverzekering Maatschappij “Utrecht”

 

Na de Tweede Wereldoorlog kwam het in gebruik bij de Levensverzekeringsmaatschappij ‘Utrecht’. In de jaren 1960 werd het Johan de Witthuis gerestaureerd onder leiding van architect C.W. Royaards. In 1979 werd het gekocht door het rijk 13.

Verantwoording

Eerste versie, 27-6-2009.

Toen dit stuk al bijna gereed was verscheen toevallig een bijzonder mooi boek over dit huis: ‘Johan de Witthuis. 6 Eeuwen wonen op hoog niveau.’ De bestaande literatuur gaf weinig informatie over de latere bewoners van dit huis, na Girardot de Chancourt. Dit nieuwe boek geeft ook over deze mensen veel informatie.

Literatuur

• A. Alberts, Een venster op het Buitenhof, Amsterdam, 1987.

• A.A. Arkenbout,Frank van Borselen, Rotterdam, 1994.

• A.A. Arkenbout,‘De huizen van heer Frank van Borselen', Jaarboek Die Haghe 1970, pp. 82-101. Serge ter Braake, Met recht en wetenschap. De ambtenaren bij het Hof van Holland en de Haagse Rekenkamer in de Habsburgse Tijd (1483-1558), Hilversum 2007.

• Ch. Dumas, C. Stal, R. de Booij, Johan de Witthuis. 6 Eeuwen wonen op hoog niveau, Den Haag 2009

• N. Japikse, 'Cornelis Musch en de corruptie van zijn tijd.' In: De Gids, 1908, 1.

• Paul Knevel, Het Haagse Bureau, 17de-eeuwse ambtenaren tussen staatsbelang en eigenbelang, Amsterdam 2001.

• Paul Prangers, Johan de Witt huis, 1669-1969.

• Herbert H. Rowen, John de Witt, Grand Pensionary of Holland, 1625-1672, New Jersey 1978

• C.W. Royaards en J. van Reyst, Het Johan de Witt-huis, [’s-Gravenhage] 1966.

• Rijksgebouwendienst, Interimrapport bouwhistorisch onderzoek Johan de Witthuis, ’s-Gravenhage, 1988

• J. Visser, Gloria parendi. Dagboeken van Willem Frederik, stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, 1643-1649, 1651-1654, Den Haag 1995,

• Peter Wander, Haagse Huizen van Oranje. Vier eeuwen paleizen en huizen van de Oranjes in en om de Residentie, Den Haag, 1982.

• Kees Zandvliet, De 250 rijksten van de Gouden Eeuw, Amsterdam 2006.

Noten

1. Damen, 290-291; Daarom werd het huis ook niet ‘Huis van Van Oostervant’ genoemd. Dat zou wel zo zijn als Van Oostervant zijn familienaam was geweest. Maar dat was het niet. Oostervant was een gebied dat hij als ‘heer’ bestuurde. Je kon zo’n heer bij zijn familienaam noemen of bij de naam van het gebied dat hij bestuurde als heer. In het laatste geval gebruik je niet het voorvoegsel ‘van’, tenzij je zijn titel ook gebruikt. Dus Frank van Borselen kon je noemen ‘Oostervant’ of ‘graaf van Oostervant’. Op dezelfde wijze spreek je bij de prins van Oranje over ‘Oranje’, en bij de graaf van Egmont over ‘Egmont’. Soms werd de naam van het gebied waarover men had geheerst ook de familienaam. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de familie Van Wassenaer. En bij Johan van Oldenbarnevelt zou het zijn omdat hij heer van Oldenbarnevelt was, maar dat was niet zo. Deze landsadvocaat claimde een adellijke afstamming, maar hij bezet in ieder geval geen riddermatig goed Oldenbarnevelt.

2. Arkenbout, Huizen van, 84-95.

3. Schreuder 2-3, Ter Braake, 41-42, 270-279.

4. Schreuder 3.

5. Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek (NNBW), dl. VIII, kol. 228–229; Erich II in Wikipedia; Erich II in de Neue Deutsche Biographie;

6. Schreuder 3-5; Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek (NNBW), dl. VIII, kol. 397; Maria was graven van Nassau, prinses van Oranje; biografie van het Instituur voor Nederlandse Geschiedenis.

7. Van S.H. ginck bie de heer Musch, daer ick twe uyren bleef sitten, die mij van alle dinghen sprack, hoe men sich te hoof moet holden, naemelijck uyt de kekeleri, want het quam de eene ofte ander tijt uyt. Daernae dat hij mit sijn vriën sich gepousseert had, omdat de vaeders van de dochters sijn partie hielden, Bron: Visser 89..

8. Knevel 141-143.

9. Zandvliet 31.

10. Dumas 25-27, De Riemer III 54

11. Dumas 27-28, Schreuder 17-18.

12. Schreuder 11-13, Wander 103-106.